II. De navolging Christi


Opdat hij de eerstgeborene zij onder vele broederen.

Rom. 8 : 29c. a


Na ons door zijn heerlijk verrijzen uit den smaad van het graf het deelgenootschap aan zijn gerechtigheid te hebben geopend, brengt Christus ons krachtens zijn opstanding in de tweede plaats het nieuwe leven zelf. Ten tweede, dus gaat de Catechismus voort, „worden wij door zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven.”

Ook de keus der woorden is hier van gewicht. De komst van het nieuwe leven in ons wordt geteekend in het beeld eener opstanding. Gelijk het Christus verging, zoo verga het ook u. Stierf hij, zoo moet ook gij sterven; maar ook, stond hij op uit de dooden, dan wenkt die opstanding ook u.

Dit parallelisme tusschen Christus en den Christen loopt door geheel de Schrift. Telkens wordt de Gemeente indachtig gemaakt, dat in het leven van haar Hoofd haar eigen leven zich afspiegelt. Wat over hem ging zal ook over haar gaan. Den weg door hem |12| betreden, zal ook zij te bewandelen hebben. Slechts op „navolging van Christus” komt het voor haar aan.

Twijfelachtig zijn de Schriftordinantiën voor de Gemeente te dezen opzichte niet.

„Wie achter mij wil komen, verloochene zichzelven, neme zijn kruis op en volge mij!”

„Want ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijkerwijs ik u gedaan heb, gijlieden ook doet.”

„Dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was, die, in de gestaltenis Gods zijnde, geenen roof heeft geacht Gode evengelijk te zijn, maar heeft zichzelven vernietigd.”

„Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij zijn voetstappen zoudt navolgen.”

„Die zegt, dat hij in hem blijft, die moet ook zelf alzoo wandelen, gelijk hij gewandeld heeft.”

„Weest mijne navolgers, gelijk ook ik van Christus.”

„Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat hij de eerstgeborene zij onder vele broederen.”

Dienovereenkomstig leert de Schrift ons, dat gelijk de Christus is uitverkoren, ook de zijnen zijn uitverkoren; gelijk de Christus door den Vader is gezalfd, ook zij zijner zalving deelachtig worden; gelijk de Christus geheiligd is, ook zij geheiligd zijn; gelijk hij gekruist, gedood is en begraven, ook zij zichzelven hebben te kruisigen, te dooden en te begraven; gelijk hij leed, zoo hebben ook zij te lijden; gelijk ze den Christus hebben gedaan, alzoo zullen ze ook den dienstknecht doen. Maar dan is ook even onverbiddelijk de gemeenschap |13| aan de kroon ná het lijden te handhaven. Is hij opgewekt, dan moeten ook zij opstaan. Is hij verhoogd, hij zal ook hen verhoogen. Is hij in den hemel gezet, zij zijn in den hemel gezet met hem. Is hij verheerlijkt, die heerlijkheid beidt ook hen. Gelijk hij aller Priester is en Koning, zoo zijn ook zij gewijd om als priesters het altaar des lofs te bedienen en als koningen met hem te heerschen. Kortom, het is nog wel niet geopenbaard wat we zijn zullen, maar dit weten we toch, dat als de Christus zal geopenbaard worden in zijn toekomst, we hem gelijk zullen wezen, want we zullen hem zien gelijk hij is.

Reeds hieruit blijkt, dat de navolging van Christus uiterst oppervlakkig en ten diepste onwaar wordt opgevat, indien men haar verstaat als nabootsing van wat hij deed.

Elk pogen, om, in de macht der zonde nog verzonken, door het zien op Jezus’ voorbeeld tot heiliger zin en streven te komen, moet mislukken, druischt tegen de bedoeling der Heilige Schrift in en miskent den Christus als onzen Verlosser.

De navolging door Jezus en zijn Apostelen bedoeld is een gansch andere, veel grootscher in haar opvatting en onvergelijkelijk rijker in haar gevolgen.

Niet bedoeld is een navolging in enkele wilsdaden, een zich schikken naar Jezus’ voorbeeld in enkele levensuitingen, een nabootsen van den Christus in zijn woord of daad, — maar een navolgen van den Verlosser met onze gansche persoonlijkheid, waardoor geheel ons aanzijn, ons wezen, onze existentie, van den verkeerden weg, waarop de zondaar wandelt, worde overgebracht naar de lijn waarlangs hij zich bewoog. |14|

Niet bedoeld is de navolging van den werkman die het model nabootst, maar dat navolgen in aard en wezen, waarmeê stam en tak, blad en vrucht gebonden is aan de natuur van den wortel.

