Hoofdstuk IV. Van de reformatie der kerken.


§ 51. Wat onder reformatie der kerken te verstaan zij.

Reformatie kan in wijderen of engeren zin genomen, en klaarheid van opvatting eischt, dat deze uiteenloopende beteekenissen, hoezeer ook vroeger reeds aangeduid, bij den ingang van dit IVde hoofdstuk, nader juist en scherp onderscheiden worden.

Het algemeenste begrip van reformatie, dat het wijdst ommeloopt en het verste strekt, is het brengen van waarheid en heiligheid in de plaats van dwaling en zonde.

In die ruimste beteekenis sluit reformatie dus ook in de doorgaande verlichting, die de kerk in den loop der eeuwen van den Heiligen Geest ontvangt, alsmede den doorgaanden wasdom in heiligmaking: beide, verlichting en heiligmaking, zoo van het lichaam der kerk als van haar enkele leden te verstaan. Al wat de kerk nader aan de Fontein aller goeden brengt, of ook omgekeerd, die Fontein aller goeden milder en zuiverder in de bedding der kerk doet uitvloeien, heeft die kerk gereformeerd.

Toch neemt men het begrip van reformatie in dien uitgestrekten zin slechts zelden, en gelijk wij bij ons lichaam gemeenlijk onderscheiden tusschen den regelmatigen groei en wasdom, en de genezing van onregelmatig ingeslopen krankheden of toegebrachte wonden, zoo pleegt men veelal ook bij de kerken Christi eenerzijds de plicht te stellen tot regelmatigen wasdom in verlichting en heiligmaking, en anderzijds de herstelling uit ziektetoestanden, waarin ze door eigen schuld en ongeloof, of ook door Satan’s boosaardigheid, verzonk.

Die regelmatige wasdom in verlichting en heiligmaking heet dan de voortdurende stichting en opbouwing der kerke Gods door de werking der genademiddelen, en alleen die genezing van haar wonden heet dan reformatie.

Maar ook in dezen engeren zin laat het begrip van reformatie nog drieŽrlei beteekenis toe, al naar gelang de herstelling van het kranke gezocht wordt in opheffing uit ingezonken kracht, in uitdrijving van ingeslopen ziektestof, of eindelijk in gewelddadige kunstbewerking. |117|

Het eerste, de methode, die uitsluitend nieuwe prikkeling van de verdoofde levensgeesten bedoelt, is men thans meest gewoon met den naam van rťveil, revival of opwekking te bestempelen.

Het tweede, de methode, die zonder gewelddadige insnijding, uitdrijving van ingeslopen ziektestof beoogt, heet meest kerkherstel.

En alleen het derde, d.i. de methode, die het mes in de wonde zet en tot kunstbewerking overgaat, draagt dan den naam van reformatie in den engsten zin.

Aanwending van welke dezer drie graden plichtmatig zij, hangt geheel af van den aard der aanwezige ziekteverschijnselen.

Is het organisch weefsel der kerk nog ongedeerd gebleven, zoodat de kerkinrichting nog ongeschonden bleef, en de bediening der genademiddelen zuiver, dan is een geestelijke opwekking van leeraren en leden het ťťne noodige. Een nieuwe verwakkering van den Heiligen Geest, door een opnieuw bezegelen van het trouwverbond des Heeren. De rťveil!

Sloop daarentegen de krankheid verder door en zonk niet alleen het geestelijk leven in, maar wierd ook het graveersel der kerk geschonden, zoodat de waarheid op de straten struikelt, ook dan moet zeer zeker geestelijke verwakkering het uitgangspunt zijn, maar behoort men voorts van dat punt verder te schrijden tot geleidelijke verbetering van de kerkinrichting en wegneming van de dwaling. Alzoo rťveil ťn kerkherstel.

En kwam het eindelijk zoover, dat niet alleen het genadeleven verdorde en de waarheid op de straten struikelde, maar dat ook, door de overheerders der kerk ťn uitroeiing van de dwaling ťn herstel in eere van Gods Woord duurzaam onmogelijk werd gemaakt, dan mag de geestelijke verwakkering, die zich den weg tot geleidelijk kerkherstel ziet afgesneden, zelfs niet voor het pijnlijkste terugdeinzen, en behoort ze, ter levensredding, tot kunstbewerking over te gaan, d.i. voort te schrijden tot publieke reformatie, in den zin waarin Luther dit deed en Calvijn Luthers daad voleindde.

Maar ook al dringt en perst de Geest des Heeren, om tot dit uiterste over te gaan, toch moet geestelijke verwakkering altoos het uitgangspunt wezen.

Van buiten naar binnen wekt ge slechts schijnleven, wat stand zal houden werkt nooit anders op dan uit den Geest. |118|


§ 52. Dat alle goede reformatie God tot auteur heeft.

Alle menschenpogen is in Jezus’ kerk ijdelheid en minder dan de ijdelheid zelve. De kerk van Christus is ten spijt van ’s menschen zondig woelen door Gods wondere genade in de wereld ingedragen; wierd eeuw na eeuw in weerwil van der menschen tegenstand en ontrouw in die wereld staande gehouden; en heeft nooit ťťn oogenblik anders dan uit, door en in genade getierd. Er kleeft aan de kerk ook slib, en dat trok ze natuurlijk uit de wereld op, maar als kerk gold van haar steeds en onveranderlijk in volstrekten zin: „In Hem leeft ze, beweegt ze zich en is ze.”

Geen onzinniger bedrijf dan ook, dan dat eenig mensch, al ware hij de uitnemendste, of eenige kerkelijke vergadering, ook al ware ze de invloedrijkste, zich ooit zou vermeten te zeggen of te denken: „Ja, wij zullen door ons beleid deze of die ingezonken kerk eens reformeeren!”

Zulk zeggen is ongereformeerde hoovaardij, en kan nooit anders dan op nog verdere deformeering uitloopen. Het is het averechts gevoelen, alsof wij een zuivere kerk aan God hadden te leveren, insteÍ van dat Hij ons in zijn ontfermingen met een gezuiverden kerkstaat begenadigt.

Dit is de orde des Evangelies omkeeren, het genadeverbond op zij zetten, en weer naar loon dingen voor goede werken.

Dit te willen toont dat nog de dwaling in ons hart huist, alsof een kind van God uit zichzelf ook maar ťťn stippeltje heiligheid kon voortbrengen; en overwonnen wordt die dwaling dan eerst volkomen, als onze ziel oprecht voor God komt te belijden, dat elk stippeltje heiligheid, dat uit ons straalt, eerst in ons daalde uit de heiligheid Christi; zoo zelfs dat ook het beste dat nog uit ons natuurlijk leven nawerkt, zonde eer dan heiligheid zij te achten.

Ten deze moet een vroom Christenmensch loven noch bieden kennen.

Een kind des koninkrijks, dat de deugden wil verkondigen van Dengene die hem uit de duisternis riep tot zijn wonderbaar licht, kent op dit punt geen halfheid. Uit hem niets dan zonde, alle heiligs uit God. Leugenachtig al wat uit hem opwelt, waarachtig alleen de Heere.

Is dus reformatie, gelijk de vorige ß uitsprak, het brengen van waarheid en heiligheid in de plaats van leugen en zonde, dan zij toch gevraagd van waar anders aan de kerk die waarheid en heiligheid toe zou komen, dan uit Hem die alleen beide heeft? |119|

God, de auteur van alle deugdelijke reformatie, is daarom het beginsel, dat door de trouwe zonen der kerk nimmer is verloochend. Vandaar hun bidden, vandaar hun wachten, vandaar hun gehoorzamen aan den Heere.

Dit beginsel geldt van de reformatie in haar drie stadiŽn.

Uit God is alle verwakkering der gemeente uit haar doodelijken slaap. Niet alsof alle rťveil’s uit Hem en uit Hem alle revivals en opwekkingen waren. Helaas, wie betreurt het niet, dat zoo vaak menschelijk geknutsel zich met dien schoonen naam siert. Neen, maar dit is bedoeld, dat er nooit, dat er nergens leven in de doodsbeenderen opwaakt; dat nooit en nergens de wasdom in heiligmaking, na langen stilstand, weer begon; en dat nooit en nergens de drang om anderen voor den Heer te winnen een geopende deur vond, dan op die tijden en in die kerken, waarin het God den Heer beliefde, in weerwil van de zonde en het ongeloof en de trouweloosheid van zijn volk, zich over dat afgekeerde volk te ontfermen. En wel te ontfermen, doordien Hij ůf een profeet zond, zeggende: Spreek tot deze doodsbeenderen, ůf ook zonder boetgezant overtuiging van zonde en ongeloof in de zielen wekte, en door den prikkel van dit schuldbesef uitdreef in gebeden.

Het geldt hier den alouden strijd tusschen de Gereformeerden en de Arminianen, toegepast op de geestelijke verwakkering. Wie slaapt hoe zal die opstaan, tenzij hij gewekt worde! Hoe zou er betering uit een volk kunnen komen dat van dag tot dag geestelijk verergert. Gelijk dus de onwedergeborene alleen door een daad Gods uit de duisternis kan uitgaan naar het licht, zoo ook kan een kerk die in duisternis terugzonk, alleen door een genadedaad Gods weer naar het licht opzien.

Dit weer begenadigen van zijn volk met het duizendwerf verbeurde en eindelijk schuilgegane licht is zijn goddelijk en onschendbaar privilegie.

Nooit genoeg kan dus ’s Heeren volk vermaand om op te waken uit zijn slaap, de eerste liefde weer op te wekken, hare heilige werken vol voor God te maken en te verwakkeren in ijver voor de redding van anderer zielen, maar wee hem, die deze heerlijke opleving uit iets anders putten wil dan uit de Fontein aller goeden!

Hij alleen vermeerdert het geloof, stort door zijn Heiligen Geest de warmer liefde in het hart uit, geeft in verzoeking de overwinning en bindt ons anderer heil op de ziel.

Iets wat sterker uitkomt voor wie bedenkt, dat een geestelijke opwekking meerdere zielen te gelijk verwakkeren moet. Stel dus al, |120| ge hadt macht over uw eigen hart (des neen); dan kondt ge toch nog nimmer zaligmakend in anderer ziel indringen, en bleeft ge alzoo nog even diep afhankelijk van de vrijmachtige genade uws Gods.

Maar ook die tweede trap van reformatie, die we geleidelijk kerkherstel noemden, heeft alleen God tot auteur.

Buiten God kunnen menschen misschien betere artikelen van kerkelijk regiment opstellen en aldus de kerk reformeeren op het papier, maar dit doode ding, dat uit den dood gebaard is, zal dan ook volstrekt onmachtig blijken, om ook maar eenigszins aan het lichaam der kerken heur geestelijken welstand te hergeven.

Neen, als er kerkherstel komen zal, dan moet de opsteller der betere kerkorde slechts boeken, wat het God beliefd heeft reeds door zijn Woord en Geest in den zin en in de bedoeling der personen te verwekken.

Voor kerkherstel zijn gelegenheden noodig, en wie anders beschikt die dan de Heere onze God? Voor kerkherstel zijn allerlei personen onmisbaar, en wie anders schept personen dan Hij? Voor kerkherstel moet overeenstemming van inzichten, moet gelijkmatigheid van bedoeling, moet zin tot saŠmwerking gewekt, en wie anders leidt de harten als waterbeken dan de Heere?

Bovendien in de vergaderingen waarin dat geleidelijke kerkherstel wordt doorgezet, besluit, niet slechts de meerderheid van zeker aantal stemmen, maar is de presente koninklijke macht van Christus de eenig dwingende macht, en triumfeert de waarheid nooit dan onder het voorzitterschap van den Heiligen Geest.

Zůů was het te Nicaea! Zůů was het te Dordrecht geweest! En dat juist is het wat in onze Haagsche Synode wordt gemist. Ze besloot, o, conclamate vos, ecclesiae! haar gebed in te krimpen tot eenmaal ’s weeks.

En wat eindelijk het derde stadium van reformatie betreft, t.w. reformatie door verbreking van de bestaande organisatie, gelijk Luther en Calvijn ze doordreven, ook daarvan geldt onvoorwaardelijk dat ze ůf diep zondig was, ůf gewekt werd door God.

Diep zondig, want schriklijk is de overmoed van wie het lichaam des Heeren verscheurt en de kerke Gods misbruikt als het eerloos lijk, waarop de heelmeester zijn ontleedkundige bekwaamheden oefent.

Wie dat aandurft, om de eenheid te verbreken van de kerk, waarin hij geboren werd, moet wel zeer gewisselijk verzekerd zijn, dat hij van God hiertoe gezet is, of hij laadt op zich een verantwoordelijkheid, die hem den vloek zou indragen in het geschokte hart.

Zulk een roekelooze daad kan dan ook alleen de lichtzinnige |121| bestaan, wiens ongeestelijke zin of fanatieke overspanning voor de kinderen Gods genoegzaam openbaar is.

En tot reformatie door kunstbewerking, door breuke, door verscheuring van banden kan en mag het onder het volk dat God vreest, alleen dan komen, als de Heere zelf zijn volk bezoekt, de mannen verwekt, die zijn kudde kunnen uitleiden en zelf hun voor- en achtertocht is op hun weg door de woestijn.

Er moet dus niet maar gezegd, dat, ja, ter laatste instantie alle werking, en dus ook de reformatie der kerken, tot God kan worden teruggebracht; neen, maar er moet beleden, dat er nooit of nimmer reformatie in de kerk des Heeren, ’t zij in den vorm van opwekking, ’t zij als geleidelijk herstel, ’t zij door noodzakelijke breuke, tot stand kwam, of de bijzondere inwerking van de goddelijke genade begon dat heerlijk werk, zette het door en wist het te voleinden.


§ 53. Van reformatie door geestelijke opwekking.

„Geestelijke opwekking,” rťveil of revival, is een later in zwang gekomen woord voor hetgeen onze vaderen beter noemden „vernieuwing van het verbond.” Het heerlijke type voor den drang tot zulk een geestelijke verwakkering bezitten de kerken Gods in de zeven brieven, die de Christus door zijn heiligen Apostel Jošnnes aan de zeven kerken van Klein-AziŽ zond, en die ons nog toespreken in Openbaringen, hoofdstuk twee en drie.

Deze brieven zijn niet gericht aan heidenen, noch ook aan onbekeerden. Die aan de kerk van Laodicea uitgezonderd, over welken beknoptheid ons hier ter plaatse verbiedt uit te weiden, onderstellen alle deze brieven, dat de kerken, aan wie ze gericht zijn, krachtig in heur belijden staan, en voor verreweg de meerderheid van heur leden blonken in krachtige bezieling des geloofs. Er waren verkeerde elementen ingeslopen; zondige leer zocht en vond ten deele ingang; hun werken waren niet vol; de Heere had eenige weinige dingen tegen haar; er ontbrak het ideale; — evenwel, de kerken als zoodanig waren noch afgevallen noch verwaterd, noch ook wereldsch geworden in den zin waarin wij over onze kerken klagen. Het waren in elk geval nog ťn belijdende ťn geloovige kerken. En zie, desniettemin grijpt de Christus deze kerken om deze kleinere onvolkomenheden (naar wij thans zeggen zouden) derwijs krachtig en snijdend aan, dat ze vermaand worden tot „bekeering,” tot „versterking van het overige, dat sterven zou.” tot een gedenken vanwaar zij uitgevallen waren, en een doen van de eerste werken, en dat |122| onder de gestrenge bedreiging dat „anders heur kandelaar zal worden geweerd van zijne plaatse.”

De Heere nu zou deze brieven niet aan de toenmalige kerken gezonden en voor de kerken aller eeuwen bewaard hebben, indien deze valsche gerustheid in Zion niet tot de vaste verschijnselen behoorde, en niet gedurig een „ontwaakt, gij die slaapt en laat Christus over u lichten” juist voor de verkorene gemeente en in haar voor het volk van God, onmisbaar was.

Te roepen tot boete en bekeering, te manen tot schuldbelijdenis en heiligen wandel, is dan ook de roeping van den dienaar des Woords in alle kerken Gods; een roeping, die deswege nooit verzaakt mag, omdat het Woord het door God verordend middel is om de inwonende zonden der geloovigen te kruisigen en te begraven.

Toenemen in aandrang moet het geklank dier boetbazuin, zoo dikwijls de oordeelen des Heeren van verre vernomen worden, of ook naderkomen, ja, als een plage uitbreken in de plaatsen zelven, waar de kerke Gods verkeert.

Een bijzonder karakter behoort dat roepen tot geestelijke verwakkering aan te nemen, indien onder de toelating Gods onheilige wereldzin of eenige zonde, met name genoemd, het hoofd merkbaar opsteekt, en de teederder conscientiŽn, om de eere Gods, pijnlijk aandoet.

Maar in hun eigenlijk ten volle uitgedrukt karakter treden toch deze predikers van boete en bekeering dan eerst op, als het God belieft aan een deel van zijn kinderen, of ook maar aan een enkel van zijn verkorenen, de geestelijke gezonkenheid van het gemeenteleven derwijs overweldigend op de ziele te binden, dat hij roepen moet, en niet kan inhouden, omdat hij, naar Amos het uitdrukt, het brullen van den leeuw heeft gehoord.

Dan is het de welaangename ure, dat God zijn volk bezoekt; met de openbaringen, invloeden en inwerkingen van zijn Heiligen Geest krachtiger, dan in lange, naar de zielen van zijn volk uitgaat. Hieruit wordt dan eerst in enkele harten en allengs in kleiner of grooter kringen onvoldaanheid met den geestelijken toestand geboren; de zielen schreien weer uit de diepte; wat verstijfd scheen, smelt weer; de tongen raken los; er komt lust aan verloochening, en het Woord en het gebed en de lofzegging krijgen een innerlijke zoetheid, die hemelsch dunkt bij de dorheid vergeleken, waarover zoo lange dagen was geklaagd.

Zulk een bevochtigen van den hof des Heeren door dauw van Boven, zulk een overgieten van de beklemden met versche olie, zulk |123| een doen schitteren van het gewaad des lofs voor een benauwden geest, is dan aanstekelijk. Aanstekelijk als een vuur, dat door vonk op vonk zich mededeelt. Het springt over van ziel op ziel, van huis op huis, van kerk op kerk, altoos onder het blazen van den wind des Geestes. En de uitkomst is, dat weer in wijden kring veel dieper dan in lang de verdoemelijkheid onzer natuur gepeild, onze onmacht zonder terughouding beleden, het kruis volvaardiger aangegrepen, de rijkdom Christi zaliger genoten en de vruchten des Geestes overvloediger in ootmoedigheid en langmoedigheid geteeld worden.

In drieŽrlei bedding vloeit dan deze stroom des levens uit.

Allereerst in verrijking van het verborgen leven des harten voor God. De mystieke werking van de rťveil. Het weervinden van den verlorenen Trooster in ons hart. Een uitgaan in het heilgeheim, dat naar het heilige vreÍverbond aan zijn gunstgenooten vertoond wordt. Voorwaar, een volzalige genieting. Een hier reeds proeven van het manna, in hooger oord geteeld.

Onderscheiden hiervan is de strooming, die op heiliging van wandel doelt; niet (tenzij het sectarisch wordt) als iets bijzonders, om iets hoogers dan anderen te bereiken, maar eenvoudig als vernieuwing van zijn bekeering, en dus gekenmerkt door een meer afsterven van den ouden mensch; om de zonde hoe langs zoo meer te haten en te vlieden; en gekenmerkt evenzeer door een weer opstaan van den nieuwen mensch, in hartelijke lust en liefde, om niet slechts naar enkele, maar naar alle Gods geboden te leven.

Waar dan nog bijkomt de heilige drift om ons voor anderen over de grootheid der liefde van Christus te openbaren, of wil men de bedding der zending. Aan Philadelphia schrijft de Heere Jezus: „Ziet, ik heb een geopende deur voor u gegeven, ook geef ik u enkelen uit de Joden en ik zal maken dat ze zullen komen en aanbidden aan uwe voeten.” En in gelijken zin verleent de Heere nu nog aan elke kerk, die geestelijk uit haar doodslaap opwaakt, macht om voor zijn Koninkrijk te winnen; niet slechts door zending onder Kaffers of Eskimo’s, maar heerlijker nog door winning van wie nabij is.

Het geheim nu, of zulk een „geestelijke verwakkering” zuiver zal loopen, ligt in de vraag, of deze drie stroomingen onderling in juiste verhouding blijven. Want, gebeurt dit niet, dan ontstaat het gevaar voor sectarische ontaarding in gemaniŽreerde heiligheid bij de personen van wilskracht, en in oppervlakkige veeldoenerij bij de lieden der uitwendigheid.

Blijven daarentegen die drie stroomingen in onderling verband, |124| zoodat in de ťťne kerke Gods de lieden van gevoel, van wil en van bedrijvigheid elkaar in evenwicht houden, dan mijdt men het sectarisch pad, zoekt sa‚m de tucht der kerke, en heerlijk is het rijke genadeleven, dat in zulk een kerk alsdan opbloeit.

Alle kunstmatig gedreven rťveils zijn daarom af te keuren. Ze baren niets dan wind. En al moge het God den Heere soms behagen om ook op de vleugelen van dezen wind een zaad des levens uit te strooien, toch geschiedt dit nooit anders dan ondanks zulk een opgeschroefde beweging en is nooit haar natuurlijke vrucht. Waarbij echter niet vergeten worde, dat het recht om zulke valsche rťveils af te keuren, nooit ontleend kan worden aan eigen niets doen, maar doordien van de kerk of haar leden de van God gewilde, echte verwakkering uitgaat.

In niet al te diep gezonken toestand zullen de leden der kerk hierbij den prikkel tot zulke verbondsvernieuwing van de herders, niet omgekeerd de herders van de leden ontvangen. Niet licht wordt een kerk in die mate van den Heere verlaten, dat Hij niet althans nog enkele teedere kinderen Gods, met talenten versierd, in het ambt zou zetten, om als lichtgevende starren te flonkeren te midden van de donkerheid, die is neergedaald. Herders zijn in zoo bijzondere mate geroepen tot nauwer omgang met hun Zender, tot het laten schijnen. van hun licht in heiligen wandel en tot een dragen op het priesterlijk hart van de eere Gods en het heil der zielen. Meer dan anderen nog zijn zij de aangestelde wachters, de trouwe honden, die bassen moeten voor hun Heer. Zij moeten den wolf gezien hebben, eer de schapen die bespeuren, en wee den herder, die den wolf niet aangrijpt en zijn leven voor de schapen niet stelt. Jozua en Josia, Ezra en Nehemia zijn dan ook de schitterende getuigen, die elken van God gezonden herder tot trouwbetoon in dit hun aanbevolen werk manen. En de geschiedenis van Jezus Kerk in de dagen des Nieuwen verbonds is rijk aan bezielende voorbeelden van dit teedere leven der Herders, in de kerke, voor het aangezicht des Heeren. Hun boetbazuin spreekt door hun geschriften nog. Ja, er is meer. Ook in ons eigen land getuigt de historie van meer dan een classicale vergadering, waarop de gezamenlijke Dienaren des Woords hun eigen schuld en ontrouw voor God beleden, en sa‚m voor zijn aangezicht beloften van verwakkering in eigen dienst en leven gedaan hebben. Van de gezamenlijke predikanten in alle Kerken in Londen is het bekend hoe zij in 1660, bij het dreigen van bang gevaar, aan het Christenvolk in deze groote stad hun zonden aangezegd en ze tot verbondsvernieuwing vermaand hebben. Zelfs ontbreken ook onder |125| de latere kerken de heerlijke voorbeelden niet van den kerk die, op de boetprediking van haar Herderen, in de schuld voor God gevallen, openlijk in het bedehuis, onder vasten en gebeden, opnieuw haar verbond van trouw met den Heere bezegeld heeft.

Evenwel zijn er nog dieper gezonken toestanden denkbaar, waarin de Heere God zijn kerk ůf schier geheel van trouwe wachters ontbloot, ůf aan de trouwe wachters, die Hij nog liet, de genade omte ijveren voor zijn heiligheden onthouden heeft. In zulk een jammerlijken toestand heft uitteraard de ijverloosheid der trouwe, of ook de trouweloosheid der overige herders, allerminst voor de kerke Gods de plicht tot verwakkering in godzaligheid op, en heeft geen ander uitwerksel ten dezen, dan dat de plicht tot het nemen van initiatief, die de leden vroeger aan de herders overlieten, thansĽ op henzelf overgaat. Toch is hierbij de ordening Gods te eeren, opdat de leden nooit hun ijveren voor Gods eer door minachting voor het door Hem ingezette ambt bezoedelen. Zoo dikwijls dus door den Heiligen Geest (want zonder diens werk is alle werk slechts schijn) kinderen Gods buiten het ambt in bijzondere mate door overtuiging van gemeenschappelijke schuld worden aangegrepen, en een vuur van jaloerschheid voor de eere Gods in hun boezem wordt ontstoken, om tegen de zonde des volks te toornen, behoort altoos hun ijverbetoon uit te gaan van liefdebetoon aan de Voorgangeren.

Op hen dient de eerste aandrang gericht. Er moet geen zucht zijn om het, buiten hen om, zelf te doen, maar een stille drang en bede: „Och, of zij er toe mochten opwaken!” En eerst, als drang en smeeking hiertoe ijdel bleek, en de herderen of in hun trouweloosheid zich verharden ůf ook de getrouwe herders in hun lauwe ijverloosheid voortvaren, is het oogenblik voor zulke leden der kerk gekomen, om zelven de kerk tot boete en bekeering te roepen.

Dit eeren van Gods ordinantiŽn achte niemand gering noch loope iemand er in zelfgenoegzaamheid over heen. Men bedenke toch, dat al ons roepen tot boete en bekeering niets dan dood kan baren, tenzij God de Heere de harten aangrijpe; dat alle boetbazuin slechts instrument en alleen de heerlijke God de Wakkerschudder der slapenden is; en dat die afgebeden zegen van zijn Vaderhand verbeurd en schier gebannen is, zoodra we ons aanstellen in eigenwilligheid en niet volgen in zijn spoor.

Toetst men aan deze leidende beginselen hetgeen om ons heen geschiedt, dan mag het volgende niet verzwegen.

1º. dat in de prediking onzer dagen het roepen tot boete en bekeering niet van de wilde massa, maar van het volk des Heeren, veel te zwak vernomen wordt. |126|

2º. dat onder de Dienaren des Woords, ťn in hun onderling verkeer, ťn in hun zorge voor de kerke Gods een droef gemis te betreuren valt van die geestelijke verwakkering, die niet rust eer de smaad der inzinking van ’s Heeren erf geweerd is.

3º. dat geestelijke opwekking die van de leden in meer dan ťťn kring uitging, met menigerlei krank verschijnsel behebt was. Krankheden waaronder deze vier de voornaamste zijn; ten eerste dat men het ambt voorbijgaat, soms zelfs minacht; ten tweede, dat men naar heiligheid dringt zonder in de schuld te zijn gevallen; ten derde, dat men ůf eenzijdig het mystieke, ůf levensbetering, Úf het overvloedig zijn in werken, najaagt, en door die eenzijdigheid sectarisch wordt; en ten vierde dat men jacht maakt op iets buitengewoons, in plaats van het gewone huisraad blank te schuren.

4º. dat met name van Moody’s optreden moet getuigd, dat dit met een geestelijke opwekking niets te maken heeft, daar het slechts prediking van het Evangelie aan de wilde massa beoogt. Alzoo geen opwekking na insluimering, maar eerst bekeering uit den geestelijken dood bedoelt. In hoeverre de tekortkoming en het plichtverzuim der kerken in Engeland en Amerika tot zulk optreden dwong, blijve hier buiten beoordeeling.

5º. dat de geestelijke verwakkering waartoe Pearsall Smith opriep, in zooverre in het rechte spoor ging, als zij zich niet tot de wilde massa, maar juist tot de toegebrachten wendde; maar daarentegen het spoor bijster ging, in zooverre ze de kerkelijke bedding ontweek, bijmengselen in de leer opnam, en meÍ kracht zocht in overprikkelende middelen.

6º. dat de „Salvation Army” of het leger des Heils, evenals Moody’s optreden, geen geestelijke opwekking, maar toebrenging van onbekeerden bedoelt; hierbij echter het spoor geheel bijster gaande, in zooverre deze beweging buiten de bedding der kerk stroomt, de perelen voor de zwijnen werpt, en ter oefening van invloed de toevlucht tot middelen neemt, die indruischen tegen den geest des Woords.

En 7º. dat het onder de kinderen Gods in deze landen eerst dan en alleen daardoor tot deze van God geŽischte geestelijke verwakkering en verbondsvernieuwing komen zal, bijaldien een ieder persoon den bijl aan den wortel van zijn eigen ik aanlegt; van de bekeering zijns harten tot de betering van zijn gezin voortschrijdt; en zonder te vragen wat een ander doet, voor eigen huis en kring afdaalt in die nederigheid, die de onveranderlijke belofte heeft van genade. |127|


§ 54. Van reformatie door geleidelijk kerkherstel.

Het kerkbederf blijft, helaas, zelden tot de verachtering in genade van haar leeraren en leden bepaald, en bijna altoos sleept de verkoeling in liefde en godzaligheid tevens vervalsching der leerenontreddering van de kerkregeering na zich. Er dient dus in de tweede plaats onderzocht, wat te oordeelen zij van het tweede soort reformatie, door ons als „geleidelijk kerkherstel” aangeduid.

„Uitzieken” is hiermeÍ in het minst niet bedoeld.

Van door- of uitzieken kan noch mag in de kerk van Christus ooit sprake zijn, en de medische weg dien men tegen de juridische heeft overgesteld, staat niet tegenover dezen, maar tegenover de chirurgische.

De zaak ligt aldus.

Indien men het kerkbederf vergelijken wil met het bederf in ons lichaam, dan laat de medische behandeling het organisme ongestoord, terwijl de chirurgische behandeling ter redding van het geheele organisme een deel er van door het ontleedmes verstoort.

Laat men nu van de chirurgische behandeling af, om zich voorshands te bepalen tot de medische, dan is daarom die medische behandeling nog op verre na niet altoos van dezelfde soort. Dit hangt af van den aard der te genezen krankheid. Die krankheid kan namelijk of ťťn der organen hebben aangetast, of wel, zonder eenig orgaan te hebben aangetast, in verzwakking of kwaadsappigheid van de algemeene levenskrachten bestaan. In het laatste geval poogt de geneeskunde door voeding die verzwakking of door uitzuivering die kwaadsappigheid te genezen. Is daarentegen ťťn der organen aangetast, dan richt zich de geneeskunde er op, om de overige organen tegen medeaandoening te vrijwaren en zoo mogelijk, door uitdrijving of oplossing van verkeerde bestanddeelen, het aangetaste orgaan te herstellen in oorspronkelijke zuiverheid.

