VIII. Onze Moeder. Onze Vader in Christus. Het sacrament


Jeruzalem dat boven is, dat is vrij, ons aller Moeder.

Gal. 4 : 26. a


Het is niet zoo, alsof de geloovige eerst bij of na zijn wedergeboorte in de Gemeente zou worden ingelijfd, maar uit die Gemeente zelve, waartoe men reeds door geboorte en Doop behoort, wordt men wedergeboren, na verwekt te zijn door den Heiligen Geest. Het gaat niet zoo toe, alsof de Heere hier en ginder een twee-, driehonderdtal zielen met zijn leven begiftigde, om ze eerst daarna saâm te voegen, opdat uit die saâmvoeging de Gemeente zou ontstaan; maar die Gemeente is er eer dan wij, beleed den Christus eer wij Hem kenden, zij is de levensschoot, waaruit ons geestelijk leven geboren werd. Dat de eerste stichting der Gemeente hierop ten deele een uitzondering maakt geven we toe, mits men niet uit het oog verlieze, dat dit slechts zeer ten deele. is. „Van den beginne der wereld aan,” dus belijdt onze Catechismus, „heeft Christus zijn Kerk gehad”; allen die na Abraham tot het geloof kwamen, ontvingen dat |65| geloof door geestelijke afstamming in rechte lijn van dezen „vader der geloovigen.” Geestelijke zonen en dochteren van Abraham moeten we zijn, om deel te hebben aan het heil des Heeren. Zelfs het geloof van Abraham staat niet buiten verband met de Gemeente, die er van Eva af tot op Terah, den Uriet, geweest is. De stichting der universeele Gemeente op den Pinksterdag wortelt in de nationale Gemeente, die onder Israël reeds twintig eeuwen vóór Jezus’ geboorte bestond. De levensvraag, die in de dagen der Apostelen de gemoederen fel bewoog, of namelijk de Heidenen eerst Joden moesten worden, om tot den Doop te worden toegelaten, gold eveneens het verband tusschen de oude en de nieuwe Gemeente. Vóórdat nog het sacrament des Doops is toegediend verklaren de doopgetuigen, dat „deze kinderen in Christus geheiligd zijn en deswege behooren gedoopt te wezen,” in volkomen overeenstemming met de Schrift, die ons openbaart, dat men niet tot de Gemeente behoort wijl men het sacrament ontving, maar op het sacrament recht heeft wijl men òf door geboorte òf door aanneming als geestelijk pleegkind van de zij der doopgetuigen, op de rolle der Gemeente meêtelt.

Geen wedergeboorte derhalve dan uit de Gemeente.

Men versta ons wel. Te beweren, dat de persoonlijke wedergeboorte een daad zou zijn die de Gemeente in haar macht had, komt niet in ons op. De Gemeefite is bij de wedergeboorte nooit oorzaak, maar slechts middel. De auteur der wedergeboorte is bij elken geloovige opnieuw en in volstrekten zin de Heere zelf, de Springader des levens, de Bron van licht en troost, de zeer overvloedige Fontein aller goeden, van het beste goed wel allermeest. Hij is het, die de Gemeente gebruikt als |66| instrument. Zonder meer is de Gemeente van Christus volstrekt onmachtig ook maar aan een enkelen uitverkorene het geestelijk daglicht te schonken. Wie anders leert is zelf verleid en verleidt anderen, betreedt door en door verderfelijke paden, wischt de grenslijn tusschen leven en dood uit, vernietigt het persoonlijk geloof, dat zonder een onmiddellijk karakter en eeuwigen oorsprong ondenkbaar is, heft de uitverkiezing op en zoekt den diepsten grond onzer zaligheid niet in God, maar in den mensch. Tegen zoo verregaande dwaling zij men op zijn hoede; wie ze leert zie toe hoe hij zijn verantwoordelijkheid voor God zal dragen; hij bedenke bovenal, hoe dit drijven van onchristelijke leer onder Christelijke vormen, velen tot volgen beweegt, die niet weten wat ze doen.

Hoe desniettemin de wedergeboorte niet dan onder tusschenkomst der Gemeente plaats heeft, toont de Heilige Schrift ons op vierderlei wijs.

