IV. Volksbekeering en bekeering tot deugd


Alzoo zegt de Heere Heere: Bekeert u, bekeert u!

Ezech. 14 : 6a. a


Wie waant, dat in de Heilige Schrift slechts van bekeering in één enkelen zin gesproken wordt, vergist zich, moet in verwarring geraken, en is buiten staat den samenhang tusschen wedergeboorte en bekeering te doorzien.

Alleen ernstig onderzoek der Schrift kan ook hier tot kennis der waarheid leiden. Wie acht op een enkel Schriftwoord dat hem bijbleef te kunnen afgaan, loopt gevaar het feit der bekeering meer in den zin dien menschen er aan gaven op te vatten, dan het te bezien in het licht der Openbaring.

In vierderlei zin komt de uitdrukking „bekeering” in de Heilige Schrift voor. De hoogste beteekenis is: „bekeering tot zaligheid.” De daarmeê het meest verwante: terugkeer van den reeds bekeerde tot zijn Bondsgod. Geheel hiervan onderscheiden is: het zich uiterlijk bekeeren van goddelooze gedraging. Eindelijk, schier op |30| één lijn hiermeê staande: de bekeering van een geheel volk.

Beginnen we met het laatste, wijl het in dien zin is, dat door Mozes het eerst in de Heilige Schrift van bekeering gesproken wordt.

In Deuteronomium. 30 : 2 lezen we, na de voorzegging van Israëls wegvoering naar Babylon, de profetie van zijn terugkeer naar Jeruzalem in deze woorden: „Voorts zal het geschieden, als gij u zult bekeeren tot den Heere uwen God en zijner stem gehoorzaam zijn, naar alles wat ik u heden gebiede, dat de Heer uw gevangenis zal wenden en zich uwer ontfermen!”

Dat hierbij geen sprake is van persoonlijke bekeering, springt in het oog. Geheel het volk, niet de enkele Israëliet wordt toegesproken. Niemand heeft ooit beweerd noch zal beweren, dat de terugkeerende Israëlieten, hoofd voor hoofd, bekeerde personen waren. Niets zou zulk een onderstelling rechtvaardigen. De geschiedenis van het wedergekeerde Israël weerspreekt het ten stelligste.

Er is sprake niet van persoonlijke, maar van een volksbekeering, die uiteraard geen „bekeering tot zaligheid” zijn kan.

Uiteraard zeggen we, niet alsof we Israëls blijvende beteekenis ook voor het eeuwig Koninkrijk voorbijzagen, maar wijl zulk een volksbekeering ons ook van andere natiën bericht wordt, die geen deel hadden aan Israëls heil.

Jonas’ weêrvaren toont dit op treffende wijs.

Naar Ninevé wordt hij gezonden, een stad van heidenschen oorsprong, die nooit haar veelgodendom verloochend heeft en sinds eeuwen ten onder ging, om nimmer weêr te verrijzen uit haar puin. |31|

Wat nu lezen we van den invloed dien Jonas’ prediking op de Ninevieten had? In zijn profetieën zegt hoofdstuk 3 : 10 ons: „En God zag hunne werken, dat zij zich bekeerden van hunnen boozen weg, en het berouwde God over het kwaad, dat Hij gesproken had hun te zullen doen, en Hij deed het niet.”

Voor Ninevé en Israël had die bekeering éénzelfde beteekenis.

Bij Israël bestond ze in „een gehoorzaam zijn aan de stem des Heeren, naar alles wat Mozes hun gebood”, en bij de Ninevieten daarin, „dat ze geloofden aan God, een vasten uitriepen, zich met zakken bekleedden en zich afwendden van hun boozen weg, van het geweld, dat in hun hand was.”

Die gelijkstelling wordt bovendien bevestigd door de bekende uitspraak van onzen Heer: „De mannen van Ninevé zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht en zullen het veroordeelen, want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas, en zie, meer dan Jonas is hier” (Matth. 12 : 41).

Ook ten opzichte van Egypte is van soortgelijke bekeering sprake. Jesaia toch schrijft in hoofdstuk 17 : 23: „En de Heere zal de Egyptenaren dapper slaan en genezen en zij zullen zich tot den Heere bekeeren en Hij zal zich van hen verbidden laten en Hij zal hen genezen.”

Zulk een volksbekeering slaat natuurlijk op het volk als natie. Er heerscht in elk volk een zekere geest, die den toon geeft aan de publieke opinie, van onberekenbaren invloed is op de volkszeden en de gedraging der enkelen en meestal in de regeeringskringen zijn uitdrukking vindt. Is nu die volksgeest slecht, gelijk dit in Egypte, in Ninevé en ten deele ook bij Israël plaats |32| greep, dan is hiermeê bedoeld, dat het volk in weelde verzonken, zich aan geen recht of gerechtigheid meer stoorde en die vaste ordinautiën van eerbaarheid en zedelijk leven schond, die door God Almachtig in zijn schepping voor de natiën gegeven zijn.