Brengt men deze beeldspraak nu op de kerke Gods over, dan is ook bij die kerk een krankheid door verachtering in genade denkbaar, die slechts in de personen openbaar, het organisme der kerk onaangetast laat. Tegen dit kwaad mag en kan dan niet anders aangewend dan zuivere prediking des Woords, zoo op den kansel als in de huisgezinnen. — Is daarentegen het bederf van zulk een aard, dat niet slechts de leden, maar ook het organisme zelf der kerk is aangetast, dan is deze methode ongenoegzaam, en behoort goede geneeskunde er op bedacht te zijn, om door uitdrijving, oplossing of |128| absorbeering van de kwade bestanddeelen, het aangetaste organisme in zijn oorspronkelijke zuiverheid te herstellen.

Hoe men dit doen moet, hangt natuurlijk af van de geaardheid van het organisme. Op de longen werkt een verstandig arts anders dan op de lever, op de nieren anders dan op het hart. Ook bij de Kerk dient derhalve, zoodra er bederf in haar organisme insloop, gevraagd: wat zijn de kanalen, de wegen, de gangen, die het organisme oplevert ter uitdrijving, betering of oplossing van schadelijke bestanddeelen? En luidt hierop nu het antwoord: Deze kanalen zijn tweeŽrlei, t.w. de uitoefening van de Kerkelijke tucht en de verbetering der Kerkelijke ordonnantiŽn, — zoo is het klaar als de dag, dat beteugeling van het kwaad door berisping, schorsing of afzetting van ontrouwe dienaren, of ook door berisping, censuur en desnoods banning van ontrouwe leden der Kerk, hoe juridisch ook, nog even goed tot de medische wijze van kerkherstel behoort, als de sterking van levenskracht door de prediking des Woords.

Laten uitzieken of doorzieken is gansch geen methode, maar of plichtverzuim of het nietsdoen der machtelooze wanhoop. De arts die door laat zieken neemt als arts zijn ontslag. En de vraag of, als men eenmaal medisch handelen wil, prediking van boete en bekeering volstaat, dan wel tot oefening van tucht en herziening der kerkorde moet worden voortgeschreden, hangt volstrekt niet van uw goedvinden af, maar uitsluitend van de geaardheid die het kerkbederf vertoont. Schuilt het kwaad nog alleen in verachtering in genade, dan alleen de boetbazuin; maar drong het verder door en wierd het organisme zelf aangetast, dan moogt ge daarbij niet stilstaan blijven, maar dient evenzoo de hand gelegd aan de tucht en de kerkorde.

De dienaren in Jezus kerk zijn volstrekt niet alleen predikers des Woords, die zich voor God verantwoord kunnen rekenen, indien ze slechts het Woord op den kansel en in een deel der huisgezinnen prediken. Ze zijn krachtens hun ambt evenzeer kerkregeerders, en als zoodanig tot oefening der tucht en het stellen van goede order op de zaken der kerke gehouden. Zich in te beelden, dat prediking van het Woord genoegzaam zou zijn, en de taak der kerkregeering wel ongedaan kan gelaten, komt dus op niets minder neer, dan op een prediken van dat Woord aan anderen, terwijl men zelf zonder verwijt der conscientie, in eigen ambt aan dat Woord ongehoorzaam is.

Toch dient evenzeer gewaarschuwd tegen een andere eenzijdigheid, t.w. tegen het pogen en woelen derzulken, die zonder oog voor de verachtering in genade en onder kennelijke minachting van de |129| krachten die in het Woord liggen, zich in Farizeeuwsche hoogheid en hoogst ongeestelijke oppervlakkigheid inbeelden, dat de diep kranke als met een tooverslag te genezen zou zijn, indien men de kettersche bestandeelen slechts afsneed en de reglementen doortastend herzag.

Wie aldus oordeelt kent noch zijn eigen hart, noch de nooden der gemeente, noch de krachten des koningrijks. Wat in het organisme uitkomt, schuilt als nog dieper bederf in de harten en huisgezinnen, en nooit zal een kerkherstel iets anders dan een schijn voor het oog zijn, indien de genezing niet met bestraffingder zonde en vernieuwing des Verbonds begint. En dat wel met dien verstande, dat de bestraffing der zonde niet aanvange bij de wereld, noch ook bij de onbeslisten, maar haar aanvang neme bij het volk des Heeren zelf en onder dat volk voor een iegelijk bij zijn eigen hart.

Zonder dien geestelijken achtergrond blijft elke poging tot kerkherstel met onvruchtbaarheid geslagen. Dan kan men wel vernissen, maar nooit levensglans te voorschijn roepen. Zonder personeele toevluchtneming tot genade, moge er veel geknutseld en beduimeld worden, maar tot wasdom der kerke brengt men het niet.

Bureaucratische wetsgeleerden die in koude onverschilligheid sa‚m plannen beramen om de bestaande misstanden weg te nemen, mogen stapels van keurig ineengezette reglementen afleveren, maar zullen nooit door den Heiligen Geest verwaardigd worden, om te bouwen aan ’s Heeren geestelijk huis.

Dat ziet men aan de Haagsche Synode in overdroef exempel!

Wat hebben deze heeren niet geploeterd en gewurmd, om, door altoos nieuwe bepalingen en door altijd keuriger reglementen en immer beter doeltreffende maatregelen, de breuke der kerk te heelen en haar oneffenheden glad te strijken. En toch wat hebben ze anders als vrucht van hun noeste vlijt en onmiskenbare talenten en verre van geringe inspanning zien rijpen, dan toenemende ontevredenheid, voortgaande krachtsinzinking en een steeds verder voortvreten van den knagenden kanker?

En lag dit nu aan hun min goeden wil of mindere bekwaamheid of gemis aan wijs beleid?

Wie dat waant, vergist zich.

De meeste heeren die aan dit ijdel en doelloos werk hun kracht beproefden, waren mannen van zeer goeden wille; in bekwaamheid overtroffen ze zeer stellig de meesten onzer; en in overleg waren ze zeer slimme meesters.

Neen, wat hun ontbrak was alleen de kennisse der kwaal en der |130| geneesmiddelen. Ze zochten in de huid wat diep in de wrongen der nieren school. Ze gingen buiten hun eigen hart om. Van het vallen in de schuld voor een God, wiens naam in en door zijn kerk onteerd was, hadden ze zelfs het besef niet. Het Woord des Heeren was bij hen in geen aanzien. Van genade spraken ze soms, maar verstonden ze proefondervindelijk het ware niet. Het gebed was hun een vorm geworden, en de Heilige Geest zat in hun vergaderingen niet voor.

En natuurlijk, dan moet men wel op rotsen ploegen.

Kerkverval is een straffe Gods, een plage, die Hij over ons brengt, en op zijn volk legt ter oorzake van hunne zonden, en juist daarom kan de Heere die plage niet van ons nemen, tenzij vooraf die schuld gevoeld, beleden en in het bloed des kruises verzoend zij. Zonder die overtuiging van zonde kan er dus ook geen oprechte boete en bekeering komen. En waar deze vernieuwing des verbonds ontbreekt, hoe wil men daar op beteren kerkstaat hoopen?

Maar dan ook omgekeerd, is die overtuiging van schuld bij ’s Heeren volk levendig, en drijft de Geest des Heeren tot verwakkering de zielen uit, zoodat de wet en het getuigenis weer worden opgenomen, en het verbond met den Almachtige weer in hart en huis en land wordt opgericht, hoe zou dan de gehoorzaamheid der getrouwe Dienaren uitblijven?

Dat kan niet, want de waarheid Gods is als een geurende olie, die door alle poriŽn heentrekt. Richt de naam des Heeren zich in het hart zijns volks weer op, dan keert niet alleen de godzaligheid, maar ook de waarheid terug, en alle ketterij gaat zich beklemd en bedreigd voelen. Ongemerkt en zonder iemands toedoen komen de fundamenten dan weer bloot liggen voor ieders oog, dat ze gezien en bewandeld worden. En waar eenmaal de grondvesten van Gods verborgenheden der ziele weer vastigheid bieden, daar werkt vanzelf de kracht dier waarheid ook in de denkwijze over de inrichting der kerke door. Het eerst gehalveerde ambt begint dan weer in zijn schoonheid te blinken. Die eerst eigen opiniŽn in pikante volzinnen op den kansel bracht, komt er toe, om zich zelf en zijn eigen woord te verloochenen, en weer de macht te openbaren van het Woord van zijn God. Wie eenmaal aan dat Woord zijn dienst weer verpandde, dringt met dat Woord tijdig en ontijdig om zonden te bestraffen en godzaligheid in den lande te bevorderen. En waar de macht van dat Woord hem ten leste licht ook op zijn eigen ambt gaat werpen, daar moet in zijn besef ook de plicht der kerkregeering weer leven gaan, en kan de Dienaar des Woords geen ruste vinden eer ’s Heeren huis weer gebouwd is. |131|

De vraag van wie dit kerkherstel in den geleidelijken weg uit moet gaan, is niet moeilijk te beantwoorden. Dan alleen toch komt het, indien de Heilige Geest de kerkelijke besturen of beter gezegd de kerkelijke vergaderingen daartoe aandrijft.

…ťn man alleen of ook enkelen sa‚m kunnen nooit op afdoende en geleidelijke wijze kerkherstel tot stand brengen, en de leden der kerk kunnen ten deze nog veel minder hulp aanbrengen.

Immers ziet men eenmaal wel in, dat geleidelijk kerkherstel in oefening van den kerkelijken tucht en in betering van de kerkorde bestaat, en weet men dat alleen wettige kerkeraden, classes en synoden tot deze beide bevoegd zijn, dan is het hiermeÍ ook uitgemaakt, dat geleidelijk herstel alleen door kerkeraden, door classes, en door synoden tot stand kan worden gebracht.

Al wat enkele dienaren of ook leden der kerk ten deze willen doorzetten, heft juist het geleidelijk karakter van het kerkherstel op, en brengt die op de chirurgische lijn, die later ter sprake komt. Al wat de enkele dienaar, of ook de leden der kerk ten deze vermogen, bestaat hierin, dat ze van den Heere deze begeerlijke zaak afsmeeken; de verplichting er toe betoogen en aandringen; en dat ze als leden der kerk door verzoekschrift of protest, of ook als dienaren door advies en stem in de kerkelijke vergaderingen, tot de kwijting van dezen plicht manen.

Is eene kerk, gelijk veelal het geval is, met andere kerken genootschappelijk in vaste correspondentie getreden, dan is geleidelijk kerkherstel zelfs nůg moeilijker. Dan toch hangt de vraag, of men tot oefening der tucht in staat is en tot betering van de kerkorde kan overgaan, niet enkel van de goede gezindheid van den kerkeraad af, maar is de medewerking van de andere kerken in classes en synoden hiertoe onmisbaar.

Niet, men versta ons wel, als zouden we meenen, dat leden, dienaren of ook kerkeraden zich door deze belemmeringen van den plicht tot kerkherstel duurzaam mochten laten afhouden. Slechts dit is bedoeld, dat zoodra leden, dienaren of kerkeraden eigener beweging hebben op te treden, de medische weg verlaten wordt en eo ipso tot kunstbewerking, d.i. tot de chirurgische methode wordt overgegaan.

In deze paragraaf, die uitsluitend het medische of geleidelijke proces bespreekt, moet dit buitengewone dus ter zijdegelaten, en het is met het oog daarop, dat we den regel opstellen: Geleidelijk kerkherstel kan in op zichzelfstaande kerken van de kerkeraden alleen uitgaan, maar voor kerken in vaste correspondentie niet anders dan van den kerkeraad onder medewerking van classis en synode. |132|

Over den weg hierbij te volgen kunnen wij slechts wenken geven, want zoo ooit dan geldt hier het variis modis bene fit, d.w.z. men kan, het doel treffen op meer dan ťťne goede manier.

De wenken van meer algemeenen aard bepalen zich tot deze vijf:


1º. de oefening van kerkelijke tucht ga gelijkelijk over leer en wandel.

Een weÍropnemen van de kerkelijke tucht tegen de ketters, sectariŽrs en scheurmakers, dat niet tegelijk een weÍropnemen van de tucht tegen den hoereerder en dronkaard en lasteraar was, zou geoordeeld staan voor de conscientiŽn.


2º. bij de weÍropneming van de kerkelijke tucht zitte het oordeel des onderscheids voor.

Een dienaar die slecht leert of slecht leeft is schuldiger dan een afgewekene of afgedoolde onder de leden der kerk. Alle tucht beginne dus met tucht over hen die het ambt dragen. Alleen zulke ambtenaren die op elkander acht hebben, bezitten het recht om anderen te oordeelen.

Evenzoo, bij weÍropneming der tucht na lange verwaarloozing, zij men te overvloediger in ernstig vermaan, in teedere barmhartigheid, in zucht om door de macht der liefde te winnen, en ga men niet dan bij gebleken onboetvaardigheid of verharding tot censuur of alfsnijding over.

In het stuk der leer vooral pare gestrengheid tegenover de dienaren zich aan het uiterste der lankmoedigheid tegenover de gewone leden der kerk.

Bij de dienaren mag niet worden geaarzeld. Wie anderen leeren zal, moet het Woord der kerk spreken. Wie dat weigert, of niet kan, mag niet gespaard. Hem te sparen ware de kerk opofferen. Schijnliefde voor ťťn enkele met gemis aan liefde voor de duizenden tot achtergrond.

Evenwel, en hier worde wel en scherp op gelet, dit mag volstrekt niet opgelost in een zin, alsof bij ernstige poging tot kerkherstel, de eerste stap b.v. ten onzent zou moeten bestaan in een onverbiddelijk afzetten van alle predikanten, ouderlingen en diakenen, die weigerden de drie formulieren te onderteekenen, of, ook van dezulken die, na onderteekening, van bestrijding dezer formulieren overtuigd werden. Zoo zou wel het fanatisme te werk gaan, dat verderven wil, maar niet de kerk van Christus, die bidt voor haar vijanden en zichzelven verloochent om te behouden.

Veeleer zou dan op de kerkelijke vergaderingen de moeielijke taak rusten, om geestelijk te onderscheiden tusschen hen die uit |133| boosheid des harten de waarheid tegenstaan en degenen die uit onwetendheid dwalen. Er zou onuitputtelijk geduld, er zou veel kracht der overreding, er zou veel gave der wijsheid noodig zijn, om te winnen, wie nog kon gewonnen, eer men den draad doorsneed.

Natuurlijk, ten slotte zou het tot dit uiterste bij allen moeten komen, die in hun opzet volhardden; maar wie durft niet hopen, dat dit bij zeer velen anders zou zijn.

Voor leden kan men zelfs nog verder gaan, en ter eerste instantie slechts diegenen met tucht aangrijpen, die door woord of geschrifte openlijk de leer der kerk bestreden, om voorts eerst door onderwijzing voor te lichten, en langs dien weg allengs tot schifting te komen tusschen hen die met opgezetten wille de waarheid verwerpen, en hen, wier ziele nog in de bedding der waarheid meÍdrijft.


3º. bij het beteren der kerkorde worde niet het glad schuiven van een kunstig mechanisme, maar de gezonde bloei van het organisme der kerk in het oog gevat.

Niet op maatregelen van orde, maar op beginselen van kerkregeering komt het aan. Doel moet zijn om de souvereine genade Gods in zijn kerk te laten heerschen. Daartoe moet verwijderd al wat aan die betwiste souvereiniteit in den weg staat of haar volle doorwerking belemmert. Al het overige is bijzaak en des noods onverschillig. Maar wat met onverbiddelijke gestrengheid moet doorgezet, is het zwichten van alle menschenwoord voor het Woord van God en het rechtstreeks afvloeien van alle menschelijk gezag uit Koning Jezus.


4º. Om dit doel te bereiken, moet op de samenstelling der reformeerende vergaderingen nauwkeurig toegezien.

De meerderheid moet eigenlijk niet beslissen. Veel beter is het zůůlang in den geest der gebeden elkander te overtuigen, tot er eenheid van inzicht geboren worde. Maar, overmits ten slotte toch beslissing met meerderheid tegen ons zou kunnen genomen worden, mag de samenstelling van deze collegiŽn ons niet onverschillig zijn.


En 5º. In deze vergadering verloochene men zelf het beginsel niet waarvoor men strijdt.

Dit kan op velerlei manier gebeuren, en daartegen dientgewaakt.

Vooreerst zie men wel toe, dat geen besluit van zulk een vergadering uitga, of de wil moet ook achter het besluit zitten, om voor |134| zijn raadslag in te staan. Overrompelen baat niet. Er moet geestelijke, helder bewuste overtuiging gewekt; zij het ook bij ieder naar zijn mate.

Ten tweede, men ga niet zitten, indien dat zittingnemen zelf tegen den eisch van Gods Woord of tegen de souvereiniteit van Koning Jezus indruischt.

En ten derde, wie tot een besluit heeft medegewerkt, trede niet terug als het op uitvoeren aankomt. Wie zijn hand aan de ploeg slaat en achterwaarts ziet, is onbekwaam voor het Koningrijk Gods.


§ 55. Van reformatie door breuke met het bestaande.

Verbondsvernieuwing door geestelijke verwakkering is evenmin als geleidelijk kerkherstel hetgeen gemeenlijk onder reformatie verstaan wordt. In engeren zin toch hecht men aan „reformatie” geen ander begrip dan van de geschiedkundige reformatie der zestiende eeuw, gelijk die onder de bezieling van Luther, Zwingli en Calvijn tot een breuke met de destijds bestaande volkskerken heeft geleid.

Ook hierbij intusschen dient ter voorkoming van misverstand, nogmaals scherp tusschen twee zeer uiteenloopende gevallen onderscheiden. Iets geheel anders namelijk is een inbreuk op het bestaande, die er toe leidt, om de oude kerk, waarin men geboren werd, te hervormen, en iets geheel anders, om uit die oude kerk ganschelijk uit te gaan en zoo naast als tegenoverhaar een nieuwe kerk te stichten. Beide gevallen kwamen in de reformatie der zestiende eeuw voor.

In Amsterdam b.v. en Londen, evenals in Wittenberg en GenŤve scheidde men zich niet af van de kerk, waarin men geboren was, om een nieuwe kerk op te richten, maar men maakte zijn eigen oude kerk los uit haar correspondentie met andere kerken, riep een nieuw en beter Kerkverband in het leven, en zuiverde zijn kerk van misbruiken. Daarentegen te Parijs en te Weenen, in Polen en ItaliŽ, trad men uit de kerk, waarin men gedoopt was uit, en stichtte tegenover haar een nieuwe kerkformatie.

Op dit aanmerkelijk verschil is slechts zelden gelet. Men beging namelijk de fout, om enkel de ťťne groote, algemeene kerk, gelijk ze onder het pauselijk gezag tot een eenheid was sa‚mgesnoerd, als de kerk te beschouwen, en overmits nu onze vaderen zoowel te Parijs als te Amsterdam met de roomsche hiŽrarchie braken, beeldde men zich zeer ten onrechte in, dat b.v. ook hier te lande en te Londen nieuwe kerken gesticht werden. Dit was intusschen volstrekt niet het geval, en zoodra het tractement in het spel komt, weten zelfs de meest achterlijken van de onzen er nog zeer goed op te wijzen, dat de hervorming |135| eigenlijk geen nieuwe kerken hier te lande in het leven riep, maar slechts een voortzetting in zuiverder vorm was van de oude Christelijke kerken die in de 6e en 7e eeuw hier ontstonden. Wat een deel der onzen in 1834 bewoog tot hun reformeerende daad, staat dus volstrekt niet op ťťn lijn met wat te Amsterdam geschiedde, toen Amsterdam geus werd. DaarmeÍ zou het dŠn eerst op ťťn lijn gestaan hebben, indien het aan deze vaderen gelukt was in de kerken zelven de Synodale heerschappij neÍr te werpen. En te vergelijken is de stap van 1834 slechts met de Hervorming in die landen, waar gelijk in Polen en ItaliŽ de oude kerk zich bleef handhaven en de kerkjens der hervorming slechts als nieuwe plantjens naast de veroordeelde oude konden opschieten.

Om helderheid van inzicht te bevorderen zullen we daarom onderscheidenlijk en achtereenvolgens afzonderlijk beide gestalten van reformatie door breuke met het bestaande bespreken, en alzoo eerst handelen van zulk eene breuke met het bestaande, waardoor men tot hervorming van de oude kerk geraakt, en daarna opzettelijk die breuke met het bestaande bezien, waardoor men komt tot nieuwe kerkstichting naast een bestaande kerk.

Een gemengd geval dat zich hierbij voor kan doen, ontstaat dan, als men er wel in slaagt, om zijn oude kerk door hervorming van misbruiken te zuiveren, maar de andere kerken, met welke men in kerkverband stond, niet tot gelijke hervorming kan bewegen. Dan toch ontstaat er een botsing, die tot slooping van dat oude en tot aanlegging van een nieuw kerkverband moet leiden. Zulk een geval is gemengd, omdat men dan geen nieuwe kerk, maar wel een nieuw kerkverband sticht, en alzoo voor wat zijn kerk aangaat, onder de eerstbedoelde categorie komt, terwijl men voor zoover zijn kerkverband betreft, komt te vallen onder de tweede.

Dit noopt ons, duidelijkshalve, ook dit gemengd geval afzonderlijk te bespreken, zoodat we in drie rubrieken handelen willen:

1º. van reformatie door breuke met het bestaande, waarbij het nochtans gelukt de bestaande kerk en haar kerkverband te behouden.

2º. van reformatie door breuke met het bestaande, waarbij men tot formeering van een nieuw kerkverband komt;

en 3º. van reformatie door breuke met het bestaande, waarbij men verplicht is een nieuwe kerkformatie tegenover de oude te plaatsen.

Alleen door deze splitsing in drie categoriŽn wordt een duidelijk inzicht in den gang van het reformatie-werk mogelijk. |136|

„Breuke met het bestaande” is de algemeenste uitdrukking die het karakter van alle min of meer chirurgische reformatie aanduidt, zůů echter, dat deze breuke, ůf plaats kan grijpen met de bestaande organisatie alleen, ůf met de bestaande organisatie en het bestaande kerkverband, ůf eindelijk niet alleen met deze beide, maar bovendien ook met de bestaande kerk als lichaam.

Er bestaat dus niet alleen een scherpgeteekend onderscheid tusschen deze drie categoriŽn, maar ook een klimming van minder tot meerder in de breuke.

De eerste breuke is slechts tijdelijk; een wonde die straks weer dichtgroeit.

De tweede breuke is duurzaam, maar raakt in haar duurzaamheid niet de kerk doch slechts het kerkverband.

Terwijl de derde breuke eindelijk niet slechts duurzaam met organisatie en kerkverband, maar ook met de kerk zelve tot stand komt.

Van de eerste breuke ligt het meest bekende voorbeeld ons op het historieblad geteekend in het reformeerend optreden der Gereformeerden tegen de Remonstranten. Te ’s Gravenhage, Haarlem en op vele andere plaatsen, ja zelfs in classes en synoden leidde dit tot een zeer bepaalde breuke, maar tot een breuke, die op de Synode te Dordrecht weer geheeld is en sinds vergroeide.

Van de tweede soort breuke treedt de gestalte voor ons in de reformatiŽn van Wittenberg, Zurich en GenŤve, van Amsterdam, Londen en Koppenhagen, in de zestiende eeuw.

Van de derde soort breuke eindelijk strekt ten voorbeelde de nu gescheidene kerkengroep in ons eigen vaderland.

Breuke met de bestaande kerk, het zij ten overvloede nog opgemerkt, wordt door de brekers ten deze nooit anders opgevat dan als zijnde een breuke met haar ontaarde schijngestalte of valsche nabootsing.

De rechtvaardiging of veroordeeling van zulk een breuke hangt dus schier uitsluitend aan de vraag, of deze qualificatie van ontaarde of valsche kerk juist is, en het is daarom, dat op de bespreking dezer drie een opzettelijke beschouwing volgen moet over de kenmerken, die ten deze beslissen.


§ 56. Van reformatie door breuke met de bestaande organisatie.

Zoo mogelijk in nog ernstiger zin, dan bij geestelijke opwekking en geleidelijk kerkherstel, moet bij alle reformatie door breuke het uitgangspunt liggen in overtuiging van zonde en schuld. |137|

Wie zonder dit besef zich aan breuke met de bestaande organisatie waagt, verzaakt het geloof aan Gods voorzienig bestel.

Immers voor zulk een is het dan, alsof de reformatie der kerk alleen door sommiger tegenwerking en verkeerden zin ontstaan is, zoodat God de Heere ons wel een goeden kerkstaat schenken zou, indien maar de moedwil van die enkelen Hem niet in den weg stond. En de diepste gedachte huns harten, is dan, dat zij, als de beteren, die kwaadwilligen nu eens onschadelijk zullen maken, om aldus weer een goeden kerkstaat voor den Heere in het leven te roepen. DrieŽrlei zonden dus voor ťťn. Vooreerst een niet inzien in eigen medeschuld. Ten tweede een zich verheffen boven anderen. En ten derde den waan alsof een goede kerkstaat niet een geschenk van God aan ons, maar van ons aan den Heere was.

Belijdt men daarentegen dat een goede kerkstaat een uitnemende genadegifte Gods is, die Hij ons vrijmachtig schenkt, en die wij zonder eenig recht onzerzijds van Hem ontvangen, dan ziet men ook terstond in, dat, onthoudt de Heere ons dit goede, er een verhindering in de zonde der kerk moet liggen, en dat alzoo het kastijden met een slechten kerkstaat altijd een oordeel over ongerechtigheid is. Wie nu dit oordeel Gods in den droeven staat der kerke erkent, kan dan ook niet langer meenen, dat de vroomheid van het eigenlijke volk daarbij slechts slachtoffer van de boosaardigheid der bijloopers zou zijn; maar zal integendeel belijden, dat alle schuld en zonde gemeenschappelijk is; en dat juist het eigenlijke volk, naarmate het meer waarheid gekend en milder genade ontvangen heeft, juist te gruwelijker heeft overtreden. De liefde is het teederste, en niet het wild gedierte dat u verscheurt, maar juist de kinderen des huizes zijn het, die die liefde schenden.

Hij die in den Naam des Heeren zich tot reformatie der kerke opmaakt, kan noch zal dit dus doen in hoogheid, veel min in minachtend neÍrzien op anderen. Eer omgekeerd zal hij zelfs den moed in zichzelven missen om de hand tot zulk een werk op te heffen en zich angstig afvragen, of het ook ’s Heeren wil zij, dat zijn schuld voor den Heere nog verder en bitterder door deze plage der kerkverwoesting worde gestraft. En de echte Boetgezant die tot dit werk bekwaam is, zal er zoo aan toestaan, dat hij niets hoopt, eer verlenging van druk over zijn zonde voorziet, maar nochtans uit loutere gehoorzaamheid zelf handelt en anderen dwingt om te handelen naar den Woorde Gods.

God zelf is alleen de auteur ook van „reformatie door breuke met de bestaande organisatie”. Niet alsof dit ůns van plichtsbetrachting |138| ontsloeg en een vrijbrief gaf voor geestelijke traagheid. Wie dat beweerde, kreeg heel Gods Woord tegen zich. Dit ware ambtelijk antinominianisme! Maar ligt hier deze zin in, dat zulk eene reformatie er in den goeden weg niet kan komen, tenzij de Heilige Geest de ontfermende daad verrichte, om in gevoellooze harten overtuiging van zonde te wekken en in het kerkbederf een oordeel Gods te doen zien. Deze overtuiging kunt ge niet kunstmatig kweeken. Want of de ťťn het den ander al napraat, dat alle kerkherstel van schuldbelijdenis moet uitgaan, dit baat niet met al, en brengt nooit verder dan tot een schijnvertooning. En waarheid, werkelijkheid, geestelijk bestand en wezen kan deze schuldbelijdenis dan eerst erlangen, als de Heilige Geest zelf als Overtuiger in het schuldige hart spreekt, om dan tegelijk dat schuldig hart, o zoo teederlijk, te vertroosten.

Zelfs moet hier nog iets bijgevoegd. Kerkreformatie is niet iets dat door de daad van ťťn persoon tot stand komt. Toen Luther optrad, trad hij wel vooraan, maar zijn werk zou in vergetelheid en dood zijn weggezonken, indien niet tal van andere personen, reeds lang gerijpt en voorbereid, en slechts wachtende op een teeken, niet ijlings hun arm bij de zijne hadden gevoegd. Of dus al in een enkel hart overtuiging van kerkelijke schuld gewekt is, is niet genoeg. Zulk een overtuiging moet gelijktijdig bij velen warm worden en een beweging des geestes onder ’s Heeren volk verwekken. Eerst daardoor ontstaat die warmtegloed, die alles smelten, die tinteling des levens, die alles opwaken, die kracht die elken tegenstand overwinnen doet. En zie, juist hieraan bespeurt men nu, hoe alleen God de Heere auteŁrvan zulk een reformatie kan zijn. Want dit beseft men toch aanstonds: Ook al kan een mensch in een kleinen kring van vrienden nog geestdrift voor zijn denkbeelden wekken, in uitgebreider kring een gelijksoortig geestelijke beweging in de ziele bewerken, dat kan geen mensch, dat kan alleen de Heere.

HiermeÍ is niet gezegd, dat iemand, in wien die overtuiging gewekt is, stil mag en moet zitten tot tijd en wijle hij merkt, dat ook in andere harten die overtuiging leeft. Dit ware de eisch van Gods Woord minachten en verwerpen. En zij, die zelf wanen en anderen voorhouden, dat men, ook met overtuiging van kerkelijke schuld ende zonde der kerk tegen God inziende, nochtans lijdelijk wachten moet tot de Heere ůf een bijzonder teeken doet, waardoor buiten ons om verbreking inden toestand komt, ůf ook aller hart zoo tegelijk tot kerkherstel zal opwekken, dat er als een stem veler wateren begint te ruischen, — verstaan blijkbaar nog het eerste beginsel der gehoorzaamheid niet.

Een Christenmensch mag niet om het succes, maar moet alles uit |139| gehoorzaamheid des geloofs doen, en niet de vraag of hij slagen zal, noch de vrees dat men hem zal uitlachen, maar alleen het gebod Gods mag hem richtsnoer zijn voor zijn pad. Niet Gods verborgen raadsbesluit uit te voeren, maar te loopen in de wet des Heeren is zijn roeping. En geheel afgescheiden van de vraag wat anderen doen, of wat er uit worden zal, of zelfs wat in ’s Heeren raadsbesluit bepaald is, moet hij doen wat plicht hem gebiedt en getuigen waar getuigen hem geboden is. Als het God belieft, ons liefste kind met bange krankheid te doen verdorren, dat ons het hart breekt en de dood reeds op buit durft hopen, wat Christenvader is er dan, die niet schriklijk het oordeel Gods over eigen schuld en zonden voelen zal? Maar ook, wat zoudt ge oordeelen van een vader, die onder die overtuiging van schuld neergebogen, zijn hulpeloos kind aan zijn eigen krankheid overliet en geen hand uitstak ter genezing?

