Hoofdstuk II. De rechte formatie der kerken.


§ 13. Op wat wijze de formatie eener kerke tot stand komt.

Formatie der kerken doelt uitsluitend op haar waarneembare openbaring, d.i. op haar verschijning in het zichtbare; en dus niet op haar innerlijk, mystiek en geestelijk bestaan. Op de vraag nu: wie deze zichtbare gestalte der kerk formeert; moet geantwoord: God, of wil men nader: de Christus doet dit, door de geloovigen, onder leiding van het ambt.

God doet dit, 1º. door zijn Raad, waarin het bestek ligt van het mystieke wezen der kerk; 2º. door zijn Wonderdaden en Openbaringen, waardoor de fundatie gelegd is, waarop, naar dat bestek, zou worden gebouwd; 3º. door zijn Woord en Geest, werkende de roeping en toebrenging zijner uitverkorenen; 4º. door de aandrift tot kerkstichting, die Hij door de gemeenschap der heiligen in zijn uitverkorenen werkt; en 5º. door den eisch tot belijdenis van het Woord, waarmeê Hij komt tot elk geloovige.

Zonder den raad Gods zou er geen zaad Gods zijn, en alzoo geen kerk waarneembaar kunnen optreden.

Evenwel deze aandrift tot gemeenschap der heiligen en deze eisch tot belijdenis worden dan eerst waarneembaar, indien ze zich openbaren als poging tot aaneensluiting in gehoorzaamheid aan het Woord; en het is hierdoor dat God de Heere zich bij het formeeren van zijn zichtbare kerken instrumenteel gebonden heeft aan het handelend optreden van de geloovigen.

Een zeker aantal geloovigen in een zelfde dorp of in dezelfde stad levende, maar zonder dienst des Woords en geordende gemeenschap, vormen nog geen zichtbare kerk, overmits alsdan die functie van het leven der geloovigen, die de kerk vormt, nog werkeloos bleef. Eerst dan openbaart zich derhalve de kerk in het zichtbare, bijaldien in de schare der geloovigen de aandrift van de gemeenschap der heiligen werken gaat en in gehoorzaamheid aan het Woord tot een resultaat komt. Dan toch is het resultaat van deze functie des geloofs in de geloovigen, dat zij in onderling verband treden, zich |28| aaneensluiten, een kerk in het zichtbare formeeren en om hun formatie een kerk te doen zijn, die formeeren in persoonlijke en gemeenschappelijke gehoorzaamheid aan het Woord van God. Of deze formeerende werking van de functie des geloofs in deze schare der geloovigen echt en zuiver is, d.i. voortkomt uit een aandrang van den Persoon des Heiligen Geestes in een deel van het mystieke lichaam Christi, is Gode en zijn Christus bekend, maar, in volstrekten zin althans, nooit aan menschen. Wie geen kenner der harten is, kan door schijn en vroom vertoon misleid worden, en, hoezeer aan Gods uitverkorenen soms zelfs in hoogen graad de gave wordt toebedeeld van de onderscheiding der geesten, toch is deze gave steeds uitzondering en nimmer volkomen. Reden waarom steeds als regel behoort te gelden, dat elk iudicium de intimis, d.i. elk oordeel over het verborgen leven des harten, blijft buitengesloten, en alle oordeel in het kerkelijke zich te richten heeft naar wat men met zijn mond belijdt en betoont in zijn openbaren wandel.

Onder de geloovigen, als instrument voor kerkformatie, verstaan we derhalve zoodanige personen, die door hun zuivere belijdenis van de waarheid Gods en hun eerbaren wandel zich openlijk als geloovigen aandienen; een regel die van zelf in zich sluit dat wel zelden een kerk zal gesticht zijn, zonder dat reeds in haar wording de hypocriet meê insloop in de verzameling van Gods heiligen.

Voor zoodanige kerkstichting door het instrument der geloovigen, is noodig: 1º. hun vrijheid om te kunnen saamkomen, beraadslagen en besluiten; 2º. hun wil en verklaring dat zij in dezen band zich verbinden; 3º. overeenstemming van hun formeerende handeling met de eischen van Gods Woord; en 4º. derhalve plicht en vrijheid om dezen band persoonlijk te ontbinden, zoodra zulk verband voor hen de gehoorzaamheid aan Gods Woord zou afsnijden. Uit dien hoofde is en blijft elk kerkelijk verband steeds ontbindbaar, of liever nog, valt het van zelf uiteen, zoodra, wat als Christi kerke gesticht wierd, in een kerk van den Antichrist ontaardt.

Eindelijk, deze formatie van kerken, door het instrumenteel optreden der geloovigen, komt niet tot stand dan onder leiding van het ambt.

Een kerk is geen maatschappij, vereeniging of genootschap dat naar eigen keus en inzicht zijn belangen regelt, en zich vertegenwoordigen laat door zekere organen, die het naar eigen wilsbepaling formeert en met personen bezet. Ware de kerk in haar zichtbare gestalte zulk een societas, dan zou ze los zijn van de ware geestelijke, mystieke d.i., eigenlijke kerk, en dus den naam van kerk verbeuren. Ze zou dan niet principieel door God zelven en slechts instrumenteel door de |29| geloovigen geformeerd zijn, en, buiten God om, eenvoudig een menschelijk creatuur vormen. Om dit niet, maar om Gods formatie en alzoo een wezenlijke en werkelijke kerk te zijn, moet ze zich conformeeren aan de door God verordende formatie. Niet de wil der geloovigen, maar Gods wil, niet menschenkeus maar Gods Woord moet de vormende kracht uitoefenen, die haar wording beheerscht.

Vandaar reeds in haar oorsprong en wording de gebondenheid van de kerken aan het ambt. Dit beduidt, dat de saamgekomen geloovigen, die een kerk gaan formeeren, geen de minste macht over zichzelven en uit zichzelven, noch ook uit of over elkander hebben, maar dat zij saam hebben te knielen voor den Eénige, die macht over hen allen lieeft; d.i. voor den Heere hunnen God. Dat zij derhalve, zelven geen macht bezittende, dus ook geen macht kunnen op- of overdragen, en dat hun derhalve niets anders rest, dan in gehoorzaamheid aan God mannen aan te wijzen, die niet door hen, maar door God en van Godswege met macht worden bekleed.

Eerst door zulk een goddelijk ambt krijgt de kerk organen en openbaart ze zich dus als organisme, en het is onder leiding van deze organen, dat de kring die zich geformeerd heeft, eerst in vollen zin kerk wordt of althans zich als kerk kan openbaren.

Dit ambt kan of van buiten tot hen komen, óf uit hun eigen boezem ontstaan.

Het komt van buiten in, bijaldien opzieners van andere kerken zulk een kring van geloovigen behulpzaam zijn in het formeeren der kerk. Of ook het ontstaat in zijn eigen boezem, indien zulk een kring van alle gemeenschap met naburige kerken afgesloten, door keuze, krachtens het ambt der geloovigen, personen aanwijst, van wie ze vraagt, dat God ze in het ambt instelle.

Voor kerkformatie blijft alzoo drieërlei eisch: ten eerste de werking van den Drieëenigen God in de gemeenschap der heiligen; ten tweede een wilsdaad der geloovigen tot aaneensluiting in onderwerping aan Gods Woord; en eindelijk ten derde het optreden van het ambt, om de kerke Gods van alle andere maatschappijen te onderscheiden.


§ 14. Wat het wezen eener tot formatie gekomene kerk uitmaakt.

Bij eene kerk die tot formatie gekomen is, dient scherp onderscheid gemaakt tusschen den vorm dezer formatie als zoodanig en het wezen der kerk dat in die formatie zich openbaart. Het wezen |30| nu eener zichtbare kerk is en blijft altoos de onzichtbare kerk, mits men daarbij insluite de ingeschapen aandrift van deze geestelijke en mystieke kerk om zich naar buiten te toonen. De onzichtbare kerk is het lichaam Christi, d.i. de organische verbinding van alle uitverkorenen door den H. Geest onder Christus als hun hoofd. Zijn dus in eenige stad of eenig dorp een zeker aantal levende leden van dit lichaam Christi woonachtig, dan is er het wezen der kerk, en komt dit tot bewustzijn, zoodra slechts deze leden, op hoe gebrekkige wijze dan ook, gemeenschap der heiligen oefenen, en des zins en willens zijn, om deze hunne gemeenschap tot voller en zuiverder kerkelijke openbaring te brengen, zoodra de mogelijkheid hiertoe slechts geboren wordt. Gezelschappen zooals door sommige onkerkelijke secten of antichristelijke kringen worden opgericht, vallen hier dus buiten; niet omdat in deze kringen geen levende lidmaten Christi kunnen opgesloten zijn; noch ook alsof men in deze kringen geen gemeenschap der heiligen zou pogen te oefenen; maar overmits de zin en de wil ontbreekt, om, waar dit kan, de kerkelijke formatie te openbaren. Gelijk een pas gestekte rank, ook al toont hij voor het oogenblik nog zoomin blad als tros, toch het wezen van een wijnstok bezit, overmits het vaststaat, dat zij al voortgaande vanzelf tot het uitbotten van blad en bloesem en het aldus formeeren van tros en druif komen zal, zoo ook bezit een vergadering het wezen eener kerk, ook al werken haar organen nog niet, zoodra slechts vaststaat, dat ze, opgroeiende en verder ontluikende, die organen verkrijgen zal en deze organen zullen werken. Daarentegen is een wilde wingerd geen wijnstok en mist het wezen ervan, ook al schoot hij hoog in zijn hout op en al is hij overdekt met het weelderigste loof, eenvoudig, omdat hij, hoe ook uitgroeiende, nooit één enkele tros van de edele druif kan telen.

Het wezen eener kerk ligt dus ook niet in de genademiddelen noch in de instellingen die deze genademiddelen helpen aanwenden. Geen wijnstok toch, om bij hetzelfde beeld te blijven, kan leven, veel min tieren, zonder vocht en licht, zonder aarde en warmte; maar wie zal daarom ooit in vocht of warmte het wezen van den wijnstok zoeken? En zoo nu ook kan wel geen kerk leven zonder de genademiddelen, maar nooit mag daarom, in welk genademiddel ook, het wezen der kerk als besloten gedacht worden. En even hetzelfde geldt van de instellingen die deze genademiddelen toedienen. Om den persikboom in het leven te houden, moet hij met mest gevoed, begoten met water en bij vorst met riet gedekt worden, maar noch die voeding aan zijn wortel, noch de gieter of het riet, waarmeê de tuinman hem |31| verzorgt, behooren daarom tot zijn wezen. En zoo nu ook kunnen de genademiddelen wel niet geschiktelijk zonder kerkelijke regeling, zonder kerkgebouw, zonder doopvont, brood en wijn aan de kerk worden toebediend, maar dit maakt nog geenszins dat deze regeling en wat uit haar voorvloeit, tot het eigen wezen der kerk zou behooren.

Het wezen der kerk ligt altijd uitsluitend in datgene wat de kerkformeerende kracht in zich draagt, en deze kracht nu berust, naar we zagen, voor de onzichtbare kerk rechtstreeks in God, en voor de zichtbare in de leden van het lichaam Christi.

Hieruit vloeit voort, dat eene vergadering, waarin geen leden van het lichaam Christi meer zijn, het wezen eener kerk verloor en niets dan het spotbeeld van een kerk overhield, hoe symmetrisch zuiver ze ook nog in haar instellingen sta. En omgekeerd, dat elke kerk nog altoos het wezen eener kerk behoudt, zoolang ze een kring van levende lidmaten Christi in haar schoot draagt, ook al waren al haar instellingen verdorven. Zelfs een geheel afgekapte boom behoudt nog altijd het wezen van een boom, zoolang het leven nog maar in den wortel zit.

