Hoofdstuk III. Van de deformatie der kerken.


§ 35. Wat hier onder deformatie der kerken te verstaan zij.

Deformatie ontstaat doordien in kerken, die van goede formatie geweest zijn, deze goede formatie sinds in deugdelijkheid verloor. Alle gebrek, dááruit voortspruitende, dat de formatie der kerk nog in wording is, valt hier dus buiten. In de apostolische kerk te Jeruzalem, te Antiochië, te Rome enz. was, tijdens het leven der Apostelen, de formatie nog verre van volkomen. Vele ledematen aan het kerkelijk organisme waren nog niet uitgegroeid; nog niet ontwikkeld. Evenzoo verkeerden de kerken die tijdens de Hervorming hier nieuw tot openbaring kwamen, vaak in nog zeer gebrekkigen staat. Zelfs ontbrak voor 1563 een gemeenschappelijke confessie. Toch was dit zoomin in de eerste als in de zestiende eeuw deformatie; overmits deformatie, of misvorming, verbastering, ontaarding, altoos stelt, dat de vorm, de geaardheid eerst goed geweest is en sinds leed en verviel. — Evenmin mag onder deformatie verstaan het niet bereiken van het ideaal. Ook bij deformatie van kerken toch kan men zich indenken in een idealen toestand, en dat wel in tweeërlei zin. Men kan namelijk óf den toestand van de hemelsche kerk zich reeds als ideaal hier op aarde denken; wat niet mag, overmits het Gods bestel over deze bedeeling wraakt en in verzet komt tegen zijn beschikking; óf wel men kan zich een toestand op aarde denken, die een enkel maal, in een enkel oord, onder zeer gunstige omstandigheden, voor een korte poos bestaan kon en bestaan heeft, en dien men zich nu voorts als model kiest voor de formatie aller kerken aan alle plaatsen en in alle tijden. Aan dezen maatstaf nu gemeten en met dat ideale model vergeleken, zullen schier alle kerken te kort schieten en onder het oordeel der onvolkomenheid vallen. Goed is in deze strenge critiek het levendig besef, dat de kerk nimmer vrede met zichzelve mag hebben noch insluimeren op wat ze verwierf, doch steeds hoog heur heerlijke banier heeft te houden, om nimmer te rusten bij het verkeerde en gebrekkige. Maar verkeerd is in deze wijze van beoordeeling tweeërlei. |84| Ten eerste dat ons ideaal nooit mag ontleend aan wat in een enkele kerk soms een korte poos gezien is, maar steeds moet genomen uit Gods Woord. En ten andere, dat aldus het verschil van plaatsen, tijden en gelegenheden niet tot zijn eisch komt, en het stellen van de exceptie tot regel ontmoedigt, onbillijk maakt en Donatisme in de hand werkt. Met betrekking tot het ideaal gelde derhalve, dat ons eenig wettig ideaal zij hetgeen de Heilige Schriftuur ons voor de kerke Gods tot eisch stelt; hetzij rechtstreeks, hetzij bij wettige gevolgtrekking; ook met inachtneming van de uitlegging des Heiligen Geestes in de historie. Dat voorts dit hooge ideaal, juist omdat het ideaal is, nooit ten volle op aarde, met eenige geduurzaamheid bereikt wordt. En eindelijk, dat met het oog hierop, dan pas van deformatie sprake kan zijn, indien de kerk waartoe men behoort van een hooger standpunt tot een lager afdaalde en inzonk, Wel blijft ook op een kerk, die nog nimmer een hooger standpunt innam, de verplichting rusten, om naar volkomener toestand te streven; en is het geoorloofd ook dat streven naar een volkomener toestand als reformatie op te vatten; maar tot deformatie, d.i. verbastering, kwam het onder zulke omstandigheden niet.

Om met beleid en helder doorzicht te werk te gaan, onderscheide men dus wel drieërlei, t.w.: ten eerste kerkformatiën die nog pas bezig zijn tot vaste gestalte te komen; ten tweede kerkformatiën die, hoezeer tot vaste gestalte gekomen, toch hebben te streven naar nog volkomener gestalte; en ten derde, kerkformatiën die, aan een vroeger zuiverder gestalte ontzonken, zich alsnu uit die inzinking weer hebben op te heffen. En alleen de laatstbedoelde verkeeren in gedeformeerden staat.


§ 36. Van onvolkomene kerkformatiën.

Kerken die, zonder onder deformatie te lijden, nochtans de ware kerkgestalte niet vertoonen, zelfs niet in den op zichzelf bereikbaren vorm, verkeeren in staat van onvolkomenheid, en volledigheid eischt dus, dat ook deze onvolkomene kerken hier ter sprake komen; althans voor zooveel de kerken onzer dagen aangaat.

Onvolkomene kerken kunnen van vierderlei aard zijn, t.w. zendingskerken, gelegenheidskerken, kruiskerken en doleerende kerken, en van elk dezer vier behoort afzonderlijk gehandeld te worden.

Zendingskerken zijn niet wat men thans b.v. in Doetinchem en op den Vluchtheuvel alzoo noemt. Daar toch heeft men, in strijd met alle goede beginselen van kerkrecht, op plaatsen waar reeds een |85| kerk bestond, een tweede soort kerkelijke gemeente in de bestaande ingeschoven. Te Doetinchem bestaat namelijk vooreerst de Nederlandsche Hervormde kerk, met eigen kerkeraad en dienaars, zoo predikanten als ouderlingen en diakenen; maar daarnaast bestaat nu in hetzelfde Doetinchem nog een andere kerk, evenzeer met een eigen bestuur en eigen inrichting, die zich zendingsgemeente noemt. En ook omtrent de kerk op den Vluchtheuvel is bepaald, dat in dezelfde gemeente naast de kerk van Zetten, de Vluchtheuvelskerk een zelfstandig bestaan zou hebben, met dien verstande, dat wie woont op goed aan de Heldringsstichtingen toekomende, recht zou hebben om zich aan den kerkeraad van Zetten te onttrekken en te voegen bij de Vluchtheuvelsgemeente. Stel dus, er ware geld voorhanden, om half Zetten aan te koopen, dan werd achtereenvolgens half de gemeente van onder den Zettenschen kerkeraad weggekocht. Met hoe goede bedoelingen deze stichtingen nu ook in het leven mogen geroepen zijn, toch zijn ze op grond van de beginselen van ons gereformeerd kerkrecht zeer stellig te veroordeelen. Zoo iets mag niet. Neen, zendingskerken kunnen slechts daar ontstaan waar de kerk nog niet is, en derhalve of in landen door Joden, heidenen of Mahomedanen bewoond, of in streken van ons eigen land, waar het geloof in Jezus Christus vernietigd werd; doch ook daar alleen.

Zulke zendingskerken nu kunnen ontstaan op tweeërlei manier namelijk òf doordien een bestaande kerk er van elders afgevaardigden heenzendt, om er een kerk te stichten, òf ook doordien particuliere geloovigen in Gods hand het middel zijn, om ongeloovigen tot belijders te maken, en doordien alsnu deze belijders zich tot een kerk vereenigen.

Een zendingskerk van het eerste soort begint met uiterst gebrekkig te zijn, en voorloopig slechts te bestaan uit het gezin van den gezonden dienaar des Woords. Ze is dan een filiaal-kerk van de kerk die hem zond; staande onder haar kerkeraad; onder haar belijdenis; en als een nog niet uitgestekte plant aan de moederplant verbonden. Schenkt God de Heere aan enkele inwoners dier plaats bekeering, dan worden deze gedoopt, niet krachtens het ambt van den Dienaar, maar krachtens volmacht aan dien dienaar door den zendenden kerkeraad verstrekt. Breidt die kring zich uit, dan wordt onder gelijk beding het heilig Avondmaal verstrekt. En eerst van lieverleê zal men er in slagen, naast den Dienaar des Woords een enkelen ouderling en diaken te plaatsen, om aldus eerst allengs de organisatie dezer kerk tot eenige volkomenheid te brengen, en den dag te doen komen, waarop ze, als een losgemaakte stek van de |86| moederkerk, haar eigen zelfstandig bestaan zal kunnen beginnen. Men heeft hier dus in deze zendingskerken het voorbeeld van nog onvolkomene kerken, die een tijdlang zonder het recht gebruik der Sacramenten en zonder oefening van tucht zijn, en aan wie toch als wordende kerken het karakter van kerk niet kan worden ontzegd.

Eenigszins anders is de gang van zaken, waar een zendingskerk ontstaat door particulier initiatief. Om het sterkste geval te nemen, is het namelijk zelfs denkbaar, dat eenige schipbreukelingen, op een onbekend eiland geland, er in slaagden de bewoners van dit eiland tot den Christus te bekeeren, en toch door gebrek aan communicatie buiten de mogelijkheid verkeerden, om met eenige bestaande kerk in aanraking te komen. In zulk een geval nu zouden deze belijders niet zonder kerkelijk verband mogen leven, maar zouden ze verplicht zijn, een kerk te stichten, opzieners en diakenen te verkiezen, door deze een dienaar des Woords te laten aanstellen en door dien dienaar in te voeren een dienst des Woords, het gebruik der Sacramenten en de oefening der tucht. Het zuiverst, zeer zeldzaam voorkomend geval, maar dat toch de wording der kerk in het helderst lichtstelt. Meestal daarentegen zou zulk een kring wel in contact kunnen geraken met bestaande kerken, en alsdan ging men veiligst, door aan een dier bestaande kerken hulpe te vragen, opdat een afgevaardigde dienaar des Woords met een ouderling daar ter plaatse verschenen, om opzieners te doen verkiezen, een dienaar des Woords van elders aan te bevelen, en door den heiligen Doop der bekeerlingen hunne belijdenis te bezegelen.

