VII. De gemeente wedergeboren


Meent niet bij uzelven te zeggen: „Wij hebben Abraham tot eenen vader.”

Matth. 3 : 9. a


Aan den uitgang van het Oude en den ingang van het Nieuwe Verbond staat Johannes de Dooper, ten opzichte van de levensquaestie die ons bezighoudt een bij uitstek belangwekkend getuige.

Hij is de boetgezant, wiens woord en werk in de ééne roepstem tot bekeering schier opgaat. De gedachte aan „bekeering” is van de herinnering aan zijn naam onafscheidelijk. „Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen!” is het thema, waarop hij nooit moede wordt zijn variatiën te spelen. „Bekeering” is de grondtoon van zijn ernst. In den „doop tot bekeering” gaat geheel zijn verschijning op.

Spreekt hij dan ook niet van wedergeboorte?

Stellig neen, indien men bij het woord zelf blijft staan, maar even ongetwijfeld wel, zoo men niet naar den term, maar naar het feit der wedergeboorte vraagt.

Drie malen zelfs komt in het kort bericht van zijn |56| prediking de eisch van wedergeboorte voor. Eerst, waar hij tot de Joden zegt, dat God vrijmachtig is in het verwekken tot zijn kindschap; dan, waar hij de onmogelijkheid uitspreekt, om het heilige aan te nemen, indien niet van boven de vatbaarheid daartoe geschonken worde; en eindelijk, als hij het product van het aardsche, natuurlijke leven voor ongenoegzaam verklaart.

Om met het laatste te beginnen, leze en herleze men zijn gewichtige uitspraak Joh. 3 : 31: „Die uit de aarde voortgekomen is, die is uit de aarde en spreekt uit de aarde;” een verklaring die ongetwijfeld op den Christus, niet op ons doelt, maar niettemin in zoo algemeene bewoording vervat is, dat ze ook den te verlossen zondaar meê insluit. Is het kind Gods geroepen, om juist niet uit de aarde het aardsche te spreken, maar, ingeleid in de kennisse van Gods volzalig wezen, met een nieuwe tong den lof des Allerhoogsten, zijn deugden en volmaaktheden uit te spreken, dan volgt uit de algemeene stelling, waarin Johannes zijn uitspraak kleedt, dat de zondaar, in zoover hij uit de aarde voortgekomen is, d.i. in zijn natuurlijken toestand, zonder een andersoortige, tweede geboorte, tot die verheerlijking van zijn God niet kan geraken.

Was het dan allicht volgens den Dooper voldoende, indien door de Profeten of door den Messias de kennisse Gods den zondaar uit den hooge werd aangebracht? M.a.w. was wel de zondaar tot het vinden, opdelven en naspeuren van de kennisse Gods onbekwaam, maar niettemin in staat, om, wierd hem die kennisse meêgedeeld, ze na te spreken en aan te nemen? Ook dat niet. Daarom wezen we in de tweede plaats op zijn niet minder bekende uitspraak Joh. 3 : 27: „Een mensch |57| kan geen ding aannemen , zoo het hem uit den hemel niet gegeven zij.” Aan de bekeering moet derhalve „een gegeven zijn uit den hemel” voorafgaan.

Maar toch, klemmender nog en verreweg het geschiktst, om ons het standpunt van Johannes helder te doen inzien, is wat Mattheüs ons van zijn prediking bericht.

De Dooper wendde zich met zijn boetprediking uiteraard het eerst en meest tot de Joden zelven, en slechts terloops en bij manier van uitzondering ook tot de heidensche krijgslieden.

Israëlieten riep hij tot bekeering. Dit juist stootte. Had dan een onderwezene in de wet, een afstammeling van Gods uitverkoren volk, een ijveraar voor den Jehovah der vaderen, nog bekeering van noode? Zoo murmureerden zeer natuurlijk de Pharizeeën onder elkander en ergerden zich aan den prediker, die Israëls volk scheen te beleedigen.

Daartegen heeft de Dooper zich te verdedigen, en hij doet het met het wederwoord: „Indien gij dan meent, krachtens uw behooren tot Israël, reeds bekeerd te zijn, brengt dan vruchten voort der bekeering waardig,” vruchten, waaruit die bekeering blijkt.

Doch hierbij blijft hij niet staan: dieper, tot achter de bekeering dringt hij door, het ligt in het kind zijn van Abraham. Zegt niet bij uzelven: „Wij hebben Abraham tot een vader,” want ik zeg u, dat God ook uit deze steenen Abraham kinderen verwekken kan. Natuurlijk niet in vleeschelijken zin. Om een kind naar den vleesche uit Abraham te doen geboren worden, is God zelf aan de afstamming uit Abraham gebonden. Geesteskinderen van Abraham zijn dus bedoeld, en nu |58| verklaart de Dooper drieërlei: 1o. dat deze geesteskinderen niet vanzelf ontstaan, maar door God verwekt worden; 2o. dat de Heer in den regel deze geesteskinderen uit Abrahams nakroost verwekt; maar 3o. dat de Heer hierin zoo weinig gebonden is, dat Hij desnoods uit deze steenen geesteskinderen aan den patriarch zou kunnen verwekken.