Hiermeê is natuurlijk in het allerminste niet bedoeld, dat elke kerk, hoe ontredderd ook, nochtans kerk zou blijven, zoolang er nog maar enkele kinderen Gods lijdelijk in haar verkeerden; maar omgekeerd, dat deze kinderen Gods, deze kring van lidmaten Christi, nog altoos het vermogen in zich blijft behouden om de kerke Gods hetzij te reformeeren, hetzij nieuw te formeeren. Zoolang er nog eikels ter uwer beschikking blijven, is het wezen van den eik nog niet verloren, maar kan, hoe ook schuil gegaan, weer te voorschijn komen. Edoch dit punt komt eerst in deel vier breeder aan de orde.

Thans zij nog slechts opgemerkt, dat men in zijn oordeel over het wezen der kerk niet te haastig zij. Immers voor de eerste openbaring van het wezen der kerk is zeer zeker een kring noodig van uitverkorenen, die tevens reeds volwassen en besliste belijders zijn. Jonge kinderen of nog niet tot belijdenis gekomen personen zijn, ook al behooren ze tot Gods uitverkorenen, tot kerkformatie onbekwaam. In een bestaande kerk daarentegen rekent het zaad der kerk wel terdege mede, en is het wezen der kerk nog geenszins te loor gegaan, ook al waren de laatste uitverkorenen onder de volwassenen uitgestorven en nog geen der uitverkorenen onder de jongeren tot bekeering gekomen. Davids huis blijft het huis van Messias, ook al woedt een Achaz en Manasse en Amon in gruwelijken afgodendienst, omdat uit Achaz weer een Hizkia, uit dien Amon weer een Josia staat geboren te worden. |32|

Komt het daarentegen zoover dat in een vroeger bloeiende kerk alle levende lidmaat uitsterft en geen zaad des Heeren meer wordt opgeschreven, zoodat dientengevolge ook de genademiddelen wijken en de instellingen vervalscht worden, dan kan er wel op datzelfde dorp weer een kerke Christi komen, maar slechts door nieuwe kerkformatie van buitenaf, niet meer door een scheute uit den niet slechts uitgehouwen, maar ook innerlijk verstorven tronk.

Niets hoeft dus afgedaan of toegevoegd aan de omschrijving door onze vaderen van de kerke Christi gegeven, t.w. „dat ze is een heilige vergadering der ware Christ-geloovigen, alle hare zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewasschen zijnde door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest,” een omschrijving die evengoed voor de onzichtbare als voor de zichtbare gestalte der kerk doorgaat, en dus zoowel voor elke plaatselijke kerk geldt als voor de kerk in ’t algemeen.

Slechts houde men hierbij wel in het oog, dat het wezen eener kerk uit een dubbel oogpunt kan beschouwd, al naar gelang men let op het wezen naar zijn vermogen, (potentiâ), of wel op het wezen naar zijn uitwerking (actu). Dynamiet is dynamiet ook al ontplofte het nog niet, omdat het toch het vermogen om te ontploffen in zich draagt. En zoo ook bezit een vergadering wel terdege het wezen eener kerk, zelfs al mist ze nog alle ambt, mits ze nog het vermogen om het ambt op te richten in zich drage.

Naar het vermogen, of gelijk men oudtijds zei, naar de potentie gerekend, is alzoo voor het wezen der kerke niets noodig dan de vergadering der Christ-geloovigen, overmits deze vergadering het vermogen om ambt en genamiddelen op te richten en aan te wenden in zich heeft. Naar de uitwerking daarentegen, of actu, gelijk men eertijds sprak, is van het wezen der kerk zoomin het ambt als het genademiddel af te scheiden. En naardien nu bij de zichtbare kerk het wezen bijna altoos actu optreedt, hebben onze vaderen volkomen terecht het wezen eener kerk in „de vergadering der geloovigen” gesteld, en nochtans als merkteekenen der ware kerk gewezen op Woord en Sacrament, door de discipline der kerk beveiligd.


§ 15. Hoe de kerken gedeeld en toch één zijn.

Het mystieke lichaam van Christus is één en alle deelen er van hooren saâm. Tot volledige openbaring zal de kerke Christi derhalve eerst dan komen, als ze, na geheel getriomfeerd te hebben, met Christi zitten zal op den troon. Alle voorloopige openbaring daarentegen is |33| nooit anders dan gedeeld en gebrekkig. Gedeeld door den tijd, naardien de uitverkorenen van deze eeuw geen gemeenschap der heiligen oefenen kunnen zoomin met de uitverkorenen uit Augustinus’ dagen als met de uitverkorenen van over drie of meer eeuwen. Maar ook gedeeld naar plaats, omdat de geloovigen, naar de beperktheid van hun natuur, duurzaam slechts met dezulken gemeenschap der heiligen kunnen oefenen, die met hen in een zelfde plaats wonen. Deze indeeling naar tijd regelt God de Heere rechtstreeks zelf door de tijdsbepallng van ieders geboorte en sterven, „bescheiden hebbende de tijden te voren verordend” (Hand. 17 : 26), maar deze indeeling naar plaats niet dan middellijk door de geloovigen. Niet zoo echter alsof de geloovigen daarbij naar willekeur konden splitsen of saâmvoegen, maar met dien verstande, dat ze daarbij gebonden zijn én aan „de bepalingen van hun woninge, gelijk God die bescheiden heeft” (Hand. 17 : 26) én aan den drang tot eenheid die van het lichaam Christi nooit is weg te denken.

God heeft de bepalingen van ieders woning gemaakt, en het is door zijn voorzienig Bestuur, dat de grenzen der landen bepaald en de afscheidingen van steden en dorpen ontstaan zijn. Het is alzoo één en dezelfde God, die eenerzijds het leven van landen en volken, van steden en dorpen leidt, en die anderzijds zijn kerk formeert en in stand houdt. Beide levenskringen staan uit dien hoofde, zonder saâm te vallen, met elkander in betrekking; en het is aan den Middelaar dat gegeven is èn het koningschap over de kerk èn alle macht over landen en natiën, steden en vlekken.

Met het onderscheid van volk en volk, van land en land, van gewest en gewest, ja van dorp en dorp heeft de geloovige bij kerkformatie dus wel terdege te rekenen. Het is het ééne lichaam van Christus, dat in onderscheiden landen onderscheidenlijk, in verschillende gewesten en streken op verschillende wijze, en ook in naast elkander liggende dorpen en steden zich toch weer op zelfstandigen voet, openbaart. Zoo min de eigenaardigheid van elke plaatselijke kerk, als de band die haar met kerken uit dezelfde streek, en deze weer met de kerken van hetzelfde gewest, en deze weer met de kerken van hetzelfde land te saâm bindt, mag door de geloovigen bij hun formatie der kerk uit het oog verloren. De ordinantie van Gods voorzienig bestek en bestel deelt de kerk in plaatselijke en gewestelijke en nationale kerken, maar ook de eenheid van het lichaam Christi houdt deze onderscheidene deelen in organisch verband saâm.

Zóó saâm zelfs, dat de kerk van het eene land zich er steeds bewust van hebbe te blijven, dat ze alleen met de kerken in andere landen |34| de kerke Christi is; reden waarom onze vaderen op de synode te Dordt gehouden dan ook de buitenlandsche kerken genoodigd hadden.

Met deze korte aanduiding kunnen we intusschen niet volstaan.

Immers de hier gegevene voorstelling, dat de plaatselijke kerk de primaire openbaring van de gemeente Jesu Christi is, en de classen en landskerken eerst secundair door foederatie van deze locale kerken ontstaan, wordt niet algemeen gedeeld.

Van de Independenten en Congregationalisten spreken we hier nu niet, zoomin als van de Roomsche kerkidé. Te meenen toch, gelijk de Independenten doen, dat elke kring, elke congregatie, een organische kerk-eenheid is, of ook gelijk de Roomsche dat de organische kerkeenheid eerst in de wereldkerk geopenbaard wordt, is een dwaling, die onder ons door niemand bepleit wordt.

Maar wel dient het gevoelen getoetst van hen, die oordeelen, dat onze landskerk een organische eenheid vormt en de classen en locale kerken slechts als deelen of cellen in deze organische eenheid bestaan.

Gelijk boven reeds gezegd is, wordt dezerzijds volkomen toegegeven: 1º. dat het Independentistische denkbeeld, alsof elke congregatie of elk kerspel als organische kerkeenheid kon optreden, verwerpelijk is; 2º. dat de samenhang der kerken van een zelfde natie niet aan wilkeur is overgelaten, maar beschikt en bescheiden is in het bestel van woningen en steden, in de eenheid van een gemeenschappelijk verleden, in den drang der liefde en der gemeenschap, en bovenal gegrond ligt in de éénheid van het lichaam Christi waarvan, alle locale kerken de openbaringen zijn; en 3º. dus ook dat, stel al het confederatieve kerkverband wierd voor een tijdlang verstoord, desniettemin de locale kerken van eenzelfde natie, ook zonder verband in het zichtbare, wel terdege bij elkander hooren en hoe eer hoe beter weer tot verband dienen te komen.

Beweerd daarentegen wordt dezerzijds: 1º. dat elke locale kerk in zichzelven het wezen eener kerk bezit; 2º. dat het uiterlijk verband in rechten met andere kerken niet anders dan door confoederatie tot stand komt; en 3º. dat het organische geheel alleen gevormd wordt door de onzichtbare kerk, terwijl in deze onzichtbare kerk de locale kerken de organisch samenstellende deelen, en de classen en nationale kerk slechts de organische groepen zijn.

Om zich hiervan te overtuigen behoeft men zich slechts af te vragen, wat het wezen eener kerk uitmaakt, en blijkt dit nu te liggen eenerzijds in den kring van geloovigen, anderzijds in de bediening der genademiddelen en zoo is het hiermeê uitgemaakt, dat men aan het wezen eener kerk niets af of toedoet, of men een plaatselijke |35| kerk tijdelijk isoleert, dan gedeeld laat. Op de gesteldheid van die kerk zal dit ongetwijfeld invloed hebben, niet op haar wezen. Zoodra een vergadering slechts openbaring is van het lichaam van Christus is haar wezen als kerk verzekerd.

Bovendien het woord organisme dient in juisten zin genomen, en deze zin nu kan velerlei zijn. Volledig is het organisme der kerk niet anders dan in het gansche mystieke lichaam van Christus gegeven. Immers tot het volledige organisme der kerk behooren al hare deelen; zoowel die nu reeds uitgegroeid zijn, of nog uitgroeien zullen. Bedoelt men daarentegen een gedeeltelijke organische openbaring van dit volledige organisme, voor zooverre in elke levenscel de natuur van geheel het organisme geschetst ligt, dan is zulk een kerkorganisme overal dáár aanwezig, waar de kerk naar heur kerkelijk wezen op onmiskenbare wijze waarneembaar is, dat is in elke plaatselijke kerk. En nu kan ik ten slotte het woord organisme nog wel in een derden zin nemen, om uit te drukken, het natuurlijke levensverband waarin deze onderscheidene organische levensopenbaringen met elkander staan, maar dan verkrijg ik daarmee nog nooit iets anders dan een relatief en rekbaar begrip, dat in grooter of kleiner omvang zich kan uitdijen, en dat uit dien hoofde nooit in de plaats kan treden voor het organische begrip van kerkeenheid dat reeds in de locale kerk gegeven was.

Te zeggen, dat dit in den aanvang der reformatie wel zoo was, maar sedert de historie van drie eeuwen anders wierd, gaat evenmin op. Immers toen onze hervormers ook hier te lande opstonden, hadden de plaatselijke kerken reeds eeuwen lang bestaan, en evenzoo hadden de plaatselijke kerken reeds eeuwenlang heur kerkverband gehad, ’t welk zich ook destijds naar de nationale grenzen richtte. Desniettemin hebben onze vaderen geen oogenblik geaarzeld, om onverwijld weer tot de locale kerk terug te gaan, en eerst uit deze locale kerken het kerkverband voor land en volk weder te doen herleven.