Weeropvatting van het gezonde, juiste, eenig goede beginsel moet dus tot den stelregel leiden: Geen reformatie dan uit overtuigingvan schuld bij ’s Heeren volk. Geen waarachtige overtuiging van schuld dan door de overtuigende inwerking van den Heiligen Geest. Geen inwerking van den Heiligen Geest dan naar Gods verborgen raadslag. Maar ook al is die raadslag anders, ook al bleef dan die Geesteswerking nog uit, en al blijft dan die overtuiging van schuld bij ’s Heeren volk ontbreken, plicht, dure plicht blijft het desniettemin voor allen en een ieder, om het onheilige van ’s Heeren altaar te weren. En al ware er ook slechts ťťn enkele, die overtuiging van schuld van den Geest ontving, hij kan noch mag aarzelen om te doen naar het Woord des Heeren, onverschillig wat hij er zelf ook om te lijden hebbe, ja, al bracht het hem broodeloos op straat.

Gods gebod is onvoorwaardelijk en doorgaande tot op de samenvoegselen der ziel. Elke schuld aan dat gebod, hoe gering ook, brengt den eeuwigen dood. Alleen het oneindig offer van Christus, kan, omdat hij God was, de schuld tegen dat gebod uitdelgen. En juist om dat absolute karakter van het gebod kan het niet anders, of elke verontschuldiging, die men aan te brengen offers of aan mogelijke gevallen, wil ontleenen, om aan de gestrengheid van dat gebod te ontkomen, moet ijler dan een stofvlok zijn in de weegschaal van Gods recht.

Men bedenke en overwege toch wel, dat een afwijken van en ingaan tegen de bestaande ordinantiŽn voor een teeder geweten een ontzettende zaak is, en dat niemand hiertoe den heiligen moed kan bezitten, tenzij hij weet en inziet: God wil het! Ongehoorzaam aan menschelijke ordonnantiŽn mag en kan men alleen uit hoogere gehoorzaamheid aan de ordinantiŽn Gods zijn. En de overgeestelijke lieden, die onder |140| velerlei redeneering, die stem der gehoorzaamheid wegpraten, snijden de zenuw van het christelijk leven door.

Neen, neen, het staat niet maar zoo, dat over het stuk der kerkreformatie de ťťne zus denkt en de andere van die opinie is, en dat nu ieder maar overeenkomstig zijn eigen inzicht veel doe of niets doen kan. Van opinie of denkwijs is hier ganschelijk geen sprake. Indien hier niet de plicht der gehoorzaamheid tegenover God noopt, dringt en dwingt tot handelen, dan is alle handel zonde. Maar ook geldt die plicht tot gehoorzaamheid aan God eenmaal voor den ťťn, dan geldt ze ook tegelijk en gelijkelijk voor allen. Het gebod is algemeen.

De reformatie, waarvan deze paragraaf handelt, omschrijven we uit dien hoofde als: het kerkelijk terugkeeren tot de gehoorzaamheid aan God en zijn Woord, nadien men kerkelijk ongehoorzaam aan dien God en dat Woord geworden was.

Wie in zijn eigen huis regels had ingesteld en gewoonten ingevoerd, waarvan hij van achteren inzag, dat ze ingingen tegen Gods Woord, zou terstond die regels moeten veranderen en die gewoonten moeten omzetten, ten einde weer gehoorzaam aan God te worden. En noch het beroep op het gezag van die regels, noch een verwijzing naar de vastheid dier gewoonten, zou hem of iemand ook maar ťŽn oogenblik verontschuldigen kunnen, indien hij voortging ongehoorzaam te zijn.

Breuke met de bestaande regelen en gewoonten, of wil men met de bestaande organisatie, is ons dan alleen geoorloofd, maar dan ook onafwijsbaar geboden, indien deze organisatie u belet Gode den Heere ook in uw kerk, en als kerk, gehoorzaam te zijn.

Hieruit vloeit voort, dat aan alle reformatie door breuke niet alleen geestelijke verwakkering door overtuiging van schuld vooraf moet gaan, maar ook, dat men tot zulk een breuke nooit mag voortschrijden, tenzij eerst de weg van geleidelijk herstel zij beproefd.

Bij een kind van God is de geest der bedachtzaamheid. Hij verfoeit de drift, die de breuke wil zoeken, en zint eer op middelen om die breuke te mijden. Slechts harde, pijnlijke noodzakelijkheid perst en dwingt en brengt er hem toe. Hij wilde wel anders, maar hij kan niet anders.

Eerst moeten dus alle andere wegen zijn afgeloopen, eer het door zijn toedoen of met zijn gedogen tot die breuke komt.

Geleidelijk herstel moet dus vooraf begeerd, gezocht, afgebeden zijn, en eerst als de kerkelijke vergaderingen, van wie dit geleidelijk herstel alleen kan uitgaan, wel verre van de eere Gods hierin te zoeken, volstandig uit beginsel en hardnekkig weigeren de kerkelijke |141| organisatie uit haar ongehoorzaamheid jegens God tot gehoorzaamheid aan zijn Woord terug te brengen; ja, erger nog, elke poging tot gehoorzamen aan den Heere, tegengaan en straffen; eerst dan is, maar dan ook gewisselijk, het oogenblik gekomen, waarop die breuke niet langer uitblijven kan noch mag.

Overmits de breuke met het bestaande kerkverband eerst in de volgende paragraaf ter sprake komt, behoeft hier alleen gehandeld van zoodanige reformatie, die het kerkverband ongemoeid laat of althans buiten botsing met het kerkverband blijft. Hoofdzakelijk komt het hier dus aan op de reformatie van de plaatselijke kerk, dat is van die kerk, die ieder lid in de eerste plaats aangaat.

De kerk waartoe wij behooren is het lichaam, van Christus; maar dit lichaam van Christus wordt plaatselijk openbaar; het is derhalve de plaatselijke kerk waarin wij met het lichaam van Christus rechtstreeks in aanraking komen. Voor die plaatselijke kerk draagt een ieder onzer alleen rechtstreeksche verantwoordelijkheid, en het is in, door en met haar dat wij kerkelijk onze gehoorzaamheid aan God hebben te betoonen.

„Kerkelijke gehoorzaamheid betoonen” is eene uitdrukking, die nauwlijks toelichting behoeft. God de Heere heeft gehoorzaamheid van ons te vorderen op elk terrein des levens. We moeten den Heere onzen God gehoorzamen in ons persoonlijk, in ons huislijk, in ons maatschappelijk, in ons staatkundig, en zoo nu ook in ons kerkelijk leven. Grenzen bestaan er voor de gehoorzaamheid aan God niet. Of iemand dus al persoonlijk en maatschappelijk in gehoorzaamheid wandelt, maar in zijn huis die gehoorzaamheid nalaat, zoo is hij toch schuldig. En zoo ook, of iemand al in huis en maatschappij zijn God dient, maar in zijn kerk aan de ongehoorzaamheid tegen God meÍdoet, diens schennis van Gods majesteit is openbaar.

Als regel geldt dus, dat een iegelijk in zijn eigen kerk zelf God niet ongehoorzaam mag zijn, en evenmin door zijn meÍdoen of toezien medeschuldig mag worden aan de ongehoorzaamheid van anderen.

Leeft derhalve de kerk waartoe hij behoort in staat van ongehoorzaamheid, dan is elk kind van God verplicht tegen deze ongehoorzaamheid gehoorzaamheid over te stellen.

Laat de ongehoorzame kerk dit toe, ruimt ze daar plaats voor in, maakt ze hem dit mogelijk, dan leidt dit niet tot breuke. Belemmert of belet ze hem daarentegen dit oefenen van gehoorzaamheid aan God, dan mag het kind van God daarvan niet aflaten, maar moet doorgaan, op gevaar af van gestraft te worden, ja, al dreigde |142| hem de straffe des doods. Dit geldt in tweeŽrlei opzicht. Vooreerst namelijk moet elk kind van God weigeren iets te doen, aan iets deel te nemen of tot iets meÍ te werken, wat ongehoorzaamheid aan God zou zijn. En omgekeerd moet hij doen en volbrengen wat de gehoorzaamheid aan God eischt, ook al ware het dat men hem dit verbood, belette of onmogelijk wilde maken.

De gevallen waarin dit voor kan komen zijn in hoofdzaak de volgende: 1º. voor wat aangaat om te doen wat God verbiedt, zoo komt in aanmerking: a. het weigeren om beelden te dienen, Maria of de heiligen aan te bidden; b. deel te nemen aan godsdienstige samenkomsten waarin de waarheid verzwegen of verminkt wordt; c. liederen te zingen, die niet naar den Woorde Gods zijn; d. deel te nemen aan sacramenteele handelingen die niet recht bediend worden; e. zijne kinderen godsdienstonderwijs te doen geven of te doen „aannemen,” naar men zegt, of ook bevestigen, bij of door leeraars die aan de waarheid te kort doen; en f. kerkelijke personen te moeten huldigen in qualiteiten die afbreuk doen aan het koningschap van Jezus. En evenzoo 2º. voor wat aangaat het gehoorzamen aan God, waar men dit beletten wil, zoo wijzen we op a. de verplichting om prediking des Woords te hebben en die te zoeken ůf buitenaf ůf door ze zelf op te richten; b. de verplichting om de sacramenten van den H. Doop en het H. Avondmaal, zoo voor zichzelf als voor zijne kinderen te hebben; en c. de verplichting om te getuigen tegen zonde en dwaling in de gemeente.

In elk dezer gevallen is elk lid der kerk gehouden te handelen en in eenvoudigheid des harten te wandelen op den weg van plicht en roeping. Stelt nu de kerkeraad zich hiertegen, dan moet zulkeen lid desniettemin doorgaan. Volgt er straf, dan moet het die straf over zich komen laten, en wel over zich laten komen zonder ook maar ťťn oogenblik af te laten van hetgeen waarover hij straf beliep. En belet de kerkeraad hem in het van kerkswege verkrijgen van hetgeen hij van de kerk naar Gods Woord hebben moet, dan rust op hem de verplichting, om in vereeniging met gelijkgezinden, in deze leemte te voorzien.

Is zoo b.v. de kerk nalatig in het uitdeelen van de genademiddelen, zoodat de Christen ’t zij geen prediking van het Woord, ’t zij geen bediening van het Sacrament, in den door God geboden weg, kan erlangen, dan rust op hem de verplichting om deze leemte aan te vullen. Op de eenvoudigste wijze kan hij dit doen, door te verhuizen naar een andere kerk, waar een rechte uitdeeling van |143| genademiddelen overbleef. Maar dit staat niet in ieders macht. Menigeen is aan de plaats zijner woning gebonden. En in dat geval nu kan hij volstrekt niet volstaan met een locaal te huren en daar nu en dan dusgenaamde Evangelisten te laten prediken, maar is hij gehouden een geordend leeraar te ontbieden. En overmits dit ontbieden van een leeraar wettig alleen door een kerkeraad kan geschieden, zoo behoort de kring van hen, die tegenstaan, tot benoeming van ouderlingen en diakenen voort te schrijden en door deze een leeraar te laten beroepen. Een leeraar voor den dienst, dus niet slechts iemand die nu en dan preekt, maar wel ter dege zulk een leeraar, die ook de beide Sacramenten bedient. D.i. niet alleen het H. Avondmaal, maar ook ter dege wel den H. Doop. En derhalve een leeraar, die met zijn kerkeraad ook tevens tucht oefent, opdat de bediening der Sacramenten wel toega.

Dat hiermeÍ de breuke gekomen is, ontkennen we allerminst. Het is juist van een reformatie door breuke, dat we hier handelen. Maar toch willen we opmerken, dat zulk een breuke nog volstrekt niet duurzaam behoeft te zijn.

Gedurende de woeling der Remonstranten hebben de getrouwen in den lande allerwege de boven aangeduide gedragslijn gevolgd, en in onderscheidene gemeenten is het tusschen den kerkeraad en deze Gereformeerden dan ook tot zoo openlijke breuke gekomen, dat de Remonstranten in de 26e en 29e zitting van de Synode in 1618/19 deze kringen openlijk van scheurmakerij hebben aangeklaagd en op dien grond hun recht op deelgenootschap aan het kerkelijk lichaam betwistten. Maar zoo weinig vond dit gevoelen ingang, dat ťn de Engelsche, ťn de Geneefsche, ťn de Paltzische, ťn de Bremer theologen, in afzonderlijke declaratiŽn uitdrukkelijk betuigd hebben, dat zulk een zich scheiden van hetgeen aan God ongehoorzaam was met scheurmakerij niets gemeen heeft.

Al ontkennen we dus niet, dat zulk een stap tot duurzame verbreking leiden kan, toch is even waar, dat de weg tot toemuring der bresse er volstrekt niet door is afgesneden. Het voorbeeld van 1619 toont dit.

Vraagt men op welke wijze zulke doleerenden daarbij te werk hebben te gaan, dan mag veilig deze regel opgesteld: 1º. Is onder de doleerenden een predikant der gemeente, met andere kerkeraadsleden, zoo heeft men deze, mits ze apart vergaderen, als raad der kerke, te erkennen; 2º. doleert men zonder predikant, zoo zal men wel doen met ťťn der naburige predikanten uit te noodigen, dat hij als consulent optrede, om het werk te leiden; en 3º. is ook zulk |144| consulentschap onverkrijgbaar, dan ga men zelf onder de leiding van een der oudste broederen tot verkiezing van ouderlingen en diakenen over. Of ook is het aantal der doleerenden daarvoor te klein, dan zoeke men onder de hoede van een nabijgelegen kerkeraad te komen, die deze gemeente dan tijdelijk als combinatie verzorgen moet.

Dit voor wat aangaat de houding der gewone leden. Duurder verplichtingen echter rusten nog op de dragers van het ambt. Is het voor hun overtuiging onbetwistbaar, dat de kerk waarin ze dienen niet in gehoorzaamheid wandelt, dan mogen ze niet rusten, maar moeten ze optreden, en nauwkeurig toezien, hoe ze voor zichzelven in gehoorzaamheid gaan en de hun toevertrouwde kudde in gehoorzaamheid leiden zullen. Daartoe hebben ze de leden der gemeente dan rusteloos voor te lichten van den kansel, bij het godsdienstonderwijs, in de huisgezinnen, en des noods door zendbrieven of rondgaande geschriften. Ten tweede in den kerkeraad op betering van kerkelijk leven aan te dringen. Ten derde, zonder te vragen of de kerkeraad dit veroorlooft, te doen wat de gehoorzaamheid aan Gods Woord van hem eischt en voor de gemeente noodig is, opdat zij in den weg van Gods Woord wandele. En ten vierde ook buiten zijn eigen kerk hulpe te verleenen aan kerken die in geestelijken nood verkeeren.

Haalt hij zich hierdoor de berisping van zijn kerkeraad op den hals, zoo heeft hij die te dragen en inmiddels op dezelfde wijze voort te gaan. Legt men hem doorschorsing het zwijgen op, zoo moet hij desniettemin met de prediking des Woords en de bediening der Sacramenten voortgaan; want dit is zijn zending van ’s Heeren wege. En gebeurt het, dat zijn kerkeraad, ondanks dit bestendig vermaan en dit betoon van veerkracht, hardnekkig blijft voortwandelen op den ongehoorzamen weg, zoo is hij gehouden om ten slotte de gemeenschap met zulk een kerkeraad af te breken en zijn kerk in het sa‚mroepen van een getrouwen kerkeraad behulpzaam te zijn.

Welk een uitslag zulk een botsing hebben zal, is niet te zeggen; maar zeker mag de bedienaar des Woords nooit uit vreeze voor geldelijk verlies den weg der gehoorzaamheid mijden.

Ware gerucht maken zijn doel, zoo zou het vleesch en niet de geest werken, en kort na den aanvang vol trots en overmoed een buigen en bukken in smadelijke vernedering volgen.

Maar dreef hem in oprechtheid des harten de zucht om den Heere Heere te gehoorzamen, dan zal de held, die des noods met zijn bloed voor ’s Heeren Naam getuigen zou, zich wel nooit door tijdelijk verlies van geld of goed van de trouw aan zijn Heer laten af brengen. |145|

Dan echter zou de breuke reeds verder dan de organisatie der plaatselijke kerk gaan, reeds het kerkverband zelf raken, en dus onder deze paragraaf niet meer thuis hooren.

Wel echter hoort hier nog de vraag thuis, in hoeverre, ook waar men ons tot geen ongehoorzaamheid dwingt, noch ons in den weg van gehoorzaamheid belemmert, nochtans de medeschuld aan anderer ongehoorzaamheid breuke wettigen kan.

En hier zouden we, uit vreeze voor overspanning en overmoed, ten dringendste willen manen tot dubbele voorzichtigheid.

Ze zijn zoo weinigen, ook onder de teedere kinderen Gods, die deze medeverantwoordelijkheid zoo diep voelen, dat ze er als schuld meÍ voor den genadetroon gaan. En immers, ware dit schuldbesef niet aanwezig is, ontbreekt de eerste voorwaarde die tot breuke wettigt.

Is het daarentegen dat de Heilige Geest ook daar de ziele inleidt, zoodat ge niet maar met woorden tegen anderer ongehoorzaamheid schermt, maar in de gemeenschap van het lichaam van Christus uw medeschuld daaraan u op het harte voelt wegen, zůů voelt wegen, dat ge het bloed van Christus er over inroept, o, gewisselijk, dan hebt ge recht en plicht beide, volle recht en onafwijsbare plicht zelfs, om den band met zulk een organisatie te verbreken, doordien ge wel niet uit uw kerk treedt, noch uw kerk als kerk veroordeelt,en haar dus veel min als valsche kerk op de kaak stelt, maar doordien ge, als stil en ernstig getuige tegen haar, alle gemeenschap met haar kerkeraad afbreekt.

Deze plicht komt het eerst en het eenvoudigst uit, door het niet ontvangen bij huisbezoek van leeraars of ouderlingen die aan het Woord des Heeren ongehoorzaam zijn. Maar moet, wel verre van daarbij te blijven staan, voortschrijden tot een scheidend protest aan den kerkeraad, daar deze het kwaad niet lijdelijk mag dulden.

Zoo kan reeds de enkele aanwezigheid van ongeloovige kerkeraadsleden oorzaak zijn voor geloovigen, om afzonderlijk te vergaderen. Iets, waaruit voortvloeit, dat ook de kerkeraad als zoodanig hier tot een breuke van Godswege kan geroepen worden. Immers een kerkeraad, die gehoorzaamheid aan Gods Woord wil betrachten, zal niet rusten mogen eer de ongeloovige leden uit haar midden verwijderd zijn; het stemrecht der gemeente weer aan de belijdenis gebonden is; en de dienst van ongeloovige leeraars is gestuit. Een voorzitter van den kerkeraad die hierin getrouw wenscht te zijn, zou zulke niet-geloovige leden niet tot de vergaderingen van den kerkeraad oproepen; bij het oplezen van de naamlijst hun namen overslaan; en weigeren hun het woord te geven. |146|

Botsing, breuke zelfs zou hierdoor hoogstwaarschijnlijk in den boezem van den kerkeraad, of althans in de plaatselijke kerk, openbaar worden, maar dit kan noch zal terughouden van plichtsbetrachting, indien maar eerst oprechte schuldovertuiging door den Heiligen Geest is gewekt en de lust tot gehoorzaamheid aandrijft.

Zelfs kerkvoogden kunnen hiertoe van Godswege geroepen worden, indien zij beseffen, dat zij de kerkgebouwen niet langer mogen afstaan voor onheilige prediking noch tractementen mogen uitbetalen aan ontrouwe leeraars.

Kortom de gehoorzaamheid heeft geen grens. Ze gaat door tot den organist, die weigeren zal te spelen; tot den voorlezer, die weigeren zal voor te zingen; tot den koster, die weigeren zal op te leiden; tot den bankopsluiter, die weigeren zal dienst te doen; ja tot den collectant, die weigeren zal te collecteeren.

Overal waar de ongehoorzaamheid machtig wierd, zal de gehoorzaamheid haar in het aangezicht weerstaan.

En voor de botsing, die dit na zich mocht slepen, vreezen we geen oogenblik; zelfs willen we deze botsing zegenen; indien het maar een werk uit den Heere en niet een wild spel van fanatieken overmoed is.

Komt de aandrift uit de uitgieting eener ziel, die in schuldbesef verslagen, in stof en assche voor haar God geworsteld heeft, dan dient zelfs de inhouding van tractement door een kerkvoogdij toegejuicht; maar ook, is er geen schuldbesef en ijvert slechts het zelfverheffend FarizeÔsme, wee dan over de minste poging tot getrouwheid; dan is ze niet welaangenaam, maar geoordeeld voor den Heere.


§ 57. Van reformatie door breuke met het bestaande kerkverband.

Onze vaderen die in de zestiende eeuw de reformatie der kerken van Amsterdam, Rotterdam, Utrecht enz. ondernamen, kwamen niet tot breuke met hun kerk, d.i. met de kerk hunner woonplaats of zelfs van hun kerspel. Ze kwamen tot breuke met de organisatie van hun plaatselijke kerk; ze kwamen ook tot breuke van het verband waarin hun kerk met andere kerken stond, maar hun kerk als kerk bleef in haar geheel; was na de reformatie dezelfde als ze van te voren geweest was; en leidde niet tot het stichten van een nieuwe kerk naast of tegenover de bestaande. Al wat geschiedde, was dat de bestaande kerk in professie en eeredienst en organisatie van misbruiken gezuiverd werd.

Hieruit blijkt dat een nieuwe reformatie, die thans gelijkvormigheid |147| zou vertoonen met de reformatie der zestiende eeuw, wel de organisatie zou breken en evenzoo breken zou met het kerkverband, maar het lichaam der kerken als zoodanig ongedeerd zou laten. Een ander kleed, maar om hetzelfde lichaam! dus luidde de toenmalige leus.

Reeds dit toont het groot gewicht van de tweede categorie waaraan we met deze ß toe komen, en die handelen zal van reformatie door breuke met het kerkverband.

Het karakter van deze soort van reformatie is scherp geteekend.

Gelijk in het tweede Hoofdstuk over de Formatie der kerken breeder is aangetoond, is de kerk van Jezus ťťn aan alle plaatsen der wereld en zelfs aan alle oorden der zalige gewesten. …ťn is ons aller hoofd, zoo zijn we dan ťťn lichaam onder Hem, die ons gekocht heeft tot den prijs van zijn bloed. Maar gelijk het ťťne licht van dezelfde zon in de verschillende kamers van een huis door onderscheidene vensters instraalt, om door de muren en wanden gedeeld te worden, zonder dat het ook maar ťťn oogenblik ophoudt in kelder en op zolder, in voor- en achtervertrek, in zaal en opkamer het ťťne zelfde licht van dezelfde zon te zijn, zoo ook is het met de lichtstralen van Jezus leven in zijne kerken op aarde. Al die kerken vormen sa‚m een huis, maar in dat ťťne huis zijn veel afzonderlijke vertrekken, door muren en wanden van een gescheiden, en in die onderscheiden vertrekken straalt nu het licht, niet uit zekere lichtbron in het midden van het huis verborgen, maar rechtstreeks uit de zon door dakraam en venster. Zoo is het dus ťťn georganiseerd leven Christi, gelijk het ťťne licht der zon om heel de aarde en in den hemel ťťn is. En ook is het op aarde ťťn huis, ťťn kerk, waarin de onderscheidene kerken slechts localen of vertrekken, of kamers vormen, en die van nature door goede deuren gemeenschap met elkander hebben; maar het licht dat in allen instraalt, komt van buiten en maakt elk vertrek tot een eigen vertrek, met eigen licht en eigen leven. Dit is de dringende reden, waarom nooit mag toegelaten, dat een plaatselijke kerk, als een onderdeel, een afdeeling of compartiment van eenige landskerk zal worden beschouwd. Dit toch rooft heur eere als kerk. Ze is onderdeel, afdeeling, compartiment, of om liever organisch te spreken, ze is lid of cel van de ťťne ondeelbare kerk van Christus, en ontvangt als zoodanig haar licht, haar liefde, haar leven rechtstreeks uit Hem. Ze zou dus kerk blijven, ook al vielen alle andere locale kerken, waarmeÍ ze verbonden is, weg. Ze bestaat niet doordien, noch ook omdat de nationale kerk bestaat, maar eenvoudig omdat het leven Christi in haar openbaar wordt. Wel mag dus gezegd |148| dat ze een deel is van de algemeene, catholieke, heilige kerk op aarde, maar nooit dat ze een compartiment of afdeeling is van eerlige kerkengroep op aarde. Immers, niet zij ontstond, doordien die groep bestaat, maar omgekeerd die groep ontstond, doordien de kerken van Amsterdam, van Rotterdam, Utrecht, enz., eerst zelven onafhankelijk van elkaar bestonden, en nu met elkander in verband en in verbond traden. Niet, dit versta men wel, alsof dit verband en verbond niet noodzakelijk ware, en goede kerken door den drang des levens en der liefde hier niet vanzelf toe komen zullen, maar in dien zin, dat het bestaan der kerk altoos aan het bestaan van het kerkverband voorafgaat en het kerkverband uit de kerken geboren wordt. Omgekeerd slechts bij hooge exceptie!

Intusschen kan dit kerkverband, dat ten nutte en bate der kerken door de kerken gesticht wierd, na verloop van tijd en door verandering van de toestanden, voor den geestelijken bloei der kerken en voor heur wasdom in godzaligheid en heiligmaking hinderlijk, ja, belemmerend worden.

Is toch na eeestelijke inzinking van schier alle kerken geheel het kerkverband allengs in een dorre en doodsche sa‚mrijging van slechts reglementair verbonden kerken ontaard, dan kan het niet anders of elke geestelijke verwakkering en elk pogen tot kerkherstel in een of meer der verbonden kerken, zal op den verkeerden geest, die in het kerkverband insloop, afstuiten.

Immers zulk een kerkverband bindt. Kerken in zulk een verband levende, zijn niet meer vrij in haar beweging. Ze leven onder gemeenschappelijke regelen, en staan onder de macht van gemeenschappelijk geconditioneerde vergaderingen in classis en synode., Door deze gemeenschappelijke regelen is de deur van de ťťne kerk voor de leden der andere kerken opengezet. Om den invloed die ze onderling op elka‚r uitoefenen, is aller bestuurswijs door ťťn gemeenschappelijke kerkorde geregeld, en het veranderen van die kerkorde is niet het recht van ťťne kerk, maar van alle kerken sa‚m.

En hieruit nu vloeit drieŽrlei voort:

Ten eerste, dat bij geestelijke inzinking der kerken, die in verband en verbond leven, noodzakelijk allengs een ongeestelijke zin in hunne kerkorde en regels van samenleving moet insluipen, zoodat ten leste de kerkelijke regeering in steÍ van het Woord des Heeren te dienen, dit Woord gaat tegenstaan.

Ten tweede, dat bij zulk een geestelijke inzinking de kerken heur natuurlijk verband in de eenheid van gemeenschappelijke belijdenis verliezen, en dus vanzelf gedrongen worden, om de dus verloren |149| eenheid te herwinnen door sterker aanbinden van de reglementaire banden, zoodat, naarmate Gods Woord achteruit wordt gezet, op het gezag van menschelijke ordonnantiŽn te meer nadruk zal worden gelegd.

En ten derde eindelijk, dat, waar ten gevolge van zulk een geestelijke inzinking der kerken de regels van heur onderling verband in conflict met Gods Woord zijn gebracht, en ten andere het gezag van menschelijke ordonnantiŽn voor boven mate heilig gaat gelden, een kerk, die uit die inzinking naar Gods Woord terug wil, stuiten zal ťn op de aan Gods Woord vijandige bepalingen in de bedorven kerkorde, ťn op de ingebeelde majesteit van het zich aan die kerkorde vastklemmend menschelijk gezag.

De loop van zaken ontwikkelt zich daarbij zeer geleidelijk.

Ontwaakt in eenige kerk door Gods goede gunste weer lust ťn aandrift, om naar den Woorde Gods te leven, dan zal die aandrift zich wel eerst slechts in kleiner kring openbaren, maar toch aldra uit dien kleinen kring zoeken voort te planten naar het lichaam der kerk in haar organisatie. Aldus den kring der geestelijke ambtsdragers bereikende, zal deze aandrift dan vanzelf in den kerkeraad zich gaan vertoonen en daar de alles beslissende vraag aan de orde stellen, of de kerkeraad in de haar toevertrouwde gemeente weer de eere van Gods heiligen naam wil oprichten, dan wel tegen de geestelijke verwakkering der kerk wil ingaan. Neutraliteit is ten deze onmogelijk. Elke kerkeraad kiest of voor de aldus aangedrevenen of wel tegen hen partij. De uitvlucht, dat men elk voor zichzelf maar stil voort zal gaan met het Woord te verkondigen, is hiertegen volkomen ijdel. Immers de Heere heeft in zijn kerk niet maar losse predikers, maar een ambt ingesteld. Dit ambt maakt, dat alle predikers in onderling verband staan, voor elkander over en weer verantwoordelijk zijn, en aldus voor hun aandeel ůf het geheel der kerk naar Gods Woord zullen inrichten, ůf wel er toe zullen medewerken om hun kerk in haar afwijking van Gods Woord te laten volharden. De keuze moge pijnlijk zijn, maar er aan ontkomen kan men niet.

Nu van tweeŽn ťťn. Kiest nu een kerkeraad tegen de geestelijke verwakkering in de kerk en handhaaft hij ter wille van het kerkverband de menschelijke ordonnantiŽn tegen het Woord van God in, dan wordt hieruit een strijd geboren van het kerkverband tegen het geestelijk ontwaakte deel der kerk, waarbij de ontrouwe kerkeraad dan als handlanger en politiedienaar van het onheilig kerkbestuur tegen de ijveraars voor den Woorde Gods dienst doet. Of wel de kerkeraad kiest voor het Woord des Heeren, en erkent zijn verplichting om tot de gehoorzaamheid aan dat Woord terug te keeren, maar loopt |150| dan ook grootelijks gevaar om door het vijandig kerkverband ter verantwoording te worden geroepen.

Deze twee onderscheidene gevallen dienen dus wel uiteen te worden gehouden.