Gelegenheidskerken zijn die onvolkomene kerken, die tijdelijk ontstaan, nooit vaste noch volkomene gestalte verkrijgen, en weer verdwijnen met het verdwijnen van de oorzaak, die ze in het leven riep. Zoo vormt zich in tijden van oorlog een gelegenheidskerk in een leger te velde. Zoo vormt zich een gelegenheidskerk op een vloot, die langen tijd in zee is. Zoo vormt zich een gelegenheidskerk in badplaatsen, waar tijdelijk eenige Christenen saâm vertoeven. Zoo vormden zich vroeger vele zulke kerken in gezantschapswoningen, doordien Christen ambassadeurs met hun Christelijke helpers en familie tijdelijk aan Mahomedaansche, heidensche, of ook Gereformeerde gezanten aan Roomsche en Luthersche hoven verkeerden. Met uitzondering van enkele ambassadekerken verkregen deze gelegenheidskerken nooit een vaste gestalte. Vaak ontbrak er alle kerkinrichting, zelfs alle gebruik van het Sacrament, en stond de dienaar des Woords, bijaldien er zulk een ambtsdrager aanwezig was, geheel op zichzelf zonder kerkeraad en derhalve zonder kerkbestuur. Voor de koopvaardijschepen leverde |87| dit minder bezwaar op, daar deze gerekend werden te behooren onder den kerkeraad van de plaats van uitklaring. Maar voor het leger te velde en de marinevloot in zee ontbrak ook die aansluiting. Meestal zelfs werd de dienaar des Woords niet kerkelijk, maar door het militair bestuur gekozen; en zoo hebben we hier dan voorbeelden van nauw herkenbare kerken, die schier alle kenmerk misten, en toch ook zoo in haar tijdelijke en zeer onvolkomene gestalte, niet van alle kerkelijk wezen ontbloot waren. De rechtvaardiging van dezen zeer onvolkomen vorm lag in de onmogelijkheid van anders te handelen. Zoodra daarentegen die mogelijkheid aanwezig was, sneed men zoo onvolkomene kerkformatiën terstond af, en zoo bleef dan ook steeds veroordeeld het streven, om afzonderlijke kerkjes op te richten in hoogescholen, in koninklijke paleizen, op adellijke hoven en lustsloten, in Godsgestichten en dergelijke. Wel stond men toe, dat er in deze gestichten afzonderlijk gepredikt en afzonderlijk Sacrament bediend werd, bij manier van kerspelvorming, mits, en daar hield men aan vast met hand en tand, mits zulke kerspelen onder den kerkeraad der plaats verkeerden en aan de oefeninge van tucht onderworpen bleven, en aldus ook de bediening van den sleutel der predicatie en de bediening van het heilig Sacrament niet op autoriteit van den hulpprediker of dienaar, maar op last van den kerkeraad plaats greep. Wat op het Loo geschiedt, dat de koning hofpredikers aanstelt, die, buiten verband met den kerkeraad van Apeldoorn, in het Loo als predikers en Sacramentsbedienaars optreden, is in strijd met de eischen van het gereformeerde kerkrecht. Zulke dienaren moesten dus óf door den kerkeraad van ’s-Gravenhage gecommitteerd worden óf wel gesanctioneerd door den kerkeraad van Apeldoorn.

Kruiskerken, de derde soort van gelegenheidskerken, zijn óf nog onvolkomene óf wel besnoeide kerken. Haar eigenaardig karakter is, dat ze niet door innerlijk bederf, maar juist omgekeerd door hoog betoon van geloofskracht in heur belemmerden toestand gebracht zijn. Een kruiskerk namelijk is altoos een vervolgde kerk. Bijaldien de overheid van een land of stad of dorp vijandig gezind is en haar macht als overheid misbruikt, om den dienst der kerk te belemmeren, dan komt over zulk, een kerk het kruis der vervolginge. Zulk een kruis kan zeer licht, kan zwaar, kan ook middelmatig zijn, en naar gelang het kruis is, is dan ook de onvolkomenheid van zulk een kerk gering of wel aanmerkelijk. Treft nu zulk een kruis van vervolging de kerken Gods, eer ze zich volledig organiseeren konden, zoo snijdt het kruis wel nog geen bestaande organisatie af, maar belet toch het opkomen er van. Alzoo |88| was het in de dagen der Reformatie, toen de pas ontloken kerken aanstonds in de hitte van de vervolging vielen, en was het, hoewel op verren afstand, ook met de nieuwe kerkformatie van 1834, die pas opkomende, min of meer belemmerd werd in heur vrije ontwikkeling. Is nu zulk een kruis van vervolging zeer zwaar, gelijk onder de vervolging der Romeinsche keizers en van de Roomsche pausen, dan kan zulk een kruiskerk geheel onvolkomen worden, alle organisatie verliezen, van dienaren en opzieners beroofd worden, buiten den dienst van Woord en Sacramenten geraken, en ten slotte alleen in den kring der geloovigen bestaan, zonder dat daarom alsnog het wezen der kerk wegvalt. Bij minder zwaar kruis boet zulk een kruiskerk meest alleen haar vergaderplaats en het geregeld gebruik van heur dienaren in, zoodat ze in het verborgen schuilen, op onderscheidene plaatsen vergaderen moet, en met de stichting door oefenaars zich moet behelpen; bovendien vaak afgesloten zijnde van alle correspondentie met naburige kerken. Bij een zeer licht kruis daarentegen overkomt aan zulk een kruiskerk meest geen andere bedruktheid, dan dat ze met geldboete gestraft wordt, dat ze van zekere voorrechten verstoken blijft en haar publiek-rechtelijk karakter niet kan handhaven. In zeer onderscheidene gradatiën optredende, vertoonen deze kruiskerken ons derhalve een geheele reeks van de bijna volkomene tot bijna onherkenbare, steeds echter daardoor van alle andere onvolkomene kerken onderscheiden, dat ze niet alleen volkomen willen, maar ook zouden zijn, indien het kruis der vervolging maar ophield.

Doleerende kerken, het laatste soort gelegenheidskerken, waarop we wezen, daarentegen zijn een soort onvolkomen kerken, die ook wel volkomen zouden willen en konden zijn, maar die hierin verhinderd worden niet door het kruis der vervolging, dat de overheid over haar brengt, maar uitsluitend door den druk die een ingedrongen en dus valsch kerkbestuur op haar uitoefent. Ook hier laten zich weer onderscheiden graden en gevallen denken, allen echter steeds daarin overeenkomende, dat de kerk zelve nog niet als valsche, noch ook als ontvormde kerk, beschouwd wordt; dan toch zou men haar hebben te verlaten en tot nieuwe kerkformatie hebben over te gaan; maar dat de kerk, hoewel nog goede kerk Christi zijnde, door de ongetrouwigheid of ook door de verklaarde vijandschap van valschelijk ingeslopen kerkregeerders, belet wordt als kerk uit te komen en haar leven te toonen. Zulk een ingedrongen stel kerkregeerders kan staande worden gehouden door verschillende machten. Die macht namelijk kan óf |89| in de kerk zelve gelegen zijn, indien vele hypocrieten indrongen, die de geloovigen overstemden, en met meerderheid van keurstemmen het ongeloovig en vijandig kerkbestuur handhaafden. Die macht kan ook liggen in de correspondentie met andere kerken, d.i. in het kerkverband, bijaldien dit kerkverband in een geloovige gemeente, waar slechts weinige hypocrieten zijn, aan ontrouwe opzieners de hand boven het hoofd houdt en hun verwijdering belet. Of eindelijk kan die macht buiten de kerk gelegen zijn, indien de overheid door rechtstreekschen of zijdelingschen invloed zulke ontrouwe opzieners in het ambt bestendigt. Ook kunnen twee of zelfs drie van deze oorzaken samenwerken, indien er kerken zijn die lijden onder overstemming van hypocrieten, gebonden liggen in een belemmerend kerkverband, en b.v. door den invloed van Staatstractement belet worden in het doen van recht. Doch onder wat verschillenden vorm deze plage der kerken Christi ook optrede, toch is deze plage nooit het kruis der vervolging, maar steeds de plage van gedrukt te gaan onder een opgedrongen ontrouw kerkbestuur, dat men wel verwijderen wilde, maar voorshands niet kan. In al zulke gevallen nu wordt zulk een kerk, zoodra ze haar plicht doet, een doleerende kerk, d.i. een kerk die naar God klaagt of haar plage mocht worden weggenomen: die nog het besef heeft, dat ze zich herstellen zal, hoe doodelijk krank ze ook nederligge; en die eindelijk door geen verslappende theorieën misleid, de oprechtheid harer klachte juist daarin openbaart, dat ze zich onverwijld, zij het ook gebrekkiglijk, inricht naar den Woorde Gods. Een kerk die klaagt zonder zich op te richten, is een lamenteerden en geen doleerende kerk. Immers een kerk die recht zal hebben, om voor God en menschen te doleeren, is zulk een vergadering van geloovigen, die zich afscheidt van degenen, die de kerk verdrukken, naar Gods Woord trouwe opzieners aanstelt, en met het overgeven van de gevolgen aan God Almachtig, zoodra doenlijk overgaat tot een goede inrichting van den dienst des Woords en der Sacramenten. Intusschen kunnen deze pogingen voorshands nog tot zeer gebrekkige resultaten leiden. Het kan zijn dat men slechts zeer enkele opzieners vinden kan, genegen, om dit ambt te aanvaarden. Het kan zijn, dat men den dienst des Woords niet dan zeer ongeregeld kan hebben. Misschien ook slechts eenmaal per jaar den dienst der Sacramenten. Dit echter deert het karakter der doleerende kerk niet. Ze blijft kerk. Ze heeft er het wezen van. Ze zoekt het welwezen.

Volledigheidshalve zou men onder de onvolkomene kerken soms ook nog de zeer kleine, en als regel de vacante, kerken kunnen |90| meêtellen; doch daar dit verschijnsel niet abnormaal is, blijve het buiten bespreking.


§ 37. Uit wat oorzaak de deformatie der kerken moet verklaard.

Deformatie der kerk is altoos en onder alle omstandigheden een zaak van schuld, beloopen door zonde, waarin die kerk voor haar God verviel. Op drieërlei oorzaak dient hierbij onderscheidenlijk gewezen, op de zonden der enkele personen, op de zonde der gemeenschap, en op den drijver van alle zonde, d.i. Satan. Van die verstliggende oorzaak, d.i. van Satan, gaat alle aanval en alle booze aanslag tegen de kerke Christi uit. In zijn kerk viert Immanuel zijn triomf, en Satan, die onder niets dieper lijdt dan onder de zegepraal van Christus, is daarom bovenal op die kerke Christi fel en in woede gebeten. Die kerke Gods is hem een doorn in zijn oog, en de poorte der hel beweegt hij van onderen op, om die kerk des Heeren te overweldigen. Van die macht des Satans nu denke men niet te gering. Wie van den aanbeginne der wereld tot nu toe, of ook, meer bijzonder, van de vernieuwing der kerk door de uitstorting des Heiligen Geestes, of ook maar van hare herstelling sedert de dagen der Hervorming, den loop van haar geschiedenis nagaat, staat telkens weer verbaasd over het aangrijpend feit, dat de kerke Gods op deze zestig eeuwen, misschien geen drie eeuwen van betamelijken bloei en triomfeerende ruste gekend heeft. Verreweg het meerendeel der eeuwen is de kerke Gods ter nauwernoocl herkenbaar; een ander deel dezer eeuwen verstrooid, uiteengeworpen en nauwlijks vindbaar; en van het kleinere deel der eeuwen, dat dan nog rest, vindt ge haar meest innerlijk worstelend, het bloed in koortsachtige drift fel door haar aderen jagend; pas uit diepe krankheid opgekomen; en zie, straks weer door nieuwe krankheid bedreigd. Zoo vergaat deze verdrukking en benauwing door Satan aan de kerke Christi aangedaan, dat haar teederste zonen en dochteren telkens twijfelmoedig vragen, of ze ook aan één ongelooflijke vergissing ter prooi waren, en misschien voor een kerke Christi nog aanzagen wat reeds Synagoge des Satans wierd! Vandaar het Donatistisch streven, om aan dien stroom van dwaling en ongerechtigheid te ontkomen; te vluchten naar de vrijstad Gods; en met niets dan Gods heiligen een heiliger, zuiverder kerk te openbaren. Een pogen, telkens herhaald, maar ook even dikwijls door de uitkomst geoordeeld. Immers in nog erger dan men ontweek, ten leste zelve te verloopen, was het oordeel, dat onveranderlijk door Gods ontzettende |91| gerichten over dit, in den grond hoovaardig, bedoelen gegaan is.

