III. De slaap der zonde


Ontwaakt. gij die slaapt, en staat op uit de dooden, en laat Christus over u lichten.

Ef. 5 : 14. a


Het levensfeit, dat „wij door Christus opgewekt worden tot een nieuw leven,” draagt in het spraakgebruik der Christenheid schier uitsluitend den naam van „bekeering;” althans in geschrifte en in prediking, niet te dikwijls maar toch soms, afgewisseld door de uitdrukking „wedergeboorte.” Beide zegswijzen steunen op de woordkeus der Heilige Schrift en hebben reeds uit dien hoofde in het Gemeenteleven recht van bestaan. Slechts hiertegen dient gewaakt, dat ook ten deze het gebruik der termen niet toeneme in omgekeerde reden tot ons inzicht in het feit door die termen aangeduid. Onderzoek naar de juiste beteekenis van het gangbaar spraakgebruik kan hiertoe meêwerken. Daartoe dan noodigen we onze lezers uit.

Wakker worden en na wakker geschud te zijn op te staan zijn twee. Ook Paulus onderscheidt daarom beide, |21| als hij aan de Ephesiërs schrijft: 1o. Ontwaakt, gij die slaapt; en, 2o. En staat op uit de dooden. De slaap der zonde is een zeer diepe slaap, een slaap die tot in volkomen bewusteloosheid, in volstrekte gevoelloosheid en in de stelligste willoosheid doet verzinken. Daarom is het een slaap in de dooden, en moet hij, die er uit wakker zal worden, uit de dooden opstaan. Bij dit beeld mag derhalve niet gedacht worden aan den lichten, door den gang des levens afgeperkten en telkens afgebroken slaap van levendige, opgewekte geesten, maar valt eer te denken aan dien overstelpenden, onweêrstaanbaren, schier geest en lichaam geheel overgietenden slaap, die als een stroom is, waartegen we eerst worstelen, maar om straks er in te duiken, en ondergedoken zijn prooi te blijven, tot zijn lust aan ons uitheeft en hij ons loslaat. Aan een slaap, als waarmeê we den levenslustigen knaap soms overgoten zien na een langen dag van genieting in de open lucht, als hij moêgeloopen en gerend, moêgestoeid en moêgesprongen, eindelijk niet meer kan, en nu wegzinkt in zoo diepen, vasten, onverbrekelijken slaap, dat ge hem toeroepen en opnemen en heen en weêr schudden kunt, zonder dat de oogen ontluiken of de spieren haar werking hernemen. We stemmen toe, ook dat beeld is nog te zwak. Het was nog geen slaap „in de dooden,” maar het brengt ons het verschil tusschen wakker worden en opstaan toch nader. Bij anderer slaap mogen geest en wil nog heerschappij genoeg behouden, om het loome lijf op gezetten tijd tot ontwaken en opstaan te dwingen, bij dien knaap is daar geen sprake van. Slechts in één, maar uiterst gewichtig punt, wijkt ook zijn slaap nog van den slaap des zondaars af. Hoe diep, in wat vasten slaap ook verzonken, |22| eens is die knaap toch uitgeslapen. Ook al raakt ge hem niet aan, ook al bleef het nachtelijke stilte om hem heen, toch zou er een oogenblik komen, dat de slaap aan hem verzadigd was en het eerst toegeklemde oog zich vanzelf opende. Maar ook dit sluit de bijvoeging: „staat op uit de dooden” volstrekt uit. De slaap van den zondaar is geen slaap die de kracht allengs herstelt en vanzelf een einde neemt. Het is een slaap, die al dieper neêrstoot, al verder den geest verdooft en uitbluscht en nooit genoeg aan zijn prooi heeft, maar eeuwig zal zijn om eeuwig zijn buit te behouden.

Uit zulk een slaap kan men niet zelf wakker worden. Evenmin wakker worden op het enkele geluid af van den roepende. Hem die roept hoort men niet. Het woord dringt niet door. Tot in den verbijsterenden droom mag soms een enkele klank natrillen, maar die, in den droom opgenomen, de verschrikking slechts banger maakt, zonder kracht of wil tot opstaan te leveren. Er moet meer dan een geluid tot dien slapende komen. De slaap, die hem beving, moet eerst gebroken. Tot dat breken kan ook het roepend woord middel zijn, maar éénig middel nooit, tenzij één wiens stem doorgaat tot het merg en de samenvoegselen der ziel, dat woord in de diepste kern van zijn wezen weet te brengen, waar het rad van zijn wilsbeweging roerloos omklemd werd gehouden door de macht van den doodslaap, waarin hij wegzonk.