Geen navolgen wil de Schrift, waarbij telkens door ons zou herhaald worden, wat eenmaal door den Christus is gedaan; maar zulk een navolgen, dat door het voorgaan van den Eénige mogelijk gemaakt is en beheerscht wordt. In de bres dringt de dappere held het eerst door, hij baant den weg, hij breekt den tegenstand, hij teekent het spoor. En nu volgende anderen, niet om te doen wat hij deed. Wat hij deed kon slechts die ééne doen. Maar om achter hem aan, door zijn moed gesteund, door zijn machtigen arm beschermd, op zijn blik vertrouwend, zijn voetstappen te drukken en de banier te volgen, die straks door hem op den muur van de vijandelijke veste wordt geplant.

Ja, zelfs dit is nog te zwak uitgedrukt. Zelfs bij deze voorstelling duikt nog telkens te veel het denkbeeld op, alsof, zij het ook met eenig verschil, door ons, die achter den Christus aankomen, gedaan wierd wat hij deed.

Dit is niet zoo.

Hij heeft den wijnpersbak alleen getreden, en niemand was met hem!

Hij heeft een verzoening te weeg gebracht, die op eenmaal volmaakt is, en die men verkleint, maar niet eert, door den waan alsof onze boete en ons berouw haar voleinden moesten.

Zijn leven en lijden, zijn strijd en overwinning was plaatsbekleedend. Voor ons. In onze plaats. In onze steê volbracht om ons te worden toegerekend, |15| nooit om door ons te worden nagedaan of herhaald.

Nu splitse noch scheide men willekeurig wat in de Schrift één is. Men zegge niet, dat in Jezus’ leven te onderscheiden is tusschen zijn Middelaarswerk en de gewone levensuiting van den persoon. Dat is willekeur. Niemand heeft recht het Middelaarswerk van den Christus tot zijn geboorte, lijden en sterven te beperken, om voorts zijn daden en woorden, ’tzij als uitingen van den mensch Jezus Christus, ’tzij als openbaringen van den hoogsten Profeet, van dat lijden en sterven los te maken. Tot die scheiding is men alleen door een verkeerde opvatting van de „navolging Christi” gekomen. Natuurlijk, verstaat men onder navolging van den Christus, te doen wat hij deed, dan moet men hier wel splitsen. Dat men niet geboren kan worden, niet sterven en opstaan kan als hij, spreekt vanzelf Daarom zondert men dat Middelaarswerk dan uit, om wat dan blijft: Jezus’ omgang met zijn vrienden en vijanden, zijn spreken tot zondaars en tollenaars, zijn zachtmoedigheid en toegevendheid, als stoffe zijner navolging te kiezen voor eigen levensgedrag, in woord en daad.

Naar den maatstaf der Schrift echter is zulk pogen geoordeeld.

Zie toch. Juist wat men als inhoud van het Middelaarswerk van de navolging Christi zou willen uitzonderen, wordt ons door de Schrift in de eerste plaats ter navolging voorgesteld.

In het tweede hoofdstuk van den brief aan de Filippensen is het Jezus’ vleeschwording, bij Petrus in zijn eersten zendbrief het lijden, bij Paulus in den brief aan de Romeinen het sterven, en evenzoo in dien aan de Corinthen de opstanding. |16|

Ziehier wat ge zult navolgen, en wat volgt nu: een verhaal van eenig teeder woord door Jezus gesproken? Neen, maar de schitterende beschrijving van de menschwording des Zoons van God. „Dit gevoelen zij in u, dat ook in Christus Jezus was, die in de gestaltenisse Gods zijnde, het geen roof geacht heeft God evengelijk te zijn, maar heeft zichzelven vernietigd en is den menschen gelijk geworden!”

Eens voorgoed breke men derhalve met die willekeurige, oppervlakkige en onware onderscheiding. Wat ons ter navolging wordt voorgesteld is niet enkel de vriend der kinderkens, de trooster der bedroefden, de weldoener der ongelukkigen; maar de geheele Christus, gelijk hij als ons Hoofd en onze Middelaar voor ons is opgetreden.

Houdt men dit in het oog, dan vervalt het denkbeeld van navolging op voet van gelijkheid vanzelf.

Denkt men nog alleen aan Jezus’ liefdevollen omgang, aan zijn deernis met anderer leed, aan zijn teederheid van ziele, dan kan men zich nog inbeelden, dat men door herhaling van wat Jezus deed hem allengs nabij zal komen. Staan we daarentegen voor den eisch om hem na te volgen óók in zijn zelfvernietigende vleeschwording, óók in zijn verzoenend lijden en sterven, óók in zijn doodoverwinnend verrijzen, kortom, óók in datgene wat hij als Middelaar voor ons deed, dan kan uiteraard van zoo uitwendig navolgen geen sprake zijn, aan herhaling van wat hij deed kan dan niet gedacht worden, en het blijkt, dat er òf van geen navolging sprake kan zijn, òf dat ze in gansch anderen, veel dieperen zin is te verstaan.

