VI. De wedergeboorte in het Oude Verbond


En Ik zal u een nieuw hart geven.

Ezech. 36 : 26. a


Van wedergeboorte wordt weinig, van bekeering veel in de Schrift gesproken, zelfs komt in heel het Oude Testament de uitdrukking „wedergeboorte” niet voor. Toch kan „wedergeboorte” geen nieuw begrip zijn, dat eerst door Jezus aan het licht is gebracht; want ’s Heeren woord tot Nicodemus: „Zijt gij een leeraar in Israël en weet gij deze dingen niet?” zou onbillijk en hard zijn geweest, indien het wedergeboren worden uit water en geest niet reeds aan Israël ware geopenbaard.

Er blijkt iets anders uit. Niet dat Israël van geene wedergeboorte wist, maar dat steeds en bij elke hart de roepstem tot bekeering aan het spreken over het mysterie der wedergeboorte moet voorafgaan. Gods openbaring is in majestueuse volheid één roepen van den ontfermenden God tot zijn verloren schepsel, een roepen dat zich over eeuwen uitstrekt, een stemme Gods die, |48| gedurig in voller toon uitvloeiend, dezelfde grondgedachte al rijker, steeds doordringender, steeds met wegsleepender kracht tot Israël brengt, en daarin onveranderlijk voorbeeld van den toon, van de wijs, van de rangorde, waarin de roepingen Gods ook nu nog tot het menschenhart komen. En wat spelt dan die openbaring Gods? Begint ze, na den val in zonde, op leerstellige wijs den mensch het diepste aller raadselen te ontsluieren en leidt ze hem in het mysterie des Heiligen Geestes binnen, wiens blazen is als het geluid van den wind, dat Hij komt en men weet het niet en Hij gaat en men merkt het niet? Niets er van. God is een ontfermer en dies troost Hij den in eigen schande weggezonkene. God de Heer kent de diepte zijner wonde, en weet dat levensindrukken meer dan klanken op hem vermogen zullen, en dies ontrolt de Heer achtereenvolgens in het midden der gevallen menschheid de onzettendste, de aangrijpendste tafereelen, waarin Hij telkens als de Ongeziene het zoekend oog tot zich trekt en meer dan de mensch zelf vermoedt op hem werkt. Feitelijk baart hij ze weder door zijn Heiligen Geest de patriarchen vóór en de patriarchen na den Zondvloed; feitelijk doodt Hij in hen het eigen ik, breekt ze af in zichzelf en doet ze het zoet der genade smaken; feitelijk lokt, roept, trekt Hij ze, dat ze zich bekeeren en verzoening vinden; maar tot een verklaring van die werkelijkheid komt het nog niet. Eva noemde haar eersteling Kaïn, „dien man heb ik van den Heer verworven!” als ware in dien zoon haar Messias reeds geboren. Hoe ontzinkt haar die hoogmoedige gedachte, toen een moordenaar werd in wien ze een redder begroet had! Adam troost zich bij het eenzame der |49| wildernis en het wilde der beroofde aarde in het kroost dat hem geboren werd. Reeds een tweetal! Wat zalig genieten! Het eerste vaderhart dat in kinderweelde zwelt. Maar af snijdt de Heer dat heil in eigen bloed gezocht. Daar ligt Abels zielloos lijk bij het ruwe outer. En Kaïn . . . . de rampzalige, zwerft ver van zijn vader weg, zelf vader wordende van een nog rampzaliger geslacht. Aan Noach moet alles ontzinken, de wereld waarop hij leeft, het huis waarin hij woont, het geslacht waaruit hij opwies. Een wild golvend watervlak, dat zich ten graf heeft dichtgesloten over den mensch en al zijn have en al zijn arbeid, over al zijn trots en al zijn zonde, en op die kabbelende golven een arke dobberend! Ziedaar al wat hem rest. Hoe wordt Abraham uitgetogen! Trek uit uw land, verlaat uw maagschap, roep het vaarwel toe aan uws vaders huis, gebiedt het wederbarend woord des Heeren, en leef voor slechts één ding: voor de belofte, voor den zegen, die komen moet, voor den Messias, die heil brengt. En Abraham gaat. Op zijn kind zal al zijn hope zijn; de geborene uit zijn lendenen hem troosten, de belofte over dat kind hem beter dan alle schat van Ur der Chaldeën zijn. En toch, de geboorte, van dat kind toeft, Sara blijft onvruchtbaar. Zal het dan die Ismaël zijn? Of indien hij niet, dan Eliëzer? Eindelijk is de lenden in Abraham dood, verstorven, werkeloos. Ook dat is uitgetogen, ook de lichaamskracht afgebroken . . . en nu komt de beloofde Izaäk, die hem liefheeft, zijn eenige, zijn kind! Wat bleef Abraham dan nog over, dat niet een schat, een gave zijns Heeren was? Waarin was hij niet afgebroken? Toch, hij had de liefde, de gehechtheid nog, de instinctief geworden teederheid voor zijn |50| kind! Ook die liefde moest nog, om ze te heiligen, zijn hart eerst breken doen. Moria is de voleinding. Eerst toen hij het laatste prijs gaf, blonk het onwrikbaar geloof in al zijn goddelijke kracht. En wat meent ge dan, dat de Patriarchen die machtige werking Gods aan hun hart niet bespeurden, niet eerden en loofden, er niet door aangegrepen en omgezet, er niet door vernieuwd en toegebracht werden, al had het woord Gods hún nog nooit van wedergeboorte, hun nog nooit van bekeering gesproken? Toch gaat de openbaring Gods voort al klaarder, al doorzichtiger te spreken. Jacob bij Pniël, zeg zelf, biedt het u niet de twee stukken der bekeering: de afsterving van den ouden en de opstanding van den nieuwen mensch? Is het niet of de Heer in de twee gestalten van Jacob, den listige, den heerschzuchtige, den weeke, den onmanlijke, en van Israël, die niets meer verheelt, en wegzinkt in ootmoed, en manlijk worstelt en een held Gods genaamd wordt, u den natuurlijken mensch die sterven moet en den nieuwen mensch die moet opstaan in keurig beeldschrift te aanschouwen geeft? En als dan straks aan het volk Israël eerst in Egypte, dan in de woestijn, straks in Babylon, hetzelfde levensproces herhaald wordt; als het ook bij dat volk is een sterven bij Egyptes steenovens, een sterven van zijn kinderkens in den Nijlstroom, een sterven van het volksbesef onder de zweepslagen van den drijver, om door de wateren, die als bergen opstoven, naar het leven uit te gaan; een sterven in de woestijn van de scharen die met Abiram, van al het volk dat met Aäron, van al de ouderen die tegen Josua en Kaleb gezondigd hadden; om straks door de koperen deuren van Edom en Moab in te |51| trekken in Kanaän; ja, als het nogmaals in Zedekia’s dagen een sterven wordt in de puinhoopen van Zion, een sterven in den moord van Davids huis, een sterven in den smaad der wegvoering, om straks onder Zerubbabels aanvoering naar het verloren paradijs van hun Kanaän terug te keeren, — wat toont u dan die plotseling keerende geschiedenis, wat openbaart u dan dat sterven en opstaan, dat door heel Israëls levensloop, dat door de rol zijner Godshelden speelt, dat trilt in elk psalmlied, jubelt in elke profetie en eisch is van elk woord der vermaning? Wat anders, dan dat er een God is die doodt en levend maakt, die ter helle doet nederdalen en weder opbrengt, of wilt ge, die wederbaart wat in zichzelf verloren was, en door uitdrijving tot bekeering begenadigt?

