IX. Het wonder der herschepping


Niet uit den bloede noch uit den wil des vleesches noch uit den wil des mans, maar uit God.

Joh. 1 : 13. a


Onze wedergeboorte kan niet gedacht worden buiten verband met de Gemeente, maar evenmin buiten verband met onzen natuurlijken mensch. De voorstelling, alsof onze natuurlijke mensch bij het werk der wedergeboorte eenvoudig wegviel, niet meêtelde, en in den hoek der werkeloosheid werd teruggedrongen, om voor den nieuwen mensch plaatste maken, brengt een splitsing in ons menschelijk wezen, die ongerijmd is, en voert, door de godslasterlijke theorie van „den ouden Adam”, tot vergoêlijking van zonde en onheilig spel met Gods wet.

Er heeft nieuwe geboorte plaats, maar die geboorta draagt het kenmerk van wedergeboorte, een wederom en nog eens geboren worden van wat reeds geboren was. Het is niet een andere mensch, een andere persoonlijkheid, een ander wezen, dat in de wedergeboorte tot aanzijn komt, maar ze grijpt plaats in en aan den |74| mensch die er reeds was, een persoonlijkheid die reeds bestond, een menschelijk wezen, dat reeds een aanzijn door een scheppingsdaad des Heeren ontving. Nicodemus vatte in vleeschelijken zin op wat geestelijk te verstaan was en verdiende deswege Jezus’ scherpe berisping: maar wat de beteekenis van de uitdrukking „wederom geboren worden” betreft, vatte hij Jezus’ bedoeling uitnemend. Het kon niet doelen op het uit niets geboren worden van een kindeke, maar moest zinspelen op een terugtreden van den reeds geboren mensch in het niet, om denzelfden mensch, die vroeger anders bestond, nu als nieuw in zijn wezen te doen uitkomen.

In en na de wedergeboorte blijft de bewerktuiging van ons wezen wat ze eertijds was. Door dezelfde zintuigen blijven we gemeenschap oefenen met de buitenwereld, die om ons is. De indrukken van die buitenwereld, door onze zintuigen opgevangen, doen evenals vroeger ons gevoel aan. De op ons gevoel gewekte indruk blijft evenals eertijds ons denken gaande maken. Door de saâmwerking van gevoel en denken wordt onze wil in beweging gezet, en de wijze, waarop die wil zich uit, blijft evenals voorheen van de eigenaardige trekken van ons karakter, van de plooien die ons wezen door omgeving en ervaring ontving, ja zelfs van de overheerschende neiging onzer persoonlijkheid afhankelijk. Die bewerktuiging, die instrumenteering van ons wezen was niet door onszelf gemaakt of uitgedacht, noch door onze ouders voor ons uitgezonnen, maar werd ons alzóó gegeven van God. Toegestemd moet voorzeker, dat ook deze instrumenten van onzen geest, door ons geboren worden in ongerechtigheid, wil men, door ons |75| ingaan in een zondig geslacht, het bederf der natuur van dit geslacht deelden, daardoor hun buigzaamheid en kracht misten, in onjuiste verhouding tot elkander waren geplaatst, en dies van verre zelfs de werking niet doen konden, waarop ze waren aangelegd; maar al glipte het rad van de spil af en al werd het tusschen andere raderen vastgewrongen, een rad blijft het niettemin, dat straks, uit de gebroken spaken der andere raderen losgemaakt en weêr op de spil gezet, waarop het oorspronkelijk hoorde, als een rad loopen en zijn uitmuntende drijfkracht oefenen zal. Al spreekt het dus vanzelf, dat noch ons gevoel noch ons denken noch ons willen, zoomin onze karaktertrek als de neiging van ons wezen, vóór de wedergeboorte anders dan in verwarring, ongelijk, en dies eer vernielend dan opbouwend werken kon, ze bestonden niettemin, deden al was het ook hun tegennatuurlijke werking, en werden bij de wedergeboorte niet uit ons genomen om door een nieuwen toestel vervangen te worden, maar op hun plaats gezet, in de richting gedreven waarin ze hoorden, ontdaan van hindernissen en dusdoende tot harmoniëuse werking in staat gesteld.