Deze bittere vijandschap nu heeft Satan tegen de kerke Gods geopenbaard langs tweeërlei weg; t.w. deels door uitwendige vervolging, deels door inwendige vergiftiging; altoos menschenmoorder van den beginne, en zoo ook moordenaar van de kerke des Heeren. Eerst zette hij dan de overheden en machten der wereld aan, om met brutaal geweld de kerke Gods de plek te betwisten voor het hol van haar voet; te dooden, te moorden en uit te roeien de trouwe getuigen, die den dood van Christus als het machtig offer ter verzoening verkondigden; en de kleine kudde derwijs onbarmhartig door martelisatie schrik aan te jagen, te kwellen en te verstrooien, dat ze wel moest deinzen, tot er een oogenblik geen kerke Gods meer scheen te zijn. Maar van achteren bespeurende, dat zulk een botvieren van boosheid gemeenlijk de tegenovergestelde uitwerking had, en dat der kerke Gods nieuw zaad uit het bloed der martelaren opschoot, bond Satan zich dan telkens in; bewoog de wereld om vrede met de kerk te sluiten; dreef de overheden aan om haar met schat en gunste en eere te overladen; en als de arme kerk, door zooveel glans en glorie bedwelmd, dan op haar triomf insliep, kwam in de stilte van den nacht de booze vijand en druppelde haar het doodelijk gif in de aderen, dat ze, na niet lange dagen haar geestelijke kracht wijken voelde, en nogmaals het triomflied weer voor bittere, droeve klacht over doodelijke uitputtingen geestelijke ingezonkenheid moest uitruilen.

Toch kon Satan dit schrikkelijk kwaad niet over de kerke Gods brengen, dan onder het gedoogen en gehengen van den Almachtigen God. Hadde God gewild dat zijn kerk op aarde in stillen vrede haar kruistriomf gevierd had, het zou alzoo geschied zijn. Maar aldus was zijn welbehagen niet. Een kerke vergaderende uit goddeloozen te midden eener goddelooze wereld, heeft de Heere haar, gelijk Job, telkens in de hand van den Satan overgegeven; eensdeels opdat door geestelijke worsteling de triomf der waarheid schitteren zou, en ten andere opdat in het toch stand houden van een aldus schriklijk aangevallene kerk de mogendheid des Heeren Heeren glorieuslijk zou uitkomen. Hij is daarom geen auteur of bewerker van het kwaad, dat zijn kerk overkomt, maar nochtans moet dit kwaad over die kerk naar zijn eeuwig en onwankelbaar besluit gebracht worden, namelijk het kwaad des lijdens, opdat openbaar worde, welke de kracht zij van het geloof, dat hij in haar plantte, en evenzoo het kwaad der zonde, opdat openbaar worde, welke de kracht zij van het verderf, waaruit hij haar heeft verlost. — Maar hoezeer we ook in dezen zonder schroom en met alle beslistheid |92| aan de majesteit van den Raad des Heeren hulde doen, zoodat hij te achten zij, dit woeden des Satans over en in de kerke Christi niet slechts geduld, maar ook gewild te hebben, toch ontneemt dit in niets aan Gods kinderen hun diepe, ergerlijke en onverantwoordelijke schuld. Belijden we toch reeds van harte, dat Gods ondoorgrondelijk bestel, om de historie van ons geslacht door zonde en genade te laten gaan, in niets de verdoemelijke schuld van Adam opheft, hoeveel te minder kan er in dien Raad Gods dan een ontkomen gezocht aan schuld voor Gods wedergeborene kinderen, die gesmaakt hebben de krachten der toekomende eeuw, die de liefde Christi hebben bekend, en het schild des keloofs konden opheffen, en die toch de vurige pijlen van Satan niet hebben gebluscht, maar ze met onheiligen wellust hebben opgevangen in hun eigen borst. En daarom mogen we nooit bij de verste oorzaak dezer deformatie blijven staan, maar dienen ook tot de nadere oorzaken af te dalen, die liggen in de zonde der enkelen en in de zonde der gemeenschap.

Eerst noemen we de zonden der enkelen, omdat dit het scherpst de conscientie raakt. Die zonden der enkelen begonnen al terwijl Jezus nog op aarde was, in dat vragen: „Heere, wie zal de meeste zijn? Heere, wanneer zult gij aan Israël het koninkrijk weder oprichten?” in dat zeggen: „Heere, dit zal u geenszins geschieden!” in dat op de vlucht slaan, toen ze Jezus vingen; in dat loochenen van Jezus als hij verhoord wordt; in dat zeggen: „Indien ik niet zie, ik zal geenszins gelooven;” in dat veinzen van Petrus te Antiochië, en in wat niet al meer. En dat waren nog wel de heilige apostelen, die met Jezus zitten zullen op twaalf tronen, oordeelende de twaalf geslachten Israëls. Wat moest dan der gemeente niet overkomen? Ja, wat is haar niet reeds overkomen, toen ze pas ontlook en nog blonk in al de frischheid van haar eerste levenskracht. Is een Ananias en Saffira niet schandelijk? Is voor wat Corinthe aan gruwel beleefde „schandelijk” niet nog een te verschoonend woord? En wat zullen we zeggen van den gruwel, in de gemeente opgekomen, toen Judas zijn eenigen en Petrus zijn tweeden zendbrief moest schrijven, en de Heere zelf op Pathmos zijn kerk dreigen kwam. En is het sinds niet voortgegaan, onder allerlei vorm, allerlei zonde, zelfs de ontzettendste, en die men niet noemen zal telkens en telkens weer in de kerke Gods, onder Gods eigen volk insluipende, en Hém verwekkende tot toorn, die dáárorn toch immers ze geroepen en gerechtvaardigd had, opdat ze zouden verkondigen de deugden Desgenen, die ze geroepen had tot zijn wonderbaar licht. Tegen de wereld zou men staan, en zie men droeg haar in de kerke in! Niet Mammon, maar God zou men dienen, |93| en zie voor Mammon wierd het in zoo menig hart een straks onbetwiste triomf. Het vleesch zou men onder den Geest brengen, en zie weer werd in het vleesch gewandeld. Ja, Satans werk zou verbroken liggen, en weer trad de ziel met Satan in een gevloekt onheilig verbond. Zoo week de geestelijke macht. Het geloof kwijnde. De liefde verdorde. De hope verwelkte. En het gebed, dat een kracht moest zijn, verloor gloed en bezieling en toon. Arme kerke Gods! Want, wat het schriklijkst is, overkomen die zonden u buiten de kerk, dan komen ze nog alleen, maar als ze onder het volk des Heeren opkomen, dan sleepen ze onveranderlijk nog een andere schriklijke zonde na zich, t.w. de zonde van het Farizeïsme. In de kerk kan men niet met open deuren zondigen, noch zeggen: Ik ben goddeloos. Bij de zonde moet dus in de kerk altoos de praktijk der godzaligheid waargenomen, en dat juist maakt den dubbelhartige, kweekt de geestelijke valschheid, dat schriklijk kwaad, dat het „Wee u! wee u! gij addergebroedsel!” aan diezelfde lippen ontlokte, die nu nog aldoor bidden voor de uitverkorenen Gods. En dat weet Satan, daarop juist spitst hij zich; eerst het gif der zonde indruppelen, en dan de zwere der zonde toedekken met vrome windselen, of aldus een hart geheel kon verwoest worden, dat God de Heere zich ten tempel koos.

Eindelijk behalve die zonde van de enkelen, is er een zonde van de gemeenschap. Men doet als leden eener kerk vele dingen gezamenlijk; men vormt saâm een levenskring, waarin zekere toon heerscht; men ademt uit en in een dampkring, waarin allen gezamenlijk leven; men vormt algemeene begrippen; men schept een zedelijk oordeel; doet een algemeene opinie ontstaan, die een macht wordt; en aldus is het, dat èn die gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, èn dus ook de gemeenschappelijke schuld ontstaat, die weer allerverderfelijkst op de enkelen, werkt en dusdoende geheel het Lichaam van Christus aansteekt, tot ten leste zelfs de allerheiligsten inwilligen en de zonde in de kerke Gods algemeen wordt.

Dit kan zóóver gaan, dat eindelijk ook voor- de kerke des Nieuwen Verbonds het woord komt: „Als gij uw handen uitbreidt dan verberg Ik mijn aangezicht, en als gij het gebed vermenigvuldigt, dan hoor ik niet.”

Maar gelijk er in den eik en den haageik na de verwelking van de bladeren nog een steunsel is, alzoo zal het heilige Zaad ook dán nog het steunsel der kerke Christi wezen.

Zijn ontfermingen zijn oneindig en zijne roepingen onberouwelijk.

Dit alleen is het mysterie, waardoor de kerke Gods er nog altoos staat! |94|


§ 38. In wat manier zulke deformatie in de kerke Gods gemeenlijk uitbreekt.

Alle deformatie der kerke Gods pleegt daarmeê te beginnen, dat het geloof zijn bezieling verliest. De kerk hangt aan Christus. Ranken, half van den wijnstok afgescheurd, vangen aan te verkwijnen en te verdorren. In den aanvang, als vrucht van ontzettende worstelingen en benauwingen, leeft Christus dan kennelijk in de zijnen, de trillingen van zijn leven worden gevoeld, de warmte van zijn goddelijke liefde straalt door; er is genieting van zijn zaligheid; betooning van zijn kracht. Dit werkt dan de Heilige Geest door de kinderen Gods teedertemaken, te sieren met geestelijk sieraad en de gekochten des Heeren tedoen leven nauw en teeder nabij hun God. Maar dan komt er, men weet nauwlijks door wat oorzaak, ongemerkt verkoeling. Verlating van de eerste liefde. Het wordt minder teeder, minder nauw, minder innig, en reeds zien de zieners, dat de innige gemeenschap van den Heiligen Geest en daardoor het innig liefdeleven met den Bruidegom uit het hart der Bruid wijken gaat. Dan is eigenlijk de deformatie der kerk reeds voltrokken, zonder dat ze nog openbaar is. — Maar lang toeft ook dit niet. Immers, „indien gij wel doet, is er geen verhooging? Maar ook indien niet, de zonde ligt voor de deur”! en zoo kan ook hier de werking van den Heiligen Geest nauwlijks aflaten, of de deur gaat open en de zonde sluipt binnen, en het goddelooze hart, van den heiligen band ontslagen, begint weer te gieren in eigen, duivelschen lust. Dat begint in het fijne en kleine; bagatellen die er wel meê door kunnen. Zoo breekt de zonde nog sterker uit. En eindelijk vindt men in de kerke Gods reeds gansche kringen, die het masker der vroomheid reeds lastig gaan vinden en openlijk met de wereld boeleeren. — In dit stadium is nog wel op verre na niet heel de kerk door dat gif aangegrepen; integendeel in haar overgroote meerderheid ijvert ze daar nog tegen; maar die ijver is reeds te weinig energiek en te onbezield, om het kwaadnog uit te bannen. Men oordeelt het nog wel, maar durft het reeds niet meer zoo openlijk veroordeelen. Tot bestraffing met tucht, ontbreekt de zedelijke werking van het geloofsvermogen. Dit maakt dan de zonde en den werelddienst nog stouter. De rollen worden haast omgekeerd. In plaats van met zedelijke macht tegen de dienaars der wereld te kunnen optreden, raken de kinderen Gods zelven onder den druk der wereld. Haast schamen ze zich om hun oude levenswijs nog vol te houden. Ze beginnen zich te verontschuldigen in steê dat ze de wereld bestraffen zouden. Er gaat |95| geen tucht meer van hen op de zondaren uit, maar de zondaren gaan door intimidatie en spot tucht over hen uitoefenen. Zoo daalt, zoo zinkt het peil van publiek geestelijk leven. En het einde is, dat de Heere, door zijn rechtvaardig oordeel, zooveel trouweloosheid straffend, zijn kerke overgeeft in de macht van haar boeleerders, opdat ze weer schuld zou leeren erkennen en weer den weg zou vinden van het gebed.

