V. Bekeering tot zaligheid en terugkeer van het kind Gods


Bekeer u, en doe de eerste werken.

Openb. 2 : 5. a


Zoo bleek dan, dat zoowel een volksbekeering, als een bekeering tot ingetogener leven, beide in de Heilige Schrift bekend zijn, maar evenzeer beide in de Schrift van bekeering ter zaligheid scherp onderscheiden worden.

Toch, we wezen er reeds op, ook bij deze laatste is onderscheid te maken tusschen de bekeering die den nieuwen mensch doet opstaan uit den dood, en die andere, die slechts terugkeer van Gods kinderen na een val in zonde of veraehtering in genade bedoelt.

Sterk vooral komt dit uit in den zendbrief, dien Johannes voor de gemeente van Efese ontving, waarin Christus haar toeroept: „Gij hebt verdragen en hebt geduld, en gij hebt om mijns naams wil gearbeid en zijt niet moede geworden; maar ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde verlaten hebt. Gedenk dan vanwaar, gij uitgevallen zijt en bekeer u en doe de eerste werken, en zoo niet, ik zal uw kandelaar van zijne plaats weren, indien gij u niet bekeert.” |39|

Stipt gezien, is hier niet sprake van een persoon, maar van een gemeente, die zich te bekeeren heeft. Dit verdient ten zeerste de aandacht. Een gemeente is iets anders dan een volk. Er is sprake van een stadsgemeente, niet van een landskerk; die gemeente schuilt te Efese en vormde met haar ledental nog slechts een zeer klein deel der bevolking. Van gemeente des Heeren in den meest eigenlijken zin is derhalve sprake, van een gemeente die nieuw gesticht en jaren achtereen door een Apostel geweid was. Er dient dus toegestemd, dat deze gemeente niet uit de wereld, maar uit het Koninkrijk was, een stichting des Heiligen Geestes. Toch wordt tot haar gezegd: „Bekeer u en doe de eerste werken,” wat uiteraard niet beteekenen kan: „Bekeer u van de wereld tot den Christus,” maar alleen: „Richt u uit uw geestelijke inzinking op.” — „Indien gij u niet bekeert, zoo zal ik uw kandelaar van u nemen” voegt de Heer er aan toe. Daartoe is het gekomen. Efeses gemeente heeft haar kandelaar zien wegnemen. Zij viel weg.

Dat ook onze gemeenten het ter harte namen! De hooge beteekenis van het gemeenteleven is ons dermate afhandig gemaakt, dat bij de lezing van Christus’ brieven aan de zeven gemeenten van Klein-Azië en de prediking er over schier nooit meer aan gemeenten, maar uitsluitend aan het eigen hart van den enkelen persoon gedacht wordt. De schade hieruit voortvloeiend snijdt dubbel. Eenerzijds toch vervalscht men zoodoende het Evangelie en neemt den troost der geloovigen weg, door de volharding der heiligen in verdenking te brengen, Een gemeente kàn wegsterven. De geschiedenis toont het. Haar leven kan inzinken, haar kandelaar worden |40| uitgebluscht. Een gemeente kan niet slechts vallen, maar ook vervallen en wegvallen. Tot een gemeente kan Christus derhalve zeggen: „Ik zal uw kandelaar wegnemen, ik zal u uit mijnen mond spuwen!” Maar wat van een gemeente geldt, geldt niet van den enkelen geloovige. Past men nu soortgelijke uitspraken, in strijd met de duidelijkste aanwijzing der Schrift, niettemin op de enkele bekeerden toe, dan leidt dit ongeoorloofd mottoprediken tot vervalsching van de heilswaarheid, tot verwarring der begrippen en tot ondermijning van het goddelijk gezag, dat aan Gods Woord juist om zijn wezenlijke eenheid toekomt. Niet minder schadelijk is anderzijds de zorgeloosheid, die hierdoor over de gemeenten als zoodanig komt. Went men zich aan het denkbeeld, dat zoo ernstige woorden de enkele personen en niet de gemeenten gelden, dan wordt allengs de consciëntie der gemeenten verstompt en slijt het besef van verantwoordelijkheid voor de heilighouding der Gemeente als zoodanig uit. Reeds bij duizenden kan men de steden en dorpen in Azië, Afrika en Zuidoostelijk Europa tellen, waar eertijds uitnemende gemeenten van den Christus bloeiden, die, allengs geestelijk verzwakt, naar de stem der vermaning niet gehoord hebben, en ten loste geheel verwoest en vernietigd zijn; zoo zelfs dat men veler naam en standplaats niet meer kent. Van menig vlek en stedeke in ons eigen vaderland geldt reeds hetzelfde. Tal van dorpen overal, waar eertijds de Christelijke gemeente een licht op den kandelaar was, waar uitnemende voorgangers het Woord Gods bediend hebben en waar de kracht des Heiligen Geestes openbaar was geworden, zijn thans reeds van het bezit eener Christelijke gemeente beroofd. Er is geen geloovig prediker, er is |41| geen belijdende kerkeraad meer. Er ontbreekt een prediking des Woords, er is geen herkenbare bediening der Sacramenten. Geen kern zelfs van geloovigen vindt men er meer. Hoogstens een enkele dienstbode of van buiten ingekomen ambtenaar kent er het gebed in den naam van Jezus nog. Zonder aarzeling dient dus verklaard, dat ook aan zulke gemeenten de profetie is vervuld geworden: dat haar kandelaar zou worden uitgebluscht. Dat is niet meer te herstellen; maar wel te voorkomen is, dat een reeks van andere gemeenten, die reeds ongelooflijk ver op denzelfden weg voortschreden, dien weg ten einde toe bewandelen. Er zijn gemeenten die reeds zieltogen, maar die toch, door zich te bekeeren, nog aan volslagen verwoesting ontkomen kunnen. Het medicijn ligt gereed. De Heer heeft het in zijn Woord bereid, met de uitdrukkelijke bijvoeging, dat dit medicijn voor de gemeenten bestemd was. Waarom keert dan ons publiek, waarom koeren onze predikers niet tot de eenvoudigheid van Jezus’ woord terug? Waarom houden ze niet op het medicijn voor de gemeenten bestemd, te bieden aan de persoonlijk kranken?