Achter de bekeering ligt dus ook volgens den Dooper een verwekt worden door God; deze daad der persoonlijke wederbaring is in den regel voorbereid door den oorsprong uit het wedergeboren volk, zóó echter, dat men beide nooit in dien zin verwarren mag, als zou het eerste, zonder een persoonlijke daad Gods aan de ziel, uit het tweede volgen. Gods vrijmachtige genade staat er boven. Ook waar Hij zijn kinderen wederbaart uit het wedergeboren volk, is die voorkeur genade, geen noodzakelijke dwang.

Thans is het besef van dezen samenhang bij gemeente en voorgangers veelal moeilijk waarneembaar. Van wedergeboorte, van bekeering weet men nog, maar de derde schakel: de afstamming uit het wedergeboren volk, sprong.

Wat destijds het behooren tot het volk van Israël was, is thans natuurlijk het behooren tot de Kerk, het opgenomen zijn in de Gemeente, het geteld worden, gelijk onze vaderen liet noemden, onder de uitwendige bondgenooten.

Ook die Kerk is wedergeboren, geboren van boven; ze is niet uit de aarde aardsch, maar ontving haar leven, voor zoover het een eigen leven is, uit den hooge. De Kerk is heilig. Dus beleed het de Christenheid aller eeuwen. Op het voetspoor der Apostelen, |59| die van „de heiligen te Corinthe” spraken en de Kerk „de pilaar en vastigheid der waarheid” noemden, is door de Christenheid steeds beleden: „Ik geloof een heilige Christelijke Kerk.”

Het geboren zijn in, het behooren tot een Kerk met zulk een karakter telt onder de levensbetrekkingen, waarmeê te rekenen valt. De Heere doet ons geboren worden, waar Hij wil. Ook ons geboren worden in de Christelijke Gemeente is dus zijn beschikking. Wij waren daarbij lijdelijk. Hij handelde, het was zijn daad.

Aan dat behooren tot de Kerk te hechten, wat er van Gods wege niet aan hangt, is natuurlijk ongeoorloofd. „Zeg niet bij uzelven: We hebben de Kerk tot moeder, want ik zeg u, dat God ook uit deze steenen die Kerk kinderen verwekken kan.” Maar er te weinig aan te hechten, is minstens even zondig.

En toch, die zonde wordt begaan. Die beschikking Gods over ons rekent men schier voor niets. Op zijn hoogst geeft men toe, dat de gelegenheid om, opgewassen, het Woord Gods te hooren, er door bevorderd wordt.

Dit danken we aan den invloed van Zwingli, van de Socinianen en van het Rationalisme, die door miskenning van den Doop, de basis der Gemeente verbroken hebben. De Apostelen noch de Kerkvaders, Luther noch Calvijn hebben dit ooit gewild.

De Doop is het bad der wedergeboorte, verklaart ons de Apostel van Christus, daarmeê slechts saâmbindend wat de Heer zelf reeds had saâmgevoegd, toen hij de wedergeboorte kenteekende als eew „geboorte uit den Geest”, zeer zeker, maar toch ook als een „wedergeboren zijn uit het water”: Indien iemand niet |60| wedergeboren wordt uit water en Geest! Bij de Kerkvaders vindt ge dit ontwikkeld tot het bewustzijn, dat „alle weldaden van het Christendom in den Doop als in een middelpunt vereenigd zijn”, en dies door de diepste denkers onder deze nieuwe wolke van getuigen, het sacrament des Doops geloofd als middel: „ter polijsting der zielen”, „ter omzetting van het leven”, „het steunsel onzer zwakheid”, „een komen op de lijn van den Heiligen Geest”, „een in gemeenschap treden met het Woord dat alle dingen draagt”, „een oprichting van het schepsel”, „een verstoring van het weefsel der zonde”, „een stellen onder het schijnsel des eeuwigen Lichts”, „een wisseling van levensterrein”, „een verbreking van de slavenketen”, .„de schitterendste onder de uitwendige genadegaven”! Of wil men een omschrijving in steê van de taal der verrukking, dan hoore men Augustinus: „Terwijl het water uitwendig de sacramenteele genade, en de Geest inwendig de genezende genade werkt, wordt de kluister der erfschuld ontsloten, treedt het heilige weêr in rapport met onze natuur, en grijpt er wedergeboorte in het lichaam van den éénen Christus plaats, in gelijke manier als er voor allen van nature samenhang bestaat door geboorte uit den éénen Adam.”

In welken zin deze „wedergeboorte door den Doop” te verstaan zij, heldert Thomas van Aquino op door een gelukkig gekozen voorbeeld. „De wedergeboorte door den Doop, zoo schrijft hij, vergelijkt men het best met de natuurlijke geboorte van het kind uit den schoot zijner moeder. Gelijk toch de ongeboren vrucht nog geen eigen voedsel kan nemen, maar meêleeft van het voedsel dat de moeder neemt, zoo is er ook bij de jonge doopelingen van een zelfstandig ontvangen des |61| heils nog geen sprake, maar leven ze meê van het geestelijk voedsel dat de Gemeente, als aller moeder, uit den Christus ontvangt.”

