X. Wedergeboorte zonder het te weten


En hij (Johannee) zal met den Heiligen Geest vervuld worden, ook van zijner moeders lijf aan.

Luk. 1 : 15. a


Bij het vraagstuk der wedergeboorte kan men niet te ernstig rekenen met de kinderen der geloovigen, die sterven eer ze tot jaren van onderscheid kwamen. Met stellige beslistheid over hun lot in het eeuwige te spreken, verbiedt ons de eerbied voor het doen van de majesteit Gods. Hij alleen oordeelt. God de Heere is rechter van levenden en dooden, ook van het vroeg gestorven kroost, en dies betaamt het ons, bij het graf onzer dooden, ’tzij ze jong of op rijper leeftijd stierven, steeds indachtig te blijven aan de beperktheid van onzen blik, het onvolkomene onzer kennis, de onvastheid onzer oordeelen, om nooit te vergeten, dat het rechtvaardig oordeel Gods, juist wijl Hij alle ding in heilige waarheid aanschouwt, anders kon zijn, dan wij hadden gehoopt, of ook, dan onze kortzichtigheid had gevreesd. |83|

Bij ons spreken over de vroeg gestorven kinderen der geloovigen houde men dus in het oog, dat we geen oordeel met volstrekte zekerheid of beslistheid bedoelen, maar ook van hun lot in het eeuwige slechts met die bedachtzaamheid gewagen, die ons, schepselen, voegt en in Gods Woord van ons geëischt wordt.

Vooral bij onze kinderkens mogen we niet anders. Immers, vatte eenmaal het denbeeld post, dat jonggestorven kinderen onvoorwaardelijk zalig worden, dan zou het ouderhart, dat zijn kinderen met een heilige liefde mint, den vroegen dood van zijn kroost moeten afsmeeken, zalig spreken wie vroeg heenging en met teedere bezorgdheid de minder bedeelden beklagen, die veroordeeld waren om bij langer leven zich te wagen aan een onzekere kans.

Men kent de verfoeilijke misdaad, die zich achter den lieflijken naam van het „engeltjes-maken” zoekt te verbergen, en nog heugt ons, hoe voor korten tijd het afgrijslijk bericht uit Engelands hoofdstad overkwam, van een kindermoord, die, op groote schaal door ontmenschte vrouwspersonen georganiseerd, zich onder dienzelfden naam aankondigde. Men heeft er van geijsd, maar heeft men ook bedacht, hoe de onnadenkende toon, waarop bij het kindergraf steeds gesproken werd, zulk een misdaad in de hand werkte? Wie is zoo vreemdeling in de donkere gangen van het vrouwenhart, om de zelfmisleiding niet te gissen, die, door vrees voor schande tot het uiterste gedreven, in de stille gedachte: „Dan is het arme wicht toch zalig!” middel vond ter verkrachting van een consciëntie, die bij het moederhart pleiten moest voor het leven van haar eigen kind! |84|

Onze vaderen drukten zich voorzichtiger uit.

In de artikelen, die ze op de Dordtsche Synode tegen de Remonstranten stelden, verklaarden ze, dat geloovige ouders, steunende op de verbondsgenade, over het eeuwig lot van hun vroeg gestorven kinderen niet beangst moesten zijn.

Ze gaven dus de mogelijkheid, de waarschijnlijkheid zelfs van de zaligheid dezer kinderkens toe, doch zonder tot een stellig en beslissend oordeel recht te geven.

Ook zóó echter is deze belijdenis voor het leerstuk der wedergeboorte van het uiterste gewicht.

Immers, zoodra men erkent, en wie zou dit niet erkennen, dat, om het zoo voorzichtig mogelijk uit te drukken, onder de vroeg stervende kinderkens ook kinderen Gods zijn, die de eeuwige heerlijkheid beërven zullen, is het hiermeê uitgemaakt, dat de daad der wedergeboorte van Godswege ook reeds in de eerste levensjaren of maanden volbracht wordt.

Ontkende men dit, dan zou van tweeën één volgen: òf dat de kinderkens, die vroeg sterven, niet in zonde ontvangen en geboren zijn, en uit dien hoofde geen wedergeboorte van noode hadden; òf dat de weg der zaligheid niet voor allen, die uit vrouwen geboren zijn, dezelfde is, maar dat er een andere weg der behoudenis is voor kinderen, een andere voor volwassenen, en dat alleen de laatste ons is geopenbaard.

Het eerste kunnen noch mogen we toegeven.

Wat „uit vleesch geboren is” dat is vleesch, zegt de Heer, en stelt hiermeê een regel, die geen uitzondering toelaat en op elk uit menschen geborene zonder onderscheid van toepassing is. „De dood is tot alle menschen doorgegaan,” herhaalt de Apostel, zonder met een |85| enkele lettergreep voor de jong stervende kinderen een uitzondering te maken. „Zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods.” „Wie zal een reine geven uit den onreine?” Reeds de geboorte zelve was naar des Heeren wet in Israël Levitisch onrein.

En evenmin is de tweede uitvlucht denkbaar.