Doch bij die feiten blijft de openbaring Gods niet staan. Ze rust niet, eer ook het woord gesproken is, waarin de grootsche gedachte van vernietiging en herleving wordt saâmgevat. De onbewuste werking van Gods genade op het hart is onmisbaar, ook de indruk op het instinctieve leven heeft zijn waarde, maar toch wordt het doen Gods eerst in hooger openbaring voleind. De mensch heeft ook een bewust leven, dat bewustzijn werkt door zijn rede, die rede denkt en spreekt zich uit in het woord. Daarom moet dat woord ook van Gods zijde het hooge middel worden, om door het instrument der rede en des bewustzijns tot zijn ziel en het merg des harten en de binnenste saâmvoegselen, door te dringen. Eerst dan zal het werk der verlossing en vernieuwing niet slechts feitelijk volbracht, maar ook in al zijn rijkdom genoten en in zijn uitnemendheid verheerlijkt en doorzien worden. |52|

Reeds in de stichting des Verbonds werd hiertoe de grond gelegd. Bij het Verbond is de mensch reeds niet meer het instinctieve wezen, maar treedt hij op als persoon, wel als de arme, ontrouwe, hulpelooze, die slechts ontvangen, niet geven kan, maar dan toch als een persoon, tot wien de Heer komt, met wien Hij spreekt, aan wien Hij zijn woord brengt, en dien Hij behalve door het verborgen Geesteswerk en levenslot, ook bewerkt langs den geleiddraad van ’s menschen bewustzijn door het woord.