Maar wat alles afdoet, de Heilige Schrift geeft hier beslissend getuigenis, en dat wel op tweeërlei wijs.

Ten eerste doordien de heilige Apostelen alle plaatselijke formatie als kklÐsia of kerk erkennen, en steeds spreken van de kklÐsiai of kerken. Nooit daarentegen van een kklÐsia of kerk als begrip van uitwendig organische kerkelijke eenheid. Zij richtten zich tot de kerk van Rome, tot de kerk van Corinthe, maar schrijven ta²v kkljs°aiv tÒv Galat°av d. i. tot de kerken van Galatië. Zelfs de kerken van deze ééne provincie vat Paulus dus niet als uitwendige organische eenheid, maar als organische formatiën met eigen zelfstandigheid.

En ten tweede, nergens is in de schriften der heilige Apostelen een |36| spoor van te ontdekken, dat zij de opsmelting van de plaatselijke kerken in zekere nationale eenheid als voorwaarde voor het behoud en het wezen eener kerk stellen.

En wat nog sterker spreekt, als de Heere Jezus zelf in Openbaringen II en III aan den heiligen Apostel Joannes zeven brieven geeft voor de zeven kkljs°ai d.i. kerken in Klein-Azië, vertoont de Heere wel de organische eenheid van het zevental in de eenheid der zeven luchters op den kandelaar, maar de kerken zelve worden als op zichzelf staande toegesproken; van een uitwendig verband met elkaar wordt heur wezen als kerk geen oogenblik afhankelijk gesteld; en daartegen wordt elke plaatselijke kerk uitdrukkelijk als kklÐsia to kur°ou, d.i. een kerk des Heeren erkend.

Op deze gronden meenen we derhalve, dat Schrift, historie en juistheid van begripsonderscheiding er zich tegen verzetten, om aan de plaatselijke kerken als zoodanig het wezen van een kerk te betwisten. En kan dit heur niet betwist, zoo staat het dan ook vast, dat de kerkeenheid, waarvan we hebben uit te gaan, niet in wereldkerk, noch ook in landskerk of classen, maar uitsluitend in de locale kerk gegeven is.


§ 16. Of er in één zelfde plaats meer dan ééne kerk kan geformeerd worden.

Mogen de geloovigen bij het formeeren der kerken niet naar willekeur te werk gaan, maar zijn ze gebonden, zoo aan de eenheid van het lichaam als aan de bepaling van ieders woning, die God de Heere bescheiden heeft, zoo ontstaat de vraag of alle geloovigen in één zelfde plaats slechts ééne kerk saâm kunnen formeeren.

Deze ééne vraag valt weer in twee anderen uit elkander, t.w.: mag men in de onderscheidene deelen van grootere steden afzonderlijke kerken formeeren; en mag men zonder de steden in te deelen, twee gelijksoortige kerkformatiën naast elkander plaatsen.

Op beide vragen nu moet ontkennend geantwoord. De eenheid der burgelijke gemeenten bepaalt van zelf het terrein voor afzonderlijke kerkformatie. Waar, gelijk in Londen, de zoogenaamde stad slechts een bijeenvoeging van dertig en meer gemeenten is, elk met een eigen burgerlijke huishouding, is splitsing dus eer geboden dan te ontraden. Maar blijft de burgerlijke gemeente één, dan behoort ook de formatie der kerk één te blijven, ook al omvat ze dan een getal van honderd duizend en meer zielen. Iets, wat echter allerminst in zich sluit, dat er in deze ééne kerk geen onderdeelen of kerspelen konden geformeerd |37| worden, mits aan het hoofd van al deze onderdeelen slechts ééne kerkeraad sta en deze de eenheid der gemeente representeert.

En evenzoo moet ontkend, dat naar den eisch van het beginsel meerdere kerkformatiën naast elkander op hetzelfde terrein mogen aanwezig zijn. Een Luthersche of gescheidene Gereformeerde kerk naast een van ouds bestaande Gereformeerde kerk in één zelfde stad, haar leden in dezelfde straten tellende, is niet gelijk het behoort, ook al moet het om ’t gebrekkige van den toestand, soms tijdelijk geduld. Slechts wat in Belijdenis der waarheid principiëel uiteenloopt mag zich afzonderlijk formeeren; wat daarentegen één in belijdenis is, hoort saâm. En aan den strengen eisch van het beginsel zou dan eerst recht geschieden, indien men bij verschil in Belijdenis van ondergeschikte punten niet rustte eer men hierin „hetzelfde gevoelde”, om voorts aan allen, die tegen deze Belijdenis der waarheid overstonden, het recht op den naam van kerk te ontzeggen.

Intusschen is in Rome blijkbaar aan welke gevaren de geloovigen zich blootstellen, indien ze bij het in praktijk brengen van dit beginsel, geen rekening houden met het gebrekkige en onvolkomene van onze toestanden.

Deze toch maken het noodzakelijk, dat men steeds in de conscientie een grens eerbiedige, die nimmer mag overschreden. Waar de formatie der kerken op vrije aaneensluiting van de geloovigen berust , kan noch mag de eenheid der kerkformatie verder strekken dan de eenheid in overtuiging gaat, en moet alzoo kerkformatie nevens onze kerk, mits op den grondslag van afwijkende belijdenis, worden geduld.

Ja zelfs dan als bij volkomene overeenstemming in de belijdenis nochtans om uitwendige oorzaken, twee kerkformatiën in één zelfde stad of dorp naast elkaâr staan, mag in abnormale toestanden de ééne aan de andere het recht op den eerenaam van kerk niet betwisten, maar dient over en weder geijverd met liefdedrang om beide kerken te vereenigen.


§ 17. Hoe een eenmaal geformeerde kerk duurzaamheid erlangt.

Geloovigen, die in den naam des Heeren een plaatselijke kerke Christi formeeren, bedoelen daarmeê niet de oprichting van een kerk voor hun eigen profijt, en die dus bij hun verhuizen of versterven, als overtollig zou kunnen gemist worden, of bij ontstentenis van leden zou doodbloeden. Dit zou zoo zijn, indien zij de kerk maakten. Nu daarentegen de kerk er was eer zij optraden, en hun formatie uitsluitend |38| bedoelde, die reeds aanwezig zijnde geestelijke kerk tot openbaring in het zichtbare te brengen, handelen zij evenzoo als iemand die een fontein boort, die er in den bodem reeds was eer hij boorde, maar eenmaal geboord, dan ook bestemd is om duurzaam water te bieden aan elk komend geslacht. Of wil men meer Hollandsch, met een beeld aan onze polders ontleend, zeg dan: het formeeren van zulk een kerk is niet ongelijk aan het droogmaken van een binnenmeer, waar de bodem altoos onzichtbaar onder school, om nu door droogmaking eerst openbaar te worden, maar dan ook duurzaam als ingedijkte en drooggemalen polder teelland te bieden zoo aan den tegenwoordigen als komenden bezitter.

De duurzaarnheid eener kerk rekent dus wel terdege bij het ernstig karakter van haar formatie mede, en er dient alzoo gevraagd: hoe deze duurzaamheid verkregen wordt.

Hierbij laten zich twee wegen denken, gemeenlijk als de gereformeerde en de methodistische onderscheiden.

De Methodist namelijk oordeelt dat de profijtelijkste manier om aan de kerk geduurzaamheid te geven bestaat in het bekeeren van nog onbekeerden, die alsnu, na bekeerd te zijn, in de kerke inkomen. Voor wat zalig afsterft, komen dan telkens zalig gemaakten, die eerstverloren waren,in de plaats. Doop na de belijdenis is op dit standpunt het eenig juiste en voor Christelijk onderwijs te zorgen heeft in dezen gedachtengang geen zin. Al wat gedaan dient te worden is dat men én onder de kinderen der geloovigen én onder de Joden én onder de heidenen voortdurend werve voor koning Jezus. Gelukt dat werven, dan is het doel bereikt, en zet het ledental der kerk zich uit. Maar, eens bekeerd, heeft iemand eigenlijk op aarde geen reden van bestaan meer. Hij kan sterven, en dat hij stierve, ware voor hem verreweg het best. Alleen de beweegreden, dat hij nu op zijn beurt anderen moet bekeeren, kan hem verzoenen met het denkbeeld, om zijn leven hier nog voort te leven.

Vandaar dat in den kring van hen, die alzoo denken, de kerk geheel bijzaak is. Ze doet dienst als bekeeringsmiddel. Maar bekeeren doet men ook door tal van andere middelen. En overmits die andere middelen, zooals bijv. de „Salvation Army”, bidstonden meetings, enz. veel beter doel treffen, staat de kerk, als weinig bruikbaar, in de schatting derzulken meestal verre op den achtergrond. Die kerk ontvolkt men dan ook, om de particulieren samenkomsten overvol te maken. In naam wordt de kerk nog bijgehouden, maar inderdaad valt ze weg.

Geheel anders daarentegen oordeelt de Gereformeerde. Naar zijn overtuiging is de Eenige die zielen krachtdadelijk bekeeren kan, de Heere onze God. Niet bij manier van spreken, maar feitelijk en zeer |39| eigenlijk, zoodat geen enkele ziel ooit krachtdadiglijk en in echten zin bekeerd wierd, tenzij God de H. Geest in de ziel inplantte het geloofsvermogen, en dat vermogen tot werking bracht. Gereformeerde lieden beelden zich daarom nooit in dat ze anderen bekeeren moeten, maar belijden veeleer dat ze dit in het allerminst niet kunnen; en dat zij slechts hebben toe te zien, dat geen der middelen onaangewend blijve, die in Gods hand ter bekeering van hun naaste dienen konden. Het oordeel over deze middelen matigen ze intusschen niet zichzelven aan, maar achten dat het Gode alleen toekomt die middelen te verordenen, en dat zij mis en feil gaan, zoodra ze iets anders doen dan in stille gehoorzaamheid, een iegelijk in den weg zijner roeping, die middelen werkzaam te maken, die van God verordend zijn. En overmits nu de genademiddelen van God in zijn kerk zijn gelegd, zoo is het uit deze oorzaak dat ze niet van buiten-kerkelijke, maar juist van kerkelijke levensuiting bij voorkeur de toebrenging van Gods uitverkorenen verwachten.

Hun zorge voor de geduurzaamheid der kerk toont zich dan ook op geheel andere manier. Komende uit de geestelijke kerk en pogende die te openbaren, weten ze dat ze die kerk niet als afgetrokken individuën formeerden, maar als mannen en vrouwen, als vaders en moeders, met al wat het hunne was. Zij zijn dus met hunne kinderen, of wil men, zelfs met het zaad in hunne lendenen in die kerk ingetreden, en al wat hun geboren wordt, wordt dus in die kerk geboren. De rivier die langs uw erve haar wateren voortstuwt, blijft niet voortstroomen, zoo oordeelt een Gereformeerde, doordien gij er nu en dan een emmer water van elders ingiet, maar alleen door de beekjes die afvloeien van Gods bergen. En zoo ook wordt de levende stroom der kerk niet in stand gehouden, door enkele bekeerlingen, die gij er inmengt, maar veeleer en veelmeer door dat nieuwe leven, in de kinderen die geboren worden, welk leven voortkomt uit God. Hun kinderen bekennen ze daarom reeds bij hun geboorte, als ja in zonde ontvangen en der verdoemenisse onderworpen, maar tegelijk als in Christus geheiligd, en dus in de kerk als lidmaten, zij het ook nog als onuitgegroeide lidmaten inzijnde. Vandaar hun stokstijf staan op den kinderdoop. Vandaar hun hechten aan degelijke opvoeding. Vandaar de nadruk dien ze op Christelijk onderwijs leggen. Vandaar hun rust en kalmte in het stil gehoorzaam aanwenden der middelen, ook daar waar nog geen bekeering gezien wordt. Dit toch weten ze, zij hebben te gehoorzamen en het getal der uitverkorenen wordt nooit vermeerderd, maar ook stellig vol.