Terugkeer, na verachtering in genade, wordt intusschen ook bij den enkelen persoon bekeering in de Schrift genoemd. Alleen door dit in het oog te houden, kan men Jacobus’ slotwoord verstaan: „Broeders, indien iemand onder u van de waarheid is afgedwaald en hem iemand bekeert, die wete, enz.” Van een onbekeerde is hier geen sprake. Hij is één onder de broeders. Hij heeft de waarheid gekend: hoe anders kon hij van de waarheid afdwalen? Toch wordt ook van zulk een gezegd: „Indien iemand hem bekeert.” Ten overvloede verwijzen we nog naar 2 Cor. 7 : 9, waar Paulus aan |42| „de heiligen die te Corinthe zijn”, schrijft: „Nu verblijde ik mij, niet omdat gij bedroefd zijt geweest, maar omdat gij bedroefd zijt geweest tot bekeering.” Dat ook Jezus’ woord tot Petrus: „Maar indien gij zult bekeerd zijn, zoo versterk uw broederen”, hiertoe behoort, kan in den samenhang van ons opstel slechts worden aangeduid.

De tegenstrijdigheid, waarin het strenge woord van Hebreën 6 : 6 den lezer der Schrift vaak met andere Schriftuitspraken scheen te staan, valt hiermeê weg. „Het is onmogelijk, dat wie eens verlicht zijn geweest en afvallig worden, dezulken wederom te vernieuwen tot bekeering.” En toch kan aan de gemeenten van Sardis, Ephese en Laodicea, die haar eerste liefde verlaten liadden, worden toegeroepen: „Bekeer u en doe de eerste werken!” Slechts houde men in het oog, dat bekeering de eerste maal bekeering ter zaligheid van den onbekeerde, de tweede maal terugkeer tot God van den reeds bekeerde bedoelt.

Staan nu deze verschillende soorten van bekeering los naast elkaâr? Hebben deze drie soorten van oneigenlijke bekeering niets met elkaâr van doen? Is het schier uit achteloosheid, dat de auteurs der Schrift deze zelfde uitdrukking voor vier verschillende begrippen bezigen? Ware invoering van andere namen voor wat toch metterdaad geen bekeering in eigenlijken zin is niet wenschelijk? Onze taal is zooveel rijker in woorden dan de taal der Hebreën was? Zou dan verschillend woordgebruik voor zoo uiteenloopende zielsdaad niet wenschelijk zijn?

Die zoo vraagt miskent het organisme van Gods Openbaring en even daarom het organisch verband van |43| de verschillende uitingen des zedelijken levens. Komt het op woordverscheidenheid aan, dan is ook de Schrift niet arm. Voor het denkbeeld van bekeering heeft ze, in de schriften des Nieuwen Verbonds althans, twee uitdrukkingen, de ééne zinsverandering, de andere omkeering beteekenend, maar beide worden dooreen gebruikt, voor het denkbeeld van bekeering in zijn verschillende opvattingen.