Er kan een conflict ontstaan van enkele personen met het kerkverband, waarbij de kerkeraad dan als lasthebber en handlanger van het kerkverband optreedt. Maar er is ook een heel ander conflict denkbaar, niet van enkele personen, maar van den kerkeraad zelven, zoodra deze aan het hoofd van zijn kerk tegen het kerkverband in verzet komt.

Bespreken we elk dezer twee afzonderlijk.

De enkele personen die met het kerkverband in conflict komen, kunnen of gewone leden der kerk wezen, of wel personen, die in eenig ambt of in eenigen dienst bij de kerk zijn.

Gewone leden kunnen in zulk conflict komen op tweeŽrlei manier: of doordien ze handelen in strijd met eenig reglement door dat kerkverband aan de kerken opgelegd, of wel doordien ze in hooger beroep door het kerkverband in het ongelijk worden gesteld.

Greep het eerste plaats en komt zulk een lid dan in het hoekje te staan van „weÍrstrevers van kerkelijke verordeningen,” dan kan het kerkverband of door de vingers zien en de „onregelmatigheid” op zijn beloop laten, of wel het kan den eisch stellen, dat de „weÍrstrever” aflate van zijn ongeoorloofd bedrijf. Geeft de opposant daarin toe, dan is de zaak hiermeÍ natuurlijk ten einde. Maar acht hij uit gehoorzaamheid aan Gods Woord niet te mogen toegeven en gaat hij dan op den ingeslagen weg voort, dan zal het kerkverband met tuchtmiddelen tegen hem optreden, en hem tot onderwerping zoeken te dwingen. De middelen, die hiertoe aan het kerkverband ten dienste staan, zijn. 1º. ontzegging van de benoembaarheid voor kerkelijke ambten en betrekkingen; 2º. ontzegging van de Sacramenten; 3º. schorsing als lid, en 4º. eindelijk afsnijding.

De „weÍrstrever,” overtuigd van niet te mogen toegeven, gaat dan stil door, laat tuchtmiddel na tuchtmiddel over zich komen, en zoodra de Sacramenten hem b.v. ontzegd zijn, gaat hij toch tot de Sacramenten.

Dit stelt den kerkeraad voor de quaestie of hij de weÍrstrever wil helpen executeeren, dan wel, hiervoor terugdeinzend, weigert de opgelegde straf aan hem te voltrekken. Geschiedt het laatste, dan gaat het conflict hiermeÍ van den enkelen persoon op den kerkeraad over en komt dus straks ter sprake. Maar doet hij het eerste en leent hij er zich toe, om den weÍrstrever van kerkelijke verordeningen door onthouding van de genademiddelen te straffen, dan komt het conflict |151| op zijn uiterste spitse tusschen den onrechtmatig gevonnisde en het kerkelijk verband, dat hem dwingen wil.

In zulk een geval nu zou het onverantwoordelijk van zulk een persoon zijn, indien hij zich onderwierp. Dit ware afval van de eens betoonde trouw. En niets zal hem dan resten, dan om toch tot de Sacramenten toe te treden, en worden die hem met geweld geweigerd, met gelijkgezinden een eigen bediening der genademiddelen op te richten, of mist hij gelijkgezinden, elders in een andere kerk te zoeken, wat zijn eigen kerk hem onthoudt.

Leidt dit dan tot zijn afsnijding, dan behoeft hij daarom zich zelf nog volstrekt niet als van de kerk afgesneden te beschouwen, maar wel rust dan op hem de verplichting, om tot nieuwe organisatie in zijn kerk over te gaan, en, zonder vertoon of zucht naar opspraak, in de vreeze Gods de hand aan te leggen, opdat hij voor zich en de zijnen en zijn medestanders weÍr de zuivere bediening der genademiddelen erlange.

Het tweede gestelde geval, dat hij namelijk door een vonnis in hooger beroep met het kerkverband in conflict komt, kan of zoo staan dat hij zelf tegen een besluit van zijn kerkeraad in appŤl kwam, of dat zijn kerkeraad hem wel gelijk gaf, maar een ander in appŤl kwam tegen het kerkeraadsbesluit. Feitelijk echter komt dit op hetzelfde neÍr, en zal het verloop van het conflict al spoedig sa‚mvallen met het verloop van het zooeven besproken conflict. Immers hij zal zich ůf aan het vonnis onderwerpen, en dan is er geen conflict meer; ůf wel hij zal zich niet kunnen onderwerpen, en dan moet of het kerkverband de zaak loopen laten, of wel, het komt ten laatste toch tot afsnijding, en uit die afsnijding wordt voor den afgesnedene weÍr gelijke plicht als boven tot zelfstandig optreden geboren.

Feitelijk zullen conflicten tusschen gewone leden en het kerkverband dus steeds de quaestie te berde brengen van breuke met de kerk als zoodanig, reden waarom we de verdere bespreking van dit soort conflict verschuiven naar de volgende paragraaf.

Intusschen rest ons, eer we tot de conflicten van kerkeraad en kerkverband komen, nog de bespreking van het wezenlijk afwijkend soort conflict met het kerkverband, hetwelk dan ontstaat, indien het verzet niet uitgaat van gewone leden, maar van personen in kerkelijke ambten of betrekkingen.

Dit soort conflict neemt meestal een veel ernstiger verloop. Gewone leden toch zijn minder schadelijk, maar ook minder trefbaar voor kerkelijke tuchtmiddelen. Afsnijding van gewone leden komt zelfs bijna nooit voor. Zekere schaamte, gepaard met besef van |152| onmacht, weerhoudt gemeenlijk de kerkelijke machthebbers, om iemand, aan wien anders niets ten laste is te leggen, dan dat hij voor de eere van zijn God ijvert, met geestelijke straffen te achtervolgen of ook te treffen met een vonnis van bannissement. Maar geheel anders komt de zaak te staan, indien de weÍrstrever een ambtsdrager of kerkelijk persoon is. Dan toch is er veel meer van zijn invloed te duchten en staan aan het kerkverband veel krachtiger middelen ten dienste, om hem gevoelig te treffen. Wie in het ambt is, kan in dat ambt geschorst, of uit dat ambt gezet worden. Ook van niet-ambtelijke betrekkingen geldt hetzelfde. Een kerkvoogd, die niet heulen wil met de ongodzaligheid, kan aan het kerkverband veel moeite berokkenen, maar ook het kerkverband kan dien kerkvoogd zijn lidmaatschap ontnemen. Een koster, een voorzanger, een organist, die niet slaafsch meÍ willen loopen, kan men straffen in hun brood. Zoo kan men doen met „weÍrstrevige” godsdienstonderwijzers. En wat de ambten aangaat, wat is gemakkelijker, dan een diaken of ouderling, die de kerkelijke verordeningen aan Gods Woord durven toetsen, van hooger hand te verwijderen. Maar wat bovenal hier dient uit te komen, is het hoog gewicht van een conflict tusschen het kerkverband en een leeraar. Daarin toch bereikt natuurlijk deze reeks conflicten haar toppunt. Eensdeels om den machtigen invloed waarover een leeraar beschikt, en de openbaarheid van zijn handelingen, maar ook anderdeels omdat het kerkverband hem rechtstreeks kan aantasten, en hem ontzetten uit zijn ambt en werkkring, ja, uit zijn huis en goed en geld.

Het is dan ook uit deze soort conflicten dat meest alle doortastende reformatiŽn geboren zijn, en de oorzaak ligt voor de hand, waarom juist hier de hoogste zedelijke kracht openbaar wierd.

Een gewoon gemeentelid kan zich laten afsnijden schier zonder nog met zijn God geworsteld te hebben, misschien uit euvelen overmoed. Immers, ook afgesneden blijft hij die hij tevoren was. Vooral heden ten dage beteekent het lijden, dat daarmede over hem komt, schier niets.

Voor een kerkvoogd of koster, voor een ouderling of diaken, is afgezet te worden zeker hoogst onaangenaam, maar bij slot van rekening maakt het hem toch niet ongelukkig. Een kerkvoogd verliest eenigen geldelijken invloed. Een koster een zeer klein deel van zijn broodwinning. En een ouderling of diaken keeren in het gewone leven terug zonder iets, wat de wereld begeerlijk noemt, verloren te hebben.

Maar met een predikant is dit geheel anders. Voor een bedienaar |153| des Woords toch is afzetting niet minder dan afsnijding van zijn levenspositie, wegneming van zijn werkkring, ontneming van heel zijn levensbestaan, en dat met den prikkel er achter, om ůf trouweloos te zwijgen, ůf leerende op te treden, en alzoo het conflict op een nieuwen lijdensweg voort te zetten. Denk aan Kohlbrugge, wat hem die weg des lijdens heeft gekost!

Op dien grond nu zeggen we, dat er in den bedienaar des Woords een veel hoogere genade wordt geŽischt, om in zulk een conflict getrouw te blijven, dan in een gewoon lid of ouderling. De zedelijke triomf over vleesch en zonde moet in den leeraar zooveel machtiger, zijn bereidheid om zijn Heer te dienen zooveel onverwinlijker, zijn lust aan gehoorzaamheid zooveel sterker, zijn offervaardigheid zooveel schitterender uitblinken.

Gewone leden en ook ouderlingen, die zoo gereed zijn om over de ontrouw onzer leeraars te klagen, mochten zich dan ook wel eens afvragen of zij even getrouw zouden bevonden worden, als er ook hun geheele levenspositie, ja het brood van vrouw en kinderen meÍ op het spel stond.

Maar aan den anderen kant moet dan ook geijverd in gebeden, of het God believen mocht, in het hart van recht vele Bedienaren des Woords deze overvloedige genade uit te storten; de verleiding in hen te breken van veel valsche redeneering waarmeÍ zij hunne zielen ophouden; en alzoo aan de kerken Christi die natuurlijke leiders voor heur reformatie te schenken, zonder wier voorgang en medewerking de reformeering eener kerk zoo zelden is gelukt.

En wierd die bede verhoord, dan zou ook de buitengewone mate van zedelijken moed en geloofskracht, die in de Bedienaren zich ontwikkelde, aan hun woord zulk een gloed en aan hun optreden zulk een kracht leenen, dat de tegenstand in het kerkverband vanzelf bezweek.

Alleen door de geestelijke verwakkering der Bedienaren des Woords kan een kerk gered worden, maar ook alleen door de lijdelijkheid der leeraren blijft een vijandig kerkverband krachtig.

De gevolgen van een conflict tusschen leeraars en het kerkverband zijn dan ook altoos ernstig.

Hetzij ernstig in droeven zin, doordien de Bedienaar des Woords na een oogenblik van ijver, het hoofd weer in den schoot legt, en dus de zake Gods, die hij zich onderwond op te nemen, weer prijs geeft.

Hetzij ernstig in rechtstreeksche gevolgen. Want een leeraar die geschorst wordt, moet in zulk een geval blijven doorpreeken in de kerk, of kan dit niet, dan buiten de kerk; en zet men hem af, dan |154| verzamelt hij aanstonds de getrouwen weer om zich en predikt het Woord des noods in stal of schuur, van een scheepsdek of op den open akker.

Daaraan toegekomen kan aldus ook dit conflict zeer licht tot breuke met de kerk zelve leiden, en dient dus, even als de uitgang van het conflict tusschen gewone leden en het kerkverband, besproken in de volgende paragraaf.


*

Zoo komen we nu dan tot de tweede categorie, die we afteekenden onder de conflicten met het kerkverband, t.w. dezulken, die niet door enkele personen, (’tzij dan gewone leden of ambtsdragers) maar door de houding van den kerkeraad zelven in het leven worden geroepen.

Deze conflicten dragen uitteraard een geheel ander karakter, in zooverre ze den strijd gaande maken niet tusschen enkele personen en het kerkverband, maar tusschen dit en een geheele kerk als georganiseerd lichaam.

Langs drieŽrlei weg kan zulk een conflict ontstaan. Vooreerst toch kan het zijn, dat een persoon (’t zij gewoon lid, ’t zij ambtsdrager) door het kerkverband wordt gevonnisd, zonder dat de kerkeraad vrijheid voor God vindt om dit vonnis te helpen uitvoeren. In zulk een geval neemt de kerkeraad het dan voor den veroordeelde op en wordt, houdt het kerkverband zijn opzet vol, met den veroordeelde lotgemeen. Ten tweede kan het gebeuren dat de kerkeraad zich bezwaard gevoelt, om een reglement of wijziging der kerkorde, die door het kerkverband tot wet is verheven, uit te voeren. En ten derde, is het denkbaar, dat de kerkeraad in verdere aanhouding van het kerkverband geen heil, maar wel geestelijke. schade voor zijn kerk ziende, dat kerkverband verbreekt en een nieuwe kerkorde invoerend, op het vormen van een nieuw kerkverband bedacht is.

Deze drie wegen loopen echter even na het uitgangspunt in twee wegen sa‚m. Of namelijk de kerkeraad bij behoud der kerkorde en nog staande in het kerkverband, in conflict geraakt door verzet van leden zijner kerk, of wel door zijn eigen verzet, komt feitelijk voor de verdere ontwikkeling van het conflict op hetzelfde neÍr, en zonder vrees voor verwarring mag dus geconstateerd, dat de kerkeraad in conflict kan komen op tweeŽrlei manier, t.w. ůf onder de bestaande kerkorde, ůf wel doordien ze de vigeerende kerkorde op zij zet.

Beide gevallen houden we staande.

Want wel weten wij, dat door mannen van naam de theorie is verdedigd: „zoolang ge onder de bestaande kerkorde verkeeren |155| blijft, zijt ge gehouden u naar die kerkorde te gedragen”, maar uit innige overtuiging komen we tegen die o.i. valsche theorie in verzet. De regel toch, dat nooit eenige gehoorzaamheid aan menschen, onder welke omstandigheden ook, verder kan noch mag gaan, dan met de volstrekte gehoorzaamheid aan Gods Woord bestaanbaar is, geldt niet alleen voor staat en maatschappij, voor school en huisgezin, maar evenzeer en zelfs in hoogere mate nog voor de kerk.

Een kind staat onder de huisorde; maar beval vader of moeder of gouvernante ooit iets dat tot ongehoorzaamheid aan Gods Woord zou leiden, dan mag het kind niet gehoorzamen. Evenzoo staat de regel voor de dienstboden tegenover heur vrouwen, van de scholieren tegenover hun meester, van werklieden tegenover hun bazen, van soldaten tegenover hun hoofdlieden, en van burgers tegenover hun koning, en dus ook, ja in sterkeren zin nog de regel van den kerkeraad tegenover het kerkverband.

Het voorgeven dat de gegevene beloften van trouw of bezworen eeden dien regel van kracht zouden berooven, is de ongerijmdheid zelve. Het Thebaansche legioen had ook den krijgseed aan den keizer gezworen, maar nochtans weigerde het bij de afgodische offerande aan te treden, en liet zich, naar GenŤve teruggetrokken, eerst tweemaal decimeeren en toen als schapen ter slachting afmaken, liever dan te gehoorzamen aan het commando van hun generaal.

Ook al is de kerkorde nog niet veranderd, ook al leeft men dus nog in het kerkverband, toch mag een kerkeraad nooit of nimmer uit onderwerping aan dat kerkverband of ter opvolging van die kerkorde doen, wat hij weet, dat niet goed, niet eerlijk, niet te verantwoorden is voor God den Heere.

En dat wel om deze alles afdoende reden, dat alle beding van gehoorzaamheid of verband van belofte of gehoudenheid tot onderwerping aan menschelijke bevelen, altoos en overal en onder alle omstandigheden, beperkt is door de alles beheerschende voorwaarde, die nooit hoeft uitgesproken, omdat ze altoos van zelve spreekt: voor zooverre hiermeÍ niet te kort wordt gedaan aan de gehoorzaamheid jegens God.

Velerlei zijn de gevolgen, die een aldus ontstaan conflict na zich kan sleepen, al naar gelang de samenstelling van den kerkeraad is, de organen van het kerkverband gezind zijn, de staatsrechtelijke positie der kerk staat, de band tusschen kerkvoogden en kerkeraad is gelegd, en ook de kerk in haar geheelheid of meerderheid den in conflict geraakten kerkeraad steunt of tegenwerkt.

Is de staatsrechtelijke verhouding vrij van elke partijdige zin bij |156| de administratieve besturen zoowel als bij den rechter; staat de kerkvoogdij den kerkeraad trouw ter zijde; behoeft de kerkeraad niet voor heulen van eigen leden of kerkgenooten met de wederpartijders beducht te zijn, — dan levert zulk een conflict weinig gevaar op, en zal het kerkverband in den regel eindigen met toe te geven; en dat te meer indien de lagere organen van het kerkverband (b.v. het Classicaal Bestuur) weigeren zich tot executie te leenen.

Maar, het mag niet verheeld, zoo gunstig staan de kansen slechts zelden. In tal van kerkeraden zal een minderheid, meest met predikanten aan het hoofd, de zijde van het kerkverband tegen de trouw aan Gods Woord kiezen. In bijna alle gemeenten zal een deel van de kerkleden zich gebruiken laten om tegen den kerkeraad in oppositie te komen. In verreweg de meeste gevallen zal het Classicaal Bestuur zich de rol van politiedienaar gevallen laten. In zeer vele gevallen zal de kerkvoogdij de gebouwen, goederen en wat dies meer zij, aan de organen van het kerkverband in handen leveren. Al naargelang van de ministers, die den koning dienen, kennelijk vůůr of tegen den geest van het kerkverband gezind zijn, zal de administratie de dingen geworden laten of er hinderend tegen optreden. En eindelijk, al naarmate in de toongevende juridische kringen historisch onderzoek tot betere kennis van de kerkrechtelijke quaestiŽn geleid heeft, of wel gemis aan zulk onderzoek nog tot het aankleven van conventioneele inzichten noopt, zal de beslissing der hoogste rechterlijke macht het oorpronkelijk recht der kerken handhaven, of wel dat recht, misschien voor altoos, krenken.

Bijna evenwijdig hiermeÍ zal de loop der zaken zich ontwikkelen, bijaldien het conflict niet onder de bestaande kerkorde, maar uit terzijzetting van die kerkorde geboren wordt. En dat te meer, daar het voor kerkeraden, die nog onder de kerkorde in conflict kwamen, bij eenigszins dreigend uitvallen van dit conflict, altoos geraden zou zijn, terstond met de kerkorde als zoodanig te breken.

Dit terzijde zetten van de kerkeraden kan intusschen ook plaats grijpen zonder bepaalde aanleiding. Zoodra namelijk in een kerke Gods oprecht en trouwhartig schuldbesef over den ongeoorloofden en voor God geoordeelden kerkstaat gewekt is, en dit besef doordrong tot in de conscientiŽn der ambtsdragers, en door hen in den kerkeraad werd ingedragen, zou zulk een kerkeraad te overwegen hebben, of de bestaande kerkorde reformatie der kerk naar eisch van Gods Woord toeliet. Indien niet, of het alsdan voor het minst mogelijk ware, die kerkorde zoo te wijzigen, dat de beletselen die |157| aan reformatie in den weg stonden, daardoor vervielen. En, bleek ook dit niet doenlijk, of er dan ten minste uitzicht bestond, dat men die kerken, die reformatie wilden doorzetten, daarin niet zou tegenstaan.

Zelfs indien op dit laatste althans nog uitzicht bestond, zou verandering van de kerkorde nog niet volstrekt noodig zijn. Maar indien daarentegen door den kerkeraad de zekerheid werd verkregen, dat het bestaande kerkverband zich tegen de noodzakelijke reformatie zou verzetten; dat de verbonden kerken niet tot wijziging dier kerkorde bereid of genegen waren; en dat de organen van het kerkverband de reformeerende kerk niet zouden laten begaan, dan ja, is er geen de minste twijfel of zulk een kerkeraad is gehouden, den band met de bondgenootschappelijke kerken tijdelijk los te maken, en, op den bodem der historische belijdenis, een betere kerkorde in te voeren.

Kan zulk een kerkeraad dit te sa‚m met andere kerkeraden doen, zoodat ze tevens onverwijld in nieuw kerkverband trede, des te beter; maar ook, indien dit niet gelukt, en hem de keuze staat tusschen of alleen zijn weg te gaan, of de reformatie na te laten, is zijn plicht aangewezen en geheel zelfstandig optreden eisch.

Het recht tot dezen stap ontleent zulk een kerkeraad aan tweeŽrlei overweging. Vooreerst namelijk aan de verplichting die op hem rust, om de hem toebetrouwde kerk te houden bij Gods Woord. En ten anderen aan de omstandigheid, dat elke kerk, die in kerkverband trad, het recht behield om dien band weer te slaken; en dat wel overmits geen kerk ooit macht bezat of kon hebben om zichzelve als slavin te verkoopen. Want, stel al een kerkeraad hadde een contract aangegaan, om haar kerk voor altoos te binden, zelfs al ware het, dat uit dien band een afhoereeren van den levenden God voor haar zou voortvloeien, dan ware zulk een contract reeds daarom nietig, omdat elke immoreele verbintenis zelfs door het Burgerlijk wetboek voor ongeldig wordt verklaard.

Overgaande tot zulk een stap zal zulk een kerkeraad intusschen op vierderlei zeer nauwkeurig hebben te letten.

En wel 1º. daarop, dat de drang en aandrift tot zulk een stap niet uit farizeeuwschen hoogmoed, uit woelziek malcontentement of uit oppervlakkige kerkideeŽn voortkome, maar diep wortele in de gebondenheid en gehoudenheid der ziele tot onderwerping aan Gods Woord. Alle aandrift die niet in gehoorzaamheid aan Gods Woord wortelt, is revolutionaire overmoed en dient weerstaan.

Ten 2º, zie de kerkeraad, die tot zulk een stap overgaat, wel toe, |158| dat hij den grondslag voor den nieuwen gevel juist legge, door niet met de historie te breken, maar de historische belijdenis der kerk als basis te behouden en tevens de nieuw in te voeren kerkorde zoo te beschrijven, dat er aan de beginselen van Gods Woord recht geschiede, geen nieuwe tirannie worde ingevoerd, en de weg tot een nieuw kerkverband niet slechts worde opengelaten, maar zelfs inIet kader worde opgenomen.

Ten 3º. ga zulk een kerkeraad met omzichtigheid te werk. Oprecht als de duiven, maar ook voorzichtig als de slangen, gelijk Jezus ons geboden heeft. En waar alzoo drie, vierderlei wijzen van aanvatten der zaak mogelijk zijn, spare hij zich het verwijt, dat hij door ondoordacht en min wijs aanleggen der zaak, de aangelegenheden der kerk, ja haar voortbestaan voor de toekomst, onvoorzichtiglijk zou hebben gewaagd.

Kan men om een voorbeeld te noemen, de verhouding tot de kerkvoogdij, stel die ware min goed, vooraf beter maken, dan ware het roekeloos dit te verzuimen.

Allerminst voor zoo gewichtig werk mag goede, doeltreffende voorbereiding worden uitgesloten.

Ontstaat een conflict, naar aanleiding van een voorgekomen zaak, dan heeft men niet te kiezen, maar wierd de tijd voor ons gekozen door Hem, die ons voor de aanleiding plaatste.

Heeft men daarentegen, gelijk bij het invoeren van een nieuwe kerkorde het geval is, de keuze van den tijd aan zich, dan behoort die keuze van den goeden tijd met ernst overwogen te worden.

Een kerkeraad, die zich tot zoo heilig werk onderwindt, mag niet in overhaasting handelen, noch buiten heldere bewustheid van wat hij doet.

En ten 4º. betoone de kerkeraad dien zedelijken ernst ook daarin dat hij de gemeente zelve gevoelen doe, dat een heilig werk voor haar eigen behoudenis ondernomen wordt.

Dit zal de kerkeraad daardoor toonen, dat hij zulke besluiten niet neemt met een nauw noemenswaarde meerderheid, alzoo gevaar loopende, dat het besluit, eer het aan de uitvoering toekomt, weer in zijn tegendeel omsla.

Daardoor ook dat hij niet slechts tegen het valsche en bedorven kerkverband reageere, maar gelijktijdig de censuur in de gemeente late doorwerken, en de kracht der reddende, ook der straffende liefde, niet enkel over leervervalsching, maar evenzeer over ontheiliging door slordigen levenswandel doe uitgaan.

Daardoor niet minder, dat de predikatiŽn der leeraren rusteloos daartoe strekken om de gemeente op dit punt voor te lichten, en de reformatie van hart en huis op de zielen te binden. |159|

En eindelijk ook daardoor, dat de kerkeraad, ’t zij in opzettelijke samenkomsten, of door rondgaande zendbrieven, de gemeente inlichte omtrent hetgeen voorvalt en haar doe medeleven in den strijd, die gestreden wordt voor de eere Gods en van zijn Woord.

Kortom, gelijk ge een kunstbewerking van een uwer lieve panden in uw woning niet onder luidruchtig geschreeuw, maar onder stille gebeden en met heiligen ernst zoudt laten verrichten, zoo ook ga het bij deze kunstbewerking in uw kerk toe.

Er zij gebed.

Er zij heldere bewustheid van het gevaar dat dreigen kon.

Er zij overtuiging dat het toch, desniettemin, moet.

En onder dat alles zij er, om het tot een waar en oprecht werk voor den almachtigen God te maken, verbrijzeling des harten en verslagenheid van geest.

En of dan al uit den boezem des kerkeraads enkele verraders voortkomen; een deel der afgedoolde gemeenteleden den kerkeraad verloochenen; en de hoogere besturen over hem heenvallen; en kerkvoogden hem tegenwerken; en de Overheid hem belemmere; en de rechter hem ten slotte in het ongelijk stelle, dat alles moet gedragen, geduld, doorworsteld in den Naam des Heeren. Toen de Romeinsche keizer heel de kerk van NicomediŽ in haar kerkgebouw opsloot en verbrandde, was dat dulden en lijden nog o, zoo veel vreeselijker, en toch de kerke Gods heeft over dien machtigen keizer getriumfeerd.


§ 58. Van reformatie door breuke met de bestaande kerk.

Ernstig reeds is de roeping van Gods kind indien hij komen moet tot breuke met de bestaande organisatie van zijn kerk. Nůg ernstiger wordt die roeping, bijaldien het ook tot breuke moet komen met het verband waarin die kerk met andere kerken verbonden lag. Maar toch onvergelijkelijk veel ernstiger nog wordt des Christens roeping als het toekomt aan de breuke met de kerk zelve.

Bedenk toch wel, bij breuke met de organisatie zoowel als bij breuke met het kerkverband, kwam de geloovige nog nooit voor de quaestÔe te staan, of de eens ware kerk ook wellicht ongemerkt in de valsche kerk ware omgeslagen. Hij zag dan dat de bestuursregeling in zijn kerk niet naar den eisch van Gods Woord, ook dat de levensaard niet naar de weegschaal van Gods heiligdom, zelfs dat het verband met andere kerken onheilig was geworden, maar zijn kerk zelve bleef hem nog altoos de kerke Christi. Aan uittreden dacht hij dus niet.

Maar, in het derde hoofdstuk over de deformatie der kerke, bleek |160| het ons, bederf in Jezus kerke kan ook tot het uiterste der ontheiliging voortschrijden. Een kerk, die eens kerk van Jezus was, kan ontaarden in een kerk van den Antichrist, en dus als valsche kerk onder bedriegelijken schijn voortbestaan.

De mogelijkheid hiervan blijkt uit Jezus eigen woord, als hijzegt, dat de Synagoge der Joden na zijn kruisdood ontaard is in de Synagoge van den Satan. Aldus toch schreef de Heere aan de kerk van Philadelphia. „Zie ik geef u eenigen uit de Synagoge des Satans, dergenen die zeggen dat ze Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen.”

De synagoge der Joden was door Jezus aanvankelijk nog wel ter dege als Synagoge van Jehovah erkend. Anders toch zou hij zelf niet in haar bidzalen zijn opgegaan, en veel minder nog zijne discipelen in haar hebben binnengeleid. Te meer, nu we weten, dat Jezus zelf aan den dienst in deze synagogen heeft deelgenomen, staat het vast, dat deze synagogen oorspronkelijk door Jezus als de echte kerke Gods erkend zijn. Maar zie, door en na zijn kruisiging werd dit anders. De synagogen ressorteerden onder het Sanhedrin en kwamen niet tegen dat Sanhedrin in verzet; ook niet, toen dat Sanhedrin door den Zoon van God als Godslasteraar ter dood te veroordeelen, voor eeuwig met de kerke Gods brak. Aan den Christus moest de synagoge zich ůf oprichten, ůf den dood eten, en ze deed het laatste. Want, toen het Sanhedrin gevonnisd, en de priesters het volk opgehitst, en mannen uit dat volk het „Kruist, kruist hem!” en de vrouwen het: „Zijn bloed kome over ons!” geroepen hadden, toen ging de Geest des Heeren bedroefd uit de kerken dezer Synagogen weg, om er Satan’s geest in te laten trekken. Zoo werd de kerk der Joden een synagoge des Satans, of wat wij noemen zouden: een valsche kerk.

Dit toont, dat een kerk, waarin we geboren werden en eens de zaligheid vonden en vaak de bondszegelen ontvingen, in een valsche kerk ontaarden kan. En deze ontzettende waarheid nu legt aan Gods kinderen de verplichting op, om, bij diep verval der kerken, biddende, scherpelijk en op het allernauwkeurigst te onderzoeken, of de kerk, waaronder hij leeft, nog wel de ware kerke Christi is, dan wel misschien in de gestalte van Satan’s synagoge is overgegaan. Deze taak is uiterst pijnlijk, overmits er zooveel meÍ op het spel staat. Immers, is er de ware kerk nog wel, dan mag een Christen er zich niet afscheiden. Maar ook, is het een synagoge des Satans geworden, dan mag hij er geen oogenblik langer aan verbonden blijven. Dan moet hij er uit. |161|

Zoo ziet men dat de vraag naar „scheiden of blijven?” volstrekt geen disputabel punt is, waar men zoo eens het voor en tegen van beredeneert, of ook naar luim en inval zijn goed- of afkeuring over uitspreekt, maar dat integendeel, in tijden van kerkbederf, elk kind van God voor deze hoogernstige vraag in het diepst zijner ziel te staan komt, en wel heeft toe te zien, dat hij in haar beantwoording trouw bevonden worde voor zijn God. Het zou toch iets schrikkelijks zijn, indien wij en onze kinderen bleven voortleven in een kerk, waarvan de Heere Jezus aan zijn apostel getuigen zou: „Deze zijn een kerk van Satan, die zeggen dat ze Gereformeerden zijn, en zijn het niet, maar liegen!” Maar ook het zou schrikkelijk zijn, indien we door een uittreding of afscheiding een kerk uitgingen, die nog openbaring van Jezus’ lichaam was, en alzoo als synagoge van Satan veroordeelden wat nog orgaan was van den Heiligen Geest.