In deze ontwikkeling der zonde komt vroeg of laat het punt van kentering. Het is als een weegschaal. Eerst rustte de schaal van het heilige vast en solide op het fundament des Woords, en hoog in de lucht hing de schier ledige schaal van kerkelijke ongerechtigheden. Maar sinds is dat veranderd. Van de schaal der heerlijkheden is al afgegaan, op de schaal der ongerechtigheden is al ingedragen. Zoo rees de eene en daalde de andere. Tot eindelijk de oorspronkelijke verhouding geheel omslaat, en de macht der ongerechtigheid de schaal der heiligheden van alle vastheid berooft. Dan is de kerk ontzet, en gaat het kwaad machtiger proportiën aannemen, door te sluipen ook in de herderen. In de kerke Christi zal men dááraan altoos het kenteringspunt kennen kunnen. Weet de kerk als kerk, ondanks de zonden die inslopen, haar heilig karakter nog hoog te houden, dan vindt ge de herderen nog altoos als voorbeelden der kudde, met priesterlijken drang om de redding dier kudde smeekende, en met het geklank van de boetbazuin manende tot bekeering. Maar houdt dat geklank op, wordt de kring der herderen zelven aangestoken, en sluipt de werelddienst ook onder hen in, die als getuigen Gods bij en voor de kudde strijden moesten, dan heeft ook onherroepelijk voor de kerk het uur van de geestelijke inzinking geslagen, en begint het bederf ook haar organisatie aan te tasten, en haar aldus om te zetten in onheilige gedaante bij haar openlijk optreden als kerk.

Zoo sluipt dan de leugen uit de krank geworden gemeente in de herderen; en nu, als derde stadium, uit de krank geworden herderen ook in de leer en den dienst der kerken, zoodat ze haar belijdenis prijs geeft en een eigenwilligen dienst inbrengt in ’s Heeren huis. Hierdoor op de been gekomen, begint dan de ketterij, op allerlei wijs, een nieuwe verwoesting aan te richten; voor geloof komt twijfel; de vastigheden worden losgemaakt; en alles dringt en drijft om de belijdenis der kerk weer met de belijdenis der wereld te vereenzelvigen.

Zoo komt het aan den eeredienst toe, die niet langer met zijn eenvoudig, geestelijk karakter voldaan, toevlucht neemt tot zinlijke middelen, om te streelen wat voor het oog en het oor is, en den Heiligen Geest te bedroeven. |96|

Zoo ontstaat er spanning, verzet, de banden, ook van de kerkregeering, worden te eng, ze zijn niet meer te dragen. En aldus wrikt dan het ingeslopen bederf ten slotte ook de kerkregeeringe in haar samenstelling los, en rust niet eer de reglementen derwijs misvormd zijn, dat al wat den Christus verwerpt er meê door kan, en alles wat den Christus nog aanhangt in de mazen van het reglementennet worde gevangen.

Zoo voleindt dan het verschriklijk bederf zijn loop. Het begint met verlating der eerste liefde. Het gaat voort in werelddienst. Die wereldschgezindheid sluipt uit de kudde in de herderen. Door die herders vindt het zijn weg naar de leer; uit de leer naar den eeredienst; om ten slotte heel het samenstel van der kerke ordeningen aan te grijpen, en haar om te zetten in een instrument des Satans, dienst doende tegen Gods volk, en in dit volk tegen den Heere.


§ 39. Op welke drie afwijkingen bij dezen regel te letten valt.

De gemeene regel, dat het bederf der kerk met verkoeling der liefde begint; dan in den vorm van werelddienst eerst in de leden; en uit de leden in haar herders sluipt; om aldus door het ambt achtereenvolgens de belijdenis, den eeredienst en de ordeningen der kerk aan te tasten, gaat niet altoos door; en met name zijn er drieërlei veelvuldiglijk voorkomende afwijkingen, waarop hier dient gelet.

De eerste afwijking is, dat in zeer veel gevallen in de geestelijk opgewekte tijden van het kerkelijk leven, uit kwalijk begrepen geestelijkheid, niet genoegzaam gelet is op het hoog belang van een zuivere kerkregeeringe. Dit is, om slechts twee voorbeelden te noemen, in Duitschland verzuimd na Luthers optreden, en in Engeland na het doorbreken der gereformeerde religie onder Eduard VI. Men acht dan het geestelijke hoofdzaak, en oordeelt dat het uitwendige minder kwaad kan, ook al blijft het in gedeformeerden vorm. Dit maakt dan, dat de zuiverheid van eeredienst niet wordt doorgezet, dat de herders niet aan de kudde verbonden blijven, en dat de belijdenis op den achtergrond raakt. Immers in al zulke toestanden ontstaat er ten leste spanning en strijd tusschen dien onzuiveren kerkvorin en het zuivere Woord. In dien strijd kiezen de meeste herderen dan partij voor den onzuiveren kerkvorm tegen het volk des Heeren, dat opkomt voor zijn Woord. En de aldus ontstaande deformatie der kerk, uit anderen hoofde oorzaak nemende, werkt |97| als een krankheid, die, niet uit het lagere lichaam maar in de hersenen opkomende, alras het bewustzijn bedwelmt en de hulpeloosheid der kerke groot doet zijn.

De tweede afwijking, waarop we doelden, bestaat in de onzuivere formatie der kerk wat haar leden betreft. Niet dan hoogst zelden zijn onze kerken uit geleidelijke vergadering van belijders ontstaan. Verreweg de meeste zijn eerst onder de Roomsche hierarchie geweest en door de Reformatie daar van onder uitgekomen. Dit heeft gemaakt dat men in tal van plaatsen groote massa’s in de gezuiverde kerk heeft meêgekregen, bij wie belijdenis en wandel in menig opzicht van den beginne aan nog hoogst gebrekkig was. Toen nu later deze kerken een staatsrechtelijk privilegie verkregen, is dit kwaad nog verergerd, doordien velen tot deze kerken toetraden met het oog op ambten en eereposten. En nog breeder proportiën nam dit euvel aan, toen het denkbeeld van een volkskerk de geesten begon te benevelen, en men, het nationaal belang als richtsnoer voor kerkelijke gedraging kiezende, de sluizen wijd openzette voor alle wateren, die er slechts in wilden stroomen. Feitelijk is derhalve de toestand in deze kerken nooit zuiver geweest, en heeft men naast het eigenlijk belijdend bestanddeel nog een niet-belijdend, onverschillig en wereldsch bestanddeel in de kerk bijgehouden, dat van den aanvang af tegen de gezondheid van haar levenskracht heeft gereageerd.

Een afwijking, waarvan weer onderscheiden is de derde of laatste afwijking waarop gedoeld werd, en die zich daar voordeed, waar het bederf niet in de kerke zelve ontstond, maar er insloop van buiten af. Dit had op allerlei manier plaats. De eene maal uit een naburige of verwante kerk, gelijk dit aan de Duitsche gereformeerde kerken overkomen is, nu onlangs uit de unirte en vroeger uit de Luthersche kerk. Een andermaal kwam dit bederf uit de scholen, gelijk ten onzent het geval was met de Leidsche hoogeschool in de dagen van Arminius, en in de kerken der Hugenoten door den schadelijken invloed van de school van Saumur. Weer een andermaal sproot dit bederf voort uit de algemeene letterkunde, gelijk in de dagen der Engelsche Deïsten. Nog weer een andermaal vond dit bederf zijn oorsprong bij een overheid, buiten de kerk staande, die met opzet den eigenaardigen geest der kerk zocht te breken. Of ook eindelijk werd dit zaad des verderfs met kwistige hand in den akker der kerk gestrooid door de revolutionaire en mystieke geestdrijvers, die de vaste ordeningen in de conscientie loswrikten, en dusdoende het karakter der kerk ondermijnden.

Reeds deze drie afwijkingen manen dus, om bij deformatie |98| der kerk nooit naar een vasten maatstaf alle toestanden te meten, alsof reeds met het opnoemen van eenige kenteekenen der kerk het pleit beslist ware, en moeten ons nopen, om elke kerk steeds op zichzelve te beoordeelen, rekenende met haar historisch verleden en de verschillende invloeden die op haar hebben gewerkt.

Iets waar we te meer nadruk op leggen, omdat meestal de krankheden onzer kerken niet voor zoo eenvoudige diagnose vatbaar zijn, maar wat de medici noemen een zeer gecompliceerd ziekteproces opleveren, d.w.z. zulk een krankheidsverloop, waarbij twee, drie of meer oorzaken door en op elkander werken, zonder dat het altoos mogelijk is den schadelijken invloed van elk dier oorzaken door juiste deeling af te passen.

Wie door den Geest geleid wordt, laat zelfs in zijn teederste oogenblikken ten slotte van alle ontleding af, en belijdt als eenige oorzaak van de ellende zijner kerk de trouweloosheden van de kinderen des Heeren, saâmloopend en afgespiegeld in de goddeloosheden van zijn eigen hart. Maar wie, geroepen tot beoordeeling der dingen, eenmaal ontleden moet en dus als rechter gaat zitten, die hoede zich voor oppervlakkigheid, die zie af van algemeenheden, en late geen uitspraak over zijn lippen komen, zoolang niet de veelzijdige bewegingen dezer krankheid ontward liggen voor zijn oog.


§ 40. Van de deformatie in de leden.

Alle deformatie bij de leden eener kerk, die de kerk zelve als zoodanig misvormt, vangt aan bij hun belijdenis; en niet gelijk men gemeenlijk oordeelt, in hun levenswandel. Niet alsof het leven minder gold, maar overmits de wandel uitsluitend als belijdenis kerkelijke waarde heeft. Alle ding wordt in de kerk van Christus naar den Christus gemeten. Slechts één ding heeft voor de kerk als kerk waarde: t.w. uw geloof. Alleen uw geloof is instrument ter zaligheid; en alleen uw geloof verbindt u met den Heere. Deugden van onbegenadigden mogen dus waardij hebben voor de burgerlijke samenleving, en in zooverre tot Gods eere strekken, als ze de bandeloosheid der boosaardigen intoomen, ja zelfs aan de kerk een plaatse voor het hol van haar voet bereiden; maar kerkelijke waardij hebben zij niet. Een kerk zonder één ongebonden lid, uit leden bestaande, die één voor één, met burgerlijke deugden versierd waren, maar van het geloof in den Heere Jezus verre stonden, zoude niet alleen geen goede kerk, maar zelfs geen kerk met al vormen. Zulk een verzameling van menschen toch, kon even goed Turksch zijn als afgodisch. |99| De poging om bij de beoordeeling van de leden der kerk het dusgenaamde leven op den voorgrond te schuiven, moet dus met beslistheid afgewezen. Het blijve bij wat het alle eeuwen door was: belijdenis en wandel, niet wandel en belijdenis. Belijdenis blijve voorop staan, omdat daarin het Christelijk kenmerk ligt, en de wandel eerst bij het schijnsel van dat licht kan worden beoordeeld.