Vooreerst door de Gemeente als Moeder van de kinderen Gods voor te stellen. Calvijn leefde geheel in dit heerlijk denkbeeld, en schreef daarom in den aanhef van het vierde boek zijner Institutie: Wie de Gemeente van Christus niet tot Moeder heeft, kan God niet tot Vader hebben. Dit ééne nu behoeft men slechts door te denken: God onze Vader, de Gemeente onze Moeder, en alle moeilijkheid valt weg. Gelijk men weet, is de sterkste uitspraak, die we desaangaande in de Schrift vinden, het aangrijpend woord van Paulus: „Maar het Jeruzalem dat boven is, dat is vrij, onzer aller Moeder” (Gal. 4 : 26.) Luther teekent bij dit uiterst gewichtig vers aan: „Het hemelsche Jeruzalem dat boven is, is niets anders dan de lieve Gemeente der Christenheid hier |67| beneden ap aarde, d.i. er is onder te verstaan het lichaam der geloovigen, die aan alle oord der wereld verstrooid zijn en nochtans al te zaâm één Evangelie, eenerlei geloof aan Christus hebben, één zelfden Heiligen Geest bezitten en eenerlei Sacrament.” Die uitleging is juist. De Gemeente is in de hemelen. Ze wordt gevormd door hen, die in Christus gestorven zijn, nu Hem toebehooren op aarde en in komende eeuwen Hem toebehooren zullen. Eerst dit alles saâmgenomen vormt de Gemeente. Daarom leert de Schrift dat de Gemeente in Christus bij God verborgen is, dat ze met Christus in den hemel gezet is en haar wandel in de hemelen heeft. Het deel dat op dit oogenblik op aarde leeft, is slechts een vooruitgeschoven heirschaar, die haar basis van geestelijke operatie daar boven heeft aan de rechterhaiad Gods. Wie dit voorbijziet, verstaat noch de opstanding noch de hemelvaart van den Christus, begrijpt niet dat Jezus, als Middelaar verrezen, opvoer, kan dus niet inzien, dat hij zoowel bij zijn verrijzenis als bij zijn hemelvaart de Gemeente in zich droeg, haar in en met zich deed opstaan, ze met zich in den hemel opnam, en moet stuiten op de eenvoudigste uitspraken des Woords: „Zoo zijt gij mede opgewekt met hem, en met hem gezet in den hemel,” een woord dat natuurlijk niet te verstaan is van elke particuliere kerk, maar slechts geldt van die ééne heilige, algemeene Kerk, die niet komt met uitwendig gelaat, die achter het gordijn der zichtbare dingen zich als de Bruid van Christus schuchterlijk verbergt, en waarvan de particuliere kerken slechts de gebrekkige, vaak schier onherkenbare openbaringen zijn.

Die Kerk is onzer aller Moeder, d.w.z. moeder van |68| alle kinderen Gods; niet wijl ze ons met moederlijke teederheid mint; dit kan niet, wijl ze nog onpersoonlijk is; maar wijl ze onze Moeder is, d.w.z. wijl ze ons gebaard heeft. Reeds onder de bedeeling des Ouden Verbonds was dit geheimnis geopenbaard, en wie Gal. 4 : 27 inziet, zal bespeuren, dat we geheel in Paulus’ geest naar die Oud-Testamentische openbaring verwijzen. Israël was de vrouw, tot wie de Heere sprak: „Israël, Ik ben uw man.” Jehovah had Israël getrouwd. Zie Jeremia 31 : 32: „Welk mijn verbond zij verbroken hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de Heere.” Dat huwelijk blijft niet onvruchtbaar. Er worden aan Israël kinderen geboren, „Zions-kinderen,” „zonen van Israël” meest genaamd. Van die kinderen heet Israël de Moeder. Zie Jesaia, 50 : 1: „Waar is de scheidbrief van ulieder moeder, waarmede Ik haar weggezonden heb?” Voorts Hozea 2 : 1: „Twist tegen ulieder Moeder, omdat zij mijner vrouw niet is en Ik haar man niet ben.” Ook Jesaia 66 : 13: „Als een dien zijne moeder troost, alzoo zal Ik u troosten, ja gij zult te Jernzalem getroost worden.” De Moeder wordt onvruchtbaar wijl ze afwijkt van den Heer, maar als ze zich bekeert, komt de profetie der blijde hope: „Wees vroolijk, gij onvruchtbare, want uw kinderen zullen uitbreken in menigte, als het zand dat aan den oever der zee is, en als de starren des hemels, een gansch zeer groot heir!”

De Moeder baart ons, brengt ons ter wereld, doet ons het geestelijke daglicht zien, edoch, zij kan het kind Gods slechts dan baren, indien het door de overschaduwing van den Heiligen Geest, door de kracht des Allerhoogsten, door een onmiddellijke daad Gods verwekt is in haar schoot. Indien God het leven niet |69| verwekt, is de Gemeente tot het voortbrengen van kinderen Gods onbekwaam en onmachtig, dan blijft ze onvruchtbaar, dan derft ze de moedervreugd. Dat wisten de heiligen des Ouden Verbonds reeds. Treurende over de afgedoolde Moeder, zagen de trouw gebleven kinderen naar den hoogen op, klagend tot den Heere: Gij zijt toch onzen Vader! Daarom moet de Moeder, d.i. de Gemeente, steeds op den achtergrond treden. Ze moet haar kinderkens den Vadernaam, het Abba! Vader! leeren stamelen door den Heiligen Geest die in haar werkt; ze moet het beeld van den Vader op het gelaat harer kinderen terugzoeken; zij woont uit, en haar teederst verlangen moet zijn hare kinderkens in het Vaderhuis te doen binnengaan;. ze leert ze het Vaderland zoeken; voor den Vader die in de hemelen is moet de Moeder, d. i. de Gemeente, zichzelve geheel vergeten en als niets rekenen; maar niettemin Moeder blijft ze; uit haar worden de „Zions-kinderen” geboren;, de schare die den wille Gods doet, d.i. de Gemeente, sprak Jezus, deze zijn niet slechts mijn broeders en zusters, maar ook mijne Moeder; en hoe zeer ze ook nooit anders dan een dienende roeping hebben kan, toch heeft het een eeuwige beteekenis, dat Jeruzalem onzer aller, Moeder is; want tot haar trekken op die komen tot het hemelseh Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen, en de algemeene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn; ze gaan dan tot hun Moeder, en door haar tot den Vader, want er volgt: „en tot God, den rechter over allen, die hun ten Vader geworden is door den Middelaar des Nieuwen Testaments en het bloed der besprenging.” |70|