Beide zonden zouden even ernstig zijn, en niet dringend genoeg kan het daarom aan Gods volk op het harte worden gebonden, dat ze toch biddende en smeekende licht bij den Alleenwijze mogen zoeken, om ten deze voor dwaling te worden behoed en tegen valsche keuze gevrijwaard.

Ons althans komen weinige verschijnselen zoo bedenkelijk voor, als de uitwendigheid, lichtvaardigheid en ondoordachtheid, waarmeÍ, vele kinderen Gods zich nog steeds over deze teedere en ernstige quaestie heenzetten.

Gelijk er, helaas, velen zijn die nog altoos aan drie staten gelooven voor de ziel, zoo oordeelen ook velen nog altoos ter goeder trouw, dat er drie kerkstaten denkbaar zijn.

Voor de ziel beelden ze zich in, dat een ziel ůf dood ůf levend ůf ook nog bekommerd kan zijn, en evenzoo stellen ze zich voor, dat een kerk ůf de ware ůf de valsche ůf iets tusschen waar en valsch in kan wezen.

Toch weet ieder onderleid en ingewijd geloovige dit van de ziel beter. Voor hem staat op grond van Gods Woord vast, dat alle ziel, die niet meer ganschelijk dood is, leeft, en dat alle ziel die nog niet leeft, ganschelijk dood is. Zoo zijn dan schijnbekommerden nog ganschelijk dood; maar ook waarachtig bekommerden reeds overgezet uit den dood in het leven.

En ditzelfde nu geldt ook van de kerken onzes Heeren. Wat nog niet valsch is, is nog de ware kerk, en ook wat niet meer de ware kerk is, is ganschelijk de valsche. Een tusschenstaat is er niet, en ook voor de kerken op aarde een vagevuur onbekend. Elke kerk is dus of nog de ware of reeds de valsche. Een mengsel van het ware en valsche zich te denken is ongerijmd. |162|

Maar hiermeÍ is dan ook geoordeeld het lichtvaardig doen van niet weinigen, die oordeelen dat ze wel konden uittreden, maar toch liefst nog maar blijven willen; of ook van hen die achtten dat ze wel hadden kunnen blijven, maar toch maar uittraden, en nochtans ook na hun uittreding de verlatene kerk als een „half en half nog ware” kerk bleven steunen.

Van tweeŽn ťťn: of ge ziet, tast, weet, dat uw kerk een synagoge des Satans is geworden, en dan moet ge op staanden voet over haar drempel, uitgaan en het stof uwer voeten tegen haar afschudden; — of wel, ge ziet, tast, weet, dat ze nog geen synagoge van Satan wierd, maar dan moogt ge haar den scheidbrief ook niet zenden, en is integendeel blijven uw plicht.

Dit maakt het van hoog aanbelang voor de kinderen Gods, dat ze duidelijk onderwezen worden over de merkteekenen, waaraan ze onderscheiden kunnen, wat nog ware kerk is en wat reeds synagoge des Satans wierd; en het is uit dien hoofde, dat we in de volgende paragraaf bescheidenlijk een poging willen wagen, om bij de beantwoording dier vraag onze, broederen en zusteren eenig licht te bieden. Thans echter laten we die straks te behandelen vraag rusten en gaan in deze ß uit van de vooronderstelling, dat een kind van God lid is van een kerk, die metterdaad valsche kerk geworden is, om voorts te onderzoeken, hoe hij alsdan in het werk der reformatie te verkeeren heeft.

We schreven met opzet, hoe hij alsdan in het werk der reformatie te verkeeren heeft, en niet, hoe hij er dan heeft uit te loopen.

Dat laatste toch is een ongeestelijke opvatting der zaak. Niet alsof het einde niet misschien kon zijn, dat hij moederziel alleen uit die valsche kerk zonder meer had uit te treden; maar, omdat hij, zonder groote schuld, hiermede niet mag beginnen, en zonder groote liefdeloosheid de quaestie niet alzoo stellen mag.

Te zeggen: „Ik loop er uit,” is egoÔstisch, zelfzuchtig gedacht. Men zorgt dan voor zichzelven, en toont zoo voor zijne broederen als voor de kerk geen hart te hebben. Of erger nog, door gemis aan hart voor de broederen en voor de kerk loopt men gevaar om het rechte hart te missen voor zichzelven.

Dit zal het best uitkomen, indien we den goeden weg voor een kind van God onder zulke omstandigheden voorteekenen.

Staat bij een godzalig man de reformatie der kerk op den voorgrond, en niet de zucht om maar voor zichzelven een gewenschte kerk te bezitten, dan zal zulk een kind Gods zijn bemoeienis met |163| de kerk daarmeÍ beginnen, dat hij droefheid naar God gevoelt over den jammerlijken staat waartoe zijn kerk verzonk. Die droeve staat zijner kerk zal hem als een oordeel Gods op de ziel wegen. Hij zal er leed over dragen om den Naam des Heeren, en nochtans zal hij niet klagen en niet morren, maar belijden dat God de Heere rechtvaardig is in zijn richten, want dat het volk des Heeren door zijn trouwelooslijk handelen driewerf dit oordeel heeft verdiend. Zelf tot dat volk des Heeren behoorende en zijn ziel kennende als in het bundelke der levenden besloten, zal hij zichzelven dan ook insluiten in die schuld van zijn volk voor God. Niet bij maniere van redeneering, „dat het volk schuld heeft, hij van dat volk is en dus die schuld ook op hem rust,” neen, maar langs geestelijken weg van zondeovertuiging. Zijn eigen gestalte zal hem een hinder worden, en zijn eigen ongeloof en eigen liefdeloosheid en koelheid voor den hemel hem zoo bang op de ziel worden gebonden, dat hij ’s Heeren doen rechtvaardig acht, al wierd in heel het volk geen andere ban dan zijn eigene zonde gevonden.

Ook hier zal dus persoonlijke schudding der ziel over eigen zonde en verslagenheid onder de schuld van het volk des Heeren geestelijk uitgangspunt zijn.

Deze verslagenheid des harten zal vanzelf invloeien van meerder genade en geestelijke verwakkering ten gevolge hebben; want „den nederige geeft Hij genade;” en de reformatie der kerk zal alzoo daar beginnen, waar ze altoos moet aanvangen, t.w. bij de reformatie van het eigen hart en de reformatie van het eigen leven.

Een opnieuw zich bekeeren tot den levenden God en door verbondsvernieuwing met den God onzer trouwe voor onszelven en anderen het bewijs ontvangen, dat onze dorst naar kerkreformatie niet voortspruit uit den dunk, dat we beter zijn dan anderen, maar omgekeerd juist uit de diepe overtuiging, dat vooral onze schuld meÍ het oordeel Gods inriep.

Vandaar schrijdt dan zulk een reformatie voort tot de eigen huiskerk. „Mij aangaande, ik en mijn huis, wij zullen den Heere dienen!”

En gelijk een kring op het water zich in al wijderen kring uitbreidt, zal ook die reformeerende beweging zich dan vanzelf uitbreiden naar den nog wijderen kring van de gemeenschappelijke kerk.

Voor zooveel aan hem ligt, zal hij die kerk dan niet uit de hoogte berispen, maar met doordringenden ernst manen en bidden, alsof God door hem bade, „laat u met God verzoenen!” Schonk de Heere er hem de gaven voor, dan zal hij zelf de stukken aan zijn kerkeraad voorleggen, waarin de liefde voor ’s Heeren naam moet bekend |164| worden. Hij zal zelf, niet uit hoovaardij, maar uit stille onderwerping aan Gods Woord, weigeren te doen, wat niet goed voor God is, en doen wat naar Gods Woord moet gedaan, ook al poogt men het hem te beletten. Brengt hem dit smaad, berokkent dit hem lijden, hij zal dien smaad willig dragen, „verheugd dat hij waardig is geacht om Christus wille smaadheid te lijden.” En komt het eindelijk zoover dat hij in den publieken dienst zijner kerk niet meer de bediening der genademiddelen voor zich en zijn huis vinden kan, zoo zal hij overwegen, of de krankheid der kerk misschien slechts een tijdelijke bezwijming is, en door zelf de hand aan den ploeg te slaan, een poging wagen om haar als doleerende kerk aan zichzelven te hergeven. En eerst, waar al deze middelen zijn uitgeput, en elke poging tot zachter reformatie bijjkt den haat tegen Gods naam en zijn Woord slechts te klaarder, naar buiten te lokken, zal hij de vraag voor zichzelven beslissen, of God de Heere hem het licht wil geven, om vastelijk in te zien of zijn kerk misschien reeds Synagoge des Satans is geworden.

En dan ja, als hij die vraag, langs den weg niet van betoog en redeneering, maar van boete en persoonlijke bekeering, helaas, met een ontzettend ja moet beantwoorden, dan, het spreekt van zelf, moet haar aanstonds den scheidbrief gezonden, dan is de breuke beslist.

Niet echter alsof met eigen uittreden de taak der reformatie dan ware afgeloopen.

Wie schipbreuk leed, en zelf gered, zich om zijn medeschipbreukelingen niet bekommerde, zou schuldig staan aan hardvochtigheid; en niet hardvochtigheid, maar door teedere liefde met innerlijke ontferming bewogen zijn, is de trek uit het beeld van Hem, naar wiens evenbeeld we moeten hernieuwd worden.

Zelf uittreden brengt derhalve de plicht met zich, om ook uw medebroederen tot uittreden te bewegen. Door de vlammen heen redt soms de spuitgast een hem vreemd kind, een hem vreemde vrouw uit de vlammen. Dat, kinderen des Heeren, is het u beschamende voorbeeld, waarin uw heilige roeping u geteekend staat.

Maar zelfs hiermeÍ is de reformatie-taak nog niet ten einde.

Goed, het zij zoo, die kerk, waarin ge geboren werdt en gedoopt zijt, is dan naar uw vaste overtuiging Synagoge des Satans geworden, maar waar is dan nu de ware kerk?

Immers, op uzelven blijven moogt ge niet.

Tenzij het bleek, dat geen kerk van Christus zich in uw |165| woonplaats kan openbaren, moet gij die kerk zoeken en was ze er niet, pogen, of ge ze met Gods hulpe tot openbaring brengen kondt.

DrieŽrlei kan hieruit voortvloeien:

Of dat ge in de plaatse uwer woning een andere kerk vondt, die de teekenen der ware kerk niet nagemaakt, maar in het leven vertoont; en dan zou het uw roeping zijn, de broederen dier kerk te smeeken, dat ze u en uw huis in hun gemeenschap wilden opnemen na openlijke belijdenisse van uw geloof.

Of wel, dat ge in de plaatse uwer woning zulk een kerk niet vondt, en dan zou het op uw weg liggen met even sterk overtuigden als gij, op grond van uw gemeenschappelijke belijdenis, de kerke Gods in de plaatse uwer woning op te richten.

Of eindelijk, bleek dat op den duur onmogelijk, alsdan om tezien naar gelegenheden, om naar elders te verhuizen, naar een plaats waar een kerk van Christus bestaat.

En mislukte elk dier drie, zoodat ge blijven moest waar gewaart, en dan gedwongen werdt, zonder kerk voort te leven, dan zou het uw roeping zijn uw eigen huiskerk te krachtiger te openbaren, of het u allengs op uw ootmoedig gebed van uw God mocht geschonken worden, dat weer de bediening der genademiddelen u hergeven werd.

Maar stel nu tegenover dezen weg der godzaligen eens het hellend pad der oppervlakkige lieden, en zie, wat klove tusschen hen gaapt.

Hťn hoort ge in schelle woorden afgeven op de misbruiken in den misstand der kerk, maar zonder dat een oordeel Gods hierin gekend of Gods slaande hand gekust wordt. Buiten alle verslagenheid der ziel en alle besef van eigen schuld omgaande, neemt dan dit ijveren veeleer het karakter van hooghartig bedillen aan, en blijft van boete en bekeering verre. Er is dan geen geestelijk onderscheiden, maar een geestelijk veroordeelen. En niet uit drang der ziele, niet met een bloedend hart, maar in opgewondenheid, in overmoed en overspanning, snijdt men, schier zonder gebed of zonder ernst, met een koud woord schrifts den band met zijn oude kerk af, en treedt in onbegrijpelijke luchthartigheid over naar een nieuwe. Het kleed was te bezoedeld geworden, zie, men legt het af, en schiet het wisselkleed om de leden!

Dit wordt niet gezegd, om daarmeÍ over iemands overgang een oordeel te vellen. Alleen de Kenner der harten oordeelt, en zelfs de beste heeft zichzelve maar al te zeer luchthartigheid in het reformatiewerk te verwijten, dan dat hij anderen zou mogen oordeelen. Wie de hand in eigen boezem steekt, heeft genoeg aan zijn eigen melaatschheid. Maar wat hier moest geteekend worden, is de tweeŽrlei |166| aandrift, die tot uittreding brengen kan, en waarvan de ťťne even prijzenswaard en kostelijk is, als de andere afkeuring verdient en moet gelaakt.


*

Nog behoort het tot deze ß afzonderlijk de bijzondere gevallen te bespreken, die tot losmaking van den band tusschen onze kerk en onzen persoon leiden kan.

Vierderlei geval dient hier vermeld:

1º. Het geval, dat niet een gewoon lid, maar een Dienaar des Woords zich gedrongen gevoelt, om zijn kerk als valsche kerk uit te werpen.

In dat geval vloeit uit die overtuiging een tweeŽrlei bijzondere verplichting voort. Vooreerst de verplichting, om de getrouwen te waarschuwen van den kansel en met zich te voeren; en ten anderen de verplichting, om den dienst des Woords elders in een ware kerk van Christus te zoeken, of ook in de plaats zijner woning een nieuwe kerkstichting tot openbaring te brengen. Begraven mag hij zijn talent niet, en zijne ordening blijft ongedeerd, ook al is de kerk, die hem eens ordende, in een valsche synagoge des Satans omgezet.

2º. Het geval, dat niet een broeder, maar een zuster acht haar kerk, als zijnde een synagoge des Satans geworden, te moeten verlaten.

Dan toch vloeit uit haar bijzondere positie als vrouw voort, dat ze niet handelend mag optreden, en zich bepalen moet tot het vermanen in het privaat, en voorts voor zichzelve heeft uit te treden.

3º. Het geval, dat men van zijn kerkelijk lidmaatschap wordt ontzet.

Het kon bijv. zijn, dat de synode der Hervormde kerk, nu of later, bij eindvonnis mij afsneed en mijn kerkelijk lidmaatschap mij ontzegde, dan zou hiermeÍ intusschen nog volstrekt niet zijn uitgemaakt, dat de kerk van Amsterdam, waarin ik leef en waartoe ik als lid behoor, een synagoge des Satans was geworden.

Omdat een orgaan van het kerkverband mij uitwerpt, hield mijn kerk, waarin ik leef, nog niet op de ware kerk te zijn.

Dit punt wel te overwegen is van het uiterste gewicht.

Niets prikkelt toch lichter tot een onwaarachtig oordeel over den staat onzer kerken, dan onze eigene uitwerping. In zulk een oogenblik kan men zich haast niets anders inbeelden, of de kerk die mij uitwierp moet een synagoge des Satans zijn. En toch wordt ze een synagoge des Satans niet doordien ze ons, maar alleen doordien ze den Christus uitwerpt. En nu is het wel waar, dat het verwerpen van een Dienaar des Heeren en ook het uitwerpen van een uitverkorene een uitwerping van den |167| Christus kan zijn, maar zeker is dit volstrekt niet. Te minder daar de kerkeraad onzer kerk buiten het geding kan blijven en alleen het kerkverband in actieve schuld kan zijn.

Daarom komt het ons voor, dat een aldus uitgeworpene door een hooger bestuur 1º. af heeft te wachten of zijn eigen kerkeraad zich leent tot executie van dat vonnis; want doet hij dat niet en laat deze hem in het genot van de bediening der genademiddelen, zonder zijn naam van haar boek weg te nemen of daaraan openbaarheid te geven, zoo kan de uitgeworpene stil voortleven als ware er van uitwerping geen sprake; 2º. executeert zijn eigen kerkeraad hem, dan behoort hij gelijkgezinden om zich te verzamelen en met dezen een doleerende kerk op te richten; 3º. en eerst als ook dat belet wordt, mag hij tot uitwerping van zijn kerk en nieuwe formatie aangaan.

Het geval dat een kerkeraad rechtstreeks afsnijdt is hierin besloten.

En 4º. kan het geval voorkomen, dat de Bedienaar des Woords door de kerkelijke regeering uit zijn ambt en uit zijn lidmaatschap wordt gezet, niet door wangedrag, maar ter oorzake van zijn vasthouden aan Gods Woord.

Ook in dat geval is niet aanstonds uitgemaakt dat de kerk, waartoe deze Dienaar des Woords behoort, een synagoge des Satans is geworden. Het kan toch zijn, dat een vijandig hooger kerkbestuur dit vonnis sloeg, zonder dat zijn eigen kerk er zelf in bewilligde. En ook al ware het dat zijn eigen kerk, in verkeerde legitimiteitsbegrippen bevangen of ook uit vreeze, hem in den steek liet; dan volgt daaruit nog geenszins dat zijn eigen kerk hem zelve zou hebben uitgeworpen. Ze kan dus in een synagoge des Satans zijn omgeslagen, maar uit zijn afzetting volgt dit op zich zelf niet.

Daarom zouden we meenen, dat zulk een afgezet en ontzet predikant stil voort had te gaan met de prediking des Woords, kon het in de kerk; maar kon dit niet, dan daarbuiten. Dat hij, indien zijn kerkeraad zich aan dezen dienst onttrok, een doleerende kerk hadde op te richten. En, wierd ook dit hem belet, elders een dienst des Woords had te zoeken, of wel de getrouwen had uit te leiden en opnieuw als kerk te formeeren.


§ 59. Van de onderscheiding tusschen de ware en valsche kerk.

Ten einde echter de geloovige een vaste toetssteen hebbe om te beslissen, wanneer zijn kerk ophoudt een ware kerk te zijn, en wanneer ze begint een valsche kerk te wezen, dient nader uiteengezet, |168| hoe het gelegen is met de merkteekenen der ware en valsche kerk.

In den godgeleerden en kerkrechtelijken strijd door onze vaderen in de 16e eeuw met Rome gevoerd, gaf Rome als merkteekenen der ware kerk een vijftiental kenmerken op, die om tal van redenen door gereformeerde kerkleeraars te licht werden bevonden, en waartegen zij hunnerzijds een poging waagden, om juister kenmerken over te stellen. Vat men sa‚m wat destijds daarover verhandeld is, dan dient gezegd, dat alle gereformeerde godgeleerden als noodzakelijk kenmerk stelden; de prediking van het Woord Gods; dat de meesten hier als tweede kenmerk bijvoegden de bediening der Sacramenten; dat enkelen met deze beiden nog verbonden de oefening der kerkelijke tucht; en dat zeer enkelen hetzij hiervoor in de plaats, hetzij hiernevens plaatsten: de Christelijke liefde, de heiligheid van zeden, enz.

Onze geloofsbelijdenis stelt in art. 29 gelijk men weet, eerst drie kenmerken: 1º. de prediking des Woords; 2º. de bediening der Sacramenten; 3º. de oefening der kerkelijke tucht; en vat daarna deze drie sa‚m in den algemeenen regel, dat men zich aansluite „aan het zuivere Woord Gods, verwerpende alle dingen die daartegen zijn, houdende Jezus Christus voor het eenige Hoofd.”

Waarbij voorts nog zij opgemerkt, dat zoowel onze oudste godgeleerden als genoemd artikel van onze geloofsbelijdenis, aan elk dezer drie kenmerken den eisch van zuiverheid toevoegt. Niet prediking des Woords is genoeg, het moet reine predicatie des Evangeliums zijn. Evenzoo wordt reine bediening der Sacramenten geŽischt. En de oefening der Christelijke tucht moet zůů worden aangelegd, dat niet enkele, maar alle zonden gestraft worden.

Dit lezende, zijn nu enkele broeders tot het besluit gekomen, dat derhalve elke kerk als van de ware kerk vervallen moet worden beschouwd, in wier prediking iets ontbrak, aan wier Sacramentsbediening iets haperde, of wier tuchtoefening verslapt was. En hieruit namen deze broederen dan aanleiding, om ijlings het lidmaatschap van deze kerk op te zeggen; teneinde opnieuw een zuiverder kerk op te trekken; tot ook die kerk weer haar gebrek en zonde vertoonde, en ook aan haar weer de scheidbrief geteekend wierd.

Intusschen gaat het toch kwalijk aan, zoo diepgaande levensquestie derwijs oppervlakkig te behandelen. Reeds het algemeen bekende feit, dat een man als Joannes ŗ Marck, daarin door Bernhard de Moor gevolgd, twee andere merken stelde; t.w.: „De zuiverheid in de grondslagen der leer en de heiligheid des levens,” had, dunkt ons, van zoo lichtvaardig oordeel moeten terughouden. Althans, wijzer en beter mannen, gelijk de Moor, Turretin en wie niet, hebben |169| er steeds op gewezen, dat niet elk dier drie kenmerken even onmisbaar is, alsook dat in het afeischen van deze drie kenmerken zekere speelruimte dient gelaten voor gradueel verschil.

Het is op dien grond, dat wij ons veroorloven, dit uiterst gewichtig punt eenigszins nauwkeuriger te behandelen dan gemeenlijk geschiedt.

En dan zij er in de eerste plaats de aandacht op gevestigd, dat zich bij het opstellen van de kenmerken der ware kerk gemeenlijk drieŽrlei richting doet gelden. DrieŽrlei richting die men de persoonlijke, de schriftuurlijke en kerkelijke zou kunnen noemen.

Over de laatste kunnen we kort zijn, daar ze door Rome is vertegenwoordigd, en de controvers met Rome in dit tractaat buiten spel is gebleven.

Maar wel dient met een enkel woord de tegenstelling aangeduid tusschen de schriftuurlijke en de persoonlijke richting, die men naar een ander beginsel ook als de objectieve en subjectieve zou kunnen onderscheiden.

Een deel der Christenen heeft er namelijk alle eeuwen op gedrongen, dat het kenmerk der ware kerk gezocht zou worden in de subjectieve persoonlijke heiligheid harer leden. Zeer terecht belijdende, dat de kerk de vergadering der uitverkorenen is, stelden deze broederen den begrijpelijken, maar uiterst gevaarlijken eisch, dat dan ook deze uitverkorenen zich als kinderen Gods betoonen zouden, en grondden daarop hun bedenkelijke meening, dat de kerk bekend moet worden aan de heiligheid van haar leden; die heiligheid bedoeld in geestelijken, niet in uitwendigen zin.

Terwijl omgekeerd, tegenover dat subjectief gevoelen, ten allen tijde door de kerk van Christus de meening is gehandhaafd, dat de uitwendige kerk niet naar het geestelijk bestaan van haar leden, maar alleen naar het uitwendig optreden van de kerk als zoodanig mocht beoordeeld. Een inzicht dat van zelf tot de stelling leidde: Het merkteeken der kerk ligt niet in de heiligheid van haar leden, maar in het karakter dat ze als kerk vertoont.

Hard oordeele men over het eerste gevoelen niet. Dorst naar heiligheid is aan Gods kind bij zijn nieuwe geboorte ingeschapen, en hoe kan het anders, of de wereldzin, waarin de kerk gedurig verzinkt, moet aan hen, die Gods verborgen omgang kennen, pijn doen en ze doen uitzien naar schifting van het reine en onreine, en stuitipg van het kwaad. Leefden deze broederen nu dieper in het ongelooflijk machtig wezen der zonde in, en hadden ze onder bange zielsworsteling zelven geleerd, hoe elke genadevlok. die sneeuwwit op onze ziele neÍrdaalt, door de bezoedeling onzer ziele bemorst wordt, |170| dan zouden ze niet het fanatisme van ingebeelde zuiverheid, maar den ernst van het dringend vermaan tegen deze gruwelen hebben overgesteld. Maar te dweepziek van aard, te veel in gemoedsoverspanning levende, hebben ťn de Donatisten, ťn de Katharen, ťn de Brownisten, ťn de Labadisten, en wie niet al, steeds den inhoud van het vischnet vůůr zijn tijd willen schiften, en onveranderlijk is de schoone hoop van hun heilig bedoelen in bittere teleurstelling, niet zonder verflensing van hun eigen geloofsfrischheid, ondergegaan.

En dit kon niet anders. Immers in vierderlei opzicht gingen ze feil: 1º. vergaten ze, dat de echtheid van het werk Gods in de ziel zich toch niet uitwendig beoordeelen laat; 2º. dat de bedeeling, waaronder we tot op onzen dood verkeeren, het gedurig invloeien van de zonde in het heilige, naar Gods ondoorgrondelijke toelating, nog niet uit-, maar vooralsnog steeds insluit; 3º. dat de uitverkorenen een tijdlang in de kerk verkeeren kunnen, alvorens ze uit den dood in het leven worden overgezet; en 4º. dat de personen het voorbijgaande en wegstervende zijn, maar dat de kerk blijft.

Alle Hervormers, en met name Calvijn, hebben dan ook steeds dit Donatistisch streven, uit volle overtuiging bestreden. „In het dragen, zegt Calvijn, van de onvolkomenheden der leden, moet onze inschikkelijkheid zeer verre gaan; want het pad is zoo glibberig en de kunstgrepen van Satan om ons ten val te brengen, zijn zoo sluw . . . . En zegt men, dat het toch ondragelijk en onuitstaanbaar is, zooals de pest der ongerechtigheid in de kerk des Heeren voortkankert, dan vraag ik, of het gevoelen der Apostelen hen dan niet bevredigt? In de Corinthische gemeente waren er niet slechts enkelen, die in zonden waren gevallen, maar schier het geheele lichaam der gemeente was krank; het was niet maar een enkele zonde, die er woekerde, maar velerlei ongerechtigheid; en dat geen zonden van mindere beduidenis, maar vreeselijke gruwelen; en niet alleen de zeden waren verdorven, maar verderf was ook ingeslopen in de leer. En wat doet nu de heilige Apostel, tolk des Heiligen Geestes, met wiens oordeel de kerk staat of valt? Raadt hij scheiding aan? Sluit hij hen van Christus uit? Werpt hij den banbliksem onder hen? Niets van dit alles, maar omgekeerd en integendeel erkent hij hen nog voor een kerke Christi en eene verzameling der heiligen!” — „Zie het aan Christus zelf en zijn jongeren! — Schrikkelijk en gruwelijk waren de schilderingen, die de propheten Jesaia, Jeremia, JoŽl en Habakuk ons geven van de zonde der Jeruzalemsche kerk in hun dagen. Onder het volk en onder de overheden, onder de priesters zelf was alles dermate verdorven, dat Jesaia niet aarzelt om Jeruzalem |171| een Sodom en Gomorrha te noemen . . . . Was dit in de dagen van Christus en zijn apostelen beter? Immers neen. En toch heeft zoomin de valsche vroomheid der FarizeŽn als de losbandigheid der SadduceŽn, Christus en zijn apostelen verhinderd om naar een zelfden tempel met hen op te gaan en een zelfde Sacrament met hen te gebruiken En zijt ge nog niet overtuigd, zie dan op David, die van Godswege met het handhaven der zedelijkheid belast was, door welke gruwelen heeft hij niet door rechtsverkrachting en bloedvergieting de misdaad van zijn schandelijke wellust bedekt! En toch, was diezelfde David niet wedergeboren? Wordt hij niet onder de wedergeborenen met eerbetuiging genoemd? En desniettemin, wat zelfs onder Heidenen afschuw verwekte, hij, David, dorst het bedrijven!” 1)

In gelijken zin heeft steeds onze geheele kerk geoordeeld; en overmits, zooverre ons bekend is, niemand die tot meÍspreken bevoegd is, heden ten dage voor dit Donatistisch gevoelen het woord opneemt, laten we dit drijven van de subjectieve. of persoonlijke merkteekenen der ware kerk hiermeÍ glippen, om alsnu de aandacht van den lezer bij de tweede of schriftuurlijke en objectieve richting te bepalen, die de kenmerken der ware kerk zoekt niet in den persoonlijken staat der leden, maar in den staat der kerk zelve.

Deze richting, die door al onze Hervormers, en evenzoo door alle Gereformeerde confessiŽn, en op wettige wijze door schier al onze goede godgeleerden verdedigd is, stelt den eisch dat er in de kerk van Christus zij: zuiverheid van belijdenis en reinheid van wandel. Dusdoende blijft het hart dus onbeoordeeld; men raakt niet aan den staat der personen. Zelfs komen die personen slechts in zooverre in aanmerking, als het werk der kerk uit de verschijning en het optreden van deze personen openbaar wordt. De vraag is dus niet, of elk individueel lid zuiver van belijden is, maar of de kerk de goede belijdenis uitspreekt, en of in haar wandel als kerk de eerbied voor Gods Woord openbaar is. Daar dit echter alleen uit kan komen in haar openlijke acten, en in haar openlijk optreden, brengt dit er van zelf toe om ten principaalste te onderzoeken, of de prediking werkelijk de Bediening van.het Woord is, of de Sacramenteele handeling metterdaad voertuig van de Sacramenteele genade kan wezen, en of de kerk door oefening der tucht die prediking en dat Sacrament dekt.

Toch laten reeds de meesten de tucht hierbij glippen, niet alsof oefening der tucht niet tot het wezen, maar in dien zin dat ze |172| niet noodzakelijk tot het welwezen eener kerk behoort, 2) een concessie, die wel moest gedaan worden, daar anders strenge handhaving van dit merkteeken ongemerkt in de Donatistische strooming zou hebben teruggeleid. Calvijn geeft dan ook toe, dat reeds daar de kerk aanwezig is, waar voorshands nog slechts het Woord Gods en de Sacramenten gezien worden. 3) Raadpleegt men bovendien de ervaring, dat gedurende de achttien eeuwen dat Jezus’ kerk onder het Nieuwe Verbond bestaat, hoogstens in de beide eerste en voorts in de 16e eeuw van ernstige handhaving der tucht sprake is geweest, zoo komt men van zelf voor het dilemma te staan, om ůf de tucht voor het wezen der kerk niet onmisbaar te keuren, ůf wel te belijden, dat de ware kerk van Christus in vijftien van deze achttien eeuwen op aarde niet is gezien.