Deze verbastering nu op het stuk van belijdenis treedt bij de leden onder meer dan één vorm op.

De, helaas, meest gewone vorm is die van onverschilligheid, indien menigeen de belijdenis nog wel zegt te beamen, maar ze ter nauwernood kent; er zich ook niet om bekreunt; niet voelt wat er tegen ingaat; en zich niet meer warm maakt voor haar eer. De stuitende zonde van zoovele mannen en vrouwen, die bij aanneming en Doop en Avondmaal telkens verklaren de leer der kerk te zijn toegedaan, doch nimmer een vinger verroerden om te weten te komen wat toch die leer der kerk is.

Een schijnbaar hieraan tegenovergestelde vorm is die der veruitwendiging, d.i. de zonde, die de belijdenis losmaakt van het hart. Dan heeft men het over de belijdenis zeer druk, ijvert er voor met brandenden ijver; onder- en doorzoekt ze; maar beschouwt ze als een dorre afgetrokkenheid, die in het geheugen is te prenten, door redeneering moet staande gehouden, en in geijkte vormen wil nagesproken zijn. Feitelijk neemt deze zonde uit de belijdenis juist het belijden weg. Ge dacht een leeuw te hooren brullen, en gevindt van den koning der wouden niets dan het anatomisch skelet.

De derde vorm waaronder de belijdenis der leden haar krankheid toont, is de verbreking van het evenwicht. Er zijn in de belijdenis der kerk evenals in elk organisme onderscheidene ledematen of deelen en stukken, die in het welgeordend geheel elk hun eigen plaats en bestemming hebben. Deze stukken zijn onderling niet gelijk, maar verschillen elk naar zijn eigen aard. Het eene is het oog, het andere oor, een derde stuk is het hart, een vierde het hoofd, kortom geheel de belijdenis zit als een lichaam harmonisch inéén. Eisch van die belijdenis is derhalve dat ze zie met haar oogen, op haar voeten ga, en het hoofd omhoog heffe. Maar nu verbreekt de zonde telkens dezen rechten stand; verplaatst den nadruk; ontneemt gewicht aan wat klem hebben moet en legt klem op wat zulk gewicht niet kan dragen; men laat het oog hooren, wil dat het oor zie, en geeft aan het hoofd de functie, die het hart alleen verrichten kan. Daardoor ontstaan die vele eenzijdigheden, die monstrueuze onnatuurlijkheden, die de belijdenis der |100| gemeente ziekelijk maken, en alle daarin haar kenmerk vinden, dat ze verstoringen zijn van het evenwicht.

De vierde vorm is die van het bijgeloof, als de leden der kerk in de belijdenis zoeken te mengen wat er niet in hoort. Deze zonde ontstaat daaruit, dat ze, geen oog hebbende voor het eigenlijk mysterie des Koninkrijks, hun belijdenis niet mysterieus genoeg vinden, en er nu lust aan hebben, om door overdrijving allerlei valsch mystieke bestanddeelen in hun belijdenis in te schuiven.

De vijfde of laatste vorm eindelijk is die van het ongeloof, dan opkomende, als de belijdenis genoeg uit haar voegen is gewrikt, om openlijk bestreden te worden, en de leden der kerk zich niet langer ontzien om luidkeels hun loochening tegen de belijdenis der kerk over te stellen.

Verder kan de zonde tegen de belijdenis niet. Aan dat punt toegekomen, brokkelt ze af en verstuift ze, en de belijdenis der zondige wereldbeginselen treedt voor de belijdenis der waarachtige heilige beginselen in de plaats.

Met deze vijf vormen van deformatie der belijdenis nu houdt de deformatie in den wandel gemeenlijk gelijken tred.

Onverschilligheid, haar eerste vorm, maakt dat alle verschil in wandel tusschen de belijders van Jezus en de fatsoenlijke kinderen der wereld wegvalt. Ze leven gewoon. Zooals anderer wandel is, zoo is hun wandel. Naar die daalt of rijst, dalen of rijzen ook zij in zedelijken zin mede. Maar van Christus is niets in hun wandel te speuren. Ze doen niets om Jezus, noch laten iets om zijns naams wil.

Veruitwendiging daarentegen, haar tweede vorm, kweekt het Farizeïsme. Een voortwoelen van het zondig hart onder hooggekleurden schijn van haarfijn belijden, maar gedwongen om zich schuil te houden en daardoor den schimmel des bederfs en de reuke des doods aan zich dragend.

Verbreking van evenwicht, haar derde vorm, kweekt evenals in de belijdenis, zoo ook in den wandel, een reeks van eenzijdige verschijnselen; raadselen van het menschenhart; felle zondeuiting op het ééne terrein naast diepe zelfverloochening op het andere. Doodeerlijk, maar brandgierig. Sober en matig, maar innerlijk aan de leugen verkocht. Volop barmhartig, maar slaaf van zinnenlust. Twee harten in één boezem. Een tegelijk aanbidden van den Mammon en van God.

Bijgeloof, in de vierde plaats, vervalscht het leven door overdrijving, in eigenwilligen godsdienst, om het lichaam niet te sparen, en slaat door innerlijken drang ten leste in het tegendeel over, om |101| wat begonnen werd in den geest, in het vleesch te doen eindigen.

Terwijl ongeloof eindelijk, haar laatste vorm, in besliste vijandschap tegen de Christelijke levensvormen uitbreekt en er tuk op is, om den dienst der wereld in al haar luister te vieren onder de schaduw van het kruis.

Gaat nu zulk kwaad, bij ontstentenis van tucht, ongestraft en ongestuit door, dan deformeert dit ten slotte ook de kerk als kerk, zoodra het de meerderheid der leden aantast. „De merkteekenen der Christenen zijn het geloof, en wanneer zij aangenomen hebben den eenigen Zaligmaker Jezus Christus, de zonde vlieden en de gerechtigheid najagen, den waren God en hun naaste lief hebben, niet afwijken noch ter rechter- noch ter linkerzijde, en hun vleesch kruisigen met zijne werken.” Wel is er in hen nog groote zwakheid, „maar hier strijden zij tegen door den Geest al de dagen huns levens; nemende gestadiglijk hunne toevlucht tot het bloed, den dood, het lijden en de gehoorzaamheid Christi.” Vervallen daarentegen deze merkteekenen allengs geheel, zoodat er niet alleen zwakheid, maar ook ontstentenis van strijd; niet alleen ontstentenis van strijd, maar ook opzet tegen Christus komt; en de wateren der ongerechtigheid hand over hand toenemen, dan komt ook de kerk als kerk in gevaar, ook al is haar prediking nog zoo zuiver, omdat er in de kerke Christi wel onheiligheden kunnen zijn, mits aan het heilige onderworpen. Maar keert die verhouding om, en krijgt door kentering van het rad, het onheilige den boventoon, om het heilige ten onder te houden, dan heeft men een vergadering van goddeloozen in steê van een vergadering van godvruchtigen om zich, en ontstaat er voor het leven der kerk doodelijk gevaar.


§ 41. Van de deformatie in de ambtsdragers.

Gemeenlijk trekt het bederf der leden ook het bederf der dienaren na zich. Er bestaat tusschen beiden verband. Een godzalige kerk is gemeenlijk versierd met godvruchtige leeraars. Daarentegen een kerk die zonk, ziet haar eigen smaad op den kansel. Toch gaat deze regel niet vastelijk door. En dat wel om twee oorzaken. Vooreerst namelijk belieft het God den Heere niet zelden uit loutere ontferming, aan een afgedoolde kerk nochtans leeraars der gerechtigheid te schenken, om zijn kerk weer op te richten. Maar ook omgekeerd, verlaat God de Heere een goede kerk soms en berooft ze van dienaren, indien die kerk gevaar liep aan die dienaren een eer te |102| geven, die alleen aan Hem toekomt, of ook, indien ze door verlatinge moet worden beproefd.

Dit nu is oorzaak, dat de deformatie eener kerk wel terdege ook van de dienaren kan uitgaan. Dat w.z. dat de kerk kan worden aangetast door een ziekteverschijnsel, dat zijn oorsprong niet vindt in het gewone leven der leden, maar zeer bijzonder in het ambtelijk leven van de dienaren. Met name toch de dienaren des Woords nemen in de kerke Christi een zeer invloedrijke plaats in en staan daardoor bloot aan zeer eigenaardige, ambtelijke verleiding. Deze verleiding draagt vierderlei karakter. De eerste vorm van dit ziekteproces is, dat de dienaar des Woords onbezield in het heilige verkeert. Met gloed bidt, maar uit een koud hart. Water sprengt en brood breekt, maar met een onaandoenlijke ziel. En aldus, al naar zijn aard is, zich opschroeft in valsche opwinding of wel verdort in werktuiglijkheid. — Is door deze zonde eenmaal de leugen in zijn bediening ingeslopen, dan gaat het ziekteproces in zijn tweeden vorm over, en wordt misbruik van gezag. De dienaar moet in naam des Heeren spreken. Hij raadt niet slechts aan, maar hanteert een sleutel des Koninkrijks. En dat mag en kan hij, zoolang hij over zichzelven absolutelijk gaan laat het gezag van zijn Koning en Heer. Sloop nu daarentegen de werktuiglijkheid in zijn bediening, dan sluipt hij zelf onder het gezag des Heeren weg, en gaat nu zijn eigen gezag stellen in de plaats van ’s Heeren Woord. Geen prediking meer van ’t Woord des Konings, maar van zijn eigen idée. De derde vorm is: nemen wat hem niet toekomt, de dusgenaamde dominésvergoding. Hij moest alleen liefde voor Jezus wekken, en zie nu wordt hij zelf middelpunt in zijn werkkring. Dit streelt hem, en prikkelt hem. Zoo mag hij het gaarne. En hij weet het niet, dat de pijl van Satan zijn hart reeds heeft doorboord. „Ik zal mijne eere aan geen ander geven”, sprak de Heere, en zie, zulk een dienaar neemt ze toch. — En zoo wordt dan eindelijk de krankheid voleind en die geestelijke typhus geboren, die men gemeenlijk clericalisme noemt; naar den zondigen regel, dat niet de herder om de kudde zou zijn, maar de kudde om den herder. Dan is het niet meer een stellen van zijn leven voor de schapen, maar een opkomen voor eigen rechten. Een staan niet voor de mogendheid des Heeren, maar voor eigen eer en aanzien. Niet meer een saâm in eede zich verbinden voor het heil der kerke, maar een saâm complotteeren als dragers van eenzelfde ambt. Dan komt de tirannie op. Dan woelt het ondraaglijkst egoïsme. En met een Icabod op de lippen klaagt dan de kerke Gods, dat hare eere weg is. |103|

En overmits dit clericalisme nu de leden tot muiterij prikkelt, en alzoo het gezag des Woords van twee zijden tegelijk ondermijnt zoo kan ook dit clericalisme zeer terdege oorzaak worden dat de kerk geheel uit haar voegen raakt en in toestand komt van deformatie.