Terugkeer van dien boozen weg kan derhalve bij een geheel volk niet anders beteekenen, dan dat het volksgeweten, door de slaande hand Gods of door de boetprediking van een Godsgezant geraakt, in verzet komt tegen de zondige volkszeden, die in zwang kwamen, de achtbaarheid van recht en gerechtigheid herstelt, aflaat van zijn brooddronken wulpschheid en aan den levensernst zijn eere hergeeft.

Dientengevolge gaat zulk een bekeering van het volk meest gepaard met vasten en rouwmisbaar. In de consciëntie getroffen, slaat het volk uit het eene in het andere uiterste over, en dezelfde stad, die gisteren nog in zingenot baadde, bekleedt zich na de komst van den boetprediker met zakken, eet niet en drinkt niet en speent zich aan elk genot des levens.

Kent zulk een volk, gelijk Ninevé en Egypte, niets dan hetgeen van God kennelijk is in de natuur (Rom. 1 : 18), dan werkt zulk eene bekeering slechts een terugkeer uit naar die algemeene denkbeelden van recht en eerbaarheid, die door Gods genade ook onder de heidenen zijn bewaard gebleven.

Geldt het daarentegen Israël, dat de verbonden en beloften en de openbaring Gods ontving, dan sluit de volksbekeering uiteraard tevens terugkeer in zich naar den heiligen outerdienst, dien de Heer door Mozes bevolen had.

Dat we ook van Ninevé lezen, dat de inwoners aan |33| God geloofden, bevreemde niet. Ook zij hadden wel van Jehovah, den God van Israël, gehoord, en niets is bij heidenvolkeren meer gewoon, dan dat ze in dagen van zedelijke opwaking een buitenlandsch god opnemen onder de vele goden, wien ze eer bewijzen. Ook bij Ninevé is derhalve van geen bekeering tot den levenden God sprake, alsof ze hun afgodstempelen afgebroken en den dienst van den éénigen waren God ingevoerd hadden, maar alleen als van tijdelijke achterstelling hunner eigen goden en tijdelijkg verootmoediging voor den Jehovah van Israël. Van Ninevé gold, wat we later van Nebukadnezar te Babylon lezen, dat men in een oogenblik van rouw en wanhoop Israëls Jehovah erkende als machtig boven de goden, die men in zijn afgodstempelen aanbad.

Zulk een volksbekeering achte men niet gering. Er is voor de eere van den God der gerechtigheid reeds veel gewonnen, indien de uitbarsting van het kwaad, zij het ook slechts voor een tijd, gekeerd wordt. Gemeenlijk drukt zulk een volksbekeering haar stempel op de zeden van huisgezin en volk, en wordt daardoor een toom, die tot in verre geslachten de goddeloosheid en den overmoed breidelt. Voor Gods Kerk is heteen uitnemende zegen, indien ze is opgericht te midden van een natie, die als volk in wegen van recht en eerbaarheid wandelt. Door zulk een bekeering wordt de val en de ondergang der volkeren tegengehouden, en niets zal ook nu in staat blijken, om de al dieper wegzinkende natiën van Europa voor ontbinding te bewaren, tenzij men hier en elders doe wat de Ninevieten deden, en zich ook als volk bekeere tot den levenden God.

Het naast aan deze volksbekeering komt de bekeering, |34| die soms bij den enkele plaats grijpt, als hij aflaat van ergerlijk gedrag, zonder tot het zaligmakend geloof door te breken.

In dien zin vermaant Elifas de Themaniet Job: „Indien gij u bekeert tot den Almachtige, gij zult gebouwd worden, doe het onrecht verre van uw tente,” en volgt later de boetpredicatie van Elihu: „Indien zij hooren en Hem dienen, zoo zullen zij hun dagen eindigen in het goede, want Hij openbaart het voor hunlieder oor ter tucht en zegt, dat zij zich van de ongerechtigheid bekeeren zouden.”

Evenzoo getuigt David van zijn wederpartijder in den zevenden Psalm: „Indien hij zich niet bekeert, zal God zijn zwaard wetten; Hij heeft zijn boog gespannen en dien bereid.”

In gelijken zin is ook de bekeering te verstaan, die door de verstokking wordt tegengehouden. Als we lezen: „Opdat zij ziende zien en niet bemerken, opdat zij niet te eeniger tijd zich bekeeren en Ik hen geneze,” mag natuurlijk niet aan een bekeering ter zaligheid gedacht, die, waar ze denkbaar is, steeds door God gewild is en nooit door Hem wordt tegengehouden of belet. De zin is: „opdat zulk een onrechtvaardige, die in zijn hart tegen Mij staat, niet tot uitwendige eerbaarheid terugkeere,” waardoor de Heere onrechtvaardig zou schijnen, die zulk een schijnbaar godvruchtige verdoemt in steê van hem te begenadigen.