Hoe uitwendig hun kerkformatie dan ook zij, ze is daarom nooit één |40| oogenblik los van den geestelijken achtergrond der onzichtbare kerk. Het leven is onder den bodem en uit dien levensbodem schiet het telkens op. Hun kerk is een levend organisme, waarvan de bladen verwelken mogen, maar om zich telkens in nieuw loof te verjongen. Vandaar dan ook dat hun vol verklaren van de nu uitgegroeide leden bij hen nooit een bloot formeel, maar altoos een geestelijk karakter draagt. Want natuurlijk moet elk nieuw lid door een openlijke daad de eerste kerkformatie helpen voortzetten. Of iemand een nieuwe kerkformatie helpt oprichten, dan wel in een bestaande als nieuw geboren lid optreedt, dit maakt niet het minste verschil. Een lid der kerk moet eenmaal in zijn leven hebben verklaard: „Ik ben een geloovige en als geloovige zoek ik de gemeenschap der heiligen met de andere geloovigen.” En waar dit nu uitkomt? In een lidmatenboek? o, Gewisselijk, de Heere onze God is niet te geestelijk, om ons ook aan de orde van het geschrevene te binden. Maar toch, dat boek is slechts de catalogus van het leven, en het leven waarvan dat boek getuigt, is de belijdenis van eigen verdoemelijkheid en Christi heiligheid, bezegeld in de gemeenschap der heiligen aan het Avondmaal.

Dat nu onder deze volgeworden leden, die ten H. Avondmaal komen, vele hypocrieten insluipen, laten de Gereformeerden aan het oordeel Gods over; indien zij slechts toezien, dat ze in den weg der gehoorzaamheid niet te kort schieten en alzoo niet ophouden door oefening der kerkelijke tucht gedurig dit hypocrietendom te besnoeien. Indien het anders konde, zouden ook zij liever het hart beoordeelen; maar ze weten dat dit nu eenmaal Gods onschendbaar privilege is, zoodat de vurigste methodist, zoomin als zij, den inwendigen mensch kan doorgronden, en teleurstelling allerwegen een iegelijk beidt, die het peillood in die geestelijke wateren neêrlaat. Zoo laten ze zich dan genoegen met wat God de Heere over hen verordineerd heeft, en stellen ze dezen regel vast: dat ze anderen zullen beoordeelen naar de belijdenis, maar zichzelven, bij Gods licht, naar het hart.

Bij deze aanneming van volgeworden leden der kerk, of liever bij hun toelating tot het H. Avondmaal, moet de vergadering der geloovigen intusschen minstens evenzeer handelend optreden als de ten Avondmaal komende personen. De kerk blijft een vergadering, die in haar geestelijken wortel den band in Christus heeft, maar in het zichtbare geen band heeft dan in onderlinge overeenstemming. Wie naar het H. Avondmaal verlangt, kome, maar ook aan de kerk, d.i. aan de vergaderinge der geloovigen blijve het onverkorte recht, om in haar kring op te nemen of uit dien kring uit te sluiten. |41|

Ditzelfde geldt nog sterker bij het van elders aankomen van personen, die in de plaatse hunner woning reeds in een kerkelijke vergadering leefden. Nooit mag een kerk in het algemeen verplicht of gedwongen worden, om iemand als lid op te nemen, alleen omdat hij reeds elders lid eener kerk was. Elke kerk heeft voor zichzelve te beslissen, aan wie ze medezeggenschap in haar kring wil verleenen. En hoezeer attestatie uitreiken dit overgaan van kerk naar kerk zeer vergemakkelijkt, zoo mag toch nooit dit huismiddel het recht der kerk verkorten, noch kan het ooit den geloovige van den plicht tot vernieuwde belijdenis ontslaan. Elke goed geformeerde kerk moet wel en deugdelijk weten of ze op den inhoud eener attestatie aan kan, en is, zelfs bij het opkomen van twijfel, tot vernieuwd, zelfstandig onderzoek van den persoon, die zich aanmeldt, verplicht.

Hiermeê is echter een kerk in de zorge voor haar geduurzaamheid nog niet aan het einde van haar taak gekomen. Behalve toch de in haar schoot geboren kinderen en de van elders ingekomenen, heeft ze ook om te zien, of er in de plaats harer inwoning niet nog anderen leven, die voor de kerk misschien te winnen waren. Ze moet toch de mogelijkheid stellen, dat er uitverkorenen Gods ook onder deze schuilen, en ook afgezien hiervan heeft ze voor de eere van Gods Naam ook bij deze mede-ingezetenen te ijveren. Het gebod waaronder ze staat is: „Predikt het Evangelie aan alle creaturen”! — een gebod waarvan ze allerminst ontslagen is door zendelingen op duizenden mijlen afstands in haar naam te laten werken, doch waaraan gehoorzaamheid allereerst betoond dient door het uitgaan in de heggen en stegen, niet alleen onder de kerkleden, maar ook onder de buitenstanders, niet enkel bij maniere van kerkdienst, maar ook door missie.


§ 18. Waar het gezag in de zichtbare kerk berust.

Niet alle gezag is gelijk. Een geformeerde kerk kan staatkundige rechten begeeren en verlangen, teneinde door de Overheid erkend, gesteund, beschermd te worden. Te dezen opzichte berust het gezag ook over de kerk bij de Overheid des lands. Zoo ook kan een geformeerde kerk burgerlijke rechten willen uitoefenen door het verwerven van eigendom, daden van beheer, door koop of huur of het sluiten van contracten. Te dien opzichte nu komt ze onder het gezag van den burgerlijken rechter. Aan de uitspraak van welken rechter ze eveneens onderworpen is, bij verschil over contracten met andere |42| kerken, indien geen scheidsgerecht of andere uitkomst, op beiderzijds bindende wijze, bedongen is. Al zulk gezag intusschen is niet het gezag dat in den kring der kerk als zoodanig thuis hoort. Er is zeer goed een kerk denkbaar, en ze zijn er onder het kruis in menigte geweest, die noch staatsrechtelijke noch burgerlijke rechten bezaten en zelfs elke confoederatie misten, en nochtans kerken waren. Waar van gezag in de kerke Christi sprake valt is daarom uitsluitend dat eigenaardig gezag bedoeld, dat in haar eigen boezem wordt uitgeoefend over zaken haar wezen als kerk rakende. Een kerk is, eenmaal geformeerd zijnde, een instituut, waarin bevoegdheid om te bevelen en daden van hoogheid uit te oefenen staat naast den uit dat gezag voortvloeienden plicht om te gehoorzamen en eere te bieden. De vraag is nu maar, waar dit gezag berust, en wel berust, niet voor het onzichtbare, in mystieken zin, maar voor wat het kerkelijk instituut aangaat, in het zichtbare.

En op die vraag nu is te antwoorden: Het gezag in en over de kerk berust in haar Koning en Heer, aan wien het door God Drieëenig is overgegeven, en deze eenige Koning en Heer oefent dit zijn heerlijk en souverein gezag rechtstreeks uit door zijn Woord, d.i. door de H. Schriftuur, door zijnen Geest, die als Werker in de harten optreedt en door de lotgevallen in lief en leed die hij over zijn kerke op aarde beschikt. Recht om te bevelen en daden van hoogheid, als souverein, uit te oefenen, berust dus onder menschen bij niemand. Er is in de kerk geen andere Overheid dan haar Koning en Heer, en noch overdrachtelijk noch bij maniere van spreken, mag ooit van iemand gezegd, dat hem de overhoogheid over eenige kerke Christi toekomt. Wel kan van kerkelijke overheid gewaagd, in den zin, waarin onze vaderen ook parlementsleden, als volksvertegenwoordigers, en de ambtenaren, als „magistratus inferiores” eerden; maar nu in onze dagen dit gebruik van den naam „overheid” geheel verdween, is elk spreken van „kerkelijke overheid”, indien men eenigen mensch bedoelt, ongerijmd geworden. Souvereine hoogheid, of overhoogheid (getijk onze ouden spraken) in de kerk onder menschen te zoeken, is ontkennen dat Jezus koning is, of dat hij leeft, of ook dat hij nog inderdaad macht op aarde rechtstreeks uitoefent.

Alle gezag door menschelijke personen in de kerk uitgeoefend is daarom altoos het omgekeerde van de overhoogheid, t.w. bedienend. Gelijk een ambtenaar zeer zeker gezag uitoefent, maar nooit dan in naam, op last, krachtens de hoogheid zijns konings en onder verantwoordelijkheid aan hem, zoo ook is alle gezag dat |43| in de kerk wordt uitgeoefend, nooit anders dan ambtelijk en bedienend gezag, waarbij de uitoefenaar niets is en zijn koning alles. Het in de kerk uitgeoefend gezag is daarom tevens heilig, want het ontstaat nooit door overeenkomst noch uit met zonde vermengde aardsche mogendheid, maar vloeit rechtstreeks voort uit dat apart gestelde gebied van het koninkrijk der hemelen, waarover de Zone Gods als Middelaar den scepter voert.

Dit ambtelijk bedienend gezag nu komt hier alleen ter sprake naar onze toestanden, onder het Nieuwe Verbond, zoodat niet in aanmerking komen noch de vroegere privilegiën van Israëls stammen, noch het gezag door den priester of profeet in oude dagen, noch ook het gezag van Davids afstammelingen op den troon te Jeruzalem. David immers leeft niet na in onze koningen, maar David leeft voort in den Christus. En van dit buitengewone en voorloopige alzoo op de gewone en nu duurzame gestalte der kerk komende, moet dus gevraagd: door welke menschelijke personen deze koning thans zijn gezag uitoefent. Een vraag waarop het antwoord tweeledig luidt, t. w. wezenlijk of essentieel door het ambt aller geloovigen, en wat de bewerktuiging aangaat, of organisch, door de aangestelde dienaren.

Zonder den band aan Christus ook maar één oogenblik los te laten, dient dus vastgesteld, dat het gezag in de kerk bij de kerk zelve rust, maar voor hare uitoefening meestendeels gebonden is aan bepaalde organen. Geestelijk streng monarchaal, zijnde een koninkrijk onder het absolute koningschap van den Christus, is de kerk dusin het zichtbare beslist democratisch, maar voor haar bewerktuiging aan den aristocratischen vorm gebonden. Niet intusschen, men lette hier wel op, alsof de vergadering der geloovigen de gezagsopdracht van den Koning ontving, om nu op haar beurt dit gezag op de dienaren over te brengen. Neen, en de geloovigen èn de dienaren ontvangen beiden hun ambtelijke-roeping rechtstreeks van den koning. Zoo het ambt der geloovigen als het ambt der dienaren staat volmaakt op één lijn. De gemeente staat niet over de dienaren en de dienaren staan niet over de gemeente, maar over beiden staat Christus, die beider onderlinge verhouding bepaalt, door beider gezag uitsluitend aan zijn Woord te binden. Waagt de gemeente het op de dienaren een pressie uit te oefenen, die buiten het Woord van God om of er tegenin gaat, dan is het gezag van zulk een gemeente van nul en geener waarde, en deert het den dienaar niet. En evenzoo, onderwindt zich een dienaar, buiten het Woord om of er tegenin, gezag over de geloovigen uit te oefenen, dan valt dit gezag geheellijk in duigen, is geen gezag meer, maar werd pure aan matiging. En |44| daarom is de verhouding van dit gezag dan ook wisselend. Zuiver is het alleen daar verdeeld, waar èn de geloovigen èn de dienaren stipt bij het Woord blijven en alleen krachtens dat Woord optreden. Maar ontzinkt de gemeente aan het Woord dan klimt over haar het goddelijk gezag der dienaren, en evenzoo verlaten de dienaren het Woord, dan klimt over hen het goddelijk gezag der gemeente. Tot ten leste een vergadering der kerk, die het Woord geheel verlaat, alle gezag kwijt is, en evenzoo dienaren die geheel buiten het Woord gaan geen enkel recht op gezag meer pretendeeren kunnen. Het verschil tusschen het overheidsgezag en het kerkelijk gezag springt dus in het oog. De burgerlijke overheid blijft haar gezag behouden ook al gaat ze tegen God in, en deswege moest ook een Nero gehoorzaamd. Maar in de kerk niet alzoo. Daar wordt gehoorzamen zonde, eere bieden schuld voor God, zoodra de persoon die beveelt en eere vraagt, omgaat buiten het Woord.