§ 42. Van de deformatie in de belijdenis.

De leden en dienaren belijden, maar hetgeen ze belijden is de belijdenis der kerk. Gedeformeerd wordt dus een kerk ook in de derde plaats, bijaldien ze, ook bij redelijken wandel van haar leden en veel vromen zin onder haar dienaren, nochtans toelaat, dat de zenuw harer publieke belijdenis worde doorgesneden. Ook dit ziekteproces doorloopt meer dan één stadium, neemt meer dan éénen vorm aan. Die zenuw der belijdenis toch wordt allereerst doorgesneden, indien een kerk in valschen zin confessioneel wordt, d.w.z. indien ze haar beginsel put uit haar formulieren in steê van uit den Woorde Gods. Gods Woord alleen heeft gezag over de conscientie. Bindt derhalve een kerk de conscientie rechtstreeks aan de formulieren, als hadden deze waardigheid in zichzelve; poogt ze op haar Synodale vergaderingen uit die formulieren in steê van uit den Woorde Gods te bewijzen; laat ze geen gravamina, op grond van Gods Woord ingebracht, toe; en verliest ze den plicht uit het oog, die op haar rust, om ten allen tijde het rechterlijk gezag van het Woord, zoo over haar organisatie als over hare formulieren te doen gaan; dan ontstaat het ongezonde confessionalisme, waartegen de Heilige Geest in de gemeente protesteert. — Geheel anders is de ziektevorm die ontstaat, waar de belijdenis wel als leuze geëerd, maar niet in rechten erkend wordt. Dit is de zonde van het kerkelijk dualisme; een verstoren van den samenhang, die, zal het welzijn, tusschen het lichaam en de ziel der kerk, werken moet. Men acht dan dat de Formulieren wel goeden dienst doen als herkenningsteeken tegenover den buitenstander, maar houdt ze buiten het rechterlijk geding. Ook dit vervalscht. Immers het doet tegenover den buitenstander den schijn aannemen, dat men wel beleed, wat men in de binnenkamer toch bekent niet te belijden; althans niet zóó te belijden, dat men het gelden laat, ook op dat hoogste terrein, ’t welk onder de souvereiniteit staat van het recht. — En dit nu leidt ons vanzelf tot de belijdeniskrankheid in haar meest acuten vorm, bekend onder den naam van niet-handhaving of leervrijheid. Op tweeërlei wijze werkt dit kwaad, t.w. èn in de inwendige organisatie der kerk, èn in haar verband met andere kerken. Inwendig toont zich dit kwaad |104| in de kerk, zoodra men van elders gekomen lidmaten toelaat, zonder voldingend bewijs, dat ze de belijdenis der kerk toestemmen, of ook in eigen boezem de volle rechten toekent aan personen, die òf onverschillig staan òf tegen de belijdenis reageeren. En erger afmetingen nog neemt dit kwaad in de organisatie zelve aan, indien men diakenen, ouderlingen, en ten. slotte ook dienaren des Woords duldt, die van de belijdenis ’t zij veel, ’t zij weinig zijn afgeweken. Daarentegen in het verband met andere kerken openbaart zich deze krankheid, bijaldien men in correspondentie of kerkverband blijft, met kerken die òf onze belijdenis niet hebben òf wel haar niet handhaven.

Deze belijdeniskrankheid heeft dan meestal een dubbel kwaad gevolg, t.w. vooreerst, dat bij ontstentenis van recht, ieder zich als rechter in de kerk opwerpt en het oordeelen en veroordeelen geen einde neemt, noch nemen kan. En ten tweede, dat, na buiten werkingstelling der eigenlijke formulieren, een soort van nieuwen conventioneelen standaard als standaard der orthodoxie gaat gelden. Men meent dan, in een gereformeerde kerk niet juist meer het gereformeerde beginsel te moeten handhaven, mits men maar orthodox blijft, en eert dan met den schoonen naam van orthodox zekere willekeurig omlijnde, of liever in haar vaagheid alle lijn missende, belijdenis, die niemand grijpen kan. Zoo begint men met het recht te krenken, en eindigt met er pure wilkeur voor in de plaats te schuiven. Niets toch is wilkeuriger dan om in een kerk, welke ook, iets anders orthodox te noemen, dat wat met de formulieren dier kerk overeenkomt. In Romes kerk is alleen de Roomsche orthodox, in de Synagoge alleen de Jood, die den Christus verwerpt. En zoo ook in de gereformeerde kerk alleen hij, die glorie roept bij het zien opheffen van de gereformeerde veldteekenen.


§ 43. Van de deformatie in de toebediening der genademiddelen.

De kerk leeft van genade en deze genade komt haar toe door de van God daartoe bestemde middelen, in de prediking des Woords en de bediening der heilige Sacramenten. Vandaar dat de kerk aan bloedarmoede verkwijnt, indien deze genademiddelen haar onthouden worden, of erger nog vergiftigd, of ook indien in plaats van die genademiddelen haar verkeerd voedsel wordt toegediend. Deze deformatie nu ontstaat, doordien de toehoorders en de prediker willen, dat in de kerken de persoon des Dienaars in stede van God Almachtig zal worde gehoord. Een genademiddel is het Woord, indien de dienaar en de gemeente er |105| zich diep onder buigen en metterdaad saâmkomen, om uit dat Woord onderwezen te worden. Elk motto prediken is derhalve streng af te keuren als ontheiliging van het Woord. Ook af te keuren het prediken over een denkbeeld, waar men een tekst bijzocht. En af te keuren evenzoo een prediken over een tekst, waarbij anders dan door uitlegging het Woord Gods vernomen wordt. De deformatie van dit genademiddel begint aldus nog onder de rechtzinnige predikers, met name onder hen, die bevinding in plaats van het Woord stellen. Maar eens onder hen begonnen, gaat ze dan onder de halfgeloovige en ongeloovige dienaren al verder, door alle Schriftprediking ten leste te vernietigen en het kerkgebouw om te zetten in een lokaal, waar boeiende of ook vervelende redevoeringen worden aangehoord.

Met de heilige Sacramenten gaat het evenzoo. Sluipt eenmaal in den bedienaar de bange gedachte, dat het Sacrament dood is, en dat nu het leven er pas bijkomt door zijn aandoenlijke aanspraken, door zijn plechtigheid en indrukwekkendheid, dan is in beginsel het Sacrament weg. Immers al het Sacrament is, dat Christus werke door zijnen Heiligen Geest. Aandoenlijkheid komt er dus gansch niet bij te pas; eer is het raadzaam het gevoel in te binden. En wie nu als liturg het toch in die aandoenlijkheid zoekt, toont klaarlijk aan de macht van Christus niet te gelooven. Dit merkt men het best aan de behandeling, der kerkelijke formulieren. Wie goed staat, spreekt bij het Sacrament liefst juist en zuiver door het woord der kerk, en zal alzoo die formulieren op kalmen toon, zonder verminking of uitlating, geheel en duidelijk lezen, om in het woord, dat hij er van zichzelven bijvoegt, voorts kort te zijn. Maar wie omgekeerd aan de heilige kracht van het Sacrament met zijn hart ontzonk, die werpt óf het formulier geheel op zij, óf verminkt het en raffelt het af, om daarna eerst weer plechtiglijk met het eigenlijke, zoo hij waant, voor den dag te komen, als hij weer toekomt aan zijn eigen toespraak en het door hem zelfbedachte, vaak gedachtelooze, woord.


§ 44. Van de deformatie in de tucht.

Het laten zinken van de tucht in de kerke Christi is niet slechts een niet handhaven van de belijdenis of niet zuiverhouding van het Sacrament, maar in zijn diepste kern: een prijs geven van het gezag. Gelijk men ook buiten kerkelijk verband iemand iets aan kan raden en op het hart binden, zoo oordelt men dan dat ook de kerk geen hooger macht bezit, dan om haar leden haar belijdenis aan te raden en ze te manen tot godzaligheid. Laten vallen |106| van de tucht is derhalve het zoek maken van de sleutelen des hemelrijks, een vernietiging van de macht, die Christus in zijn kerk gelegd heeft, en even daardoor een afsnijden van het gezag van Koning Jezus. Jezus als den profeet aanhooren, als den hoogepriester danken, maar hem als koning het gezag opzeggen. Vandaar dat ook deze krankheid het wezen der kerk zoo doodelijk aantast. Meest ontstaat die krankheid in de ouderlingen. Zij, als de meer bijzonderlijk met de dienaren tot kerkregeeringe geroepen ambtsdragers, beginnen dan met hun ambt tot aanhangsel van het ambt der dienaren te verlagen, in steê van te belijden, dat ze even vorstelijk als de dienaren door Koning Jezus in het ambt zijn ingezet. Straks zien zij in hun ouderlingschap geen ambt meer, gunnende alleen aan de dienaren den hoogeren titel. Een gevolg hiervan wordt dan, dat het geestelijk en zedelijk besef van plicht en roeping bij hen kwijnen gaat; dat ze zich geen denkbeeld meer vormen van de heerlijke macht, die hun Koning op hun hand heeft gelegd en dat ze ten slotte, krachteloos en geesteloos geworden, en geen tucht meer over zichzelven latende gaan, ook den moed missen, om tucht over anderen te oefenen. De deformatie der kerk, die uit de ontaarding van het ouderlingschap voortvloeit, is dus minstens even bedenkelijk als de deformatie, die in de ontaarding van het ambt der dienaren haar oorsprong vindt. Het is bij de ouderlingen de krankheid der anarchie, die met een laten varen van recht en gezag en orde in den kerkeraad begint, en op prijsgeven van alle recht ook in de Synodale saamkomsten uitloopt. Principieele revolutie is het, waarbij de herderen zich laten vonnissen door de kudde, en de kudde den wil verleert van zich onder het oordeel der herderen te buigen. Want uit deze krankheid vloeit ook wel de bandeloosheid der gemeente, de geestelijke ontucht der dienaren, de vervalsching der genademiddelen, en wat dies meer zij, voort, maar toch is dit alles slechts gevolg, niet het eigenlijke type van deze krankheid. Haar eigen kenmerk is het opheffen van het gezag.


§ 45. Van de deformatie in het werk der liefde en der barmhartigheden.