Hieruit leide intusschen niemand af, dat we de tucht in Jezus kerk voor niet noodig zouden achten. Het tegendeel is waar. Zonder tucht moet een kerk ontheiligd worden en te gronde gaan. Maar belijdt en gelooft men eenmaal dat de kerk op aarde ten doel heeft, instrument van den Heiligen Geest te zijn, opdat deze de uitverkorenen wederbare door het Woord, dan volgt hieruit rechtstreeks, dat het wezen der kerk, hoe gebrekkig ook, reeds daar aanwezig is, waar de Heilige Geest dit instrument tot wederbaring van de uitverkorenen gereed vindt. En staat het nu vast dat de kerk dezen dienst volbrengen kan, zoolang er nog prediking van het Woord in haar midden gevonden wordt en het Sacrament dit Woord nog bezegelt, zoo is hiermeÍ uit den wortel zelf van de gereformeerde belijdenis aangaande de kerk aangetoond, dat de oefening van de tucht geen onmisbaar kenmerk van het wezen der kerk zijn kan. Gelijk een menschelijk organisme blijft voortleven ook al kapt men het armen en beenen af, maar sterft zoodra het hart of het hoofd wordt weggenomen, zoo ook is het met Jezus kerk. Zoomin iemand het als onverschillig voor den mensch zal beschouwen, als hij armen en beenen verliest, en men in den romp zelfs nauwelijks een mensch herkennen zal, zoo ook mag niemand meenen dat een kerk goed loopen of werken kan, als haar de tucht is afgesneden. Maar ook, gelijk het leven, d.i. het wezen uit den mensch toch dan eerst weggaat, als de teederder deelen doodelijk getroffen worden, zoo ook gaat het wezen der kerk dan |173| eerst te loor, als de verkondiging van het Woord in haar ophoudt, of ook de Sacramentsbediening wegvalt.

In onze Confessie is dan ook volstrekt niet bedoeld, dat elke kerk, die ťťn der drie genoemde kenteekenen in haar volle zuiverheid miste, daarmeÍ aanstonds in de valsche kerk zou zijn omgeslagen; maar slechts dit: dat een kerk, waarin de drie kenteekenen uitblonken, zeer stellig voor de ware kerk moest erkend. Er was tegenstelling in die dagen. Eenerzijds stond de Roomsche kerk; naast haar woelde de Anabaptistische secte; en tegenover die beiden hadden zich de kerken der Hervorming geplaatst. Deze laatste kerken nu vertoonden destijds de drie genoemde kenteekenen ten volle, en het was op dien grond dat onze kerken in hun belijdenis beweerden zelven zeer stellig en ongetwijfeld de ware kerke Christi te zijn.

Dat dit de bedoeling van onze Confessie is, blijkt overtuigend uit het slot van art. 29. Immers, indien men bedoeld had, dat elke kerk valsch zou zijn, waarin van deze drie kenmerken ťťn ontbrak, zou men ter kenschetsing van de valsche kerk eenvoudig hebben verklaard: valsch is elke kerk, die ťťn van deze drie kenteekenen mist. Maar wel verre van zoo oppervlakkig over de zaak heen te glijden, achtten onze vaderen zich veeleer verplicht het wezen der valsche kerk niet in negatieven, maar in positieven zin te omschrijven, als zulk eene die . . . . eigen ordonnantiŽn boven Gods Woord stelt, de Sacramenten vervalscht, en . . . . de tucht nalaat? . . . . neen, dat niet, . . . . maar „die zich meer op menschen dan op Christus grondt, en vervolgt die heiliglijk willen leven.”

Let men dus niet op het welwezen, maar op het wezen der kerk, zoo mag de kerk dan eerst voor valsche kerk worden uitgekreten, als ze het Woord terzij zet, de Sacramenten vervalscht en Gods heiligen vervolgt.

Evenwel ook dit mag, naar den geest en de bedoeling der heilige Schrift, gelijk onze vaderen die verstonden, nooit zůů opgevat, alsof de prediking des Woords volkomen zuiver en de bediening der Sacramenten volkomen ongerept moet zijn, op straffe van bij gemis dier volkomen uitgewerkte hoedanigheden het karakter der kerke Christi te verliezen.

Het duidelijkst geeft Turretin te dien opzichte het gevoelen onzer kerk terug als hij zegt: „Voorts verlieze men niet uit het oog, dat deze kenteekenen onderscheidene graden van noodwendigheid toelaten. In eersten rang staat de zuivere prediking en belijdenis van het Woord, waarzonder geen kerk denkbaar is. Maar reeds de bediening van het Sacrament staat hiermeÍ niet op ťťne lijn, zoo zelfs dat ze |174| tijdelijk kan wegvallen, zonder dat de kerk vervalt, gelijk de kerk onder IsraŽl dit herhaaldelijk toonde. En nog verder gaat dit met de tucht, die onmisbaar is om de kerk in goede orde te hou den, maar wier wegvallen nog niet aanstonds het wezen der kerk opheft. Maar voorts laten deze kenteekenen ook zekere speelruimte toe, zoodat ze zuiverder en min zuiver zich kunnen vertoonen, en naar gelang ze meer of minder naar de Schrift naderen, de kerk, hoewel ze kerk blijft, zuiverder of onzuiverder maken. Niet dat men dit zoover mag trekken, dat gronddwalingen zouden te dulden zijn, maar wel lichtere vlekken. Gelijk dus een kerk, die in de grondstukken der leer dwaalt, niet staan kan blijven, zoo houdt ze daarom nog niet op kerk te zijn, al is het dat ze in enkele opzichten dwaalt . . . . Een kerk kan zelfs onzuiver en ten deele bedorven zijn, zonder dat ze ophoudt kerk te zijn. Eindelijk zij opgemerkt, dat een kerk niet mag beoordeeld naar de bijzondere gevoelens van haar voorgangers, maar uit de publieke belijdenis die door de kerk als zoodanig aanvaard en behouden is.” 4)

Calvijn dacht evenzoo. Zijn uitlatingen zijn soms zelfs nog krasser. Een kerke Gods erkent hij overal waar nog prediking is en de Sacramenten bediend worden.

„Waar ook de prediking des Woords nog met eerbied wordt aangehoord en de sacramenten niet verwaarloosd worden, daar is op dat oogenblik ongetwijfeld de gestalte der kerk nog aanwezig” 5). En zeer ernstig waarschuwt Calvijn dan ook, dat men van een kerk, waar deze teekenen nog eenigszins gevonden worden, toch vooral zich niet zal afscheiden: „Scheiden van de kerk is afval van God en Christus, en er kan geen grooter gruwel worden uitgedacht, dan door ontrouw het huwelijk te scheiden, dat de eerstgeboren Zoon van God met ons heeft willen aangaan!” 6)

„Wie zou, zegt hij in het volgende hoofdstuk, wie zou den naam van kerk durven betwisten aan een vergadering, aan wie God de prediking des woords en de Bediening der Sacramenten nog gunt . . . Zelfs in den afval van Israel waren nog zekere graden” 7). En dan wijst hij er op, hoe in Israel soms schier alle prediking des Woords verdwenen was, en alle sacrament ontheiligd werd, zonder dat zelfs de afgoderij die insloop, het wezen der kerk nog ophief 8). Wel weken de profeten en hun getrouwen soms tijdelijk uit, maar het wezen der kerk bleef ook onder deze stormen van ongerechtigheid |175| voortbestaan 9). Zelfs gaat Calvijn zoover om ten opzichte der Roomsche kerk te verklaren: „Al betwisten we dat Rome’s kerkverband zonder nader beding op den naam van kerk aanspraak mag maken, daarom ontkennen we nog geenszins, dat er nog kerken onder haar gebied gevonden worden.” Slechts houdt hij vol, dat, let men op de kenteedenen, elk dezer roomsche parochiŽn en heel het lichaam der Roomsche kerk, den wettigen kerkelijken vorm mist 10).

Voeg hier uit de practijk nog dit bewijs bij. De Luthersche kerk heeft geen oefening der tucht in den zin van onze Confessie gehad; toch is er nooit twijfel geweest, of de kerk der Lutherschen was wel waarlijk een ware kerk van Christus.

Men mag dus de bijvoeging van „reine” prediking en „reine” bediening der Sacramenten nooit zoover trekken, dat de kenteekenen zouden moeten geacht worden te ontbreken, waar predikatie of Sacramentsbediening te wenschen overlaat; of ook de tucht ontbreekt.

Ook hier weer geldt de onderscheiding tusschen wezen en welwezen. Er zijn bestanddeelen der prediking die haar sieren, zonder dat men nog zeggen kan, dat haar gemis de prediking doet ophouden prediking te zijn. En ook er zijn bestanddeelen in de Sacramenten, die hun glorie verhoogen, zonder dat hun ontstentenis het sacrament nog vernietigt.

Doch, laat ook hier Calvijn ons weer voorlichten: „Wat we gezegd hebben, dat de zuivere prediking van het Woord en de zuivere bediening der Sacramenten een geschikten waarborg oplevert, om de echtheid eener kerk toe te geven, dit worde zůů verstaan, dat een kerk nooit mag verworpen worden, waar deze twee nog zijn, al ergert ze ook door allerlei ergernissen. Maar er moet meer gezegd. Want stel, er ware ook in die prediking of in die sacramentsbediening iets verkeerds ingeslopen, dan mag daarom die kerk nog niet aanstonds verlaten. Immers zelfs alle stukken der leer zijn niet van gelijk gewicht.” 11)

Onze slotsom is derhalve, dat voor goeden kerkstaat en het welwezen der kerke Gods, d.i. voor de kerken in gezonden, normalen toestand ťn de zuivere prediking des Woords, ťn de reinebediening der Sacramenten, ťn de gestrenge oefening der tucht noodzakelijk en onmisbaar is.

Maar ook, dat de kerken Christi, zonder haar wezen als kerk te verliezen, ůf verminkt, ůf onzuiver kunnen zijn, Ťn ten deele zelfs, |176| gelijk Calvijn zegt, door verderf aangetast. Dat deze verminking meest het eerst gezien wordt in het afsnijden van de tucht; deze onzuiverwording in vlekken, die de leer of sacramentsbediening ontsieren; dit bederf in het opkomen van valsche leer naast de getrouwe prediking.

Dat voorts, waar deze krankheid en verminking, doorgaat, de kerk allengs haar wezen als kerk verliest en verbleekt tot een geesteloos genootschap.

En dat eindelijk waar in dit gestorven lichaam zich giftige gassen gaan ontwikkelen, deze verbleekte kerk in een valsche kerk kan overgaan, zoodra ze, onder Satans invloeden, de waarheid en haar belijders vervolgt.

Ten ernstigste zouden we daarom op het voetspoor van Calvijn, een iegelijk vermanen willen, om toch wel toe te zien of de kerk, die hij verlaten wil, metterdaad zooverre door God verlaten is, dat ze het welwezen, niet alleen, maar ook het wezen eener kerk verloor.

Omdat uw kerk krank, omdat ze verminkt is, moogt ge haar uw liefde nog niet onthouden. Eer mag ze juist om die krankheid op meerdere deernis van uwe zijde aanspraak maken.

Eerst als ze gestorven is, hield ze op uw kerk te zijn, en eerst waar de giftige gassen der valsche kerken u doodelijk bedreigen, vliedt ge van haar aanraking en trekt ge uw liefde van haar af.

Vooral lette men er op, dat de vraag nooit is, of ge eenig kerkgenootschap, maar uitsluitend of ge uw kerk zult verlaten. Een kerkgenootschap bestaat in den nu meest gangbaren zin uit kerken, en die kerken uit leden 12). Gij zijt dus lid van uw kerk, en uw kerk is lid van een kerkgenootschap. Uw kerk kan dus het genootschap verlaten, maar wat gij alleen verlaten kunt is uw kerk. Wel weten we, dat er kerken zijn, die ook een lidmaatschap van het „genootschap” hebben aangenomen, zonder dat men lid van een kerk is, maar deze oneerijmdheid houdt ons niet op. Voor u, voor mij, voor een iegelijk is het alleen maar de vraag: Moet, mag ik de kerk van Amsterdam, van Rotterdam, van Utrecht verlaten?

Ik heb dus volstrekt niet te letten op wat elders plaats grijpt, maar alleen te letten op mijn eigen kerk. De solidaire verantwoordelijkheid voor hetgeen elders geschiedt, komt voor rekening van den kerkeraad, niet van de enkele leden, en kan er wel toe leiden, om den band tusschen mijn kerk en die andere kerken af tesnijden, maar kan nooit aan mijn kerk het wezen van kerk ontnemen. |177| In de zeven brieven aan de gemeenten in Klein-AziŽ heeft de Heere Christus nergens op verantwoordelijkheid der leden voor het kerkverband gewezen.

Gelijk dus onze vaderen de kerk van Amsterdam niet verlieten, omdat die kerk met de kerken van Rome in kerkverband stond, en dus oordeelden, dat haar het wezen van kerk nog toekwam, zoo mogen ook wij onze kerken niet opgeven, al is het dat ze in een onhoudbaar kerkverband staan, overmits dit haar het wezen van kerk niet derven doet.

En wat voorts die kerken zelven betreft, zoo heb ik alleen te vragen: Biedt die kerk waarin ik leef, mijn kerk, mij nog de prediking des Woords en de bediening der Sacramenten, in zulk een zuiverheid, dat het wezen dezer beide genademiddelen er nog in overig zij?

Het feit dat er naast deze tamelijk zuivere bediening der genademiddelen ůůk afgoderij bestaat, heft het wezen der kerk niet op, en stelt wel aan den kerkeraad den eisch om dezen gruwel af te snijden, maar niet aan een lid der kerk om die kerk te verlaten. De organisatie mijner kerk is dan wel krank, verminkt en ten deele tot bederf overgegaan, maar toch niet zoo of ze biedt mij nog in betamelijke zuiverheid de genademiddelen, en dus derft ze nog haar wezen en haar leven niet.

Zoo bleven de profeten in de kerk van Jeruzalem, al was ook de afgoderij meÍ ingeslopen, en jaren lang hebben onze vaderen onder Rome voortgeleefd, eer ze kwamen tot reformatie.

Deze laatste opmerking leide nog tot een niet minder ernstige waarschuwing.

Sommigen stellen zich aan, alsof het plicht en roeping van Gods kinderen ware, op staanden voet, dezen zelfden dag, den band met hun kerk te verbreken.

Maar ook dit schijnt ons tegen de Schrift en de historie te zijn.

Komt er in menschelijke ziekte bedwelming, soms zelfs schijndood voor, ook de kerk kent dezelfde verschijnselen. Onder IsraŽl scheen het maar al te vaak alsof geheel de kerk verloren ware, en zie, toch bloeide de onvergankelijke kerk altoos weer op. In den donkeren nacht der middeneeuwen zou men gedurig gemeend hebben dat de kerk verstorven was, en zie, toch verhief ze haar hoofd weder. En ook in de dagen der Hervorming zijn in het allerminst niet alle kerken onmiddellijk hersteld, maar heeft het van 1517 tot 1570 geduurd, eer het begonnen werk der Kerkhervorming tamelijk algemeen was doorgedrongen.

Ook dit mane in onze dagen tot omzichtigheid. Wie het stukder kerk uitwendig en reglementair, zonder piŽteit of hoogere liefde beschouwt, pakt aanstonds zijn reisvalies en is elk oogenblik tot afreizen |178| gereed. Maar wie met teederen ernst, wie met vreeze der conscientie zich de vraag stelt: „Loop ik ook van onder het oordeel weg, verwerp ik ook wat nog leeft, begraaf ik ook een schijndoode?” O, die aarzelt en toeft. Want altoos hoopt hij nog, altoos wendt hij nog nieuwe middelen aan, om de levensgeesten op te prikkelen, en als anderen hem dan bespotten, vragende: „Hoe lang zal dat sollen met uw lijk nog aanhouden!”, dan brengt hij eerbiedig den vinger aan de lippen, en fluistert: Het is mijn moeder!


§ 60. Van Zacharia’s roepen: „Niet door kracht of geweld, maar door den Geest des Heeren!” Reformatie en legitimisme.

Strekking van de vorige paragraaf was om breuke met iemands kerk, als kerk, tot het uiterste te verhoeden, en het aan elk kind van God nauw en teeder op het hart te binden, dat zulk een breuke met zijn kerk dŠn alleen geoorloofd is, bijaldien zijn kerk ůf gestorven ůf in een valsche kerk ontaard ware. Anders nooit. Vroeger nimmer. En dat om de alles afdoende reden, dat onze kerk zoolang ze niet ůf stierf ůf in valsche kerk omsloeg, nog altoos openbaring bleef van het lichaam van Christus.

Toch wane niemand, dat het in onze bedoeling lag daarmeÍ het pleit te voeren voor valsche lijdelijkheid of onheilig legitimisme. En het is daarom, dat we in deze en de volgende paragraaf ťn over dat legitimisme ťn over de revolutie nog een woord zeggen moeten.

Wie ernstig te werk gaat en de reformatie zijner kerk uit God als haar Werker, niet alleen bij anderen, maar ook bij zichzelven wil afleiden, kan tot dit heerlijk werk eigen hand nooit uitsteken met het oog op een vooraf berekend resultaat. Hij zou dit wel kunnen, indien het boek van Gods raad voor hem ontzegelbaar ware. Maar nu dit Boek voor hem gesloten is en blijft, is de weg om zijn handelingen naar de uitkomst te regelen, onherroepelijk voor hem afgesneden en blijft er slechts ťťn weg voor hem open: de weg der gehoorzaamheid.

Alle reformatie der kerk, ’t zij door geestelijke verwakkering, ’t zij door geleidelijk kerkherstel, ’t zij door breuke met de organisatie, met het kerkverband of met de kerkzelve, kan noch mag dus ooit anders dan in den weg van stille, onvoorwaardelijke gehoorzaamheid ondernomen.

Al schijnt het dat alles er meÍ ondergaat, men moet toch reformeeren, want te reformeeren is Gods hoog gebod aan zijn kerk en |179| haar dienaren en leden. Niets, onder wat vorm het ook optrede, kan ooit de kerk, of haar dienaren en leden van dien plicht der gehoorzaamheid ontslaan.

Opdat echter deze gehoorzaamheid geen dekmantel zij voor eigenwillig woelen, heeft elk kind van God vooraf zeer ernstig de overlegging zijns harten te toetsen, of de aandrift die hem drijft metterdaad wel lust aan gehoorzaamheid zij.

Dit nu meet men het veiligst af naar deze beide vragen: 1º. of men in schuld voor God ligt over vroegere ongehoorzaamheid; en 2º. of men in de keuze zijner middelen zich ontziet om de eere zijns Gods te kwetsen.

Vandaar ons dringen op verslagenheid onder het oordeel des Heeren, als uitgangspunt van alle goede reformatie, en niet minder op eerbiediging van het lichaam des Heeren in elke kerk, die nog niet ganschelijk wegstierf of bezeten wierd van Satan.

Vooral de overweging, dat Calvijn in Boek IV, hoofdstuk 2 paragraaf 12 van zijne Institutie zelfs van de Roomsche kerken nog getuigt: „hoewel ze de wettige vorm van de kerk missen, ontken ik toch niet, dat er nog kerken Gods onder hen zijn,” gelegd naast het klare feit, dat in IsraŽl de kerk toch weer opbloeide, al was het ook dat de afgoderij tot in den tempel was doorgedrongen, weegt hier zwaar.

Leidde men hieruit intusschen af dat derhalve ook dit tractaat in den toon viel van: „Niet door kracht of geweld, maar door den Geest des Heeren!” zoo zij daarop geantwoord, dat we dien uitroep ganschelijk verfoeien in den valschen zin, waarin hij gemeenlijk op der lijdelijken lippen zweeft, maar hoog houden en er met heel onze ziel bijvallen, naar de beteekenis waarin de Heilige Geest dien uitroep aan den profeet Zacharia heeft geopenbaard.

Niet ernstig genoeg toch kunnen we het onze broederen op het harte binden, dat ze toch mogen aflaten van de onheilige gewoonte, om deze kostelijke Schriftuurplaats op zoo verregaande wijze te misbruiken, in zin en beteekenis te vervalschen, en ten slotte het tegendeel te laten zeggen van wat zij bedoelt.

Gemeenlijk toch haalt men deze woorden aan zonder op het verband gelet te hebben, en leidt er dan uit af, dat de Heilige Geest ons in deze woorden toeroept: „Gij, dienaren en leden mijner kerk, laat toch af van al uw eigen pogen tot reformatie. Daar komt toch niets van. Dat is alles kracht en geweld, dat toch niets nut. Gij hebt niets te doen, dan gewoon te prediken, en al het overige moet komen van mijnen Geest.” |180|

Hiervan staat intusschen in het vierde hoofdstuk van Zacharia’s godspraken geen woord.

Sprake is daar van Zerubbabel, den vorst, die aan het hoofd der teruggekeerde ballingen, de reformatie der gevallen Jeruzalemsche kerk ondernomen had. En ondernomen, niet door prediking alleen maar zoo materiŽel mogelijk, door het hanteeren van truffel en houweel. Kracht en geweld dus in den meest letterlijken zin!

Naar vele broederen op den klank af onze woorden verstaan, zou dus aan Zerubbabel moeten gelast zijn, om van dat reformeeren, van dat hanteeren van truffel en houweel, kortom van al dit geweld, al dit krachtbetoon af te laten, en stil te wachten op ’s Heeren Geest.

Intusschen is de strekking van de Godspraak juist omgekeerd.

Zerubbabel wil aflaten, en de Heilige Geest gelast hem niet af te laten, maar moedig te volharden.

Zerubbabel is bang geworden. De belagers van rondsom trekken met wapengeweld tegen hem op, en nu ontzinkt aan Zerubbabel de moed, en hij denkt: „Tegen dat wapengeweld heb ik geen leger over te stellen. Dus ben ik verloren! Ik geef de reformatie op! Heere, doe Gij het!”

Maar de Heilige Geest staat dit niet toe, en geeft hem nu deze openbaring: „Zerubbabel, staak uw reformatie in Jeruzalem’s kerk geen oogenblik. Want ge vergist u, door te meenen, dat ge dan alleen reformeeren kunt, als ge geweld tegenover ’s vijands geweld kunt zetten. Ze zullen niet tegen u vermogen. Want zie, de uitkomst hangt niet af van geweld tegen geweld, of kracht tegen kracht te zetten, maar uitsluitend van de geheimzinnige en onzichtbare werking van den Geest des Heeren!”

Wel verre van lijdelijkheid aan te bevelen, keurt dit Schriftwoord derhalve juist omgekeerd alle lijdelijkheid af en gebiedt ons veeleer in den weg van geloofsgehoorzaarnheid rustig met reformeeren door te gaan, ook al schijnen we het hoofd te stooten tegen een koperen muur.

Of, om het nog duidelijker te zeggen, volgens de eigen woorden van den tekst is de uitroep: „Niet door kracht of geweld, maar door ’s Heeren Geest zal het geschieden,” verklaring van het onmiddellijk voorafgaande gezicht.

En wat was nu dit gezicht?

Dit: Er stond een gouden kandelaar, beeld der kerke Christi. Een kandelaar met zeven lampen. Nu liep uit elk dezer lampen een aanvoerpijp opwaarts, en door deze pijpen moest de olie, d.i. de invloeiing van den Heiligen Geest aan de kerken worden toegevoerd. Daartoe nu liepen deze zeven aanvoerpijpen uit in een kruik, |181| en in deze kruik druppelde voorts de olie uit twee olijf boomen, die links en rechts van die oliekruik geplaatst waren.

Zonder nu hier ter plaatse in nader onderzoek te willen treden, omtrent de beteekenis dier twee olijf boomen, een onderzoek dat weer samenhangt met de verklaring van de twee getuigen in Openb. XI : 4, zoo staat toch, naar alle uitleggers toegeven, vast, dat met deze twee olijfboomen menschen, ambtelijke personen t.w. priesters en profeten bedoeld zijn.

Strekking van deze profetie kan dus nooit zijn, om ons te zeggen: „De werking van den Heiligen Geest komt buiten menschelijke bemoeienis om,” maar integendeel: „De toevloeiing van den Heiligen Geest tot de gemeente komt door het intermediair van menschelijke personen, in wier hart Ik genade werk.”

Dit geeft vanzelf aanleiding, om de gronddwaling van deze verkeerde lijdelijkheid bloot te leggen.

Deze dwaling schuilt namelijk in een onjuiste opvatting van het werk van den Heiligen Geest.

Men denkt zich dit werk van den Heiligen Geest namelijk, als buiten de gewone organen en buiten de gewone werkzaamheden der bediening omgaande. Iets dualistisch.

Dit nu is niet zoo, en kan zoo niet zijn. Dit toch zou ons geheel op Doopersche fanatieke paden leiden. De enthousiasten van alle gading, niet de Gereformeerdan zijn het, die steeds op zulk een dualistische werking van den Heiligen Geest aandringen. En, naar de zuivere leer aangaande het werk van den Heiligen Geest, is alle ambtelijke gehoorzaamheid in de bediening, ůf doode vorm en dan met onvruchtbaarheid geslagen, ůf wel vrucht van invloeden van den Heiligen Geest.

Men mag niet den Roomschen weg opgaan, van de ambtelijke gehoorzaamheid in de bediening als een loonverdienend werk des dienaars te beschouwen. Dan toch verlaat men het Gereformeerde erf geheel. En doet men dit niet, zoodat men in deze ambtelijke gehoorzaamheid geen eigen werk eert, zeg zelf, wiens werk zou het dan anders zijn, dan het werk van den Heiligen Geest?

Wel verre er van daan, dat alzoo een persoon in het ambt zich, met beroep. op Zacharia IV : 6, aan den plicht tot reformatie zou kunnen onttrekken, moet integendeel, juist met het oog op dat woord; alle onttrekking aan den plicht der gehoorzaamheid streng in hem gegispt en door de kracht des Woords in hem bestreden worden, en veeleer dit hem in de ziel dringen: Dat hij juist ingelijfd moet zijn in een dier beide olijfboomen, door wier takken en twijgen, d.i. door wier |182| gehoorzaamheid ook in het werk der reformatie, de zalfolie des Heiligen Geestes moet toegebracht aan de zeven kerken des levenden Gods.


§ 61. Van de reformatie in tegenstelling tot de revolutie.

Aan hen, die zij het ook bedachtzaam, maar dan toch met doortastendheid het werk der reformatie alzoo voorstellen, dat ten slotte noch voor breuke met de bestaande organisatie, noch voor breuke met het bestaande kerkverband, noch ten slotte zelfs voor breuke met de bestaande kerk mag teruggedeinsd, wordt door hun tegenstanders meestal voor de voeten geworpen, dat dit dŠŠrom niet mag, overmits elke breuke van dien aard een verbreking van de wettige orde en van den wettelijken gang van zaken is, en op dien grond als revolutie dient veroordeeld.

In allerlei variatiŽn wordt telkens ditzelfde verwijt hun naar het hoofd geworpen.

Daar het ons nu te doen is, om met vreeze en beven de kinderen Gods in deze landen bij het werk der reformatie voor te lichten, achten we ons gehouden, om deze tegenbedenking ernstig te onderzoeken. Voor revolutie in kwaden zin bidden we dat God de Heere zijn volk heiliglijk bewaren wil, en zwaar zou onze schuld zijn indien we door overmoed of in euvelmoed ’s Heeren volk naar zoo zondige paden heenlokten.

We wenschen daarom door bedaarde onderscheiding onzen tegenstanders duidelijk te maken, waarom ze het recht missen ons zoo zware aanklacht voor te leggen, en waarom ze, willen ze hun eigen ziel niet tegenover hunne broederen bezondigen, wel zullen doen met van deze aanklacht voortaan af te laten.

Daartoe nu zij er allereerst op gewezen dat er van revolutie ťn in goeden zin ťn van revolutie in kwaden zin sprake kan vallen, en dat volstrekt niet alle revolutie over ťťn kam mag geschoren.

Om dit onderscheid wel en helder in te zien, sta op den voorgrond, dat een mensch nooit in zoodanige achting is, alsof hij aan een medemensch den plicht tot gehoorzaamheid uit zichzelf zou kunnen opleggen.

Elk mensch is zondig en heeft daardoor alle aanspraak op ontzag voor zijn persoon verbeurd.

De vader is even weinig in waardij als het kind, en er is in den vader als persoon geen enkele reden of oorzaak, waarom het kind hem zou gehoorzamen.

Elk koning is even zondig als de minste zijner onderdanen, en ook |183| in zijn persoon is alzoo geen enkele reden of oorzaak aanwijsbaar, waarom zijn onderdanen hem onderdanig zouden zijn.

En evenzoo in de kerk van Christus is elk persoon, die als Bisschop, lid der Synode, Classicaal Bestuurslid of hoe ook optreedt, even zondig en nietswaardig als elk lid der kerk, en er is in hun persoon reden noch oorzaak aanwijsbaar, waarom de leden der kerk hun ontzag of eerbied gunnen zouden.

Zie ik op den mensch als mensch alleen, buiten God gerekend, dan staat het kind derhalve precies met zijn vader gelijk, en steekter geen zweem van zonde in als een onlieve zoon aan zijn vader de gehoorzaamheid weigert.

Van nature is een koning niets meer waard dan een bedelaar, en steekt er dus kwaad noch zonde in, zoo die bedelaar dien koning weigert te gehoorzamen.

En evenzoo is van nature een lid van den kerkeraad of Synode geen haar beter dan een gewoon gemeentelid, en is er schijn noch zweem van zonde in te ontdekken, indien een gewoon gemeentelid deze personen praten laat en zich in niets aan hen stoort.

Dit uitgangspunt denke men wel in.

Wie dit niet toegeeft is Úf een Pelagiaan, ůf wel hij kent het diep bederf der zonde niet.

Maar waaruit ontstaat dan nu de plicht tot gehoorzaamheid?

Antwoord: Eeniglijk en alleenlijk daaruit dat God de Heer iets van zijn majesteit aan deze personen toevertrouwt.

Stelregel is en blijft: Aan God absolute gehoorzaamheid schuldig, want Hij is uw Schepper, uw Onderhouder, uw Bezitter, uw Verlosser. Maar gehoorzaamheid aan de menschen nooit.

Van gehoorzaamheid aan menschen kan dus dan eerst, dan alleen en slechts zoolang en in zooverre, sprake zijn, als metterdaad en in der waarheid God de Heere mij gelast en beveelt, dat ik aan eenige menschen de Hem, Gode, toekomende gehoorzaamheid, in zijn naam, betalen zal.

En waarin ligt nu het wezen der revolutie, haar zonde, haar gruwel?

Daarin, dat zij tegen menschen in verzet komt, en weigert den mensch te gehoorzamen, en zegt koning en bedelaar staan als mensch gelijk?

In het allerminste niet!