Bij dat wakker worden is hij zelf derhalve lijdelijk. Hij wordt wakker gemaakt. Hij wordt gewekt. Indien niet een macht van buiten tot hem trad, hem aanraakte en op hem werkte, hij zou stoorloos voortsluimeren zijn nimmer eindigenden slaap. Geen „stok of blok” was |23| hij daarom in zijn sluimeren. Om te kunnen slapen moet er nog een innerlijke bewerktuiging zijn. Om den slaap van den zondaar te kunnen sluimeren, moet men nog mensch zijn, deelachtig onzer natuur.

Na dat wakker worden komt het opstaan. Om op te staan doet hij, die straks nog sliep, zelf iets. Zij het ook dat de toegestoken hand, de zijne omklemmend, hem overeind haalt, optrekt en schier doet opstaan, toch is dat opstaan een daad, die niet buiten zijn wil kan omgaan. Men kan, zonder die daad van zijn wil, den slapende wel opnemen, van zijn sponde aflichten en des noods overeind zetten, maar dat is nog geen opstaan. Ook zóó zou hij nog bewusteloos neêrvallen, aanstonds weêr ineenzijgen en voortsluimeren. Opstaan doet hij eerst dan, als de wil de zenuwen en door deze de pezen en spieren en door deze weêr als instrument geheel het lichaam in beweging brengt, beheerscht en overeind houdt. Ook daarbij is een worsteling nog denkbaar. De beheersching zal in het eerst nog niet volkomen zijn. Er kan eerst nog meer een waggelen dan een staan zijn. Maar toch ook reeds in dat waggelen werkt de wil van den eerst slapende. Zonder wilsdaad is alle opstaan ondenkbaar.

Het groote levensfeit splitst zich derhalve, naar de Apostolische beeldspraak, in tweeën.

Er is een wakker worden, waarbij de slapende lijdelijk was, maar ook een opstaan, waartoe zijn wil in werking geraakt, en beide volgen elkaâr in vaste orde op. Het opstaan is eerst mogelijk, nadat de in den slaap verzonkene wakker gemaakt wierd.

De verklaring van dit merkwaardig woord van Paulus moest voorafgaan, zou men oordeelen kunnen over de |24| orde, waarin wedergeboorte en bekeering op elkaâr volgen.

Die orde toch is lang niet in aller oog dezelfde.

Zeer stellig wordt eenerzijds de meening verdedigd, dat de wedergeboorte na de bekeering komt, als men anderzijds de overtuiging handhaaft, dat de wedergeboorte aan de bekeering voorafgaat.

Die twee zienswijzen vonden elk haar verdedigers in elk tijdperk van het leven der Christelijke Gemeente, en dat dit geschilpunt een geestelijk belang raakt, zal door niemand ontkend worden, die weet hoe ons oordeel over de Kerk, over de Sacramenten, over het doel van Prediking en Tucht en evenzeer over het Pelagianisme in zijn bedekte vormen geheel door de vooropstelling of achteraanplaatsing van het feit der wedergeboorte wordt beheerscht.

Nu ontbreekt in de Heilige Schrift een kernachtige uitspraak, vrucht van steeds voortgaande openbaring des Heiligen Geestes, waarin de beide denkbeelden van wedergeboorte en bekeering saâm voorkomen.

Er wordt tallooze malen van bekeering, van wedergeboorte in letterlijken zin slechts driemaal, bij manier van omschrijving een tiental keeren gesproken, maar geen enkele uitspraak der Schrift bezigt beide woorden tegelijk.

Ware dit het geval, dan viel de vraag, in welke orde ze plaats grijpen, wat voorafgaat en wat volgt, licht. In die orde, waarin wedergeboorte en bekeering in de Schrift waren saâmgevoegd, behoorden ze ook verbonden te zijn voor ons bewustzijn, in de prediking en in het leven der Gemeente.

Blijkt echter, dat zulk een uitspraak ontbreekt, dan |25| rest ons niet anders, dan onze toevlucht te nemen tot verwante Schriftplaatsen, waar evenzeer het feit der toebrenging in tweeën onderscheiden is, en deze beide in éénen adem worden genoemd.

Daarom verwezen we allereerst naar Paulus’ uitspraak in den brief aan de Ephesiërs. Ontwaken en opstaan worden daarin scherp onderscheiden en tevens is hun volgorde aangewezen. Immers dat het ontwaken niet na het opstaan volgt, maar er aan voorafgaat, behoeft geen betoog.

Blijft slechts de vraag: is ontwaken gelijkluidend met bekeering, of met wedergeboorte? Zoo eenvoudig als het schijnt is de beantwoording dezer vraag niet. Men zou geneigd zijn onverwijld het ontwaken met de wedergeboorte, het opstaan met de bekeering gelijk te stellen, en naar onze overtuiging is deze meening ook juist. Maar zonder bedenking is deze gelijkstelling niet.

