Uit het Woord. Stichtelijke Bijbelstudiën

door Dr. A. Kuyper


Derde Bundel

Amsterdam, J.H. Kruyt. 1879



I. Wedergeboorte en bekeering

I. De verzoening als achtergrond


Tenzij iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk van God niet zien.

Joh. 3 : 3. a


De opstanding van onzen Heere Jezus Christus draagt, naar luid van den Heidelbergschen Catechismus, een drievoudige vrucht: het in werking brengen der verzoening, onze wedergeboorte en het zalig karakter onzer opstanding.

Op de tweede, onze wedergeboorte, wenschen we in deze weken na het Paaschfeest de aandacht te vestigen.

Toch dient een korte bespreking der eerste, al ware het slechts ter inleiding, vooraf te gaan.

Christus heeft als Middelaar onze schuld en vloek op zich genomen, doordien hij zonde voor ons geworden is.

Hij werd dit ten deele reeds door de gemeenschap aan ons geslacht te aanvaarden. Dat geslacht was ontvallen aan zijn zedelijke bestemming, afgegaan van God en was dientengevolge zondig geworden in zijn natuur.

Een andere, ons vreemde, bij ons niet hoorende macht was tot heerschappij over ons gekomen. Over |4| ons, d.w.z. over onzen geheelen persoon, beî naar ziel en lichaam, over den enkelen mensch en de banden, die ons aan anderen verbinden, over ons en de natuur, die ons tweede lichaam is, men voege er bij, over ons voor geheel den tijd van ons aanzijn, van onze ontvangenis af tot in eeuwigheid.

Door vleesch te worden in zulk een menschheid, zich aan haar aan te sluiten, harer één te worden, was er een verband tusschen haar en den Christus ontstaan.

Voor zooveel het lichaam betreft, geeft Paulus deze gemeenschap aan met deze woorden: „in de gelijkheid des zondigen vleesches.”

Voor zooveel de ziel betreft daarentegen verzekert de Heilige Schrift nadrukkelijk, „dat hij geen zonde gekend heeft, zonder zonde was, afgescheiden van de zondaren”, maar even stellig „dat hij onze zonden op het hout gedragen heeft en zonde voor ons is gemaakt.”

Deze schijnbare tegenspraak lost zich vanzelf op, indien men let op de zielsgemeenschap aan de zonde, die van nature bestaat, dus onvrij en door dwang, en die andere, die vrijwillig wordt aangenomen en derhalve een daad van liefde is.

Naar zijn wezen en natuur was Christus afgescheiden van het zondige in ons geslacht. Geen zonde had macht over hem. Wel hij over elke zonde.

Juist dit goddelijk en heilig karakter van zijn wezen deed de liefde in hem een onverwinlijke kracht zijn. De zonde, aller liefde vijandin, kon in hem de macht der liefde niet breken.

Derhalve juist wijl hij onzondig en afgescheiden van de zondaren was, kon hij door de kracht zijner liefde |5| onze zonde op zich nemen, de zonde der wereld dragen, en zelf zich tot zonde laten maken voor ons.

Hiermeê echter is niet genoeg gezegd.

Zonde is schuld.

Gods wezen spreekt zich uit in een wil. Die wil is geopenbaard in zijn wet.

Wijl nu de mensch niet alleen een natuur, maar ook een wil heeft, is de eisch Gods, dat niet alleen zijn natuur met het leven Gods, maar ook zijn wil met de wet Gods in overeenstemming zij.

Verbreking van die harmonie baart dus een dubbel kwaad.

Vooreerst, dat zijn natuur zich ten verderve keert, van God afgaat en valsch wordt, d.i. de zonde.

Maar ook, ten andere, dat zijn wil tegen Gods wil in verzet komt, d.i. de schuld.

De zonde, zegt Johannes, is de ongerechtigheid, of gelijk er letterlijk staat, wetsverbreking.

Ter redding moet derhalve een dubbele daad gebeuren.

De wetsschennis moet opgeheven en de schuld verzoend.

Maar ook, zijn leven, dat van God afging, moet naar God worden teruggekeerd, en wijl het, in den dood liggend, dit zelf niet kan, moet een nieuw leven in hem gewekt worden.

Het eerste is verzoening, het tweede wedergeboorte.

Beide hangen derhalve onverbrekelijk saâm.

Wat nut hiertoe nu de opstanding van Christus?

Was er dan vóór Jezus’ verrijzen uit den dood geen vergiffenis van zonden?

Zijn er dan geen geweest onder de heiligen des Ouden Verbonds, die een nieuw schepsel zijn geworden? |6|

Men weet beter.

Misverstand kan te dezen opzichte slechts ontstaan, indien men Christus en zijn werk van het raadsbesluit Gods scheidt.

Het werk van Christus is volbracht in den tijd. Er waren eeuwen dat het nog toefde, er was een oogenblik dat het volbracht is, thans behoort het tot het verleden.

Maar dit werk van Christus, in den tijd volbracht, heeft een eeuwigen wortel, en die wortel ligt in het raadsbesluit Gods.

In tegenstelling met het werk van Christus dat in den tijd ligt, ligt dat raadsbesluit Gods in het eeuwige.

„Nochtans hebben wij maar éénen God en Vader, uit wien alle dingen zijn, en éénen Heer Jezus Christus, door wien alle dingen zijn”, zegt Paulus.

Dit geldt ook van de verzoening en de wedergeboorte.

Ook de geestelijke heilgoederen zijn uit God den Vader, maar komen ons toe door den Heere Jezus Christus.

Wel zijn ze door Christus geopenbaard, maar ze waren in God van eeuwig.