Datzelfde geldt ook van die diepere wereld, die op den bodem van ons hart met onze persoonlijkheid in aanraking komt. Men is gewoon, dat innerlijk verborgen terrein met den naam van het gemoed te bestempelen, en eigen ervaring zegt ons, dat in dat gemoed ook ons geweten zijn zetel heeft. Dat gemoed vervult een driedubbele taak. Het biedt een terrein voor ons hart om met de onzichtbare, geestelijke wereld in aanraking te komen; het dient ons als schatkamer ter bewaring van diepe levensindrukken, die we ontvingen; eindelijk, het |76| is de woonstede van ons eigenlijk ik, gelijk het als eigen persoon in zijn diepste kern bestaat.

Het eerste behoeft nauwlijks herinnering. Behalve de zichtbare wereld is er een onzichtbare; daarvan leeren de zintuigen ons niets, het gevoel ontvangt er door de zintuigen geen indruk van, het is voor de uitwendige bewerktuiging van ons wezen, alsof die wereld niet bestaat. Voor velen, wier gevoel geen andere indrukken dan van buiten ontvangt, bestaat ze dan ook ganschelijk niet. Zal men met haar in gemeenschap treden, dan moet ons hart een bewerktuiging naar binnen hebben, gelijk de zintuigen er ons een naar buiten bieden. Een ander oog, een ander oor, een anderen tastzin, een anderen smaak, een andere reuke, waarnemend niet wat buiten ons in het zichtbare, maar hetgeen verborgen in het onzichtbare plaats grijpt. Dat is de instrumenteering van ons gemoed. Door die innerlijke zintuigen vangen we in dat gemoed een hooger lichtstraal op ver boven den glans der zon, beluisteren we een stem die uit de eeuwige diepten op ons aandringt, tasten we de geestelijke wezenheden, die het Koninkrijk Gods saâmstellen, smaken we een spijze, die sterkt en verkwikt met wonderlijke mogendheid en ruiken we als ware het dat alles beslissend verschil tusschen wat heilig en onheilig, demonisch of hemelsch, uit den Sathan of uit God is.

Bij het jonge kind werkt die instrumenteering van het gemoed, hoe verward en gebrekkig ook, toch nog sterker dan bij den volwassene vóór zijn wedergeboorte. Een kind toont soms een instinctief besef, waardoor het als ruikt of de persoon met wien het in aanraking komt een edele natuur is of een onheilige mensch. In een |77| kind is soms iets teruggetrokkens, een bezig zijn met iets, dat ge niet waarneemt, een diep aangedaan worden door wat achter de zichtbare wereld ligt. Vandaar hun aantrekkelijkheid voor het heilige; vandaar dat ze het bidden niet vreemd vinden; dat ze van de dingen des hemels zich zoo licht gezeggen laten; dat ze over dat raadselachtige, onzichtbare, altijd vragen wat en hoe het toch is; vandaar hun wezenlijk genieten in vreugd, hun zoo diep ongelukkig zijn in smart.

Maar toch, meer nog dan de instrumenteering, die ons met de buitenwereld in gemeenschap stelt, heeft die bewerktuiging van ons gemoed door het bederf onzer natuur geleden, en ge ziet het dan ook, als de knaap opgroeit, hoe zichtbaar die innerlijke bezigheid verflauwt, die gevoeligheid afneemt. dat instinct uitslijt en dat gissende vragen zelfs wegsterft, tot het is of het gemoedsleven, geheel verstompt werd en de wereld hem ontzonk, waarmeê de zintuigen van het gemoed hem vroeger verrijkten.