Zij, die, vreemdelingen in de eerste beginselen van het kerkrecht, ten deze van revolutie spreken, toonen derhalve slechts de verkeerdheid van hun eigen hart op het stuk van de gehoorzaamheid, die we aan Christus, onzen Koning, schuldig zijn.

Revolutie is het gezag van den koning weerstaan. En dat gezag nu weerstaat, niet hij, die den afvalligen ambtenaar bestraft, maar juist omgekeerd elk geloovige, die den ontrouwen ambtenaar naar de oogen ziet en eert.


§ 19. Welke stelsels van kerkregeering er beproefd zijn?

Vijf stelsels van kerkregeering zijn achtereenvolgens voor de kerken Christi in haar zichtbare gestalte uitgedacht, die we duidelijkheidhalve onderscheiden zullen, als het Roomsche, het Luthersche, het Gereformeerde, het Independentistische en het Collegiale.

Van het Roomsche stelsel zijn dit de vier eigenaardigheden: 1º. dat het ééne regeering voor heel de zichtbare kerk op aarde in het leven roept, 2º. dat het de kerk deelt in de beide standen van de geestelijkheid en de leeken, om voorts de leeken geheel buiten het bestuur te sluiten, 3º. dat het in beginsel streng monarchaal is, en 4º. dat het de supprematie vestigt van de kerk over den staat. Het Roomsche stelsel wil ééne regeering voor geheel de wereldkerk, maakt zich daarom los van de nationale eigendommelijkheden, verdringt de levende schakeering der volkstalen door ééne doode taal, die voor allen |45| gelijk zal zijn,en boet dáárdoor het meest haar geestelijk karakter in, dat het de organische eenheid der kerk in Christus niet vertrouwt en ze daarom door een uitwendigen band instrumenteel waarborgen wil. Hiermeê hangt haar tweede kenmerk: „scheiding tusschen clerus en leekenelement, om voorts den leek onmondig te verklaren”, rechtstreeks saâm. Immers met het leekenelement drong vanzelf het nationale verschil weer in de kerkregeering; niet den leek, maar wel den clerus, kan men buiten het nationaal verband plaatsen; vooral door invoering van het coelibaat. Aldus toch vormt deze geestelijkheid, losgewikkeld uit het nationaal verband der maatschappij, een afzonderlijke orde, die uitsluitend voor de kerk leeft, en juist daardoor een wereldkerk helpt in het leven roepen. Dientengevolge moest de Roomsche kerk zich dan ook, in de derde plaats, streng monarchaal ontwikkelen. Wel zag men dit niet aanstonds in en hebben Rome’s pausen een hardnekkigen strijd te strijden gehad, eer ze het republikeinsche denkbeeld van het souvereine concilie, uit alle bisschoppen der wereld samengesteld, onderdrukt hadden, maar de consequentie van het beginsel streed voor hen en was op hun zijde, en niet de bisschoppelijke oppositie, maar wel terdege Hildebrand en zijn pauselijke school hebben de diepe gedachte gegrepen, die het Roomsche kerkstelsel bezielt. Om de eenheid der wereldkerk uit te drukken is het conciliestelsel onmachtig en alleen het pauselijk systeem bekwaam. In het concilie toch komen altoos weer de nationale onderscheidingen te voorschijn, en alleen in den paus valt alle nationaal verschil weg. En eindelijk, in het concilie is de band aan Christus nooit te vinden, dien band vertoont alleen zijn stedehouder op aarde. Vandaar dan ook, dat nog als vierde kenmerk van dit stelsel is te wijzen op de suprematie die het Roomsche stelsel. beoogt over den Staat. De kerk opvattende als gelijkluidend met het Koninkrijk Gods en onder den paus als stedehouder Christi zelfstandig georganiseerd, kan Rome geen macht boven zich dulden, daar dit een macht van de nationale overheid zou zijn, die haar eenheid brak, en evenmin in die overheid een geheel zelfstandige macht naast zich toelaten, daar dit haar dwingen zou, zich terug te trekken op zuiver geestelijk terrein. De theorie der twee zwaarden is derhalve in ’t minst geen eenzijdige overdrijving, maar slechts de logische, ontwikkeling van wat in de valsche idée van één eenige zichtbare kerk schuilt.

Geheel anders poogde de Luthersche kerk de vraag naar de beste kerkregeering op te lossen. Haar stelsel is feitelijk hetzelfde als dat hetwelk door de Remonstranten hier te lande, en op naam van Erastus in Engeland gedreven is, en, na Thomasius’ optreden |46| meest bekend is onder den naam van het territoriaal systeem, d. i. het stelsel dat de ééne wereldkerk splitst en indeelt in zoo vele deelen en brokstukken als er vorstelijke territoriën zijn, met eigen souvereiniteit. Dit stelsel staat lijnrecht tegen Romes stelsel over, in zooverre het de eenheid der wereldkerk opzettelijk breekt en verstoort; de nationale onderscheidingen den toon laat aangeven; en het niet den Staat onder de Kerk, maar principieel de Kerk onder den Staat stelt. De strijd thans nog altoos in Duitschland tusschen het Pruisische Hof en de curie van Rome gevoerd, geldt dan ook niets minder dan de volstrekte tegenstelling tusschen dit Luthersche en het Roomsche systeem.

Naar luid van dit Luthersche stelsel namelijk, heeft Christus het gezag over zijn kerk in handen van den vorst des lands gelegd. De koning, hertog of graaf is heer over de kerk, gelijk hij heer over het land is. De kerk als kerk heeft geen eigen gezag; alle gezag over haar is den vorst des lands opgedragen. Want wel verschilde men in de uitlegging van dit feit, door dien de één leerde, dat de vroegere bisschoppelijke macht slechts op den vorst was overgegaan, en de andere, stellig meer consequent, staande hield, dat de vorst, krachtens zijn eigen vorstelijke souvereiniteit, souverein ook over de kerk was, maar feitelijk werd door beiden beleden, dat de vorst alleen autoriteit over de landskerk bezat, naar den fatalen stelregel: cuius regio eius religio d.w.z. „wie heer is in het land zet den godsdienst naar zijn hand”. Het leekenelement kwam in dit Luthersche stelsel geenszins tot zijn recht. Niet twee, maar drie standen onderscheiden de voorstanders van dit Luthersche systeem, t.w. den regeeringsstand, den dominé’sstand en den leekenstand. Van deze drie berustte bij den regeeringsstand alle gezag, had de dominé’sstand aan te wijzen op wat manier dat gezag zou werken, en bleef voor den leekenstand niets over dan, wat men in vollen ernst noemde, het recht om te gehoorzamen en zich te onderwerpen. Consistoriaal werd daarom dit systeem ook genoemd, overmits de vorsten ten einde niet onder de predikanten te geraken, enkele dominé’s in den vorm van een consistorie in hun hoofdstad onder zich plaatsten, die dienst moesten doen om hun collega’s in toom te houden; terwijl voorts de aanstelling van superintendenten en generaalinperintendenten strekte, om den teugel beter te doen werken.

Reeds hieruit blijkt, hoe het Erastiaansche of Remonstrantsche stelsel, hoewel in de territoriale hoofdgedachte met het Luthersche stelsel samenvallende, toch in dit stelsel een gewichtige schakeering brengt. Erastus en onze Remonstranten leerden namelijk, |47| ten deele op Zwingli’s voetspoor, dat er in de kerk van Christus op aarde eigenlijk geen gezag is; dat het gezag door de overheid uitgeoefend, gelijk over heel den staat en heel de maatschappij, zoo ook over de kerk ging, maar zonder als zoodanig een speciaal kerkelijk karakter te dragen, en dat de predikanten dientengevolge geen anderen last hadden dan om te vermanen en aan te raden, maar zonder gebruik van de sleutelen des hemelrijks. Van daar het verzet van de Remonstranten tegen een generale en hun pleidooi voor con territoriale of provinciale synode. Vandaar hun verzet tegen de invoering van de tucht, waartoe ze de kerk niet gerechtigd achtten. En van daar eindelijk hun eisch, om in de kerk diverse leeringen te duiden, hetgeen rechtstreeks uit het bloot vermanend en van alle gezag verstoken karakter, door hen aan de bediening des Woords toegekend, voortvloeit.

Men ziet hieruit tevens dat de kerkelijke ideeën van de dusgenaamde irenischen en legitimisten in hoofdzaak het Luthersche stelsel volgen, en wel in zijn Remonstrantsche schakeering. De vorst des lands decreteerde in 1816 de kerkorde. Voor heel het territoir moet de kerk één zijn. De dominé’sstand moet den toon aangeven. Het leekenelement mag niet meêtellen. Provinciale besturen en classicale besturen treden in de plaats der generaal-superintendenten en superintendenten. De Algemeene Synodale Commissie vormt het Luthersche Consistorie. Alle optreden der kerk moet bloot vermanend zijn. En eindelijk, allerlei schakeering van belijdenis moet geduld, opdat het gezag der kerk in zake de leer niet weer opwake.