De onderstelling, alsof er voor vroeg gestorven kinderen een andere weg der behoudenis zou zijn dan voor volwassenen, werpt het geheele Evangelie omver en is er onbestaanbaar meê.

„Er is maar één naam onder den hemel gegeven, door welken wij kunnen zalig worden, de naam Christus Jezus.” Dit wil niet slechts zeggen, dat buiten den Zoon Gods ons heil ondenkbaar is, maar evenzeer en meer nog, dat een uit menschen geborene niet kan zalig worden, tenzij hij in verband trede met dien Zone Gods in zijn vleeschwording, d. i. met Christus Jezus. Toont nu geheel de Openbaring, dat dit in verband treden met Jezus niet een bijzondere zaak tusschen hem en elk menschenhart is, maar dat hij mensch wordt, om met het menschenlijk geslacht, met onze menschelijke natuur gemeenschap te hebben, en langs dien weg ook ons te bereiken, dan is uiteraard de toebrenging tot Jezus van een kind, dat reeds ophield tot deze aarde te behooren, een ongerijmdheid.

Eén kudde, één lichaam, één plant, één wijnstok zal het zijn, niet twee groepen van gezaligden, waarvan de ééne op gansch andere wijze zou zijn toegebracht. Juist in het wegnemen van elken muur der afscheiding ligt de hooge triomf van het Godsrijk. Het mysterie, waarvan Paulus roemt dat het, verborgen van alle eeuwen, nu geopenbaard is aan zijn heilige Apostelen, bestaat |86| juist in die ondeelbare, onverbrekelijke eenheid, die aller heil uit eenzelfde kiem wassen doet en daarom aller glorie in éénzelfde kroon vereenigt.

Gemeenlijk overweegt men de bedenkelijke gevolgen niet, waartoe zoo oppervlakkige beschouwing bij onze jong gestorven kinderkens leiden zou.

Waant men, dat ze ook na hun sterven nog door den Heer kunnen geheiligd worden, dan snijdt men den ernst van het Evangelie af en zet de deur open voor een opnieuw binnendringen van de dwaling, waartoe Rome in haar leer van het vagevuur verviel. Indien toch een vroeg gestorven kind „niet bleef liggen gelijk het viel,” niet aan deze zij van het graf in den staat moest komen, waarin het eeuwig blijven zal, welke reden zou er bestaan om bij ouderen van jaren deze hope op een toekomstige bekeering af te snijden? Maar dan ook omgekeerd: erkent men, dat de stellige openbaring van Gods Woord zich tegen het overdragen der beslissing naar de andere zijde des grafs bepaald en onvoorwaardelijk verzet, ligt het in den aard der zaak, dat de zedelijke ernst des Evangelies ophoudt, waar aan zulk een gedachte voedsel wordt gegeven; en is zulk een stelling slechts een bedekte poging om de verleidelijke leer van de geleidelijke en trapsgewijze „zaliging aller zielen” in te voeren; — dan dient een iegelijk, die aan Gods Woord vasthoudt, den eisch tot zedelijken ernst in zijn consciëntie ervaart, en een „zaliging aller zielen” als onderst-bovenkeering van geheel de bedeeling der genade inziet, ook ten ernstigste te protesteeren tegen het fluisteren bij onze kindergraven van een wegsleepende gedachte, die geheel ons geloof ondermijnt. |87|

Ook van onze vroeg gestorven kinderen moet het beleden, dat ze uit den kranken wortel gesproten, niet dan krank tot aanzijn konden komen; dat ze, uit deze wereld des doods voortgekomen, niet dan de doodskiemen in hun eigen wezen konden dragen; ja, dat ze, geworden uit een menschelijke natuur, die zondig en dies onheilig voor God is, zonder schulddelging en verzoening niet dan voorwerpen van zijn toorn konden zijn, vervreemd van het leven Gods en onvatbaar voor het invloeien van den stroom zijner heilige liefde.

Ook voor hen is dus onmisbaar het genezen worden van hun krankheid door den éénigen Medicijnmeester, het getrokken worden uit het rijk der duisternis naar het Koninkrijk van den Zoon der liefde, het overgaan in het leven uit den dood. Ook over hen moet komen dat bloed der verzoening, dat van alle zouden reinigt, en den schuldige in zichzelf heilig stelt voor zijn God. Kortom, al de veelheid en rijkdom, die, door het welbehagen Gods ons bereid, door zijn raad ons beschikt en in den Eéngeborene ons geschonken is, moet in al zijn volheid en in al zijn deelen ook aan onze vroeg gestorvenen geschonken worden, zullen ze met de kinderen der opstanding eens jubelen in de volheid van het heil.

En toch sterven ze te vroeg, om ooit op deze aarde den naam van Jezus te kunnen stamelen; te jong, om, met het eigen gewetensoog wat van Sathan en van Christus is onderscheidend, voor hun Heiland te kiezen en hem trouw te zweren met den heiligen moed des geloofs. Van een eigen daad kon bij hen nog geen sprake zijn.