Komt het nu tot wedergeboorte, dan leeft dat alles weêr op, niet doordien het gemoedsleven met een nieuwen toestel voorzien wordt, maar zóó dat de eens gebroken raderen van dat inwendig leven hersteld, op hun spillen gezet en in onderlinge harmonie worden gebracht. Dan keert wel niet de toestand van het kind terug; want in het kind waren die raderen reeds bij zijn geboorte gebroken, ze stonden nooit op de rechte plaats, ze werkten nimmer gelijk het behoorde; maar niettemin zijn het dezelfde raderen gebleven, ook de bewerktuiging van zijn gemoedsleven is geen andere geworden, slechts werd ze vernieuwd en naar Gods oorspronkelijk plan in orde gesteld. Daar voelen we iets |78| van, als we na onze wedergeboorte een aanknooping aan de teederste aandoeningen onzer jeugd meenen te vinden. Het bracht sommigen zelfs op het dwaalspoor en schonk ingang aan de meening, alsof spade ontwikkeling van wat in onze jeugd reeds bestond het een en al der wedergeboorte zijn zou.

Ten tweede, is het gemoed de schatkamer van onze levensindrukken. Onze liefde, ons geloof, onze hoop, ze worden in die schatkamer bewaard. Wat het geheugen voor ons denken doet, doet het gemoed voor het leven van ons hart: het bewaart wat wij onder de gedurige wisseling der indrukken te loor zouden doen gaan. Wat smart of vreugd, verdriet of opgetogenheid, angst of schrik, een aangrijpend woord of indrukwekkende droom, een raadselachtige ontmoeting of pijnlijke bejegening in ons werkten, bezinkt in den stillen stroom van ons gemoedsleven en blijft daar voortgisten, ook als wij er niet meer om denken. De heilige indrukken van ons gebed liggen in die diepte weggezonken, met de jammerlijke nawerking onzer zonden. En nu, ook die schatkamer wordt bij of door onze wedergeboorte niet leêg gemaakt om ze met een geheel nieuwen inhoud te vullen. Ook wat daar lag opgetast, blijft. Zoo na als vóór onze wedergeboorte ervaren we de werking van in ons vroeger leven ontvangen indrukken. Het verworven bezit blijft, maar het gebruik er van wordt gewijzigd. Na de wedergeboorte let men meer op wat daar binnen verzameld werd en de eerst doode schat werd een levend bezit. Men gebruikt dien schat niet meer als eertijds, ter prikkeling van hartstocht en opwekking van onheiligen zin, maar leerde schiften en onderscheiden en elk deel van dien schat voor zijn doel |79| aanwenden. Het bleef het oude en toch is het nieuw geworden, wijl men het met een ander oog beziet, met een andere hand aanraakt, voor een geheel ander doel besteedt.

Ten slotte wezen we er op, dat ons gemoed de woonstede is voor ons eigenlijk ik, en eerst waar men tot ik is doorgedrongen komt men aan de eigenlijke kern der wedergeboorte. De dubbele levenssfeer zoo van het gemoed als voor het uitwendige en de instrumentatie, die we voor beide ontvingen, worden door de wedergeboorte, wel veranderd in richting, in orde gesteld en tot harmonie gebracht, maar toch niet in eigenlijken zin wedergeboren. Wat wederom geboren wordt is dat ik. Nog eens is het dezelfde persoon, die ter wereld komt, nog eens hetzelfde oog, dat het daglicht ziet, maar die zelfde persoon is in den diepsten grond nieuw geworden. Niet alsof het oude ik uit hem werd weggenomen, om er een ander ik voor in stede te brengen. Voor zoo mechanische, werktuiglijke daad is in het werken Gods geen plaats. Neen, maar dat ik, dat dood was, met een wortel uit zijn levensaarde in God getrokken, speelbal van zijn instrumenteering, een uurwerk, waarvan de spil wel trilde en slingerde, maar dat niet liep, dat ik werd in de wedergeboorte levend gemaakt, met zijn wortel in de moederaarde van het leven Gods gezet, meester over de instrumentatie van zijn aanleg, en trad uit het doelloos slingeren over in den vasten gang. Als men door gepraepareerd metaal een electrischen stroom laat gaan, wordt het magnetisch, begint het te werken en trekt het aan. Eerst was het dood. De ijzerstaaf lag er wel onder, maar ze werd niet opgetrokken. Er was geen werking, geen beweging, elk teeken van leven |80| ontbreekt. Maar zie, zóó raakt de electrische stroom het metaal niet aan, of het begint te leven, er gaat werking van uit, de ijzerstaaf komt in beweging en heft zich op. Is het zoo niet in de wedergeboorte met ’s menschen ziel? Ook vóór de wedergeboorte is ze er wel, maar ze werkt niet, ze is machteloos, zonder beweging als de dood, maar zóó komt niet over haar de stroom van het leven des Geestes, of ze begint leven te toonen, er gaat werking van haar uit en ze doet hetgeen waartoe ze door haar Schepper was verordineerd.