Vanzelf brengt ons dit door de wet der tegenstelling op het derde of Gereformeerde stelsel, gemeenlijk bekend onder den naam van het Presbyteriale of Synodale systema. Hoofdkenmerken van dit stelsel zijn: 1º. dat de inwendige eenheid der wereldkerk, die het Luthersche systema in territoriën splitste, door de gereformeerden nogmaals gedeeld wordt, zoodat de plaatselijke kerk uitgangspunt voor alle kerkregeering wordt; 2º. dat deze plaatselijke kerken confoederatief verbonden worden in classis en synodale landskerken, en, zij het ook in zwakkere mate, tot wereldconciliën; 3º. dat hier voor het eerst het leekenelement krachtig te voorschijntreedten door de aanstelling van ouderlingen en diakenen alle clericalisme den kop indrukt; en 4º. dat het kerkelijk gezag, zonder zich het minste recht over den Staat aan te matigen, zich volkomen zelfstandig tegenover de landsoverheid poneert. Dit zijn de vier groote beginselen van gereformeerd kerkrecht, die beslissen of men in deze zich op gereformeerde, dan wel op Roomsche, Luthersche of Congregationalistische |48| paden beweegt. Op den voorgrond als hoeksteen van geheel het stelsel staat de theorie der plaatselijke kerk. Hierin toch schuilt de godvruchtige belijdenis van het verborgen, geestelijk karakter der ééne heilige algemeene kerk van Christus, die overal zich openbaart, waar ook belijders saâmwonen. Het Luthersche denkbeeld van één groote landskerk, ingedeeld in vakken, die men gemeenten noemt, is hiermeê in onverzoenlijken strijd. De gereformeerde kerk heeft naar luid van Gods Woord tot cor ecclesiae niet de genademiddelen, maar de verkiezing der uitverkorenen, en het is dienovereenkomstig dat de kerk niet door de instelling van eenigen dienst, maar door het optreden der geloovigen tot openbaring komt. Opdat echter dit locale uitgangspunt aan de grootsche heerlijke gedachte van de eenheid der kerk geen afbreuk doe, staat hier als tweede kenmerk naast, dat deze locale kerken met elkander in verband moeten treden, en onderling tucht en dus gezag over elkander behooren uit te oefenen. Vandaar niet een classicaal bestuur, maar de heerlijke inrichting der classis en synode, gelijk te Dordt, liefst tot wereld-synode uit te breiden. Dit confoederatieve gezag van classis en synode mag intusschen nimmer het karakter der kerk als een kerk der geloovigen krachtens de uitverkiezing vernietigen. Vandaar als derde kenmerk het optreden van de presbyters of ouderlingen en van de diakenen als vertegenwoordigers van de geloovigen, en alle suprematie van het clericalisme afsnijdend. Terwijl eindelijk in zake de Overheid onze gereformeerde kerken steeds met alle beslistheid de scheiding van wereldlijk en kerkelijk gezag in eere hielden. Dit kwam in volstrekten zin uit in landen, waar de personen van den magistraat Roomsch waren gebleven, gelijk in Frankrijk en Polen. In die landen toch heeft de gereformeerde kerk zich, op Calvijns advies, volkomen zelfstandig ontwikkeld, georganiseerd en geinstitueerd. En dit wel zóó beslist en streng, dat een iegelijk die in onze dagen, nu we thans ook in deze landen onder een niet-gereformeerde overheid verkeeren, desniettemin de scheiding van kerk en staat afslaat, als wederpartijder van de gereformeerde beginselen positie neemt. Het feit toch, dat Calvijn en zijn volgelingen ook hier te lande, in staten met gereformeerde overheid, wel terdege inmenging toelieten, doet aan den gestrengen eisch en de juiste strekking van het beginsel niet toe noch af. Slechts onderscheide men hierbij wel. In de eerste plaats toch zijn b.v. te Genève de vertegenwoordigers der collegiën van de burgerij niet als een overheid, gezag hebbende in de kerk, opgetreden, maar als representanten van het leekenelement, |49| ongeveer als thans de gemachtigden. In de tweede plaats is niet aan de overheid zeker ius in sacra toegekend, krachtens haar souverein recht, maar heeft men aan de overheidspersonen, als uitnemende kerkleden, een gezag van kerkelijken oorsprong ingewilligd. In de derde plaats heeft men, gelijk nog behoort, aan de overheid de regeling overgelaten van de wijze waarop de kerk staatsrechtelijk en burgerrechtelijk positie zou nemen. En in de vierde plaats eindelijk heeft men aan de overheid, en zeer terecht, de verplichting voorgehouden, om krachtens haar roeping als souverein bij de gratie Gods, de eere Gods en Gods gerechtigheden in den lande naar den dienst van de beide tafelen der wet te bevorderen. Denkbeelden, waarin naar onze innige overtuiging nu nog de juiste lijnen zijn aangegeven, waarlangs we ook nu ons slechts te bewegen hebben, om tot een zuivere en gerechtige scheiding van kerk en staat te geraken. Mits men, en dat worde nooit uit het oog verloren, bij ontstentenis, gelijk thans ten onzent, van een gereformeerde overheid niet dit laatste, maar het door Calvijn voor Frankrijk en Polen aangeprezen stelsel van absolute scheiding volge.

En was alzoo, na de totale mislukking van het Roomsche stelsel, en de wreede teleurstelling waarop het Luthersche stelsel uitliep, ten slotte door Calvijn het zuivere en beste en door Gods Woord gewilde stelsel van kerkregeering dan toch ten slotte gevonden, en met name door onze vaderen met kloeken moede en treflijken uitslag tegen de velleiteiten van onze Erastiaansche Remonstranten verdedigd, zoo laat zich reeds hieruit vermoeden, dat de beide stelsels die thans nog ter bespreking overblijven, t.w. het Independente en Collegiale stelsel ons wel verre van zuiverder systemata, veeleer slechts verbasteringen van het eenig goede stelsel brengen.

De Independenten of Congregationalisten namelijk, hier te lande oorspronkelijk Brownisten geheeten, bewegen zich in het algemeen genomen, niet op de Roomsche, ook niet op de Luthersche, maar zeer beslist op de gereformeerde lijn. In de meeste stukken der leer staan ze dan ook zuiver. Cor ecclesiae is ook hun de uitverkiezing, norma ecclesiae alleen het Woord van God, bijna in gelijken zin als ons. In het stuk der kerkregeering daarentegen wijken ze van de gereformeerde lijn af in deze navolgende punten. Ten eerste ligt het uitgangspunt voor hun stelsel niet in de plaatselijke kerk, maar in elke groep van geloovigen, die zich kerkelijk organiseert. Zulk een groep heet congregatie. Vandaar de naam van Congregationalisme. In Londen b.v. bestaan op dit oogenblik honderden congregatiën, en deze beweren nu |50| elk voor zich de macht en de bevoegdheid van een kerke Christi te hebben. Waar tegenover de gereformeerden steeds staande hielden dat wel in grootere steden tal van kerspelen konden gevormd wor:den, maar dat in elke stad of dorp slechts ééne kerk en dus ook slechts één raad der kerke kon bestaan, waarin de leerende en regeerende ouderlingen van alle kerspelen zitting hadden van rechtswege. Ten tweede oordeelden de Independenten dat niet slechtshet kerkelijk gezag in generalen zin, maar ook het besturend gezag bij de geloovigen berustte, zoodat de gemeente in alle ding meê had te oordeelen, en sterker nog, had te beslissen; waar tegenover de gereformeerden volhielden dat het besturend gezag over de kerk niet bij de leden, maar wel terdege bij de presbyters berustte, een onderscheiding veelal opgehelderd door het duidelijke voorbeeld, dat wel de levenskracht door heel ons lichaam verspreid is, maar dat ons lichaam toch niet zien kan dan door het oog en niet gestuurd kan worden dan door het hoofd. In de derde plaats hieven de Independenten feitelijk het onderscheid op tusschen leerende en regeerende ouderlingen en wilden dat elk ouderling leeraren zou, en dus ook ouderling zou zijn levenslang; een theorie waartegenover de gereformeerden aanvoerden dat de bediening des Woords een eigen dienst is, die een eigen voorbereiding en een eigenaardige gave eischt, en van den anderen kant dat invoering van een ouderlingschap ad vitam kerk en gemeente te zeer vervreemdt. In de vijfde plaats waren ze van meening, dat meerdere kerken wel conferentiën mochten houden, maar dat de deputatie van meerdere kerken nooit classicaal of synodaal gezag over de enkele kerken konden uitoefenen, ook niet zoolang ze in kerkverband waren aaneengesloten; waartegenover de gereformeerden het beginsel vasthielden, dat het gezag van Christus over heel zijn kerk gaat en dus ook de tucht van meerdere kerken noodzakelijk was om de enkele kerken te houden in de paden des Woords. Terwijl de Independenten eindelijk, in de zesde plaats aan de kerk alle recht betwistten, om door confessie, catechismus of liturgisch formulier de waarheid der Schrift tegen kettersche opvatting te verdedigen. De Schrift, zoo meenden ze, moest éénig symbool zijn. Een idealistische onware stelling, die onze gereformeerden door de juiste opmerking bestreden, dat de Heilige Geest het Woord in de gemeente aller eeuwen uitlegt en deze historische uitlegging kracht en autoriteit behoort te hebben tegenover de vaak willekeurige uitlegging van den enkelen prediker. Feitelijk is het Independentisme alzoo een poging om de zichtbare gestalte der kerk tot een schaduw te herleiden, zich schier geheel terug te trekken in haar geestelijk |51| karakter als vergadering van uitverkorenen, en dientengevolge met namen de rechtssfeer in de kerk van Christus terug te laten treden achter de convenientie der geloovigen.

Zulk een stelsel, het spreekt van zelf, kan een tijdlang goed loopen, zoolang het geestelijk leven in de geloovigen onder het kruis der vervolging in hoogen toon wordt gehouden, maar moet noodwendig geheel buiten het kerkelijk erf voeren, zoodra dit geestelijk leven verslapt en inzinkt; en gelijk dan ook een deel der kwakers zoo in Engeland als in Amerika, nu reeds feitelijk in openbaar modernisme verliep, zoo ontaardde ook het stelsel der Independenten reeds in den loop der 18e eeuw ongemerkt in het dusgenaarnd Collegiaal systeem, dat intusschen niet van Engelschen, maar van Duitschen oorsprong is. Dit Collegiaal systeem is niets anders dan de toepassing op de kerk van Christus van de denkbeelden der Fransche revolutie. De leer der volkssouvereiniteit als bron van alle gezag ook in de kerk van Christus, ziedaar het hoofdkenmerk van het Collegiaal stelsel. De naam beduidt: Vereeniging en is ontleend aan de wet op de vereenigingen die in het heidensche Rome bestond, en krachtens welke wet de kerken een tijdlang als Collegia licita, d.i. als geoorloofde vereenigingen, erkend zijn. Het souverein gezag van Christus wordt hier dus losgelaten; van geloovigen is geen sprake meer; het Woord houdt op autoriteit te hebben; en hetgeen alleen autoriteit heeft en over kan dragen, is eenvoudig het enkele lid met de andere leden, beslissende naar het stelsel van de helft plus één. Is die helft plus één voor Jezus, welnu dan behoudt de kerk haar Christelijk karakter; maar ook valt het anders uit, dan is diezelfde kerk allicht morgen ’tzij Joodsch of Mahomedaansch. Terwijl dus bij de independenten de leden ten minste nog „geloovigen” waren, zijn hier ten slotte ook de geloovigen in eenvoudige leden zonder onderscheidend karakter omgezet, en is daarmeê het specifiek Christelijk karakter geheel prijsgegeven. Dit Collegiale systeem, naar welks model ook de Hervormde kerken thans voor een goed deel georganiseerd zijn, is puur revolutionair en laat evenals de Fransche revolutie allerlei vorm van regiment toe. Met het Collegiaal systeem als basis kan ik een Roomsche kerk formeeren, door de fictie dat de leden hun gezag op den paus hebben overgedragen. Maar ook kan ik het Caesaropapisme der Luthersche en van onze Hervormde kerk er meê bepleiten, want waarom zouden de leden niet kunnen geacht worden rebus ipsis et factis hun recht overgedragen te hebben op den koning. Raakt kniebuigen voor den koning weer in gebruik en wenscht de leeraarsstand weer het clericalisme in te voeren, welnu, wat zou |52| beletten om ook dat ideaal met het Collegiaal systeem te bereiken? Alsof de leden niet konden gefingeerd worden op oligarchische kerkeraden, waarin de predikanten het één en het al zijn, hun oorspronkelijk recht te hebben overgebracht! Dit Collegiaal systeem is een echt cameleontisch stelsel; ge kunt er elk stelsel meê goedpraten; alleen het fundament staat wrak en trekt van onder elk dier andere stelsels het goddelijk fundament weg, om er het revolutionaire voor in de plaats te schuiven. Want dit is zijn zonde, dat het de autoriteit Gods in zijnen Christus nooit anders in zijn kerk gedoogt dan rustende op de autoriteit van den vrijen wil des menschen.


§ 20. In welke deelen het gezag, dat in de kerk van Christus wordt uitgeoefend, zich splitst.

Wie zegt dat er in de kerk gezag bestaat, geeft daarmeê te kennen, dat de kerk niet slechts aanraadt, vermaant en poogt te overtuigen, maar ook macht ontving om te binden; gemeenlijk aangeduid door het symbool van de sleutelen des hemelrijks: „En ik zal u geven de sleutelen des hemelrijks, en zoo wat gij binden zult op de aarde, zal in den hemel gebonden zijn, en zoo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.” Dit plechtige woord des Heeren mag niet verzwakt. Er vloeit uit voort, dat een kerk haar adelbrief verliest, als ze niet langer aan het belijden van haar belijdenis de zaligheid durft verbinden, en dat omgekeerd een kind Gods zijn kerk derft die hij hebben moest, indien hij op het woord zijner kerk niet meer vastelijk, als vertolkende den wil des Heeren, afgaat en vertrouwt. En goed is dus alleen die kerkstaat, waarin de kerkregeerders, wetende, tolken van ’s Heeren Woord te zijn, met macht de waarheid op de conscientiën leggen en recht spreken; en anderzijds de kerkleden om ’s Heeren wil voor het gezag der kerkregeerders buigen als voor de autoriteit door Koning Jezus over hen gesteld. En dat wel, niet door inschikking, om des vredes wil, bloot in het uitwendige, maar als gebonden in de ziel, op perykel van zaligheid.