In de kerk van Christus welt de liefde voor den ellendige onder de broederen en de ontferming voor de ellendigen onder die buiten staan, even vanzelf en onweerstaanbaar naar boven, als het water opborrelt uit de sleuven en spleten, die een fontein in de steenrots vond. Er is in die kerk dus een storende oorzaak |107| aanwezig, die de natuurlijke uiting van haar leven tegenhoudt, bijaldien de geldgierigheid, aller kwaden wortel deze bron der liefde en der barmhartigheden in haar doet opdrogen en de ellendige, die naar God roept, door de kerk van Christus ledig wordt heengezonden. Dit is een ontzaglijke schuld voor den Heere, voor hem, die, in het oordeel van den grooten dag, eens de liefde zijner Bruid voor hem, den Bruidegom, af zal meten naar de warmte of de koelheid, waarmeê zijn hongerigen gespijsd zijn of zijn naakten gekleed. In toorne moet hij zich dus keeren tegen een kerk, die hem zelven wegschuift uit het Heiligdom, om er het afgodsbeeld van Mammon weer op te richten, en er kan geen „licht van het vriendelijk aanschijn” in zijn kerk stralen, als koude berekenende zelfzucht en hebzucht weer de plaats inneemt, die der Barmhartigheid in zijn heilig huis toekomt. Zeer verkeerd deed men dus, met bij de deformatie der kerk dusver van dezen gruwelijken misstand te zwijgen. Wel, dit moet toegegeven, raakt deze deformatie niet het wezen der kerk, maar haar levensuiting, even als een verdorren en verschrompelen van bloesem en vrucht nog geen bewijs is dat de boom stierf in den wortel; maar toch blijft zelden bloesem en vrucht uit, indien het leven in den wortel niet krank is. Daarom zal men wel doen met ook hierop voortaan scherper te letten, en dat in drieëerlei opzicht. — En wel, ten eerste, wat het diaconale ambt aller geloovigen aangaat, om toe te zien, of in de leden der kerk van Christus de aandrift, om zijn goud en zilver te offeren, met genoegzamen prikkel werkt. Een geloovige moet altoos een blijmoedig gever zijn. Het moet niet een afgeperste gave wezen, maar willige offerande. Ja dieper zelfs nog dient de genegenheid des harten bespied, of er maar niet een toewerpen is van een aalmoes, maar een priesterlijk deelnemen der deernis. Of er niet is hoogheid, die zich naar den ellendige nederbuigt, maar diepe ontferming, die zich met den armste en nooddruftigste één weet als broeders en zusters in den Heere. Ook of er niet is Farizeeuwsch vertoon van offervaardigheid, maar een reiken van aalmoezen in het verborgene, opdat de Vader, die in het verborgene ziet, zulks in het openbaar vergelde. — In de tweede plaats dient onderzocht, of de kerk niet slechts in haar leden, door het ambt aller geloovigen, maar ook in haar centraal liefdeambt, t.w. door de bediening der diakenen, op de hoogte van haar roeping blijft. En wel met name of de diakenen hun roeping gevoelen, om de kunst van geven in de kerke Gods te ontwikkelen; of zij naar de hooge beteekenis van hun ambt, beseffen, de voetstappen van Christus te moeten drukken in het spijzen van den |108| hongerigen en het genezen van den kranke; en eindelijk of zij, wel verre van tevreden met koud en koel en onbarmhartig uit te deelen de penningen die inkomen, er integendeel hun hart op zetten en niet rusten, eer al wat God nooddruftig maakte, ook geholpen zij door die liefde Gods, die de Heilige Geest uitstort in de kerk. — En in de derde plaats eindelijk dient scherpelijk toegezien, of de kerke Gods bij dezen arbeid der liefde en des mededoogens, niet afgaat op gevoel. maar haar vastigheid zoekt in Gods Woord; haar taak niet beperkt tot een aalmoes reiken aan den bedelaar, maar ook de ellendigen opzoekt, wier nood in het verborgene tot God schreit; en bovenal of ze, naarmate de wateren van den nood klimmen, ook de maat harer liefde wete uit te zetten, door ook als kerk zorg te dragen voor wat krank en gebrekkig, verlaten en verminkt is en aldus, in den naam des Heeren Jezus, zich te ontfermen over wie doof of blind, idioot of krankzinnig, kreupel of melaatsch, of met welk ander lijden bezocht is. — En merkt men nu, helaas, dat dit machtig werk der liefde en des ontfermens kwijnt; dat de kunst om te geven niet meer verstaan wordt; dat de kerk liefst aan anderen overlaat wat haar eeretaak is; en dat de ellendige en nooddruftige zijn aangezicht van de kerke Christi afwendt, wetende dat dáár voor zijn klachte toch geen gehoor is, dan mag en moet uit deze verdorring van de vrucht der liefde wel terdege het gevolg getrokken, dat zulk een kerk in haar wortel verkankerd is. „Zooveel ge dit niet aan een mijner minste broeders gedaan hebt, zooveel hebt gij dit ook aan mij niet gedaan,” is haar dreigende veroordeeling.


§ 46. Van de deformatie in den Eeredienst.

„De ure komt en is nu, dat de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in Geest en in Waarheid,” sprak de Heere onze koning. Zal het goed zijn, dan moet derhalve bij onzen eeredienst de gewijde vorm slechts zooverre in het zichtbare treden, als noodig is, om de aanbidding in den Geest waarneembaar te maken voor de gemeenschap der heiligen. Vandaar de strenge eischen door onze vaderen gesteld, om sober te zijn in den stijl en de opsiering onzer kerkgebouwen; om het orgelspel liefst geheel te mijden, maar wordt het toegelaten, nooit meer te doen zijn dan begeleiding; om met prijsgeving van alle kunstmatig gezang, het zingen der gemeente de stille uitlating der ziel voor God te laten zijn; om door rustig nederzitten, alleen met opstaan der mannen onder het gebed afgewisseld, alle beweeglijkheid in buigingen en omwendingen te |109| voorkomen; en dienovereenkomstig ook bij de gebeden, bij de Sacramenten, bij de begrafenissen en wat dies meer zij, te streven naar sobere zinrijke symboliek, die uitdrukking is van een heiligen vrede Gods. Nu is in deze zaak van uitwendigheden intusschen zoomin een bovenmatig verheffen van soberheid, als een buiten mate toegeven aan zinlijke neiging geoorloofd; ook is er verschil van klimaat en van nationaliteit. Wat sober is voor een Italiaan, zou hier reeds bont en overdreven heeten. Vaste regelen bestaan er in dezen niet, en is alzoo de deformatie minder licht te constateeren. Toch wane niemand, dat daarom in den eeredienst geen deformatie zou kunnen insluipen. Het droeve voorbeeld van de ritualisten in de Engelsche zusterkerk bewijst helaas het tegendeel. Een goed deel dier kerk gaat juist door het onbesnoeid en wild uitwassen van haar eeredienst te gronde. En ook al stijgt het kwaad niet tot zulk een hoogte als in Groot-Brittannië, toch neigt een kerk ook ten onzent reeds tot deformatie in den eeredienst, indien gemis aan geestelijken klank in het lied, de kerk verleidt om door kunstmatig spel aan de orgelpijpen te ontlokken, wat uit de ziel der geloovigen niet meer opwelt; indien men de ongeestelijkheid van het gebed door lichamelijke buigingen zoekt te vergoeden; en voorts door gedurig opstaan en dan weer gaan zitten, door allerlei beurtzangen, of veelstemmig zingen of koorgezang, of ook door plechtige gewaden en het aanbrengen van kronen en wat dies meer zij, in het uitwendige poogt te vertoonen, wat in de kern der zaak ontbreekt. Opmerkelijk is het, dat ook ten onzent de eeredienst zuiver en sober bleef zoolang het „Mijn Heer en mijn God!” haar uit het harte kwam, maar opgesmukt en met allerlei vreemdsoortigheid versierd werd, toen de Groningers er de Godheid des Heeren uit wegdroegen, en de gemeente weer toespraken met de afgemetenheid en onbezieldheid van den practischen Ariaan.


§ 47. Van de deformatie in het kerkbestuur.

Deformatie in het kerkbestuur kan daardoor ontstaan, dat de personen der kerkbestuurders ongeestelijke, bureaucratische, vormelijke lieden zijn, van alle gaven des Geestes voor het bestuur van Jezus’ kerk misdeeld. Ze zullen dan het recht ongewroken laten, zij het ook dat ketterij of bandeloosheid het schendt, en ten slotte zelfs neigen, om hun macht als rechters te misbruiken, om wat onrecht is recht te doen heeten en de onschuldigen te verdoen. Intusschen is dit nog niet deformatie van het kerkbestuur als zoodanig. Deze deformatie is dan eerst aanwezig, als de bestuursinrichting zelve |110| afwijkt van wat ze zijn moet naar den Woorde Gods. Er kan een kerk zijn, met een uitnemende bestuursinrichting, maar die, door slecht personeel bezet, slecht werkt. Maar omgekeerd kan er ook zijn een zeer slechte bestuursinrichting, die hoe ook met uitnemend personeel bezet, nooit goed werken kan. Het is er meê als met de machinekamer in een stoomschip. Heb het prachtigste schip met de uitnemendste machine, en toch gaat uw schip in den grond, als uw machinist óf onkundig óf onoplettend, óf door drank bedwelmd is. Maar ook heb omgekeerd een ellendig schip met onbruikbare machines, en al plaatst ge er dan de uitnemendste machinisten in, dan brengen ze u toch niet vooruit. En zoo nu is het ook met een kerkbestuur. Ge redt door een goed kerkbestuur uw kerk niet als de Geest Gods haar verlaat; maar is uw kerkbestuur slecht, dan kunt ge ook uw kerk niet van het verderf afhouden, al kondt ge al uw kerkbestuur bezetten met stipt rechtzinnig personeel. Ook op deze deformatie dient dus zeer scherpelijk gelet, overmits ze het recht krenkt, de beste krachten verlamt; de ankers en gebinten van het huis loswrikt; en de toekomst der kerk op het spel zet. En geen wonder voorwaar, want elke deformatie in zake het kerkbestuur raakt rechtstreeks de vraag, of in de kerk van Christus al dan niet alle macht aan Koning Jezus en zijn Woord zal blijven ; en voorts niet minder die, andere, of in de kerke Christi, waarin allen broeders zijn, al dan niet weer een meesterschap van den broeder over den broeder zal worden opgericht. Revolutie door opstand tegen den koning, of Clericalisme door heerschappijvoering over de broederen, is de dubbele vorm van krankheid, die door deze bestuursdeformatie het leven der kerk aantast. „Eén is uw meester, en gij zijt allen broeders!” is het levenswoord, dat hier alleen genezing aanbrengt. Het geldt den alouden strijd tusschen de heilige ordinantiën Gods en de valsche ordonnantiën der menschen.


§ 48. Van de deformatie, door woekerplanten op den kerkelijken stam, ofte van de secten.