Neen, de zonde, de misdaad, de gruwel der revolutie bestaat uitsluitend in deze twee heel andere dingen: 1º.Daarin de mensch weigert in den persoon van menschen, die in het ambt staan, de tol der gehoorzaamheid te betalen die hij aan God schuldig is. En 2º. dat |184| hij de stelling durft uitspreken: het gezag wordt op den ambtsdrager gelegd, niet door God, maar door mij en mijne medeburgers.

En hierin nu steekt gruwelijke zonde, vermits het een hoonen van Gods majesteit is, en een rooven van die majesteit voor zichzelven.

Twee zonden tegelijk: Den levenden God ontgoden, en zichzelven vergoden.


*

Meenen nu onze beoordeelaars dat ze ook in onzen voorslag van reformatie, doorgevoerd tot op breuke met de kerk, deze soort revolutie kunnen aanwijzen, laat ze dan in broederlijke liefde hierin getrouw zijn, en onze dank zij hun vooruit voor hun broedertrouw geboden.

Kunnen ze dit daarentegen niet, en kunnen ze hun ernstige aanklacht van „revolutie” niet verder waarmaken, dan dat ons advies strekt om desnoods met den bestaanden wettelijken toestand te breken, vergunne men ons dan deze beschuldiging verre van ons te werpen. Want immers met den bestaanden wettelijken toestand brak ook David toen hij benden verzamelde en optoog tegen koning Saul. Met den bestaanden wettelijken toestand brak ook de Christus, toen Hij touwkens nam en een geesselkoorde maakte, en de wisselaars uit den tempel dreef. Met den bestaanden wettelijken toestand braken ook de apostelen, toen zij den ceremoniŽelen dienst afschaften en naast de Synagoge de kerke Christi plaatsten. Met den bestaanden wettelijken toestand braken ook de Waldensen, toen zij naast en tegenover de Roomsche hierarchie hun vrijkerken oprichtten. Met den wettelijk bestaanden toestand braken ook Luther, Zwingli en Calvijn, toen zij aan hun kerkelijke overheid den scheidbrief zonden. Met den wettelijk bestaanden toestand braken ook onze vaderen, toen zij de Geuzen op den Briel afstuurden en deze landen van Spanje vrijvochten. Met den bestaanden wettelijken toestand braken ook onze kerken, toen ze in de zestiende eeuw te Amsterdam en elders het kerverband met Rome verbraken. Met den bestaanden wettelijken toestand brak ook Willem de Derde toen hij den troon der Stuarts in Engeland beklom, evengoed als Willem de Zwijger toen hij als stadhouder tegen Filips zijn koning optrad. En ook met den bestaanden wettelijken toestand braken onze Helden, die ons in 1813 vrijmaakten en straks bij Waterloo streden; want in legitimistischen zin was Napoleon hun wettig Souverein.

Oordeelt nu elk kind van God met ons, dat noch David, noch Christus, noch de Apostelen, noch de Waldensen, noch onze |185| Hervormers, noch onze vaderen, noch onze Oranjevorsten in deze zondigden, maar veeleer dat ze met aldus breuke in den bestaanden toestand te brengen, zich van den plicht der gehoorzaamheid aan God kweten, dan is het openbaar: dat breuke met den bestaanden toestand, op zichzelf en zonder meer, nog geen zonde, veeleer zelfs plichtsbetrachting zijn kan.

Waar hangt dit nu van af?

Uitsluitend hiervan, of zulk een breuke met den bestaanden toestand al dan niet geschiedt uit gehoorzaamheid aan God.

Had David niet Samuels openbaring gehad, zoo had hij tegen Saul niet mogen optrekken. Hadde Jezus niet krachtens de gemeenschap met den Vader gehandeld, zoo ware Hem geen gezagsuitoefening in den tempel toegekomen. Hadden de Apostelen niet geweten dat ze uit gehoorzaamheid aan Gods Woord handelden, zoo hadden ze het Sanhedrin niet mogen weerstaan. En zoo ook hadden onze Hervormers en vrije Geuzen niet geweten, dat hun inbreuk op Rome’s en Spanje’s wettelijk geordend gezag voorsproot uit drang om God meer dan menschen te gehoorzamen, zoo zou hun breuke hun tot gruwelijke schuld geweest zijn.

De legitimist zegt dit dan ook, en in Engeland zoowel als in Duitschland gaan er reeds stemmen op, om zoo de Reformatie als onzen Opstand te veroordeelen.

En daartoe, merkt het wel op, zullen onze legitimisten ten slotte ook moeten komen.

Ons veroordeelende om wat ze noemen revolutionair bedrijf, zullen ze gelijk oordeel ook over onze Hervormers en onze vaderen moeten vellen.

Of wel, deinzen ze, wat God geve, hiervoor terug, dan zullen ze ook hun ondoordacht en voorbarig oordeel ten onzen laste moeten herzien, en moeten zeggen: Revolutionair is niemand om het feit op zichzelf, dat hij breekt met den bestaanden toestand; maar revolutionair zal hij dan eerst wezen, indien hij die breuke waagt uit andere beweegredenen, dan om God meer dan menschen te gehoorzamen.


§ 62. Van de reformatie en de overheid.

De vraag is ook opgeworpen en van gewicht, of aan de Overheid alsdan niet aandeel in het werk van de reformatie der kerken toekomt; en wel met name, of de Overheid al dan niet geroepen, gerechtigd en gehouden is, „om te weren en uitte roeien alle afgoderij en valschen godsdienst.” |186|

Ten dezen opzichte komt onze overtuiging niet met die onzer vaderen overeen. Van dit verschil maken we geen geheim. Alleen Gods Woord, niet het woord der vaderen is voor ons ien slotte gezaghebbend. En het is op grond van Gods Woord dat we in de conscientie overtuigd zijn, onze vaderen in dit onderdeel van hun belijdenis niet te mogen volgen.

Reden hiervan is, dat bovenbedoelde woorden aanduiden en in zich sluiten, dat op de Overheid de verplichting rust, om ter laatster instantie de ketters, niet slechts te vermanen of hun publieken eeredienst te weigeren, maar ook wel terdege, om hen gevangen te nemen, in boeien te slaan, te vonnissen en op het schavot ter dood te brengen.

Dit ligt metterdaad in deze woorden in.

Bewijs hiervoor is, Calvijn’s geschrift „dat de ketters met het zwaard moeten ter dood gebracht;” Beza’s opstel „dat de ketters door de Burgerlijke Overheid aan den lijve moeten gestraft worden”; en voorts het gevoelen van Maresius in zijn verklaring van de geloofsbelijdenis; vergeleken met het gevoelen van onze theologen: Voetius in zijn Disput. Theol. III. 802-809 en II. 122; Henr. Alting in zijn Script. Heidelb. Tom. 2. p. 2. probl. XX. p. 335 s. 9; Spanheim, Vind. Euang. l. II. loc. 20; Corn. van Velzen, Theol. pract. II, l. I. p. 632; Gerdesius, Bibl. menstr. Belg. m. Jan. 1742, p. 30; J. ŗ Marck, Med. Theol. c. XXIII, ß 32; De Moor, Comm. ŗ Marck, VI. p. 490 vlg. en Turretin, Theol. Hand. T. l. XVIII. p. 84. ß 30.

Eenparig zijn alle deze godgeleerden van gevoelen dat Art. 36 van onze belijdenis wel metterdaad aan de Overheid de verplichting oplegt om, ter laatster instantie, een ketter op het schavot ter dood te laten brengen.

Ze verschillen van Rome hierin, dat ze aan de Overheid eigen oordeel laten. Rome meende dat de Overheid vonnissen moest op grond van het kerkelijk oordeel. Zij daarentegen zeggen: De Overheid zie uit eigen oogen.

Ook geven ze toe, dat de Overheid niet in den regel, niet dan in het uiterste geval, niet dan bij de Heresiarchen enz. tot dit verschrikkelijkste behoort over te gaan.

Zelfs werd het sinds ŗ Marck gewoonte er bij te voegen, dat de Overheid den ketter dan alleen om hals mocht brengen, zoo hij ook de Republiek met gevaar bedreigde. Maar hoe ook verzacht en hoe ook ingekleed, ten slotte komt hun gevoelen dan toch altoos hierop |187| neer, dat, baat geen ander middel, het uitroeien van afgoderij door vuur en zwaard moet gaan.

En tegen deze belijdenis nu komen wij uit volle overtuiging op; bereid de gevolgen van onze overtuiging te dragen; ook al is het dat men ons deswege, als ongereformeerd wil op de kaak stellen.

Liever gaan we voor niet-gereformeerd door en blijven volhouden, dat men ketters niet moet ter dood brengen, dan dat men ons den gereformeerden naam late tot den prijs van meÍ het ketterbloed te helpen vergieten.

Het is onze overtuiging: 1º. dat de voorbeelden, die onder het Oude Verbond desaangaande voorkomen, dŠŠrom voor ons van geen kracht zijn, overmits de toen aanwezige onfeilbare aanwijzing van wat kettersch of niet kettersch was, thans ontbreekt.

2º. dat de Heere en de Apostelen nergens de hulp der Overheid inroepen om met den zwaarde te slaan, wie afweek van de waarheid. Zelfs bij zoo gruwelijke ketters als in Corinthe de gemeente bezoedelden, meldt Paulus hiervan niets. En met geen woord is uit het Nieuwe Testament op te maken, dat in de dagen, waarin de bijzondere openbaring zou wegvallen, uitroeiing der ketterij met den zwaarde plicht der overheid zou zijn.

3º. dat onze vaderen deze monstrueuse stelling niet uit hun beginsel hebben afgeleid, maar uit den Roomschen praktijk overgenomen;

4º. dat de aanvaarding en uitvoering van dit beginsel bijna altoos op het hoofd der niet-ketters is neergekomen, en niet de waarheid, maar de ketterij in eere heeft gehouden.

5º. dat deze stelling tegen den geest en het Christelijk geloof ingaat.

En 6º. dat deze stelling onderstelt dat de overheid in staat zij het onderscheid tusschen waarheid en ketterij te beoordeelen, een ambtelijke genade die haar, blijkens de geschiedenis van 18 eeuwen, door den Heiligen Geest niet verleend, maar onthouden is.

We verhelen dus in het minst niet, dat we ten opzichte van dit punt het met Calvijn, onze Confessie en onze Gereformeerde theologen oneens zijn.

We betuigen gaarne, dat we niet dan noode en door onoverwinlijke overtuiging gedrongen dit verschil doen uitkomen.

We geven volkomen toe, dat zij die in Art. 36 ook deze zinsneÍ ten volle beamen, in dit opzicht een gemakkelijker positie hebben.

We komen er voor uit, dat wie ons in dit opzicht bij de gemeente voorstelt als in de Belijdenis afgeweken, een volkomen waarachtig getuigenis geeft. |188|

Maar, niettegenstaande deze ernstige bezwaren, die we volstrekt niet licht achten, blijven we desniettemin onbewimpeld uitspreken: Een schavot voor den ketter vragen we in den naam des Heeren niet.

Want, dit wete en versta de gemeente onzes Heeren Jesu Christi wel, en dit zij aan de kinderen Gods, die liefde kennen, wel scherpelijk op de ziel gebonden: Die leeraars, die zeggen ook nu nog Art. 36, voor wat deze zinsneÍ aangaat, te handhaven, leggen aan het volk des Heeren den eisch voor, dat ze dit schavotteeren van de ketters zullen goedkeuren, neen meer nog, als door God gewild, zullen belijden, en op zich de verantwoordelijkheid zullen nemen voor het weÍr vergieten van het ketterbloed.

Achten de kinderen Gods in deze landen, dit nu te mogen doen, natuurlijk dan moeten ze ons in dezen deele veroordeelen.

Maar ook, spreekt een betere getuige in hen: „Een schavot voor den ketter oprichten mag ik niet!” laat ze dan den moed hebben openlijk hun stem bij de onze te voegen, opdat de voorstanders en tegenstanders van het verbranden of schavotteeren der ketters in zuivere positie tegenover elkander staan.

Gelijk men weet, ontkennen we daarom allerminst hetgeen uit Christus’ koningschap en de beide tafelen der wet voor de overheid voortvloeit. Dit echter is afgehandeld in vorige paragraphen en mag dus hier niet herhaald.

Slechts dit zij ons nog vergund hier bij te voegen.

Hoewel onze tegenstanders moeten volhouden dat ook Nero verplicht was de ketters, naar eigen oordeel, (d.i. de mannen, die hij voor ketters hield) ter laatster instantie, te verbranden, geven ze feitelijk toch toe, dat deze plicht rechtens alleen goed kan vervuld worden door een overheid professie doende van de gereformeerde religie.

En overmits nu zulk een Overheid er niet is, noch in ons land te komen staat, zoo willen we gevraagd hebben, of het goed is, de broederen te verdeelen over zoo pijnlijk vraagstuk, als het schavot voor den hardnekkigen ketter.

Wij althans, blijven ons vleien met de hoop, dat zelfs die leeraars, die thans bij voorkeur voor het behouden dezer schavot-zinsnede in Art. 36 ijveren, zelven de eersten zouden zijn, om voor de consequentie van hun stelsel terug te deinzen, als de Burgemeester hunner woonplaats eens feitelijk een ketter op het schavot of op den brandstapel liet brengen.

Ons dunkt, in die ure zouden ze liever, dan te roepen om het ketterbloed, zelven water aandragen om de brandende houtmijt te |189| blusschen, of in liefdeijver nog de koorde doorsnijden die reeds als strop om den hals van hun medeburgers lag.


§ 63. Van de reformatiŽn die tot stand kwamen, en hun onderscheiden karakter.

Doordien men gewoon is, de reformatie der 16e eeuw als de reformatie te beschouwen, verkeeren velen onder den indruk, alsof van andere reformatiŽn in de Heilige Schrift noch in de geschiedenis sprake was.

Dit is intusschen een valsch denkbeeld.

ReformatiŽn zijn gedurig tot stand gekomen, zij het ook van minder omvang, niet zoo doortastend, of in gevolgen minder rijk dan de reformatie, die aan Luther’s en Calvyn’s naam is verbonden.

Op dit feit dient gelet.

Went men zich toch, om de reformatie van Luther als de eenige wezenlijke reformatie te beschouwen, dan heeft dit ten gevolge, dat men „reformatie” aanziet voor een eenmaal plaats gehad hebbend feit, dat ons voorts niets te zeggen heeft. Gaat daarentegen het oog er voor open, dat „reformatie” een constante factor in de geschiedenis van Jezus’ kerk is geweest, zoodat telkens na in geslopen misbruik of ontaarding herstel door reformatie beproefd en niet zelden geslaagd is, dan begint het denkbeeld van reformatie weer voor ons te leven, ons toe te spreken, en wordt van zelf de vraag geboren: „Kan ook mijn kerk niet weer door reformatie opgebeurd uit haar diep verval?”

Dit nu noopt ons, de onderscheidene reformatiŽn, waarvan de Heilige Schrift en de Geschiedenis ons melden, vluchtig te doorloopen en tevens het karakter aan te duiden, de beteekenis in het licht te stellen en het stempel te doen uitkomen, hetwelk elk dezer reformatiŽn droeg.

We spreken daartoe onderscheidenlijk, eerst van de reformatiŽn, die ons in de Heilige Schrift geboekt staan, en daarna van de reformatiŽn die vermeld staan in de Geschiedenis der Kerk.

Deze onderscheiding mag niet verwaarloosd worden; te meer daar o.i. zelfs onze beste Canonisten door deze onderscheiding over het hoofd te zien, metterdaad niet weinig verwarring in de denkbeelden over reformatie hebben aangericht.

Immers, wie zal ontkennen, dat het gevaar zeer voor de hand ligt, om hetgeen van de reformatiŽn in de Heilige Schrift vermeld staat, ook voor ůnze reformatie der kerk als richtsnoer aan te nemen? En dit nu juist gaat feil. Gelijk namelijk, waar sprake valt van de onderhouding der MozaÔsche politieke en sociale, ceremonieele |190| en huiselijke wetten, door ieder er op wordt gewezen, dat we verkeerd zouden doen, met geheel deze reeks van wetten (al staan ze ook in de Heilige Schrift) voor in letterlijken zin nog voor ons verbindend te verklaren; en men er op aandringt, dat bij alle deze wetten tusschen hun leidende gedachte en speciale uitwerking, en evenzoo tusschen hun zedelijke en ceremonieele strekking zal onderscheiden worden 13), zoo ook eischt heilig beleid, dat men bij deze reformatiŽn der Heilige Schrift zich wel afvrage: welke bestanddeelen van deze reformatiŽn sa‚mhingen met IsraŽls eigenaardigen toestand als openbaringsvolk, en welke andere bestanddeelen een algemeen karakter droegen, — om voorts alleen dit laatste voor ons zelven als regel van gedraging te kiezen.

Op vier elementen in deze reformatiŽn der Heilige Schrift dient hier met name gewezen.

1º. Tijdens de bijzondere openbaring nog voortduurde, ontvingen sommige mannen Gods een rechtstreeksche mededeeling, aanwijzing en oproeping uit den hemel, in een zin waarin zulk een aanwijzing en oproeping thans aan niemand meer ten deel valt.

2º. In den IsraŽlietischen volksstaat was de wetgeving van rechtstreeks goddelijken oorsprong, zoodat overtreding der wet, zelfs in het kleine, als zonde in absoluten zin gold, terwijl thans de kerkelijke reglementen hun oorsprong aan menschelijk inzicht danken en dus dat absoluut karakter missen.

3º. In IsraŽl was de koning niet een bloot burgerlijk, maar evenzeer een kerkelijk persoon, die als drager van het Messiaansche beeld even goed als de priester of profeet, een ambt in de kerk bezat. Ook dit is nu weggevallen, overmits Jezus nu zelf Koning in zijn kerk is. Alle gevolgtrekking, die men uit het optreden van David en Salomo, van Josia, Johaz en Hiskia voor onze Overheid wil afleiden, gaat dus mank.

En 4º. In IsraŽl kon men het bloed der afgodische ketters, gelijk Elia deed, bij stroomen vergieten en ook tegen de dwaalleeraars de doodstraf aanwenden, zoo dikwijls God de Heere, gelijk aan Elia en Mozes, hiertoe rechtstreekschen last gaf. Het theocratisch karakter der wetten maakte deze absolute straffen noodwendig en rechtvaardigde ze tevens. Nu daarentegen, nu ťn deze rechtstreeksche wetgeving, ťn deze rechtstreeksche last beiden ontbreken, zou navolging van Elia’s handelwijs tegen de Bašlspriesters een gruwel der ongerechtigheid zijn. |191|

Diegenen onzer broederen, die zich in het vervolg op het Oude Testament als richtsnoer voor kerkreformatie beroepen willen, zullen derhalve voortaan met dit vierderlei verschil te rekenen hebben. Immers, ze mogen wel bedenken, dat, gelijk Franciscus Junius het uitdrukt, „het aanhouden van een schaduwbeeld, nadat het ware zelf gekomen is, niet maar onraadzaam en doelloos, maar zelfs zondig is.” Nog varren en rammen te offeren, na Golgotha, ware aan de eere van Jezus’ geheel eenige offerande te kort doen. Maar zoo nu ook ware het aan het Souvereine Koningschap van Jezus over zijn kerk afbreuk doen, indien men ook na zijn troonsbeklimming en gedurende zijn goddelijk regiment vanuit den hemel, voortging om aan een aardsche Overheid een macht over de kerk te gunnen, als David en zijn op volgers slechts als voorloopers van den Christus bezeten hebben.

Na deze voorloopige opmerkingen kan nu voorts onze opsomming van de Bijbelsche reformatiŽn kort zijn.

Reeds vůůr IsraŽl als volk optrad, vernemen we van vier gebeurtenissen, waardoor de kerke Gods na inzinking weer opgericht, of door scheiding voor algeheele verbastering bewaard is.

De eerste dezer reformatiŽn kwam tot stand door het uiteengaan der Sethieten en Canašnieten. In de dagen van Enoch, zoo lezen we, begon men den naam des Heeren weer aan te roepen.

De tweede ontzachlijke, door God zelf bewerkte reformatie, greep plaats door den zondvloed, toen al het verdorven volk in den vloed onderging, en alleen de arke met haar kostelijke schat de kerk des Heeren droeg, en na korte poos toevens aan de aarde teruggaf.

De derde alles beheerschende reformatie kwam door Abram tot stand, toen hij, op Gods bevel de kerke Gods uit Terah’s afgodisch geworden geslacht uitdroeg en overbracht naar het land dat God hem wijzen zou.

Terwijl eindelijk de vierde reformatie door het uiteengaan van Jacob en Ezau wierd doorgezet. Ook Ezau was in de kerke Gods geboren en had het Sacrament des Verbonds in zijn lichaam ontvangen. Maar het kwaad sloop in, en de kerke Gods zou geheel ontaard zijn, indien de Heere niet door Jacob en Ezau af te scheiden, de Edomieten in hun zonde had teruggestooten om in en met Jacob zijn kerk vrij te houden.

Alle vier deze reformaties dragen het karakter van minder door menschelijk toeleg, dan wel door Gods eigen doen, tot stand te komen. Het zijn reformatiŽn die daarom ons niet ten voorbeeld kunnen strekken, omdat de menschheid niet meer, gelijk destijds, met de kerk sa‚mvalt en het Godsbetuur andere paden volgt als toen. |192|

Na deze vier vůůr-IsraŽlietische reformatiŽn komen de reformatiŽn, die onder het volk van IsraŽl tot stand kwamen, en wel in twee categoriŽn ingedeeld, naar gelang ze vůůr of onder het koninklijk regiment vielen.

Die reformatiŽn in IsraŽl die vůůr het Koninklijk regiment vielen, zijn vier in getal.

Vooreerst de uitredding van de kerke Gods uit den ondergang waarmeÍ Egypte’s politiek hen bedreigde, en wel door overplaatsing van gansch de kerk uit het land Gosen naar de woestijn.

Ten tweede de reformatie door Mozes tot stand gebracht na de oprichting van den kalverendienst door Ašron.

Ten derde de onderscheidene reformatiŽn, die door Gideon, Jephta, Simson en andere richters in den volkstoestand wierden bewerkt.

En ten vierde de reformatie waartoe SamuŽl drong en die hij ten deele tot stand bracht.

Het karakter der drie laatstbedoelde reformatiŽn was uitroeiing van het verkeerde, geestelijke verwakkering van het volk en gewelddadig doorzetten van de triomf over de ongerechtigheid; edoch, telkens door mannen Gods, die daartoe bijzondere opdracht ontvangen hadden.

De reformatiŽn door de Koningen tot stand gebracht zijn zeven in aantal, en wel onder Asa, Josaphat, Jošs, Hiskia en Manasse in Juda, en onder Jehu en onder Achab door Elia in IsraŽl.

Deze reformatiŽn werden telkens in het leven geroepen door de schrikkelijke uitbarsting van afgoderij en goddeloosheid onder het volk. Wat de Schrift ons daarvan meldt gaat alle beschrijving te boven. De Sacramenten werden soms in jaren niet uitgedeeld. Alle wetsonderhouding geraakte in onbruik. Allerlei afgodische eerediensten werden openlijk in dorpen en steden, ja zelfs te Jeruzalem gepleegd. Het zedenbederf kende geen grenzen. Met het heillige werd gespot. Gods trouwe dienaren sloeg men dood. En tot in den tempel en onder de priesteren was het roekeloos bederf doorgedrongen.

En tegen deze gruwelen nu zijn in Juda vijfmalen de Koningen zelf opgetreden, met name Josaphat, Hiskia en Manasse, terwijl ook Asa’s en Jošs’ namen met dank en eere worden vermeld.

In IsraŽl was Jehu de eenige Koning die met een Hiskia’s ijver tegen het bederf der kerk is opgetreden, terwijl de reformatie onder Achab niet van den Koning, maar juist tegen den Koning van Elia was uitgegaan.

Bij deze zeven reformatiŽn, die, allen tamelijk wel een gelijk karakter dragen, valt op te merken, dat ze niet tot een breuke met de |193| bestaande kerk leidden, maar door de wettige, door God bestelde organen der kerk tot stand kwamen; terwijl ze niet tot vernieuwing van den kerkvorm of verandering van den eeredienst voerden, maar uitsluitend strekten om de afgoderij uit te roeien, de zedeloosheid te stuiten en den verwaarloosden kerkedienst weer in eere te brengen.

Na den val der Koningen tot op Jezus’ optreden lezen we in de Heilige Schrift van nog drie reformatien.

De eerste toen Zerubbabel de ballingkerk weer naar Palestina leidde en met Jozua de weÍropbouwing van Jeruzalems muren begon.

De tweede toen Ezra en Nehemia met fieren moed optraden om het nogmaals insluipend bederf in de geboorte te verstikken.

En de derde toen, vier eeuwen later, Jošnnes de Dooper aan de boorden van den Jordaan verscheen, om IsraŽl te manen tot boete en bekeering.

De eerste was een reformatie die geheel den toestand der kerk wijzigde en haar voor altoos in twee deelen splitste: de kerk die in Babylon bleef en de kerk die zich in Jeruzalem weer verzamelde.

De tweede was een geleidelijk kerkherstel tot afweren van verdervende elementen.

Terwijl de derde een reformatie door geestelijke verwakkering was, een rťveil zonder meer, waarbij de kerkvorm als zoodanig buiten sprake bleef.


*

En gaan we hiermeÍ nu over tot de geschiedenis der kerk buiten de Schriftuur, zoo dient wel onderscheiden tusschen de reformatiŽn door de groote ConciliŽn, de reformatiŽn door de kleine groepen, de reformatiŽn die tot splitsing der kerk leidden, en die reformatiŽn eindelijk die strekten om de eens gesplitste kerken te bewaren bij haar zuiverheid.

De groote ConciliŽn, wier reeks in 325 met het Concilie van Nicaea opende, waren alle reformatorische ConciliŽn, en hadden de kerken in 1517 op gelijke wijze in Concilie de hervorming der kerken kunnen tot stand brengen, zoo zou de jammerlijke splitsing en deeling der kerk ons nooit verscheurd hebben. Immers aan elk dezer groote ConciliŽn ging telkens het droeve feit vooraf, dat ergerlijke dwaalleer in de kerken van Jezus was ingeslopen; tot zelfs in den kring der leeraars op uitgebreide schaal sympathie had gevonden; heel het bestaan der kerk met scheuring en ondergang bedreigde; en de godzaligheid op grievende wijze schipbreuk deed lijden. En telkens zijn het dan deze Oecumenische ConciliŽn geweest, die in ’s Heeren |194| Geest sa‚mgekomen, de waarheid weer gehandhaafd, de ketterij veroordeeld, de eenheid der kerk hersteld en de bandeloosheid gestuit hebben.

Van geheel ander karakter weer waren de reformatiŽn door de kleine groepen, waarvan die door de Waldensen in Savoije, van de Hussieten in Boheme en van de Wicklefieten in Engeland de bekendste zijn, zij het ook op verre na niet de eenigen. Deze reformatiŽn gingen niet van de toongevende kringen uit, waren eer tegen de machthebbenden gericht, en strekten alleen om, ’t zij door, hetzij zonder breuke met de kerk, terug te keeren tot apostolische zuiverheid.

De groote reformatie, die eindelijk in de 16e eeuw doorbrak droeg de eenheid van haar stempel daarin, dat ze tot een finale breuke met het Roomsche kerkverband leidde, maar vertoonde overigens in onderscheidene landen een zeer uiteenloopend karakter.

Met name op drieŽrlei verschil is te letten.

De Duitsche reformatie, en op haar voetspoor die in Denemarken, Noorwegen enz. ging vooral van de Vorsten uit, kwam van bovenaf, en strekte om de geheele landskerke in heur ongedeeldheid om te zetten.

De Zwitsersche reformatie daarentegen, en op haar voetspoor die in Schotland en ten onzent, ging uit van het volk, kwam van beneden op, en strekte om de plaatselijke kerken eerst vrij te maken en daarna in nieuw kerkverband te verbinden.

Terwijl eindelijk de Slavische en Fransche reformatiŽn daarin weer van beiden onderscheiden waren, dat in Duitschland en Zwitserland wel met het kerkverband, maar niet met de kerken gebroken wierd, terwijl in Polen en Boherne, evenals in Frankrijk en ItaliŽ niet de bestaande kerk werd omgezet, maar naast en tegenover de bestaande Roomsche kerken, nieuwe Protestantsche werden opgericht.

Welk onderscheid echter geen oogenblik het aan allen gemeenschappelijk karakter opheft, t.w. dat ze allen tot stand kwamen door afbreken van de legitimistische lijn en door breuke met het bestaande.


*

En dient thans ten slotte nog met een enkel woord gewezen op de na-reformatorische reformatiŽn, dan bepalen we ons liefst tot ons eigen land, en wijzen op drie reformatiŽn, die meer in het oog liepen, zonder daarom tal van kleinere reformatiŽn te willen onderschatten.

De eerste was de reformatie die tot stand kwam door de Dordsche Synode. Ook toen was bederf in leer en leven ingeslopen en had zelfs een deel der leeraren en de kerkeraden aangetast. Ook toen brak men allerwege met den bestaanden toestand door het oprichten van doleerende kerken, en dus zonder de kerk te verlaten. Ook toen |195| ontstonden tegen-kerkeraden en tegen-classes. Ook toen dreigde de kerk gescheurd te worden. Maar door geleidelijk kerkherstel is destijds dit kwaad nog op de Dordsche Synode in 1619 bezworen.

De tweede was de reformatie door geestelijke verwakkering, die in de voorgaande eeuw in Zeeland, op het platteland van Holland en op de Veluwe tot veler opstaan uit den dood geleid heeft.

En de derde eindelijk is de reformatie, die omstreeks 1830/40 in onderscheidene deelen van ons land door Budding, Ledeboer, de Cock en Scholte beproefd is, en die in Zeeland tot het optreden in kleine kringen, onder de Ledeboerianen tot een soort doleerende kerken, en onder de Cock en Scholte, van Velzen en Brummelkamp tot de bekende afscheiding geleid heeft.

Van deze drie heeft alleen de laatste tot een resultaat van eenigen omvang geleid, doordien zelfstandig optreden en aanwending van de kracht der organisatie hier metterdaad nieuwe kerkstichting in het leven riep.

De Ledeboerianen wilden reformatie door breuke met de bestaande organisatie en desnoods met het bestaande kerkverband, maar oordeelden dat de kerken dezer landen nog niet als Bašlskerken mochten uitgekreten worden.

De later gescheidene broederen daarentegen achtten zich gerechtigd in de kerken dezer landen de merkteekenen der valsche kerk aan te wijzen, en op dien grond met deze verdorvene synagoge des Satans door nieuwe kerkformatie te breken.

Hierbij onderscheide men intusschen wel tusschen de zoodanigen die wierden afgezet, en hen die, zonder afgezet te zijn, eigener beweging de kerken dezer landen verlieten.