In dezen hoogen, ernstigen zin het gezag der kerk nemende, herinnere men zich bovendien wel, dat zulk gezag niet geboren wordt uit toestemming, doordien de kerkleden ten deele afstand doen van hun vrijheid, maar dat dit gezag opgelegd is door Christus en zijn oorsprong heeft in de souvereiniteit Gods. Doordien we tot een kerk toetreden, ontstaat niet eerst de verplichting tot eerbiediging van dit gezag, maar we treden tot een kerk toe, omdat we gevoelen |53| aan dat gezag te moeten onderworpen zijn. En evenzoo bij kerkstichting scheppen de stichters van een kerk dat gezag niet, maar geven aan dat gezag slechts zijn organen om te werken. Gelijk een moeder door een kindeke te baren geen lucht of licht schept, maar slechts een wezen baart, voorzien van organen, om die lucht in te ademen en dat licht op te vangen, zoo ook ontstaat er door nieuwe kerkstichting geen nieuw gezag, maar treedt slechts een organisme te meer in het leven, dat voorzien is met organen, er op ingericht om het vooruit reeds bestaande gezag te laten werken.

Deze autoriteit nu, die in den strengen zin van gezag dient gehandhaafd, wordt uitgeoefend door Jezus Christus, die koning van heel zijn kerk, en dus ook koning van elke plaatselijke kerk, koning ook b.v. van de kerk te Amsterdam is. Deze koning oefent dit gezag uit deels rechtstreeks, deels middellijk. Rechtstreeks, ten eerste, doordien hij aan zijn kerken de genademiddelen van Woord en Sacrament verschaft; ten tweede doordien hij in de leden dier kerken met zijn Heiligen Geest werkt; en ten derde doordien hij door voorzienig bestuur het lot dier kerken en van haar leden beschikt. Maar ook middellijk oefent deze koning dat gezag door menschen, en alleen dit middellijk gezag komt hier ter bane.

Dit middellijk gezag nu oefent deze koning uit op tweeërle wijze, t.w. óf door heel de kerk óf door hen die in haar midden met het ambt bekleed zijn. Dit gaat zóó toe, dat de koning zijn gezag feitelijk geheel aan de kerk als kerk schenkt, maar dat hij haar tevens in het ambt voorziet met organen, waaraan ze voor de werking en uitoefening er van gebonden is. Gelijk nu het oor ophoudt te hooren en het oog ophoudt te zien, als de persoon wiens dat oor en dat oog is, zijn bewustheid verliest, zoo kunnen ook die organen van het ambt geen geestelijke functie meer doen, zoodra de kerk zelve verstijft of inslaapt. En omgekeerd, gelijk een wakker en levend persoon noch zien noch hooren kan, indien oog en oor hem verminkt zijn of ontnomen, zoo ook kan de kerk het haar geschonken gezag niet richtig laten functionneeren, tenzij de organen van het ambt aan haar ontwikkeld zijn. De juiste richtige verhouding worde dus stipt in het oog gehouden. Alle gezag is in Jezus; wordt door hem aan de kerk in haar geheel gegeven; maar is voor haar richtige functie gebonden aan de ambtelijke organen. De kerk schept deze ambtelijke organen niet, maar ontvangt ze, gelijk ook het lichaam het oor niet maakt, maar door God met oog en oor versierd en verrijkt werd. En om juist te gaan dient dus onderscheidenlijk bezien welk deel van het gezag de kerk zelve, zonder het orgaan van het |54| ambt, uitoefent en welk ander deel van het gezag gebonden is aan het organisch ambtelijk leven. Naast de bijzondere functiën van oog, oor, neus, mond, hersenen, enz. zijn er in het menschelijk lichaam ook algemeene functiën, van warmteontwikkeling, gewaarwording, enz.; en zoo nu ook liggen in de kerk van Christus naast elkander de algemeene werkingen van heel het lichaam der kerk, en de bijzondere werkingen door haar onderscheidene organen.

Beide deze algemeene en bijzondere gezagsoefeningen strekken zich nu uit over drieërlei terrein, t.w. over dat der genademiddelen, over de orde der kerk, en over de rechtspraak.

Gezag oefent de kerk op het terrein der genademiddelen, vooreerst ordinairlijk doordien ze macht ontving om Woord en Sacrament uit te deelen en er de conscientiën aan te binden. Dit is de bediening der sleutelen in de predicatie en door particulier vermaan, waarvan het Sacrament als zegel van het Woord niet mag afgescheiden. Maar ook ten andere extraordinairlijk door te bestrijden hetgeen die genademiddelen tegenstaat, en dat wel door de dwaling te veroordeelen en tegenover haar de waarheid te belijden. Zonder dwaling zou er geen belijdenis wezen. Maar nu er dwaling bestond, bestaat en tot het einde toe bestaan zal, is belijdenis van het wezen der kerk onafscheidelijk.

Evenzoo oefent de kerk gezag over de orde die er in haar midden bestaan zal, en dat op tweeërlei wijze, t.w. ten eerste door het opstellen van een kerkorde en het maken van nadere ordonnantiën, en ten andere door de artikelen dezer kerkorde en deze nadere ordonnantiën of maatregelen van orde uit te voeren.

En eindelijk oefent de kerk gezag over de rechtspraak; vooreerst door wie in belijdenis of leven misgaat, rechterlijk te vermanen, te straffen en desnoods onder den ban te leggen; en ten andere door den boetvaardige te herstellen in eere en weer op te nemen in den kring, waar het volle genot der genademiddelen gesmaakt wordt.

Van deze drieërlei macht dient nu eerst beschouwd het algemeen gezag, dat aan heel de kerk toekomt; daarna de bijzondere werking van dit gezag, die gebonden is aan de ambtelijke organen.

Aan de kerk in haar geheel nu komt toe: vooreerst wat aangaat de genademiddelen, de plicht en het recht om te getuigen, te belijden, te bidden en particulier te vermanen, alsook de vrijheid der profetie. In zake de ordre der kerke staat aan de geloovigen het recht om een kerk te stichten, zoo die er niet is, of ook, indien de kerk, die er was, wegviel; en voorts in een reeds |55| bestaande kerk het recht om mede te oordeelen over de aanneming van attestatiën en het toelaten tot het heilig Avondmaal; om de personen aan te wijzen voor het ambt; om geschillen naar de classis en synode te brengen; bij de kerkelijke vergaderingen als toehoorders tegenwoordig te zijn; het afvaardigen van deputaten naar andere kerken; voogden der kerk mede aan te stellen, en toezicht te houden op het beheer van haar goed. En eindelijk, d.i. ten derde, in zake de rechtspraak bezitten de geloovigen het recht, om in particuliere geschillen de eerste graden van tucht te oefenen; zich aan ongeschikte medeleden en ambtsdragers te onttrekken; om mede te oordeelen in zake van afsnijding en wederopneming; om tegen ongoddelijke kerkelijke toestanden te protesteeren en remedie te eischen; om, baat dit niet, over te gaan tot het organiseeren van eigen kerkeraden, als wanneer de kerk doleerende wordt; en om eindelijk, indien de kerk geheel verloren blijkt te zijn, aan die schijnkerk of valsche kerk een afscheidsbrief te zenden en de ware kerk elders te openbaren.

Daarentegen is de kerk aan de ambtelijke organen gebonden voor, het bijzondere gezag, waarin de kerkelijke regeeringe tot uiting komt. Diensvolgens komt aan de dragers van het ambt het recht toe, allereerst in zake de genademiddelen, om in de vergaderingen der gemeente het Woord met autoriteit te bedienen, de smeekingen en gebeden op te dragen en de Sacramenten uit te reiken, en om evenzoo in de kerkelijke samenkomsten over de belijdenis der kerk te beslissen. Ten tweede in zake de ordre der kerk, dat zij den gang van zaken regelen en maatregelen van orde vaststellen; dat zij den gang der dingen overeenkomstig die regeling leiden en het beslotene uitvoeren; dat zij in de samenkomsten der gemeente of van haar gemachtigden het moderamen vormen; dat ze de kerk vertegenwoordigen bij andere kerken of in samenkomsten van classis en synode; dat ze in lagere of hoogere samenkomsten de voorkomende zaken onderzoeken en dienaangaande besluiten; en voorts dat ze aan nieuw verkoren personen, die daartoe aangewezen zijn, het ambt verleenen en hen daarin bevestigen. En eindelijk wat ten derde de rechtspraak betreft, komt hun het recht toe, om voor zich te citeeren en te ondervragen; om met gezag te vermanen en te berispen; om in vereeniging met de gemeentetestraffen,aftesnijden en weer op te nemen; om bij het indringen van wolven in de gemeente, de geloovigen tegen hen te beschermen; desnoods de geloovigen als doleerende kerk apart te vergaderen; en, baat ook dit niet, ze elders in nieuwe kerkstichting te verzamelen. |56|


§ 21. Hoe dit gezag der kerken zich met het gezag der overheid verdraagt.

Het gezag der kerke en het gezag van de overheid zijn in oorsprong, wezen, aard en strekking geheel onderscheiden. In oorsprong, want het overheidsgezag vloeit rechtstreeks uit de souvereiniteit van den Drieëenigen God, terwijl het kerkelijk gezag uit den Middelaar als Hoofd zijner kerk voortkomt. Evenzoo in wezen, want het overheidsgezag raakt het uitwendige leven, naar lichaam, recht en bezit, terwijl het kerkelijk gezag op den inwendigen mensch betrekking heeft, naar zijn geestelijk bestaan. Ook in aard, want het overheidsgezag is een gezag van heerschappij dat dwingt met geweld, terwijl het gezag der kerk nooit anders dan een ambtelijk of bedienend gezag is, zoo tegenover Christus als tegenover de geloovigen. En eindelijk in strekking, daar het overheidsgezag doelt op de instandhouding van de gerechtigheid en de eere Gods in dit leven, terwijl het kerkelijk gezag de verheerlijking Gods in het toebrengen van de uitverkorenen tot hun hemelsche gelukzaligheid beoogt.

Hieruit volgt rechtstreeks tweeërlei, en wel 1º. dat alle kerkelijke personen als burgers van den Staat aan het heerschappijoefenend gezag van de overheid onderworpen zijn, onverschillig of de persoon van den magistraat een belijder dan wel een bestrijder van de waarheid is. En 2º. dat de overheid als overheid in de kerk in geen enkel opzicht of onder wat naam ook, ooit eenig kerkelijk gezag kan uitoefenen. De verplichting die op de overheid rust, om in den Burgerstaat de eere Gods te handhaven, is niet een kerkelijke, maar een politieke verplichting, die blijft bestaan, ook al viel de kerk weg, en die in het afgetrokkene zoowel voor een Willem van Oranje als voor een Filips, voor een Nero als een Constantijn geldt. Wie, onder wat titel ook, bij de gratie Gods regeert, is gehouden de eere van dien God in geheel zijn regiment te bedoelen. Ook zijn de grenzen, aan deze verplichting gesteld, t.w. dat ze haar doel niet moet voorbijstreven noch ook de conscientiën drukken mag, geen compromis tusschen Staat en kerk, maar grenzen door God zelf in het verleenen van de souvereiniteit gesteld, overmits deze niet over den inwendigen, maar uitsluitend over den uitwendigen mensch aan de magistraat geschonken is.