Onder deze categorie zijn alle uitspraken der Profeten te brengen, waardoor de bevolking van een stad of land tot terugkeer naar eerbaarheid en deugd gemaand wordt. B.v. als Jeremia tot de inwoners van Jeruzalem zegt: „Ziet , Ik formeer een kwaad tegen u, spreekt |35| de Heere, zoo bekeert u nu een iegelijk van zijnen boozen weg en maakt uwe wegen en uwe handelingen goed.”

Ten deele behoort hiertoe ook de bekeering, waartoe Johannes de Dooper den stoot gaf. Niet alsof Johannes slechts op uitwendige gedragsverandering zou gedrongen hebben. Hij doelde ongetwijfeld op de komst van den Messias. Maar toch ook de bekeering door hem gewerkt, leidde nog niet tot zaligmakend geloof. Ze droeg eer een voorbereidend karakter. Ze lei den ban op den bandeloozen volksgeest. De soldaat moest aflaten van plundering en zich laten vergenoegen met zijn soldij. Niemand zal het in den zin komen, te meenen, dat al de gedoopten van Johannes gezaligde zielen waren. Zelf wees hij op de ongenoegzaamheid van zijn eigen prediking. Die de zielen bekeeren zou, kwam na hem.

De sporen van deze bekeerin g zien we nog dagelijks om ons heen. Onder den indruk van een hartaangrijpende smart, bij verandering van levenskring, bij het aangaan van een huwelijk, bij het aanvaarden van een betrekking of wat dies meer zij, zien we telkens jongelingen en jongedochters, die eertijds spotten met elken ernst, het met deugd en eerbaarheid licht opnamen en zich moedwillig aan allen godsdienst speenden, soms schier plotseling tot een ommekeer in hun leven komen. De eerst ongeregelde wordt geregeld. Men went zich weer aan het dagelijksch gebed. Men leeft ingetogen en ordelijk. Soms zelfs slaat men den Bijbel op. En gang naar het bedehuis wordt gewoonte. Het losse gezelschap van vroeger mijdt men, degelijker zoekt men op. En toch van bekeering des harten, van verbrijzeling der ziel, is geen spoor te ontdekken. Er |36| greep een bekeering plaats, maar de bekeering tot zaligheid niet.

Zulk een bekeering is zelfs een uiterst bedenkelijk gevaar. In haar vooral vindt de eigengerechtigheid heul. Diepere bekeering wordt meestal afgesloten, indien men te lang in dien uitwendigen levensomkeer hangen blijft. Geen ongeestelijker daad van de Christelijke Gemeente, dan indien ze dit „zich schikken tot deugden” met de bekeering der ziel verwart.

Terecht hebben de Groningers eertijds, en zoo ook nu de Modernen beweerd, dat ook zij bekeering predikten. Ze doen dit ook, maar uitsluitend in den hier aangegeven zin. Zelfs waar ze tot verootmoediging en zelfverloochening dringen, komen ze dezen lagen trap der bekeering niet te boven. Ze kunnen dit niet, wijl ze de verzoening afsneden, die alleen zielsbekeering mogelijk maakt.

De geloovige Gemeente gevoelt dit terstond. Laat een prediker nog zoo ernstig tot boete, nog zoo dringend tot bekeering manen, laat zelfs de klank van wedergeboorte hem over de lippen komen. Al omniet. Zoolang de snijding tusschen dood en leven bedekt blijft, weet ze dat Jonas Ninevé tot ommekeer van wandel en niet Jezus zondaren tot behoudenis hunner zielen roept.

Slechts hierin vergist de Gemeente zich, indien ze waant, dat deze ongenoegzame, deze hoogstens voorbereidende en meer uitwendige bekeering buiten de Heilige Schrift ligt. Ze komt er wel ter dege, zelfs verre van zeldzaam in voor. Juist door dit te ontkennen geeft men den tegenstander een wapen in de hand. Immers, dan verwijst hij u met zijn goed recht naar tal van Schriftuitspraken, die gewagen van een bekeering, waarbij |37| noch van uitverkiezing noch van wedergeboorte, noch van verzoening noch zelfs van geloof gerept wordt, en woordelijk als inhoud der bekeering wordt opgegeven, wat ook zij formuleeren in hun eisch.

Aan die verwarring kome een einde. De Schrift zelve leere ons, dat van volksbekeering en uitwendigen Ievensomkeer bij den enkele ook in de Schrift sprake is, zonder dat de zaligheid er op volgt, of zelfs, gelijk bij een volk, er op volgen kan. Dit erkenne men en voege den tegenstander toe: Niet hierom verwerp ik uw prediking, alsof ook die eisch tot levensommekeer niet naar luid der Schrift tot alle ziel gebracht moest worden, maar wijl ge wat hoogstens voorbereidende waarde heeft voor de wezenlijke bekeering uitvent, niets dan een Jonasprediking hebt, en u voordoet als spraakt ge in naam van Jezus, niets dan boetpredikers in vulgairen zin zijt, en in een Kerk optreedt die de prediking heeft der verzoening. |38|




a. Eerder gepubliceerd ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004