Zijn raadsbesluit is geen daad der willekeur, maar noodzakelijk uitvloeisel van zijn wijsheid, die wijsheid uitvloeisel van zijn goddelijke gedachte, die gedachte uiting en bewustwording van wat van eeuwigheid op den bodem van zijn goddelijk wezen ligt. Hij is Jehovah, d.w.z. Hij is gelijk Hij is; wijl Hij God is, is zijn raadsbesluit wat het is en word het volvoerd, gelijk het in Christus werd geopenbaard.

Er ligt dus niets vreemds in, dat uit die eeuwige |7| fontein alles heils in God, verzoening en genade reeds ontsprong óók voor de mannen des Ouden Verbonds.

Toch was voor hen zoomin als voor ons die verzoening en genade denkbaar anders dan door Christus.

De waarheid en vastheid van Gods raadsbesluit is niet aan het werk van den Christus gebonden, maar omgekeerd bood juist dit raadsbesluit waarborg, dat dit werk van den Christus niet uitblijven kon, maar komen zou.

Het vormde in dat raadsbesluit een deel van den inhoud en alle deelen van dien inhoud zijn van elkander onafscheidelijk.

Reeds in dat raadsbesluit was derhalve de verzoening van den zondaar geen oogenblik gedacht zonder de verwerkelijking en openbaring er van, die in den Christus komende was.

De gebondenheid der verzoening onder het Oude Verbond aan den Christus, mag dus niet verstaan worden in den flauwen, verwaterden zin van een bloot uitzicht, een profetisch hopen op den Christus, maar als in het raadsbesluit Gods van den Christus onafscheidelijk.

Uiting van dit raadsbesluit was het Woord Gods. In dat Woord lag derhalve de volkomen waarborg voor het werk van den Christus, dat geopenbaard stond te worden. Het had op geestelijk terrein even deugdelijke waarde als het feit zelf. Gelijk een goede wissel met geld gelijk staat, zoo en in nog veel hooger zin stond het Woord Gods gelijk met de openbaring, die in Christus stond te komen.

Maar toen nu ook de Christus kwam en zijn werk aanvaard had, eischte diezelfde vastheid en zekerheid en voltooidheid, die in alle goddelijke dingen heerscht, |8| dat zijn werk en de daardoor gestichte verzoening tot werkelijkheid kwam.

Zeer stellig is de verzoening, als wegneming der wetsschennis en bedekking der schuld, volbracht in Jezus’ lijden en sterven. Het geschonden recht was door zijn eenige offerande op eenmaal hersteld. Niet alsof de Zoon den Vader tot ontferming had bewogen, maar zóó, dat omgekeerd de Vader den Zoon in de wereld gezonden en hem tot zonde voor ons gemaakt had. Niet alsof eerst hierdoor een vergevingsgezindheid ware ontstaan, maar zóó, dat krachtens de barmhartigheden Gods de verzoening verworven was, zonder dat de zondaar in den eeuwigen dood viel.

Dat was volbracht op Golgotha. Op Golgotha, mits men dit sterven van den Christus niet van zijn zielslijden in Gethsémané en van zijn lichaamslijden voor het Sanhedrin en op Gabbatha scheide.

Maar was dit genoeg?

Was dan daarin reeds Gods raad tot behoudenis voleind dat de verzoening gevonden, geopenbaard, verwerkelijkt was?

Baat het den kranke ook, indien de geneesheer, verre van zijn ziekbed, het ware medicijn gevonden heeft, indien hij het hem niet brengt, het hem niet kan deelachtig maken?

Daarop doelt onze Catechismus, als hij, gevraagd wat ons Christus’ opstanding nut, allereerst antwoordt, dat hij ons de gerechtigheid, die hij door zijn dood verworven had, kon deelachtig maken.

Daartoe moest ook de dood overwonnen, moest verbroken die macht des doods, die over ons ligt, op ons hangt, ons drukt en neêrtrekt en een onverwinlijke |9| belemmering bleef, om ons met de verworvene gerechtigheid weêr in aanraking te brengen.

Om ons te redden was Christus zelf onder die macht des doods neêrgedaald. Door zijn sterven had hij onze verzoening verworven. De prijs was zijns. Verworven was de gerechtigheid. Hij droeg ze in zijn persoon. Niet voor zichzelf, maar voor ons. Want hij stierf en ging in den dood als Middelaar, als onzer één, als Hoofd der menschheid.

Wat zou de verzoening ons dan gebaat hebben, indien hij onder die macht gebleven ware? Wat denkbeeld van verlossing vormt men zich toch, indien hij die ons heil had, gedacht kon worden, als met dat heil blijvend onder die macht des doods gebonden?

Immers, dan bracht ze ons geen vrucht. Dan zou zijn heerlijk leven omniet in den dood zijn gegeven. Dan kon er een sprake van verzoening zijn. Dan kon men jubelen dat ze er was. Maar tot ons kwam ze niet.

Daarom staat hij op. Niet als een vanzelfheid. Integendeel, het uiterste der kracht en het uitnemendste der mogendheden Gods is betoond, toen de Vader naar de werking der sterkte zijner macht den Zoon, die onze verzoening in zich droeg, uit de dooden heeft opgewekt.

Eerst door die opstanding werd hij vrij, die zich om onzentwil in de banden des doods had laten binden, en kon hij, nu vrijgeworden, de gerechtigheid die hij door zijn dood verworven had, ons deelachtig maken.

Niet werktuiglijk.

Gelijk hij als Middelaar stierf, stond hij ook als Middelaar uit den dood op. |10|

Juist door zijt opstanding klom hij op tot die koninklijke heerschappij over zijn Gemeente, waarmeê hij ons thans beheerscht en zijn gerechtigheid voor ons geldend maakt.

Hij is overgegeven voor onze zonden, maar opgewekt tot onze rechtvaardigmaking!




a. Eerder gepubliceerd ...







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004