Secten ontstaan bijna altoos door de schuld der kerk, en wel op drieërlei manier. Of namelijk, doordien de kerk een stuk der waarheid verduisteren laat, dat nu in de secte een uitweg zoekt. Of doordien ze aan de behoefte naar gemeenschap der heiligen geen voldoening schenkt, die nu voldoening op eigen terrein najaagt. Of eindelijk, doordien ze de teugels van de tucht laat glippen, en daardoor dwaalleer tot macht laat komen en straks, wortel laat schieten |111| tot eigen formatie, meest soms levende van haar eigen kerkelijk levenssap. Ook dit is een der gevaarlijkste deformatiën van de kerk van Christus, die gemeenlijk in milderen vorm, zonder nog als secte op te treden, zich in sectarische paden openbaart. Sectarisme namelijk drijft elke groep reeds in de kerk van Christus, die een aparten kring formeert, en daarvoor een ander middenpunt koos dan het middenpunt der kerk zelve. Het middenpunt der kerk is de geheele waarheid, levende in hem die sprak: „Ik ben de waarheid.” Een groep om dát middenpunt in de kerk, tijdelijk tegen de kerk, geformeerd, blijft kerkelijk en mag nooit sectarisch genoemd. Maar vormt zich een kring van enger verbondenen, die óf een enkel punt uit de volle waarheid uitlichten en tot middelpunt stellen, óf ook in eenig menschelijk persoon, nog levende of reeds gestorven, de samenbinding hunner geesten vinden, òf ook die buiten de genademiddelen hun eigenlijke gemeenschap der heiligen zoeken, dan zijn deze kringen sectarisch in aard en wezen, en moeten bij wettige ontwikkeling tot formeering van eigenlijke secten overgaan. Van schismatieke formatiën behoeft hierbij ter nauwernood gewaagd, daar deze formatiën meestal slechts ontstaan uit morrende ontevredenheid over kerkelijke rechtspraak, of door overdrevene gehechtheid aan kerkelijke uitwendigheden. Deze formatiën blijken dan ook meestal geen wortel te hebben, verdorren spoedig, en sterven uit. Een scheurmaker is dan ook in de schatting der kerk steeds een ontevredene geweest, die uit het vleesch werkte en toegaf aan onheiligen toorn, terwijl de sectarische lieden, en de secten die uit hun woelen opkomen, bijna altoos misleiden zijn, dolende te goeder trouw; personen in wie ernst en hemelzin werkt, maar die deels door de schuld der kerk, deels door eigen onvoorzichtigheid en hardnekkigheid, zich niet tot beter lieten gezeggen. Zoo is bijv. het perfectionisme op dit oogenblik, evenals de ethische kring nog slechts een sectarische beweging in de kerk, terwijl het Darbisme, Irvingianisme, enz. secten zijn, die zich reeds zelfstandig poogden te organiseeren en nu als woekerplanten leven op den kerkelijken stam.


§ 49. Hoe de kerk door deformatie ten slotte in een schijnkerk verloopt.

Vat men nu al deze deformatiën saâm, in de Ieeken en de dienaren; in de belijdenis en in de genademiddelen; in de tucht en in het liefdewerk; in den eeredienst en in het kerkbestuur; door de |112| sectarische groepen en door de secten, — dan tast ieder hoe deze veelvuldige krankheden ten leste derwijs het leven der kerk kunnen aantasten, dat de deformatie een einde neemt, doordien alle leven uit de kerk weggaat. Er is dan aan de kerk niets meer te deformeeren, omdat alle leven haar ontzonk. Aldus ontstaat de schijnkerk, d.i. de absoluut gedeformeerde kerk, die melaatsch is van den hoofdschedel tot de voetzool toe; gansch wit in de ingezonken huid; alle levenstint van haar geweken, zonder een spoor meer van gezond vleesch, waarop het gif der krankheid verstorend werken kon. In zulk een schijnkerk is het vrede, ruste, stilte als de stilte des grafs. Ze is gelijk een uitgebrande haard, die u slechts witte asch en grauwe sintels toont. Een lijk, maar nog niet overgegaan tot ontbinding! Zulk een schijnkerk zou ondenkbaar wezen, indien een kerk op zichzelve stond, en noch door kerkverband met andere kerken, noch door banden van den Staat, noch eindelijk door burgerrechtelijke betrekkingen van eigendom, bezit, rechten, of titels, nog een tijdlang werd opgehouden! Dan toch zou ze, na het wegnemen van haar kandelaar, eenvoudig ineenzinken, in staat van ontbinding geraken en vergaan. Nu daarentegen, door zulk kerkverband, staatsverband en rechtsverband, de ineenzinking en ontbinding wordt tegengehouden, kan zulk een formatie, die in geen enkel opzicht kerk meer is, toch nog den schijn van kerk te zijn behouden. Men vindt dan een geraamte, maar nog gekleed in het deftig, zij het ook gescheurd en bezoedeld kerkelijk gewaad. Zulke schijnkerken vindt men bijv. in, onze Oost-Indische koloniën, waar regeeringsgezag en staatsgeld ze staande houdt. Men vindt ze in Noord-Brabant, waar ze kunstmatig geteeld, nooit wortel schieten konden, maar toch door de biezen van een staatstractement blijven hangen aan den bijgestoken bloemstok. Eindelijk vindt men ze ook in Noord-Holland, in Groningen en Drenthe, misschien ook elders, in die plaatsen, waar geen enkel persoon meer is die belijdt, geen kerkelijke bediening, die de genademiddelen brengt, en waar elken morgen de zon opkomt en elken avond de zon ondergaat, zonder dat een enkele knie voor Koning Jezus gebogen wordt of een enkele tong hem belijdt.


§ 50. Hoe de valsche kerk opkomt.

Wel te onderscheiden van deze schijnkerk is ten slotte die ontzettendste van alle deformatiën, die uitloopt in het optreden der valsche kerk of de kerk van den antichrist. Nog altoos is de |113| leer van den antichrist in de kerk weinig ontwikkeld en meenen de meesten dat antichrist eensluidend is met satan. Dit is stellig zoo niet. Satan stelt zich tegenover God, en bootst in de radeloosheid van zijn onmacht al het doen Gods na, of het hem gelukken mocht, met Gods eigen instrumenten zijn koninkrijk af te breken. De antichrist daarentegen duidt aan zulk een persoon, in wien den Satan iets soortgelijks laat optreden, als de Heere God liet optreden op aarde, toen Hij ons den Middelaar zond. Zulke antichristen zijn er nu velen en staan er door alle eeuwen op, in zoo verre ook de mislukte en zwakke pogingen van Satan, om een tegenchristus te scheppen, door de apostelen met dien naam bestempeld worden. Maar ook de eigenlijke antichrist is alleen hij, in wien het Satan gelukken zal eenmaal zijn bedrieglijken schijn en misdadige vertooning een tijdlang door te zetten. Evenals nu Christus zijn kerk en Koning jezus zijn onderdanen heeft, zoo poogt ook Satan, altoos het doen Gods nabootsende, een kerk voor zijn antichrist en onderdanen voor zijn valschen koning te formeeren. Vandaar het gestadige streven van Satan, om een tegenkerk, een antichristelijke, een valsche kerk te openbaren. Dit nu kan Satan niet door nieuwe stichting doen. Daartoe is hij te onmachtig. En zoo komt het dat Satan er telkens op loert, om in een bestaande kerk in te sluipen en die kerk onder valschen schijn om te zetten in haar tegendeel. Gelijk in den zeeoorlog de vijand er soms op uit is, om een weerbaar schip van zijn tegenpartij te enteren, het bootsvolk dat er op was in boeien te slaan, er zijn volk in te zetten; en dan met de ram of het geschut van vijands eigen schip onder valsche, bedrieglijke vlag, zijn overige schepen in den grond te boren, zoo ook is de toeleg van Satan. Hij breekt daartoe de kerk niet af, maar maakt haar juist machtig. Hij neemt de heiligheden niet weg, maar misbruikt ze. En wel zijn het grijpende wolven die hij binnenlaat, maar die grijpende wolven zien er van buiten alle uit als lammeren; zoo naïef loopen ze in de lammerenvacht om. Deze valsche kerk wordt dan bediend door duivelen, maar van wier duivelenaard niets uitkomt, doordien ze zich voordoen als engelen des lichts. Het is, om het beeld van een kranke te nemen, niet de teringlijder, die aan uitputting inzinkt, maar veel meer de bezetene, die sterk en boosaardig, terwijl gij dacht een lijder te vinden, dien ge verzorgen zoudt, u aanvliegt, bij de keel grijpt en, zoo God het niet verhoedt, u vermoordt.

Scherp dient derhalve onderscheiden tusschen wezenlijke kerken van Christus, die in staat van deformatie verkeeren; tusschen schijnkerken, die ophielden kerken van Christus te zijn, omdat de |114| deformatie er bij ten einde liep; en tusschen de valsche kerken, bij wie de deformatie slechts dienst deed, om een satanische contraformatie in het leven te roepen.

Van deze valsche kerk beleden onze vaderen „dat zij haar en hare ordonnantiën meer macht en autoriteit toeschrijft dan den Woorde Gods en zich aan het juk Christi niet wil onderwerpen; dat zij de sacramenten niet naar den Woorde Christi bedient, maar daaraan toe of afdoet, gelijk als het haar goed dunkt; dat zij zich grondt meer op de menschen dan op Christus; en vervolgt degenen die heiliglijk leven naar den Woorde Gods en die haar bestraffen van hare gebreken, gierigheid en afgoderijen.”

Intusschen heeft ook deze valsche kerk hare onderscheidene graden. Gelijk een bezetene door één, maar ook door een millioen demonen kan bezet zijn, zoo kan ook een kerk door groote of mindere listigheid van Satan worden omgeleid. En evenzoo, gelijk er bezetenen waren, voor wie nog naar Jezus geroepen werd, en die Jezus op dat gebed van hun demonen verloste, zoo kunnen er kerken zijn, die ten deele en tijdelijk instrumenten van den Satan waren geworden, en die de Heere toch weer op het ootmoedig gebed van Satans inwerking vrijmaakt. Men zij dus ook op dit punt tegen overijld oordeelen op zijn hoede. Ongetwijfeld lag de kerk van Christus, in de dagen toen Luther optrad, schier geheel in banden van den Satan gebonden, en toen Rome het bloed van Gods heiligen dronk, was er zeer stellig een anti-christelijke macht in haar kerkorganisme gevaren. Het zou laf en ongeestelijk zijn, dit niet te durven uitspreken. Of daarentegen de Roomsche kerken als zoodanig derwijs geheel en duurzaam van den Heiligen Geest verlaten zijn, dat de Paus de antichrist zou zijn, is een vraag, die wel in 1603 door de Fransche kerken op haar synode in bevestigenden zin is beantwoord, maar zonder dat de gereformeerde kerken van hier en elders dit artikel, hoezeer er kennisse van dragende, te Dordrecht in haar belijdenis overnamen. Onze vaderen dorsten blijkbaar deze absolute uitspraak, hoezeer er toe overhellende, niet geheel aan, en gingen integendeel voort ook den in Romes kerken toegedienden Doop, als geldend Sacrament te erkennen; en overmits nu het Sacrament niets is zonder de werking der genade, zoo beleden ze derhalve, dat ook in deze geheel ontaarde kerken nog genade des Heeren werkende was.

Leggen we ons bij dit oordeel onzer vaderen neder, dan volgt hieruit, dat er dusver wel gedeeltelijk vervalsche en in zooverre valsche kerken gezien zijn, maar de absoluut-valsche kerk, d.i. de voltooide openbaring van de kerk, waarin Satan |115| zijn eindtriomf zal pogen te vieren over den Christus, dusver nog toeft.

Beware God Almachtig ons, dat daarbij onze kerken geen dienst van instrument voor Satan mogen doen, en opdat Satan onze kerken niet met zijn demonischen invloed beziele, wordt zelven, o, belijders des Heeren, niet van den Booze bezeten, maar wone, werke, bidde in u, als in zijn wettigen tempel, onze hemelsche Leeraar en aanminnige Trooster, God de Heilige Geest! |116|




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004