En welk is nu dat woord? Dat woord, dat het eerst als vertolking der Godsgedachte, als instrument tot ’s menschen bewerking tot hem komt? Niet: „Gij moet wedergeboren worden,” maar wel: „Bekeer u!” Bekeer u van uwen boozen weg! Bekeer u tot den Heer, en Hij zal zich uwer ontfermen! Bekeer u, gij afgekeerd Israël! Bekeert u, gij afkeerige kinderen! Bekeert u van uw goddeloosheid en van al uw overtredingen! De wet des Heeren is volmaakt, bekeerende de ziel!

Is dan de roepstem tot bekeering het eerste? Begint het werk der zaligheid er meê? Reeds daaruit blijkt het tegendeel, dat deze roepstem niet tot de volkeren, niet tot de heidenwereld, maar uitsluitend, althans als bekeering tot zaligheid eischend, naar Israël, het volk des Verbonds en der beloften, uitgaat.

Het „Bekeert u!” komt dus niet, tenzij er een voorbereiding is voorafgegaan, niet een voorbereiding door vermaan, maar door een reeks van daden Gods. Er zijn eerst krachten uit den hooge in deze wereld ingedragen, er is een volk afgezonderd, dat volk is geheiligd, aan dat volk zijn openbaringen des Heiligen Geestes gegeven, in dat volk zelf is een levensterrein geschapen, |53| waarop alle elementen aanwezig zijn, die het „Bekeert u!” zin en beteekenis en doordringende werking kunnen leenen.

Er lag iets achter de bekeering! Dat iets lag nog in raadselen gehuld, was nog niet het bezit van den enkele, ging nog geheel in den samenhang met het volk op. Maar niettemin, dat iets was er, dat iets was een daad Gods, een alomvattende daad, een daad van herschepping. „Aanschouwt,” dus heette het reeds in Mozes’ profetieën, „den Rotssteen die ulieden gegenereerd heeft!” En bij Jesaia klaagt de vrome kern des volks in gelijken zin: „Abraham weet van ons niet en Israël kent ons niet, maar Gij zijt onze Vader. Gij zijt onze Vader, en wij zijn leem, Gij zijt onze pottenbakker! Gij, o Heer! zijt onze Vader, onze Verlosser van oudsaf is uw naam! Alzoo zegt de Heer, uw Schepper, o, Israël! De Schepper Israëls, ulieder Koning!”

Proeft, tast men hierin de wedergeboorte niet? Een God die Israël heeft gegenereerd, die Israël heeft geschapen, die Israël heeft geformeerd gelijk een pottenbakker het leem, en die daarom Israëls Vader heet, de Rotssteen, waaruit het is gehouwen? Toch, en hier lette men op, dat denkbeeld der wedergeboorte slaat op Israël als volk, nog niet op den enkelen geloovige. Wel is die herscheppingsdaad ook aan den enkelen geloovige volbracht, maar ze schuilt nog in het duister, ze blijft nog verborgen; al wat tot den Israëliet persoonlijk gezegd wordt is: „Bekeer u!

Vraagt men of dan ook de persoonlijke wedergeboorte, onderscheiden van die des volks, niet reeds in het Oude Testament wordt aangeduid, dan dient ongetwijfeld in toestemmenden zin geantwoord. |54|

Ze treedt ook reeds in het Oude Testament op als aankondiging van persoonlijke levensvernieuwing. Ezechiël is de profeet dezer diepste, het al verklarende gedachte. Bij Jesaia zelfs blijkt de enkele persoon nog in den samenhang met zijn volk gebonden. Bij hem hooren we van een „nieuwe aarde en een nieuwen hemel;” bij Jeremia van een „nieuw verbond;” maar bij Ezechiël heet het: „Ik zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u en Ik zal het steenen hart uit hun vleesch wegnemen en zal hun een vleeschen hart geven;” en straks: „Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwen geest in het binnenste van u!” Eerst daardoor wordt die nieuwe naam verklaard, waarvan Jesaia jubelde, en waarvan hij getuigde, dat de Heer dien naam uitdrukkelijk noemen zal.

Eerst hiermeê is de openbaring des Ouden Verbonds voleind. Ze begon met de feitelijke wederbaring en bekeering der Patriarchen. Ze teekende de bekeering in Jacobs persoonssplitsing en Israëls versterven en herleven. Toen kwam ze tot het woord, dat de roepstem tot bekeering deed uitgaan. Dat „Bekeert u!” veronderstelde Israëls wedergeboorte als volk, tot eindelijk de profetie komt, die ook die wedergeboorte op den enkele toepast en geheel het mysterie ontsluit.

Nicodemus! waart ge dan een leeraar in Israël en wist ge deze dingen niet?

Helaas, het geslacht der Nicodemussen leeft nog! |55|




a. Eerder gepubliceerd ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004