Dit klemt te sterker, zoo men ook met de jongsten |88| onzer vroeg gestorvenen rekent, en ze sterven soms zoo heel vroeg, kort na, soms in, een enkele maal zelfs vóór de geboorte. En toch, die allen moet de Christelijke liefde in haar beschouwing saâmvatten. Ook het wichtje, dat nooit het oog voor het levenslicht opende, heeft toch geleefd, is een menschelijk wezen, heeft een bestaan, een aanzijn; vergeet het niet, een eeuwig aanzijn; ook op hem dringt de levensvraag van verderf of zaligheid aan.

Valt hiermeê elk begrip, hoe flauw, hoe mat, hoe onwaarneembaar ook, van eigen meêwerking, weg, dan brengt het lot dezer geheimzinnige wezens ons ook tot de onontwijkbare slotsom, dat de wedergeboorte geheel lijdelijk door hen wordt ondergaan en een levendmaking van hun ziel door Gods hand is, waarvan zij zelven, waarvan hun moeder niets bespeurt, en die plaats grijpt in de spelende kinderjaren, soms reeds in het wiegje, óók, vroeger nog, reeds eer het kindeke geboren was in zijn moeders schoot.

Dat zulk een werking van den Heiligen Geest mogelijk is, leert de Schrift onwedersprekelijk. Wat ze ons van Johannes den Dooper meldt, is te dezen opzichte afdoende. Reeds in zijn moeders schoot, zoo kondigt de engel het aan Zacharias aan, zou hij vervuld worden met den Heiligen Geest; en als Elizabeth Maria ontmoet, wordt het kindeke , dat ze onder haar hart draagt, op die heilige aannadering, aangegrepen, en springt op in haar schoot. Dat Jesaia’s uitspraak: „De Heere heeft mij geroepen van den buik af,” even sterk bewijs voor de mogelijkheid van zulk een werking is, ontkennen we niet, maar bepalen ons liefst tot het gebeurde met Johannes den Dooper, omdat de uitspraak der Schrift |89| te zijnen opzichte allen twijfel en alle onzekerheid buitensluit en de vraag naar de mogelijkheid van zulk een daad Gods, reeds door de verwijzing naar een enkel feit, volkomen is opgelost.

Gelijk de werkingen des Heiligen Geestes op ons hart zich niet bepalen tot de uren van den dag, dat we wakker zijn, maar ook als we sluimeren, ook in de uren van den nacht, over onze ziel komen, zoo is het dus ook met de aangrijping des Heiligen Geestes, die onze ziel wederbaart en levend maakt. Ze kan ons deel worden in die jaren onzes levens, als we, reeds tot bewustzijn ontwaakt, wetende wat goed en kwaad is, en kennis dragende van de werkingen, die aan onze ziel plaats grijpen, ’tzij op het oogenblik zelf, ’tzij uit de onmiddellijke gevolgen, weten en inzien, dat de hand des Almachtigen onze ziel uit haar graf heeft opgewekt. Maar, en hiermeê rekene men, ze kan ook over ons komen in onze vroegste levensjaren, zonder dat iemand het nog vermoedt, zonder dat we er zelf het minste van bespeuren, eer we nog ons eerste woord gestameld hebben, op de speelkamer, we zeiden het straks reeds, in de wieg, of in den schoot onzer moeder.

Immers, valt niet te loochenen, dat het alzoo is bij vroeg gestorven kinderkens, dan valt evenmin te ontkennen, dat het ook alzoo bij langer gespaarden zijn kan. —

Hiermeê is een belangrijke uitkomst verkregen. De vraag, wat voorafgaat: bekeering of wedergeboorte, is er meê opgelost. Van bekeering kan natuurlijk bij onze vroeg gestorven kinderen geen sprake zijn. Bekeering is een daad van den wil, die men niet dan met bewustzijn, wetende wat men doet, volbrengen kan. Daartoe |90| is een spelend kind, een kindeke in de wieg, een nog ongeborene in ’s moeders schoot volstrekt onbekwaam. Toch greep er, indien het kindeke, dat ons ontnomen werd, zalig wierd, wedergeboorte plaats. Waaruit volgt, dat niet de wedergeboorte aan voorafgaande bekeering, maar wel de bekeering aan voorafgaande wedergeboorte gebonden is.

Wedergeboorte is derhalve een levendmaking van de eerst doode ziel, waarbij de zondaar volstrekt lijdelijk is, zoo zelfs, dat ze geheel buiten zijn bewustzijn kan omgaan.

Bekeering daarentegen is een daad, evenzeer door God in ons gewerkt, maar die niettemin evenzeer onze eigen daad is en waartoe we niet kunnen geraken, dan nadat de wedergeboorte in ons plaats greep en we van dood levend gemaakt zijn.

Dat intusschen de wedergeboorte, dus opgevat, slechts de aanvang is van een daad Gods, die zich door geheel het geloofsleven voortzet en eerst in de volle heerlijkheid voltooid zal zijn, vereischt afzonderlijke uiteenzetting.

Er lag ten deze waarheid in de voorstelling door onze vaderen gegeven, dat wedergeboorte de voleinding is van het geloof. |91|




a. Eerder gepubliceerd ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004