Hiermeê is dus allerminst gezegd, dat de wedergeboorte der Gemeente de persoonlijke wedergeboorte van den enkele uitsluit, daarvoor in plaats treedt of die overbodig maakt, maar wel, dat door den Doop een mystieke band tusschen den doopeling en het lichaam van Christus ontstaat, waardoor het terrein voor de persoonlijke wedergeboorte geëffend is.

Dat ook onze vaderen hieraan hechtten blijkt uit onze Belijdenis.

Van Romes leer weken ze af. Ze gaven niet toe dat de erfzonde geheel door den Doop was weggenomen, zoodat slechts de begeerlijkheid overbleef; maar dat ze daaraan alle sacramenteele beteekenis zouden ontzegd hebben is onwaar.

Wel heeft men reeds destijds gepoogd, de oppervlakkige zienswijs over den Doop veld te doen winnen, maar de Synode van Dordrecht heeft tegen deze verminking van het lichaam der Christelijke waarheid gewaakt.

De strijd bewoog zich, gelijk men weet, om het vijftiende artikel der Belijdenis. Daarin had een min geestelijke richting durven schrijven: „De erfzonde is ook door den Doop ganschelijk niet weggenomen.” Dit was openlijke loochening van de Doopsgenade, verlaging van den Doop tot een eenvoudige plechtigheid, en ontkenning van de werking die bij en onder het sacramenteele teeken van den verheerlijkten Heiland uitging. Daartegen kwamen de Dordtsche vaderen op. De Doop zou Doop in de Gereformeerde Kerken blijven, de genadewerking van den Doop geëerd worden, en ook te |62| dezen opzichte de belijdenis der Christelijke Kerk van alle eeuwen worden gehandhaafd. Deswege delgden ze het gevaarlijk inkruipsel en herstelden de goede, alleen ware lezing: „De erfzonde is ook door den Doop niet ganschelick weggenomen”, t.w., gelijk uit het vervolg des Artikels blijkt, wel weggenomen ten opzichte van de toerekenbaarheid der erfschuld, maar niet weggenomen als wortel der latere zonden.

Terecht hebben Appelius en zijn aanhang uit dien hoofde geëischt, dat de Doop weêr als Gemeentesacrament en niet als sacrament van den enkelen doopeling zou beschouwd worden.

Dit laatste doet Rome en moet het doen, nu het er toe kwam de persoonlijke wedergeboorte in den Doop te doen opgaan. Daarmeê hangt Romes leer van de onzaligheid der niet gedoopten saâm. Daarom ook doopt Rome het kindeke, ook zonder dat de gemeente vergaderd is.

Handhaaft men daarentegen het Schriftuurlijk begrip, dat de Doop geen persoonlijke wedergeboorte aanbrengt, maar in rapport brengt met de wedergeboren Gemeente, in de gemeentelijke wedergeboorte indompelt, als baadt in dat nieuwe leven, dat der Gemeente van haar Koning toevloeit en deswege „bad der wedergeboorte” genoemd wordt, — dan spreekt het vanzelf, dat een Doopsbediening buiten de Gemeente geen zin heeft, en dat nooddoop een ongeoorloofde acte is.

De Gemeente is wedergeboren. Tot het zaad dier Gemeente behooren de kinderen der geloovigen reeds door hun geboorte, gelijk een erfprins reeds koning is, zoodra zijn vader den adem uitblies, ook al toefde de dag der inhuldiging nog. Toch is dat behooren tot de |63| Gemeente door geboorte niet genoeg. De troonsopvolger moet, ook al is hij vorst naar erfrecht, openlijk in het midden zijns volks gekroond, en zoo ook moet het kindeke dat ons geboren wordt, juist krachtens het recht der erfgenade, openlijk in het midden der Gemeente gedoopt. In dien Doop hernieuwt de Drieëenige God de sacramenteele genade aan zijn Gemeente, wordt voor den doopeling geestelijk gewettigd wat reeds krachtens de geboorte bestond, en treedt het kindeke op, om gerekend te worden onder de deelgenooten van het heil, deelend in de Genade der Gemeente van Christus, maar ook deelende in de ontzettende verantwoordelijkheid, bijaldien het die Genade miskent.

Aan persoonlijke wedergeboorte, zoowel als aan persoonlijke bekeering, gaat derhalve vooraf het ingelijfd worden in een wedergeboren volk.

Onder het Oude Verbond was dit het ingelijfd worden in het „uit den Rotssteen gegenereerde Israel.” Onder het Nieuwe Verbond is dit het ingelijfd worden in de „uit den Rotssteen gegenereerde Gemeente.” En bij Johannes den Dooper, die Israël loslaat en de Gemeente van den Messias nog eerst beidt, is het: ingelijfd worden in de eerewacht der gedoopten, die den Messias zullen opwachten als hij komt. |64|




a. Eerder gepubliceerd ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004