Om dit te doen uitkomen, behoeft slechts aan een niet minder beteekenisvolle uitspraak van een ander Apostel te worden herinnerd. We bedoelen Johannes. Van diens hand toch bezitten we het merkwaardig woord in den aanhef van zijn Evangelie: „Maar zoovelen hem aangenomen hebben, dien heeft hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in zijnen naam gelooven, welke niet uit den bloede noch uit den wil des vleesches noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn.”

Is nu, zoo mag men vragen, iemand die den Christus heeft „aangenomen” niet bekeerd? Kan er nog van bekeering sprake zijn, bij iemand die, naar den diepen zin waarin Johannes dit woord bezigt: in zijnen naam gelooft?

Ons dunkt, niemand aarzelt; die vraag toestemmend |26| te beantwoorden. Maar als dan nu van deze „bekeerden” getuigd wordt, dat „hun macht is gegeven om kinderen Gods te worden,” volgt hieruit dan niet, dat ze nog geen kinderen Gods waren, eerst na hun bekeering hiertoe geraken kunnen, en dus in de ure hunner bekeering nog niet wedergeboren zijn?

Dit zou, het springt in het oog, tot een juist omgekeerde volgorde leiden. Eerst zou bekeering moeten plaats grijpen. Daarna eerst van wedergeboorte sprake kunnen zijn.

Toch rijmt hiermeê weêr het slot van Johannes’ uitspraak niet.

Immers, hij zegt dat men, om kind Gods te worden, in Jezus’ naam gelooven moet, maar wat gelooven in Jezus’ naam is, omschrijft hij voorts, schijnbaar tegenstrijdig, in dezer voege: namelijk, die niet uit den wil, des vleesches, maar uit God geboren zijn.

Dit toont, dat een kind Gods te worden en uit God geboren te zijn naar Johannes’ bedoeling niet eensluidend zijn.

Volgens hem heeft bij den zondaar, die uit den dood overgaat in het leven, drieërlei plaats. Hij wordt ten eerste uit God geboren, daarna komt hij tot het aannemen van Jezus en het gelooven in zijn naam, en eerst daarop volgt het worden van een kind Gods.

Reeds vermoedt men, waaruit deze schijnbare tegenstrijdigheid te verklaren is.

Een kind dat pas geboren werd, weet nog niet dat het een vader heeft, kent dien vader nog niet, heeft nog geen kindsbewustzijn.

Men kan dus ook in het natuurlijk leven onderscheiden tusschen een kind, dat wel geboren is maar zich zelf |27| nog niet als kind kent, en het tot bewustzijn ontwaakte, dat zijn kindsbetrekking tegenover zijn vader gevoelt.

Dit nu geldt nog in veel sterker zin bij de geestelijke geboorte.

Het zaad des levens ontvangen te hebben in de ziel, en te zijn doorgebroken tot de vrijheid en de blijdschap der kinderen Gods, verschilt hemelsbreed.

Tusschen die beide ligt al de worsteling en al de smart, het struikelen en zich weêr oprichten, het vallen en opstaan, waardoor de ten leven verwekte allengs het wandelen leert op dien verschen en levenden weg, die tot de gemeenschap met den Vader leidt.

Zelfs de bekeerde breekt, althans in den regel, daartoe niet aanstonds door.

Ook hij komt eerst niet verder dan tot het aannemen van Jezus en het gelooven in diens naam. Een tijdlang acht hij, dat hiermeê de levensstrijd voldongen is. Hij beschouwt het aannemen van Jezus en het gelooven in diens naam als het doel van zijn streven en zijn aanbidding. Dat ook dat aannemen van Jezus nog slechts middel was, om hem tot den Vader tebrengen, komt eerst zelfs niet bij hem op.

Eerst daarna toont Jezus zelf hem, dat hij, als onze Middelaar, ook bij ons, ook in onze toebrenging, niet zijn eer zoekt, maar de eer van den Vader die hem gezonden heeft.

Dus door Ohristus zelf onderwezen en van dwaling overtuigd, komt de geroepene als vanzelf tot dat ontzaglijk oogenblik, waarin God Drieëenig hem met heilige majesteit in de ziel fluistert, dat hij met Hem doen heeft en eerst in de volle gemeenschap met het hoogheilig Wezen zaligheid vinden kan. Dan eerst |28| komt het Abba! Vader! Dan eerst wordt het „Onze Vader” uit de diepste kern der ziel gebeden. Dan eerst wordt het verwijt van Jezus aan Philippus begrepen: „Zijt gij zoolang reeds met mij geweest en hebt gij mij nog niet gekend, Philippus? Die mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien!” — „Toon ons den Vader” vraagt men na het „Abba! Vader!” niet meer. |29|




a. Eerder gepubliceerd ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004