Voor dien ommekeer van ons ik ontbreekt elke verklaring. Elke poging, om dat levend worden van het eerst doode ik uit een eindige oorzaak te verklaren, zal telkens weêr doelloos blijken. Alleen de niet wedergeborene heeft in zulk pogen lust.

Het gezet worden uit het rijk der duisternis op het levensterrein van den Christus, is niet iets dat ons ik doet, maar dat aan ons ik gedaan wordt. Niet door eenig mensch: die kan er niet bij, en al kon hij er bij, hij zou het niet omzetten kunnen. De spil in de diepste kern van ons persoonlijk wezen van natuur doen veranderen kan alleen de Heere, en gij in Hem, in zoover het gebed een kracht is, die, in God zich verliezend, door Hem haar werking bekomt.

Hieraan mag niets toe- of afgedaan. Van die majestueuse daad Gods behoort men zelfs met zijn verklaringen en toelichtingen af te blijven. Al wat er bij- of aan toevoegt verduistert haar goddelijke heerlijkheid voor uw oog.

Er is nooit een enkele mensch wedergeboren, wiens wedergeboorte vrucht van eigen zielsverlangen of anderer liefde was. Heb uw kind, uw vrouw, uw broeder lief |81| met al de liefde van uw hart: maar zoo ver reikt uw liefde niet, dat gij ze het leven in den dood van het ik zoudt kunnen brengen. Daartoe is een meerdere liefde noodig dan gij hebt. Dat is Godes en staat niet aan u.

De wijze, waarop de Heere dit scheppingswonder der wedergeboorte werkt, moge zich aan uw oog ontdekken, toch is al wat gij ziet nog niets dan de toebereiding der middelen. Die kunnen vele of weinige zijn. Die moogt ge oppervlakkiger of scherper onderzoeken. Toch dringt ge tot het wezen zelf der zaak niet door. Ge ziet wel de middelen en hun toebereiding, maar hoe nu, meê door die middelen, de wedergeboorte zelve tot stand komt, ziet ge niet.

Dankbaar erkennen we de vrucht, die dieper onderzoek van de natuur onzer consciëntie, van de wetten der zielkunde, van de aanhechtingspunten in den mensch, voor het inzicht in goddelijke dingen gedragen heeft; ijverig en zonder verpoozen moet op den weg van dat onderzoek worden voortgegaan; niets wat geweten kan worden mag door onze traagheid bedekt blijven; ook bij de wedergeboorte is tot recht verstand en voorkoming van dwaling veel bruikbaars aan te wijzen; slechts voor één ding wachte men zich. Had men ooit bij zulk een onderzoek den toeleg, om ten slotte alles, dus óók de wederbaring zelve, uit eindige, menschelijke oorzaken duidelijk te maken, dan zouden we dien geestesarbeid met vollen nadruk hebben af te wijzen, wijl hij, de grens tusschen dood en leven opheffend, Gode zijn majesteit en ons den troost onzer zielen rooven zou. |82|




a. Eerder gepubliceerd ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004