Wie tot bekeering ter zaligheid komt is niet een eenling, leeft niet op zichzelf, staat niet alleen, maar leeft in een stad of op een dorp, waar het leven beheerscht wordt door den toon der maatschappij. Die toon der maatschappij staat hooger of zinkt lager naar gelang de geest der natie, de volkszin, een ernstiger of loszinniger karakter draagt, en voor elken zin of neiging hangt derhalve onberekenbaar veel af van de vraag: of het volk waartoe men behoort van God is afgevallen, of zich tot God bekeerd heeft. Leven we te midden van een volk dat van God is afgedoold, dan zullen de indrukken onzer jeugd, de indrukken die we door lectuur en gesprek ontvingen, de zondige geaardheid van het hart al meer naar buiten lokken, ons van de vreeze des Heeren afscheiden en ons op wegen brengen, waarin vaak de doordringendste stem der barmhartigheid niet meer wordt gehoord. Heeft daarentegen ons volk zich metterdaad en waarheid tot God bekeerd, is de volkszin geheiligd, de volksgeest ernstiger geworden, komt op het aangezicht der natie het merkteeken van haar Christelijken doop terug, dan is de verleiding zwakker, de bewarende kracht in de maatschappij sterker en dies de prikkel die tot onze consciëntie komt scherper. In het algemeen mag dus gezegd, dat volksbekeering een der |44| hulpmiddelen is tot persoonlijke bekeering; een werk van Gods voorbereidende genade, waardoor Hij den dampkring dien we inademen veel van zijn stiklucht ontneemt, om het opgloren van de vonk onder de asch mogelijk te maken. Dien samenhang toonde Israël. Ook uit de heidenwereld zijn er bekeerd in de dagen des Ouden Verbonds, maar hoe weinigen! Terwijl Israël in het choor zijner apostelen en profeten ons een wolke van getuigen biedt, die uit de ervaring des hoogeren levens jubelen. Veilig mag dus beweerd, dat de volksbekeering in Israël meê één der middelen was, waardoor Jehovah Zebaôth zich deze keurbende voor zijn Koninkrijk geworven heeft. De geschiedenis van ons eigen vaderland geeft in haar verschillende tijdvakken gelijk verschijnsel te aanschouwen. In tijden, dat ons volk weêr de knie boog voor God Almachtig en zich in stillen ootmoed bekeerde tot den Heer die het gemaakt had, zien we allerwegen in steden en dorpen kloeke getuigen opstaan, die spreken van en sterven willen voor de hope des eeuwigen levens, die in hen is, en van wier persoonlijk genadeleven een kracht, een bezieling, een energieke aangrijping is uitgegaan, die op elk terrein des levens de nationale kracht heeft verhoogd. Het verschil met dat verleden is onloochenbaar. Ook nu zijn er zielen die zich bekeeren tot den levenden God, maar zijn ze niet minder in aantal, armer aan genade, koeler in liefde, vaak der verkwijning nabij, meer in het stille schuilend, dan licht uitstralend naar alle kant, gelijk een stad op den berg doet, als de donkerheid van rondom op de vlakte is neêrgedaald?

Van de bekeering tot ingetogener leven geldt hetzelfde. Ons vorig artikel toont hoe weinig blind we zijn voor |45| het bedenkelijk gevaar dat in zulk een uitwendige bekeering schuilt en hoe vaak juist daardoor het hart, in deugd en glorie zich verheffend, zich hermetisch dichtsluit voor Hem, die zijn genade alleen aan nederigen schenkt. Maar volgt hieruit, dat deze uitwendige bekeering geen mijlpaal op den weg des heils, geen schakel in Gods voorbereidende genade kan zijn? Immers, eer het tegendeel. Ook de Christus, ook het Evangelie, al het heilige, is, zoo men wil, gevaarlijk. De Christus is ten val of ter opstanding. Hij is een rotssteen met scherpe kanten, waarop zich het hoofd verplettert wie er zich niet aan opbeurt. Reuke ten leven, maar . . . òf reuke ten doode is het Evangelie. Oordeel of zaligheid brengt al het heilige Gods. Dit nu geldt ook van deze oneigenlijke, nog gebrekkige, bloot uitwendige bekeering. Ook zij is niet gewrocht van eigen macht, maar genadegave, gave van bewarende genade, om aan de schrikkelijke uitbarstingen in zonde een einde te maken, zijn naam tot eer. Het is het dichtstoppen van de vensters en deuren, of de brand in het huis nog kon verstikt worden. Natuurlijk, dat stikt het vuur der zonde niet, indien de kracht des Heiligen Geestes niet zondedelgend in het hart zelf afdaalt, maar het gevaar voor de belendende panden, dat is hier voor hen, die in onze omgeving verkeeren, is toch minder geworden en de weg tot aangrijping van den brand daar binnen juist door afsluiting van den vuurgloed bereid.

Zoo opgevat hebben we dus te oordeelen dat beide, èn de volksbekeering èn de uitwendige bekeering tot ingetogenheid, wel verre van buiten verband met de bekeering tot zaligheid te staan, met dit hoogste op het innigst saâmhangen, en zoewel door God verordend zijn, |46| als door God gewerkt worden, als een der vele middelen, die Hij in zijn ondoorgrondelijk bestel bezigt, om de uitverkorenen tot het terrein des nieuwen levens te brengen.

Slechts voor ééne feil hoede men zich. De weg door de vlakte moge naar den voet van den berg brengen, maar is nog het beklimmen van dien berg zelf niet. Voorbereiding van den akker kan plaats grijpen, zonder dat de zaadkorrel in de geopende vore wordt gestrooid. Voorbereiding tot het werk der levendmakende genade, en het levend worden door die genade, zijn twee. |47|




a. Eerder gepubliceerd ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004