Het tweede verband, dat de Heilige Schrift tusschen onze wedergeboorte en de Gemeente aanwijst, biedt ons het „Vaderschap in Christus.” Men weet wat de uitdrukking: „iemand als zijn vader in Christus liefhebben” bedoelt. Paulus spreekt er van, als hij aan de Corinthiërs schrijft: „Al hadt gij tien duizend leermeesters in Christus, zoo hebt gij toch niet vele vaders, want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld.” En deze uitspraak staat niet op zichzelve. Eveneens schrijft hij aan Filemon: „Ik bid u dan voor mijnen zoon, dien ik in mijne banden geteeld heb, namelijk Onesimus;” en in gelijken zin aan de Galatiërs: „Mijne kinderkens, die ik wederom arbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge.” Toegegeven dient, dat niet elk geloovige met zekerheid kan aanwijzen, wie zijn vader in Christus geweest is. Vooral sinds het geschreven Woord zoo veelvuldig het gesproken Woord verving, verliezen de oorsprongen van ons leven zich vaak in het verleden, dat we niet overzien kunnen. Hierdoor echter wordt niets te kort gedaan, noch aan de stellige uitspraak der Schrift, dat de Heer persoonlijke organen in de Gemeente bezigt om onze geestelijke geboorte te weeg te brengen, noch aan het even onbetwistbare feit, dat ook nu nog verreweg de meeste geloovigen, den man of de vrouw met name noemen kunnen, die het middel was om hun zielsoog te ontdekken en uit het werk hunner wedergeboorte niet kan worden weggedacht. Let men er nu op, dat Paulus, niet als een op zichzelf staand geloovige alleen tot de Corinthiërs, de Galatiërs en Filemon spreekt, maar als apostel en dus als ambtsdrager der Gemeente, dan blijkt ook hieruit, hoe door de Schrift zelve onze persoonlijke |71| wedergeboorte met die Gemeente in onafscheidelijk verband is geplaatst.

Ditzelfde blijkt ten derde uit de beteekenis van Woord en Sacrament. Naar luid der Schrift komt de wedergeboorte tot stand door het Woord. „Naar zijnen wil, dus schrijft Jacobus, heeft Hij ons wedergebaard door het Woord der waarheid;” en evenzoo Petrus: „Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God.” Hetzelfde geldt van het sacrament des Doops. Ook dit sacrament strekt gelijk het sacrament des Avondmaals tot versterking van de geloofskracht der Gemeente, en deze verhoogde geloofskracht der Gemeente is in Gods hand middel, om aan de geestelijke geboorte van de kinderen des Koninkrijks dienstbaar te zijn. Deswege heet de Doop „het bad der wedergeboorte,” en spreekt de Heer met nadruk van „een wederom geboren worden uit water en geest.” Staat het nu vast, dat het Woord en het Sacrament de twee genademiddelen zijn, die de Heere aan zijn Gemeente heeft toevertrouwd, die de Gemeente bewaart en uitdeelt, dan springt ook hierdoor in het oog, hoe persoonlijke wedergeboorte ondenkbaar is, tenzij ook de Gemeente in haar beteekenis worde erkend.

Dat we ten slotte ook op de Gemeente als één lichaam wijzen, kan niet bevreemden. Een lichaam is het vaste beeld, dat telkens en telkens weêr ter aanduiding van den aard en de natuur der Gemeente in de Schrift gebezigd wordt. Behoeft het nu nauwlijks herinnering, dat de groei van een lichaam niet ontstaat door invoeging, inzetting en inschuiving van nieuwe lichaamsdeelen, maar doordien krachtens den aanleg van het lichaam, |72| in het lichaam zelf de nieuwe cellen door den Schepper gevormd worden, dan blijkt ons, dat deze groei van binnen uit levenswet ook voor de Gemeente van Christus is en de wedergeboorte der enkelen beheerscht.

Voeg nu deze gegevens saâm: 1o. de Gemeente onzer aller Moeder; 2o. geen wedergeboorte zonder een, die als orgaan der Gemeente, ons tot een geestelijken vader in Christus wordt; 3o. wederbaring ten leven door de genade-middelen die aan de Gemeente zijn toevertrouwd; en 4o. de Gemeente een lichaam en als het lichaam groeiend van binnen uit, — en ons dunkt, dat van den bodem der Schrift afgleed, wie het verband tusschen de Gemeente en onze persoonlijke wedergeboorte miskent. |73|




a. Eerder gepubliceerd ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004