Voor den stap der eersten is zůůveel te zeggen, dat we ons niet gaarne aan hun gemeenschap zouden onttrokken hebben.

Het doen der laatsten daarentegen kan o.i. zeker zacht protest niet ontgaan.

Immers, men mag zijn kerk niet uitgaan, tenzij men wel verzekerd zij, dat ze een Synagoge des Satans wierd. Calvyn met name waarschuwt er zoo dringend tegen. En nu mag en moet het o.i. ten ernstigste betwijfeld, of de kerken dezer landen, waarvan men uitging, altoos en in elk onderscheiden geval, en in elke stad en in elk dorp, reeds zoo duidelijk de merkteekenen der valsche kerk vertoonden, dat uitgaan met een bloedend hart plicht was.

Gelijk men in de volgende ß zien zal, komt het ons dus voor, dat helaas, in niet zoo zeldzame gevallen de conclusie om uit te treden, metterdaad niet langer te ontwijken was. Maar hier staat tegenover, |196| dat ook velen destijds uittraden uit zoodanige kerken, die in zichzelven nog volstrekt niet derwijs gedeformeerd waren, en die dit deden alleen overmits deze kerken het kerkverband niet braken met andere dieper gezonken kerken.

En nu zien we niet in, dat of op grond der Schrift, of op grond der geschiedenis, ooit kan worden volgehouden, dat eenige kerk, alleen om het ongerechtig kerkverband, waarin ze staat, zoo maar voetstoots als valsche kerk, d.i. als Synagoge des Satans, mag verworpen.

Gaat men na hoe ontzettend de afval en verbastering van de kerk onder IsraŽl geweest is, en evenzoo hoevele tientallen van jaren, ja eeuwen, onze vaderen gewacht hebben, eer ze het verderf in Rome’s kerk hoog genoeg geklommen achtten, om breuke geoorloofd te doen schijnen, dan ontvangt men onwillekeurig den indruk, dat de nu uitgetreden broederen de kranke wel wat spoedig hebben opgegeven, en moeilijk aan den schijn kunnen ontkomen, van reeds de begrafenis voor menige kerk besteld te hebben, die door ’s Heeren goedheid weer bijkwam en nog leeft.


§ 64. Van de reformatie die in de Gereformeerde kerken dezer landen thans dient ondernomen.

Ook de Gereformeerde kerken dezer landen wachten wederom op doortastende reformatie, om in beteren kerkstaat hersteld, Gode weer zijne eere, aan zijn uitverkorenen de genieting zijns heils, en aan ons volk en vaderland steun tegen inzinking in dieper zedelijk verval te bieden.

Dat deze reformatie noodwendig is, blijkt uit droeve feiten, die, helaas, door niemand worden ontkend. Als daar zijn: dat de godzaligheid onder ’s Heeren volk beneden het gewone peil zonk. Dat de sleutel der kennisse, enkele zeer kleine kringen uitgenomen, weg is. Dat wereldgelijkvormigheid onder de leden der kerken niet slechts doordrong, maar bij de massa de overhand kreeg. Dat de grootste zedeloosheden en meest drieste ketterijen, tot godloochening voortgaande, openbaarlijk en straffeloos door de kerken worden geduld. Dat valsche leer onder de leeraars is doorgedrongen. Dat in veel kerken de Sacramenten worden ontheiligd. Dat de liefde onder de broederen week voor twist en verdeeldheid. Dat er onder de kerken scheuring is ontstaan, doordien tal van kleinere groepen als afzonderlijke kerk zijn opgetreden. En eindelijk, dat de meesten dier kerken in een kerkverband staan, dat steeds onheiliger karakter vertoont en al meer nadert aan de pauselijke hiŽrarchie. |197|

Overdrijven willen we hierbij niet, en wel heeft men zich te wachten voor de onware voorstelling, alsof de staat onzer kerken nu reeds op ťťn lijn ware te stellen, met b.v. den staat der kerk van Jeruzalem, onder de latere Koningen, of ook met den staat van onze Vaderlandsche kerken in het laatst der 15e eeuw.

Wie dit zegt, kent de historie niet.

Veeleer moet staande gehouden, dat de Gereformeerde kerken dezer landen nog altoos dŠŠrin van beide genoemde kerken onderscheiden zijn: 1º. dat de bediening van het Woord en van het Sacrament in vele dezer kerken nog voortbestaat in een zuiverheid als destijds geheel ongekend was; 2º. dat de ingeslopen ketterij en zedeloosheid nog op verre na niet dat afgodisch en satanisch karakter van destijds heeft aangenomen; 3º. dat die beter wil nog veel vrijer zich beweegt en op verre na niet als destijds mishandeld wordt; en 4º. dat de zedeloosheid onder de leeraren, hoewel hier en daar zich reeds vertoonende, toch in geen vergelijking komt met hetgeen in Jeruzalem en onder Rome in de 15e eeuw is gezien.

Vraagt men dan ook, of we de Gereformeerde kerken dezer landen reeds beschouwen mogen als zijnde valsche kerken of synagogen des satans geworden, dan wenschen we te antwoorden met onderscheid en verschil te maken tusschen drieŽrlei soort van kerken.

In eerste linie plaatsen we daartoe die kerken waar nog tamelijk zuivere bediening van het Woord en tamelijk zuivere bediening van de Sacramenten is, gelijk in de kerken van Amsterdam, Rotterdam, Utrecht enz., naar we meenen te mogen gissen, wel een 5 ŗ 600 in aantal.

Van deze kerken komt het ons geen oogenblik twijfelachtig voor, dat ze metterdaad nog ware kerken van onzen Heere Jezus Christus zijn. En dat wel niettegenstaande we grif en gaaf toegeven, dat in deze kerken de navolgende misstanden bestaan: 1º. dat ze nevens de goede bediening der genademiddelen nog ontheiliging er van toelaten, 2º. dat ze de tucht in onbruik lieten komen, 3º. dat ze ook aan ongeloovigen stemrecht verleenen, en 4º. dat ze in valsch kerkverband staan.

Gebreken die we ganschelijk niet gering achten, maar nog geenszins bij ons bewerken kunnen, dat we deze kerken als valsche kerken durven uitwerpen.

Men bedenke toch wel, dat ook onze vaderen, hoewel de valsche prediking voortbestond, nochtans er geen oogenblik aan gedacht hebben, om hun plaatselijke kerk (wel Rome) als valsche kerk op te geven.

In tweede linie plaatsen we die kerken, waar wel voor het |198| oogenblik de goede bediening van de genademiddelen ontbreekt, doch waar nog bidders zijn en nog hope wordt gekoesterd, dat op ’s Heeren tijd de Bašlsdienst voor den dienst des Heeren zal wijken.

De voorbeelden zijn met name noembaar van tal van kerken waar twintig, dertig jaren lang nooit anders dan leugenleeraars dienden, en die op het gebed der geloovigen desniettemin thans weer met goede bediening der genademiddelen verwaardigd en begenadigd zijn. Och, of ze er Gode dank voor mochten brengen!

De toestand van deze kerken nu beschouwen we als uiterst gevaarlijk, en geven zelfs toe, dat ze den naam van kerk of althans „den wettigen vorm” er van, gelijk Calvijn zegt, bijna verloren hebben. Maar als we nochtans letten op hetgeen in IsraŽl geschied is, letten op de behoudenisse der kerken onder de Roomsche hiŽrarchie, en zien ook op de teekenen die onze eigene oogen in tal van andere kerken aanschouwd hebben, durven we het voor God den Heere nog niet aan, om deze kerken reeds nu voor dood te verklaren, noch om hun kerkeraad gelijk te stellen met een Synagoge des Satans.

Wel helaas, meenen we dat te mogen doen bij de derde categorie van kerken, gelijk er niet weinigen in onze provinciŽn gevonden worden, en waarvan gezegd dient: 1º. dat de bediening der genademiddelen er niet slechts week, maar zonder dat eenig uitzicht op terugkeer gekend of hope op terugkeer gekoesterd wordt; 2º. dat de bediening van ongeloof en afgoderij er openlijk de heilige plaatsheeft ingenomen zonder de conscientie meer aanstoot te geven; en 3º. dat de vijandschap tegen de waarheid en de ontstentenisse van godzaligheid zůůver voortschreed, dat een zedelijke ontbinding in alle verhoudingen der maatschappij valt waar te nemen.

Van zulke kerken meenen we dat gezegd moet: Ze zijn gestorven. De kandelaar is van haar plaatse genomen. En wel kan God de Heerete dier plaatse een nieuwe kerk doen opbouwen, maar uit dien ouden, verdorden stam wordt niets meer.

Want wel achten we het niet ondenkbaar, dat bijv. door ringprediking tijdens vacature de genade Gods er weer gepredikt, door die prediking eenige zielen getroffen, en uit dien kring van getroffenen een nieuw leven voor de kerk voortkwame, maar betwijfelen zeer of men dit een nieuw opleven van de oude kerk zou kunnen noemen. Op geheel gelijke wijze toch kan ook in een valsche kerk door toevallige omstandigheden het Woord komen, zonder dat iemand daarom die valsche kerk ter oorzake van dit bijkomstige rehabiliteeren zal.

Misschien vraagt men, waarom we aan deze drie categorieŽn van |199| Gereformeerde kerken nog niet een vierde toevoegen voor de kerken der gescheidenen in hun drie of vier groepen, die onder onderscheidene benamingen voortbestaan.

Reden hiervan is, dat wij in al deze gescheidene kerken niets anders kunnen noch mogen zien dan doleerende kerken, die zich tijdelijk misschien iets te zelfstandig georganiseerd hebben. Als morgen den dag de kerken van Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, enz. door reformatie weer in zuiveren staat hersteld worden, zijn we overtuigd, dat al deze nu gescheidene kerken zullen sa‚mvloeien; terwijl het heur allerminst euvel is te duiden, dat ze dit weigeren te doen, zoolang die reformatie toeft en een ongeoorloofd kerkverband wordt bijgehouden.

Nu weten we wel, dat deze gescheidene kerken zelven volstrekt niet zullen toegeven, dat ze doleerende kerken zijn. Maar dit deert ons niet. Waren ze toch geen doleerende kerken, dan zouden ze moeten volhouden dat onze kerken alle valsche kerken of Synagogen des Satans zijn. En naar we gelooven durven, doen althans de godzaligen onder hen dit niet meer. En mag nu als veldwinnende overtuiging onder hen aangenomen, dat lang niet alle kerken, waarnaast de gescheidene kerk is opgetreden, als valsche kerken wegstierven, dan volgt hieruit immers van zelf, dat deze gescheidene kerken Úf schismatiek zouden zijn, Úf wel, en dat is onze stelling, als doleerende kerken van iets te zelfstandige organisatie door ons zijn te eeren.

Aan het huldigen van deze beschouwing stond vroeger in den weg, dat men van de modernen en groningers de onjuiste voorstelling had overgenomen, alsof er hier te lande slechts ťťne groote kerk bestond, met plaatselijke afdeelingen. In die gedachtenlijn nu moest men wel redeneeren: „Al wat de kerk in haar afdeeling te Ulrum doet, doet altoos die geheele kerk!” en dan moest men die kerk in al haar afdeelingen ook verwerpen. Maar gelukt het dan ook, dit valsche collegiale denkbeeld te doen wijken voor meer gereformeerde denkbeelden, mag dan geen hoop gekoesterd, dat men ook bij deze gescheidene kerken het gemaakte onderscheid toe zal geven, door het kerkverband weer als bijkomstig te gaan beschouwen, en het wezen der kerk te stellen, niet in het genootschap, maar in de plaatselijke kerken.

Tevens zal dit bij die gescheidenen, die onder den naam van „Christelijke Gereformeerden” bij de Regeering erkend zijn, een reactie in het leven roepen tegen de min of meer collegiale beschouwing, waardoor sommigen ook onder hen het gescheiden kerkgenootschap |200| zich denken als hoofdidťe en de plaatselijke kerken als van dat genootschap de compartimenten.

Dit is ongereformeerd en zal door de heerschappij van het gereformeerde beginsel ook uit deze kerken allengs worden uitgedreven.


En wat nu de vraag betreft, op wat wijze de reformatie der Gereformeerde kerken bij deze onderscheidene categoriŽn hier te lande dient ondernomen, zoo antwoorden we daarop onderscheidenlijk, ťn voor zooveel aangaat de boven aangegeven drie categoriŽn, ťn voor zooveel betreft de personen of lichamen die tot handelen geroepen worden.

We doen dit in de navolgende opmerkingen.

1º. Alle kinderen Gods in deze kerken zullen weldoen met geestelijk dezen droeven staat der kerk voor de poorte van hun hart te brengen. Het oordeel Gods over zijn volk moet in dezen droeven kerkstaat veel meer dan dusver erkend. Niet enkel in de kerken, die half verwoest zijn, maar ook in kerken, als die van Amsterdam moet de jammerlijke gesteldheid der kerk tot gebed en smeeking uitdrijven. Het moet van den Heere begeerd, dat Hij om Zijnen heiligen Naams wille zich weer ontferme over Zijn Zion.

2º. Deze geestelijke bemoeienis met de ellende der kerken Gods moet leiden tot persoonlijke schuldbelijdenis en persoonlijke bekeering ook van de godzaligen. Gods kind kent zijn eigen schuld als de diepste. Ieder zij in zijn eigen oog de grootste der zondaren. En ook, uit dien dood sta hij op. Er zij boete, er zij bekeering, er zij vernieuwing des Verbonds met den Allerhoogste!

3º. Uit het persoonlijk leven ga deze reformatie over in onze huisgezinnen en broederkringen. Daarheen dringe het eerst de impulsie des beteren levens door. Het ga weer op hope tegen hope. Van de wereld af naar den Heere der heirscharen toe. Uit de tente der ijdelheid naar de tente onzes Heeren. En zich versteken in Zijn hut.

4º. Uit dezen kring trede deze reformatie naar buiten in bestrijding van zonde en dwaalleer, en in betooning van barmhartigheid, meÍ door bekendmaking van het Evangelie der behoudenis. Het ambt der geloovigen, dat nog sluimert, trede heerlijk in zijn bediening uit. En de diepst ingeleiden, wel verre van dit aan anderen over te laten, mogen toch gebeden zijn, om hierin voor te gaan.

5º. In die kerken, die naar onze derde categorie geheel verstorven zijn, zouden we voorts de geloovigen vermanen willen, om ůf een kerke Christi op te richten, ůf zich aan te sluiten bij een andere kerk, die in hun woonplaats als gescheiden kerk mocht bestaan; mits |201| slechts zooveel van die kerk kan verkregen worden, dat ze de mogelijkheid van nieuw kerkverband met andere gereformeerde kerken openhield.

6º. In die kerken, waarin naar onze tweede categorie de zuivere bediening der genademiddelen tijdelijk ontbreekt, maar nog hope bleef op herstel, zouden we de geloovigen gebeden willen hebben, om zonder verwijl een doleerende kerk op te richten, d.w.z. een bedeeling der genademiddelen in het leven te willen roepen onder leiding van een geloovigen kerkeraad, daartoe expresselijk gekozen.

7º. En in die kerken, waar, overeenkomstig onze eerste categorie nog tamelijk zuivere bediening der genademiddelen is, zullen de geloovigen goed doen, met deze middelen getrouwelijk te gebruiken, God den Heere voor zijn genadebetoon in deze middelen te danken en Hem te bidden, dat die bediening hun gelaten worde. En voorts zullen dan de geloovigen gehouden zijn, om in geen enkel opzicht, ’t zij door onderwijs, huisbezoek, doop of prediking gemeenschap te oefenen met zoodanige leeraars of ambtsdragers in hun kerk, als den raad Gods weerstaan.


In de tweede plaats voor wat aangaat de personen in het ambt zoo zouden we meenen:

1º. dat predikanten in wier nabijheid gemeenten van de 2e of 3e categorie lagen, gehouden zouden zijn, om door missie in deze verstorven kerken personen tot de kennisse des Evangelies te brengen en aan de doleerende kerken als consulent elken verlangden steun te bieden.

2º. dat predikanten in kerken, waar zij ongeloovige leeraars naast zich vinden, alle ambtelijke gemeenschap met dezen hebben af te breken, zij het ook onder alle bescheiden betoon van belangstelling in hun persoonlijk leven, opdat geen verheffing aanstoot geve.

3º. dat predikanten van den predikstoel, in de catechisatie en bij het huisbezoek gedurig de gemeente bij het oordeel Gods dat op de kerk rust, hebben te bepalen; tot boete en bekeering hebben op te wekken; en zelven door hun exempel in heiligen wandelen betering des levens hebben voor te gaan.

4º. dat predikanten in de vergadering van den kerkeraad op kerkherstel naar den Woorde Gods hebben aan te dringen, en ten leste, zoo dit niet baat, met de belijdende kerkeraadsleden afzonderlijk behooren te vergaderen.

5º. dat predikanten in hunne Classes er op hebben aan te dringen dat bijzonderlijk acht worde gegeven op kerken die van de belijdenis |202| afgaan, of waar de bediening der genademiddelen wordt vervalscht.

6º. dat predikanten bij de Classis hunner kerken allen ijver dienen aan te wenden, om de gezamenlijke kerken tot verootmoediging voor den Heere en terugkeer naar zijn Wet en getuigenis te bewegen.

7º. dat ouderlingen, voor zooveel hun ambt dit meÍbrengt, gelijken weg hebben in te slaan als de Bedienaren des Woords, en bovendien in kerken waar geen bedienaar des Woords de gemeente met het Woord voedt, haar hebben te sterken door plaatsbekleedende bediening, en haar hebben behulpzaam te zijn bij het formeeren van doleerende kerken.

en 8º. dat diakenen, evenals de ouderlingen, naargelang hun ambt is, de Bedienaren des Woords in de reformatie der kerken terzijde hebben te staan, en de werken van barmhartigheid, door reformatie der verkoelde liefde, krachtig behooren op te wekken.


In de derde plaats, voor zooveel de kerkelijke vergaderingen aangaat, zoo komt het ons voor:

1º. dat de kerkeraden er op bedacht behooren te zijn om kerken van de tweede categorie te hulpe te komen, en in verstorven kerken van de derde categorie door missie te werken.

2º. dat de kerkeraden er naar behooren te streven, om de niet-belijdende elementen uit hun midden te verwijderen en alle gemeenschap met ongeloovige leeraars behooren af te breken.

3º. dat de kerkeraden hun kerk behooren op te wekken tot schuldbelijdenis, boete en bekeering en betering des levens, en hiertoe de tucht weer behooren te herstellen.

4º. dat de kerkeraden het kerkverband met andere kerken moeten doen strekken, om die andere kerken tot medereformatie te bewegen, en zoo dit blijkt niet verkrijgbaar te zijn, alsdan dat kerkverband behooren los te maken, door de invoering van een eigen kerkorde den staat hunner eigene kerk behooren te regelen, en voorts met al zulke doleerende of niet doleerende kerken in verband dienen te treden als met hen ťťn zijn in belijdenis.

5º. dat de Classis de verkiezingen voor de onwettige besturen behooren na te laten; opdat deze besturen van zelf wegvallen; en voorts met andere classes in verband behooren te treden, om uit deze classes een wettige, geestelijke, nationale synode sa‚m te roepen.

6º. dat de classicale en provinciale Besturen, die niet in Gods Woord gegrond zijn en dus elk goddelijk bestaansrecht missen, zich behooren te ontbinden.

En 7º. dat de synode dezer kerken haar aangematigd souverein |203| gezag behoort af te leggen; van heur staan naar de kroon van Christus behoort af te laten; en de classes behoort uit te noodigen, om op grond der formulieren van eenigheid in betere Synode sa‚m te komen door deputaten, en door deze gedeputeerde Synode de reformatie van het kerkverband ter hand te doen nemen.


Wat in de vierde plaats de Overheid aangaat.

1º. dat de Overheid de Kon. Besluiten van 1815 en 1852 behoort in te trekken, opdat de fictie vervalle, alsof in 1852 de kerken vrij over haar eigen toekomst hadden kunnen beschikken, iets wat daarom niet gezegd mag, overmits de in 1852 tot stand gekomen regeling geheel beheerscht is door invloeden die krachtens het Besluit van 1815 in de kerk waren ingedrongen.

2º. dat de Overheid de noodige stappen doe, om Art. 168 voor zooveel de finantiŽele banden aangaat, uit de Grondwet te doen uitlichten, zoo mogelijk na vooraf aan de plaatselijke kerken, hetzij in eens, hetzij bij termijnen de kapitale som te hebben terugbetaald en wat haar rechtens in rechten toekomt.

en 3º. dat de Overheid aan kerken, die in hun geheel het kerkverband verlaten, krachtens de wet van 1853 op de kerkgenootschappen erkenning en, zoo lang Art. 168 in de Grondwet vigeert, het genot van de daar gegunde emolumenten behoort te verleenen.


En wat eindelijk in de vijfde plaats de gescheidene kerken aangaat:

1º. dat deze haar zelfstandigheid als plaatselijke kerken steeds duidelijker hebben te accentueeren, opdat elk overblijfsel van den zuurdeesem van het collegiale stelsel gebannen worde.

2º. dat zij gemeenschap hebben te onderhouden met andere doleerende kerken, die zulks verlangen.

En 3º. dat zij, zoodra de oorspronkelijke kerken door geestelijke reformatie, uitbanning van onware bestanddeelen en losmaking van elk verkeerd kerkverband, hun vrijheid van handelen herwonnen hebben, weer met deze hebben sa‚m te smelten tot ťťne plaatselijke kerk, zij het ook in onderscheidene parochieŽn.

Bij geheel dit kerkrechtelijk deel der reformatie zulien onze kerken zich hebben te stellen op de basis van Gods Woord, naar de Belijdenis hiervan gedaan in onze Drie formulieren van Eenigheid. Niet alsof die formulieren ooit in eenige gelijke waarde, of ook maar in vergelijking van waarde, met dat Woord konden komen, maar overmits noch aan eenig particulier persoon, |204| noch aan eenig drager van het ambt, maar alleen aan de kerken, in wettige Synode sa‚mgekomen, het recht toekomt om de gravamina die op grond van dit Woord tegen eenig Formulier mochten worden ingebracht, als rechters te beoordeelen en daarover in den naam des Heeren te beslissen.


§ 65. Van inbezitneming der Hoogere Besturen.

Den weg van inbezitneming der Classicale en Provinciale Besturen, die anderen verkieslijk toeschijnt, blijf ik ontraden. Reeds op zichzelf schijnt zulk een weg van opportuniteit, waarbij de beginselen hun stofgoud verliezen, minder verkieslijk. Maar bovendien, te zitten in zulk een bestuur, onder deze kerkorde, is een deel uitoefenen van een macht, die niet aan ons, maar aan Jezus onzen Koning toekomt. Voorts, ook al slaagde men er in, om met hulpe van dissentiŽerende broederen, en dus zonder vasten grond van belijdenis, de kerkbesturen te eigenen, zoo zoudt ge immers aan het einde van den weg u toch weer deelen en de oude worsteling van nieuws af aan beginnen mogen. En eindelijk, wat ook onzen broederen toch immers niet minder zwaar weegt, ge maakt er het kerkherstel zoo ongeestelijk door, en berekening vervangt de wondere kracht van boete voor God te doen, en den adel van het gebed.

Meenen echter velen onzer broederen dien weg te mogen inslaan, niet wij wenschen hen te oordeelen, en geven den uitslag der worsteling aan Hem over, zonder wiens hoogere bezieling toch alle reformatie mislukt.

Maar welken anderen of beteren weg, dan den door ons geteekende, men ook voor de reformatie onzer kerken moge afbakenen, ťťn ding moge toch met stillen ernst en heiligen aandrang van alle broederen in den geloove zijn afgebeden. Dit namelijk, dat de geestelijke stroom, die bij schuldbelijden begint en in bekeering des levens te voorschijn treedt, geen oogenblik van onder den kouden ijskorst der kerkrechtelijke bemoeienisse wegvloeie. Dat de drang tot reformatie bij leden noch ambtsdragers ooit door een antinomiaansche theorie van uitzieken worde tegengehouden, noch ook ruste eer alle ding in de kerke Gods weer naar den regel ga van zijn Woord. En ten slotte, dat bij alle ijveren voor den Naam des Heeren, zelfs dan als de ťťne broeder tegen den anderen getuigen moet, de hoogere liefde toch bij geen onzer verdorre, maar in aller hart welig bloeie op het graf van ons eigen Ik. |207|




Inhoud

Hoofdstuk I. Algemeene beginselen.

§ 1. Wat Reformatie der kerken onderstelt.1
§ 2. Waaruit de rechte forme der kerken gekend wordt.1
§ 3. Op wat vierderlei wijze de kerke Christi te verstaan zij.5
§ 4. Waarom de ťťne zelfde kerk op aarde tegelijk onzichtbaar en zichtbaar zij.7
§ 5. Hoe Gods Woord geheel het leven der kerk beheerscht.8
§ 6. Hoe de dienst des Woords oudtijds anders was dan nu.10
§ 7. Waarom de kerk vroeger geen eigen inrichting noodig had en thans wel.11
§ 8. Bij wien voor de kerk de bron van het Souverein gezag ontspringt?13
§ 9. Hoe Jezus Koning over zijn kerk wierd.13
§ 10. Hoe dit koninklijk gezag van Christus op aarde werkt door het instrumenteel gebruik van menschelijke personen.15
§ 11. Op wat wijze het ambt in de kerke Christi onder het Nieuwe Verbond werkt.18
§ 12. Op welke wijze de Heilige Geest het aardsche ambt met het hemelsche Messiasambt van Koning Jezus saamverbindt.22

* |208|

Hoofdstuk II. Van de rechte formatie der kerken.

§ 13. Op wat wijze de formatie eener kerke tot stand komt.27
§ 14. Wat het wezen eener tot formatie gekomene kerk uitmaakt.29
§ 15. Hoe de kerken gedeeld en toch ťťn zijn.32
§ 16. Of er in ťťn zelfde plaats meer dan ťťne kerk kan geformeerd worden.36
§ 17. Hoe een eenmaal geformeerde kerk duurzaamheid erlangt.37
§ 18. Waar het gezag in de zichtbare kerk berust.41
§ 19. Welke stelsels van kerkregeering er beproefd zijn.44
§ 20. In welke deelen het gezag, dat in de kerk van Christus wordt uitgeoefend, zich splitst.52
§ 21. Hoe dit gezag der kerken zich met het gezag der overheid verdraagt.56
§ 22. Wat gelden moet van de Dienaren des Woords.59
§ 23. Hoe het Ouderlingschap in de kerk behoort te staan.62
§ 24. Wat van de Doctoren zij te houden.63
§ 25. Wat de Diakenen in de kerke Christi te doen hebben.65
§ 26. Hoedanig het ambt aller geloovigen in de kerke Christi te beoordeelen zij.67
§ 27. Hoe het staat met der kerken goederen.69
§ 28. Door welke vergadering de kerk bestuurd wordt.71
§ 29. Van de toebediening der genademiddelen.72
§ 30. Van de oefening der kerkelijke tucht.74
§ 31. Van den Eeredienst.75
§ 32. Hoe een kerk in verband treedt met andere kerken.77
§ 33. Of de kerken ook bemoeienis hebben met wat niet tot de kerk behoort.80
§ 34. Wat de roeping der kerken ten opzichte van de scholen zij.81

* |209|

Hoofdstuk III. Van de deformatie der kerken.

§ 35. Wat hier onder deformatie der kerken te verstaan zij.83
§ 36. Van onvolkomene kerkformatiŽn.84
§ 37. Uit wat oorzaak de deformatie der kerken moet verklaard.90
§ 38. In wat manier zulke deformatie in de kerke Gods gemeenlijk uitbreekt.94
§ 39. Op welke drie afwijkingen bij dezen regel te letten valt.96
§ 40. Van de deformatie in de leden.98
§ 41. Van de deformatie in de ambtsdragers.101
§ 42. Van de deformatie in de belijdenis.103
§ 43. Van de deformatie in de toebediening der genademiddelen.104
§ 44. Van de deformatie in de tucht.105
§ 45. Van de deformatie in het werk der liefde en der barmhartigheden.106
§ 46. Van de deformatie in den Eeredienst.108
§ 47. Van de deformatie in het kerkbestuur.109
§ 48. Van de deformatie door woekerplanten op den kerkelijken stam, ofte van de secten.110
§ 49. Hoe de kerk door deformatie ten slotte in een schijnkerk verloopt.111
§ 50. Hoe de valsche kerk opkomt.112

*

Hoofdstuk IV. Van de reformatie der kerken.

§ 51. Wat onder reformatie der kerke te verstaan zij.116
§ 52. Dat alle goede reformatie God tot auteur heeft.118
§ 53. Van reformatie door geestelijke opwekking.121
§ 54. Van reformatie door geleidelijk kerkherstel. |210|127
§ 55. Van reformatie door breuke met het bestaande.134
§ 56. Van reformatie door breuke met de bestaande organisatie.136
§ 57. Van reformatie door breuke met het bestaande kerkverband.146
§ 58. Van reformatie door breuke met de bestaande kerk.159
§ 59. Van de onderscheiding tusschen de ware en valsche kerk.167
§ 60. Van Zacharia’s roepen: „Niet door kracht of geweld, maar door den Geest des Heeren!” Reformatie en legitimisme.178
§ 61. Van de reformatie in tegenstelling tot de revolutie.182
§ 62. Van de reformatie en de overheid.185
§ 63. Van de reformatiŽn die tot stand kwamen, en hun onderscheiden karakter.189
§ 64. Van de reformatie die in de Gereformeerde kerken dezer landen thans dient ondernomen.196
§ 65. Van inbezitneming der Hoogere Besturen.204

*



1. Calv. Inst. Regl. Christ. L. IV. c. 1, § 13, 14, 18, 19, 24.

2. Witsius, adm. adv. Labadisten, p. 159-174. Cf. de Moor, Comm. in Marck. Tom. V. 42.

3. Calvin. Inst. Rel. Christ. L. IV. c. 1. § 9.

4. Turretin, Inst. Theol. Elenchth. T. III, p. 98.

5. Calvin. Inst. relig. Chr. C. IV. 1 ß 10.

6. Ibidem.

7. Ibidem. L. IV, C. 2, § 7, 8.

8. Ib. ß 8, 9.

9. Calvin. L. IV. C. 2, § 10.

10. Ib. § 12.

11. Calvijn, (Inst. rel.) Christ. L. IV. C. 1, § 12.

12. Dit gebruik is intusschen onhistorisch. Oorspronkelijk beteekent kerkgenootschap ťťn locale kerk.

13. Cf. Junius, de observatione legis mosaicae, in ed. Amst. 1882, p. 336-392.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004