De navolging van Christus, waartoe de Schrift ons |17| oproept, is een prijs geven van zichzelf, om voortaan in alles van den Christus af te hangen. Volkomen afhankelijkheid van Jezus en navolging Christi zijn uitdrukkingen van gelijke beteekenis. Het scheepke volgt den stroom, de lichte wolk den adem der winden, de dwarrelende sneeuwvlok de richting der aantrekkingskracht, de maan onze aarde in haar wentelen, en zoo ook volgt de Christen den Christus na in de beweging zijner goddelijke mogendheid. „Dezen zijn het, zegt de Openbaring, die het Lam volgen overal waar het henengaat.”

Er is een leven dat volgt, een terrein waarop het volgt, een wet waarnaar het volgt en een kracht waardoor het volgen kan; en dat alles, dat leven, dat terrein, die wet, die kracht zijn in en door den Christus gegeven.

Geen navolging van den Zone Gods, tenzij het leven dat uit God is en dat de Vader hem gegeven heeft te hebben in zichzelf, uit en door hem uit genade den zondaar is toegebracht.

Geen navolging van den Zone Gods, tenzij eerst door hem het nieuwe levensterrein geopend is, waarop het nieuwe schepsel zal kunnen wandelen. „Onze wandel is in de hemelen,” zegt de Apostel, en reeds Zacharias spreekt van de belofte: „Ik, zegt de Heer, zal u wandelingen geven onder degenen die hier zijn.” Dat zijn de wandelingen in het Koninkrijk, maar dat juist daarna eerst komen moest, eerst tot ons moest gebracht worden, zou de uiting van het nieuwe leven voor den zondaar mogelijk worden. „Die ons overgezet heeft uit het rijk der duisternis in het Koninkrijk van den Zoon zijner liefde,” — en ook „wij zijn overgegaan uit den dood |18| in het leven”, teekent schilderachtig dat overgeplaatst worden op een nieuw levensterrein. Christus zelf wees er op, toen hij sprak: „Ik ben niet slechts het leven, maar ook de weg.”

Maar ook hiermeê is nog niet genoeg gezegd. Ook op dat nieuwe terrein mag de beweging van het nieuwe leven niet willekeurig zijn. Ook dat nieuwe leven is onderworpen aan een wet, die het volgen moet, waaraan het zich niet onttrekken kan, waardoor het wordt beheerscht. En ook die wet kent de zondaar niet van nature, kan door hemzelf niet na zijn toebrenging gevonden worden, maar is hem gegeven door den Christus. Niet alsof de Christus hem die wet op steenen tafelen had gegrift of in een veelheid van geboden had aangekondigd. o, Neen, maar hij zelf, in zijn eigen leven en sterven, heeft die wet geponeerd. „Vervult alzoo de wet van Christus,” schrijft Paulus aan de Galaten. „Een nieuw gebod geef ik u,” sprak de Heer zelf tot zijn jongeren. In den Christus zelf, niet in eenig woord van hem uitgegaan, ligt die wet gereed.

Eindelijk, al bepaalt die wet de richting waarin we ons te bewegen hebben, nog baat dit niet, tenzij de kracht in ons werke om in die richting vooruit te komen. Wel is het leven zonder inwonende kracht ondenkbaar, maar ook bij den levende zou alle kracht ontzenuwd worden, tenzij een hooger macht dat leven gestadig en bestendig in het bezit, zijner kracht staande hield. Ook de ziel die leeft, kent, al weet ze dat ze niet wegstierf, toch de oogenblikken en tijden van krachteloosheid en onmacht, dat ze, als geparalyseerd, als verlamd en ontzenuwd, den weg wel zag en de richting wel ontdekte, maar niettemin tot voortgaan |19| onbekwaam was. Daarom wezen we er ten slotte op, dat we van den Christus niet enkel in het oogenblik der levendmaking afhankelijk zijn, maar steeds, bij elke schrede op den weg, van hem afhankelijk blijven. In hem is de bron aller geestelijke kracht. Geen druppel die ons verkwikt, dan uit die bron ons toegevloeid. Elke kracht, die zich in de Gemeente openbaart, zoo ze heilig is, draagt het merk van goddelijken oorsprong.

Wat doet nu de Catechismus, waar hij de kracht van Jezus’ opstanding bespreekt, anders, dan ons die ernstige navolging Christi op het hart binden?

Er is, zegt hij, een gerechtigheid, door Christus, niet door ons verworven. Die gerechtigheid, ook nadat ze verworven was, konden wij niet met eigen hand grijpen, maar moest hij ons deelachtig maken. En nadat door dit Middelaarswerk het terrein geopend was, waarop de verloste zondaar zou kunnen wandelen, komt nu de tweede daad van den Christus, t.w. dat hij ons naar zich toetrekt, ons tot navolging lokt en noopt, doordien hij ons door zijn kracht ook zelven doet opstaan en opwekt tot een nieuw leven. |20|




a. Eerder gepubliceerd ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004