Zoomin dus de kerk ooit eenig burgerlijk gezag mag uitoefenen, zoomin mag de burgerlijke overheid zich ooit eenig kerkelijk gezag aanmatigen. Beider sfeer is volstrekt onderscheiden. Wel is er een gemengd gebied, waarop beide machten elkaâr ontmoeten, omdat het lid der kerk tevens burger van den Staat |57| is, en kan er alzoo conflict ontstaan, doordien de kerk zich aanmatigt wat des keizers is of ook de keizer voor zich afeischt en neemt wat der kerke is. Hieruit volgt intusschen geenszins dat beider sfeer niet streng onderscheiden zou zijn, maar alleen dat het over en weer niet altijd gelukt, dit onderscheid scherp te zien. En beslisser in zulke geschillen is er dan helaas niet, en de strijd, die aldus ontbrandt, kan niet opgelost, dan door verzoening en vergelijk.

Dit versta men evenwel niet alzoo, alsof in de verplichting van de politieke overheid niet ook de verplichting zou opgesloten liggen, om de ware kerk te beschermen. Evenals elk souverein bij de gratie Gods geroepen is al wat waar en goddelijk is te handhaven, zoo ook moet de overheid de hand houden aan de ware kerke. Die plicht blijft op haar rusten, ook al kiest ze voor de valsche kerk, ja, ook al treedt ze als vervolgster van de ware kerke Gods op. De vraag hoe ze zich het best van deze verplichting kwijt, is een quaestie van toepassing, die vroeger opgelost werd in den weg van veelzijdige bemoeiing, maar thans, op grond van de droeve uitkomsten, waartoe deze veelbemoeiing leidde, beantwoord dient in den zin van schier algeheele onthouding. De ware kerk Gods tiert nooit weliger, dan waar ze gelegenheid ontvangt om zich vrij, uit haar geestelijke kracht op te bouwen. Bovendien zal de kwijting van dezen plicht van zelf een ander karakter aannemen naar gelang in eenig land schier alle, of de meeste of maar een deel der inwoners, dan wel slechts enkele tot de ware kerk behooren. En niet minder zal de kwijting van dezen plicht een andere worden, naar gelang de overheid zelve de waarheid is toegedaan en publiek belijdt, dan wel ze óf onverschillig liggen laat óf wel publiek verwerpt. Want wel brengt dit alles geen wezenlijke verandering in de verplichting der overheid om de ware kerk te beschermen, maar toch brengt het een aanmerkelijk verschil in de uitvoering. Een verschil nog daardoor verbreed, dat de belijdende overheidspersonen in de kerk als kerkleden vanzelven een invloedrijke positie bekleeden, en, om de majesteit Gods waarmeê ze bekleed zijn, te hooger worden geacht. Toch moet de kerk, ook al is de magistraat niet-belijdend, er op aanhouden, dat haar publiekrechtelijke positie worde erkend. Zij mag er geen vrede meê nemen, om op voet van gelijkheid met andere vereenigingen te worden gesteld, alsof het gezag in haar midden slechts vennootschappelijk van aard ware. Ze is in den Staat door God Almachtig besteld om het eeuwige Koninkrijk der heerlijkheid voor te bereiden, en is er als zoodanig jure divino, d.i door Goddelijke institutie. En elke overheid, die aan deze aldus optredende kerk in haar staatsrecht niet de eere geeft, die aan de kerk |58| van Koning Jezus toekomt, schiet in plichtsbetrachting te kort en begaat zonde.

Onderscheiden hiervan moet intusschen de invloed van vertegenwoordigende lichamen worden beschouwd, die geen overheid zijn. In Genève en elders b.v. waren de burgers vertegenwoordigd in burgerlijke raden, en overmits nu dezelfde burgers ook kerkleden waren, liet men eenvoudigheidshalve deze burgerlijke raden dubbelen dienst doen, eenerzijds om de burgerlijke belangen te behartigen op politiek, en anderzijds om de geestelijke belangen te behartigen op kerkelijk terrein; een ineenvloeiing als men wil van kiescollegie en gemeenteraad, gelijk nu nog op dorpen denkbaar zou zijn, waar schier alle inwoners eenzelfde belijdenis der waarheid toegedaan, niet zelden geheel hetzelfde stel personen kiezen, eerst onder den naam van gemachtigden om de kerk, en daarna als raadsleden om de burgerij te vertegenwoordigen.

Met geldelijke middelen, als voedsterheeren, de kerke Gods te ondersteunen, ligt zeer zeker op den weg der overheidspersonen, indien dit geschieden kan zonder de conscientiën te krenken en indien het werkelijk den welstand der kerk bevordert. Blijkt daarentegen op de proef, dat de overheid door dien geldelijken steun veeleer de valsche elementen in de kerke Gods staande houdt en stevigt, en voorts de conscientiën der burgers te na komt, dan laat ze beter ook deze geldelijke ondersteuning varen; altoos onder kwijting door kapitaalvorming van wat ze rechtens onder wat titel ook verschuldigd is.

Zitting in synodale, classicale of presbyteriale vergaderingen kan de overheid, als kerkelijke macht, nooit hebben. Waar de overheid in kerkelijke vergaderingen verschijnt, behoort ze nooit tot het lichaam der vergadering, maar staat er buiten, en mag hare hemoeiing niet verder uitstrekken, dan om toe te zien, dat geen politieke quaestiën behandeld of iemands rechten verkort worden; en voorts om het publiekrechtelijke karakter der kerk door haar verschijning te eeren.

En wat ten leste de approbatie van kerkelijke benoemingen betreft, zoo kan deze nooit bestaan in een deelhebben aan de benoeming of in het verleenen van zekere investituur. De benoeming toch van een kerkelijk persoon is geheel kerkelijk van aard en geen milligram kerkelijk gezag kan ooit door de overheid aan een kerkelijk ambtsdrager geschonken worden. Maar wel kan die approbatie strekken, bij tractementsbetaling van overheidswege om op die betaling orde te stellen; en voorts om bij vreemdelingen door de landsoverheid, en over personen die van buiten stad of dorp naar die stad of dat dorp geroepen worden, door de stedelijke overheid te doen |59| beslissen, of zij deze personen op publiekrechtelijk terrein als ambtsdragers der kerk wil erkennen.

De heerlijke rechten van beroep of collatie of agreatie daarentegen, die onder den naam van patronaatsrecht, floreenstelsel, enz. zoo droeve heugenis achterlieten, zijn als ten eenemale in strijd met het zuiver kerkelijk beginsel te veroordeelen. Want ook al wendt men voor, dat de gemeente dan geacht wordt deze macht tot beroeping vervreemd en aan derden te hebben overgedragen, zoo dient altoos geantwoord, dat deze overdracht daarom niet geldig mag heeten, overmits het kerkelijk gezag van beroeping nu eenmaal onvervreemdbaar is uit zijn aard.

En wat ten slotte „de uitroeiing van alle afgoderij en valschen godsdienst betreft, om het rijk des Antichrists ten gronde te werpen en het koninkrijk van Christus te voorderen,” zoo moet ook hier het beginsel zeer zeker vastgehouden, maar bij de toepassing van het beginsel scherp en streng onderscheiden. Ongetwijfeld rust de verplichting op de magistraat om de eere Gods te bevorderen, niet het minst daardoor, dat de magistraat de afgoderij weere. Maar geenszins volgt hieruit, dat elk middel ten deze geoorloofd of doeltreffend is te achten. Had de historie geleerd, dat gewelddadige uitroeiing van afgoderij en ketterij metterdaad vrucht droeg en de eere Gods hoog hield, zeer zeker zou die uitroeiing als dan geboden kunnen zijn. Nu daarentegen de aard der menschen zoodanig is, dat geweld tegen zedelijke dwaling niets vermag, en de natuue der afgoderij en ketterij maakt, dat ze door tegenstand eer geprikkeld wordt tot nieuwe krachtsontplooiing, en bovendien de overheid, blijkens het getuigenis der geschiedenis, bijkans altoos misgetast heeft, door voor ketterij aan te zien wat waarheid was en wat waarheid was afgoderij te doemen, zoo is hiermeê overtuigend bewezen, dat voor gewelddadige uitroeiing van de ketterij de ketterij zelve onvatbaar, des menschen aard ongeschikt, en de overheid tegelijk onmachtig en onbekwaam is. Reden waarom de practijk der oude kerk ten deze moet afgekeurd, en de overheid vermaand, dat ze de ketterij langs geen anderen weg poge te weren, dan door de ware kerk vrij te laten en alzoo te bekwamen tot voller ontplooiing van haar geestelijke kracht.


§ 22. Wat gelden moet van de Dienaren des Woords.

Onder de ambtsdragers der kerk bekleeden de Dienaren des Woords de eerste plaats. Dezen voorrang ontleenen zij niet aan |60| eenige waardigheid hunner personen, noch ook aan eenigen hoogeren graad, die aan hún ambt boven het ambt van ouderling of diaken zou toekomen, maar uitsluitend aan de waardij van het Woord Gods, dat ze bedienen; en elke pretentie op eere of waardeering, die op iets anders dan op de waardij van het Woord gegrond zou zijn, moet als zelfzucht en hoogheid des harten, én om huns persoons wil én ter wille van hun dienst met beslistheid tegengestaan. Zoo ver zelfs is de waardigheid van den Dienaar des Woords afhankelijk van de waardij waarin hij zelf Gods Woord houdt, dat zijn ambtelijk gezag, ook al draagt hij den titel nog, verbleekt en verdwijnt, naar dezelfde mate waarin de macht van het Woord over zijn persoon en prediking afneemt. De gereformeerde kerk kent geen Roomsch ambt, dat ex opere operato door priesterlijken invloed werken zou. Een Dienaar des Woords is voor den gereformeerde een gewoon mensch, wiens adem in zijn neusgaten is, en dies even weinig als andere menschen te achten, daar God alleen groot is en een schepsel nooit groot zijn kan. En zelfs door het ambt waarmeê hij bekleed, is, wierd de waardij van zijn persoon als persoon niet in het allerminste verhoogd. Met of zonder ambt is en blijft hij dezelfde zwakke, brooze mensch en afgedoolde zondaar, die alleen door Gods genade staan kan. Een burgemeester in zijn qualiteit is met zekere majesteit Gods bekleed, onverschillig hoe hij zijn ambt bediene, maar bij den predikant wordt al de waardij van zijn optreden uitsluitend beheerscht door de waarheid van het Woord dat hij predikt. Voor zooverre door zijn dienst dat Woord er komt, spreekt hij met ’s Konings macht en hanteert hij de sleutelen des Hemelrijks. Maar ook waar door hem dat Woord verlaten of verminkt wordt, verminkt hij zijn eigen dienstwerk en laat varen de heerlijkheid van zijn ambt.

Roeping nu van deze Dienaren des Woords is, om de kudde des Heeren met dat Woord te weiden. Te weiden op tweeërlei wijs, t.w. door leer en leven. Door leer in de vergaderingen der gemeente, in de onderwijzing der jeugd en aan de huizen der geloovigen. En door leven, in zijn eigen huis, onder zijne medeburgers, en met name onder de heiligen. Hij heeft de kudde des Heeren te weiden in de vergadering der geloovigen, door het Woord aldaar uit te leggen en toe te passen. Het Woord van God heeft zijn strekking tot elke gemeente, in elken tijd, en in elken tijd tot elk persoon; en de verborgenheid der prediking schuilt nu juist hierin, dat aan het Woord van God door consciencieuse uitlegging en fijn onderscheidende toepassing die door den Geest gewilde strekking worde gegeven. Elk mottopreeken moet derhalve als zonde in het heilige afgekeurd. Men heeft niet de kudde |61| te weiden met eigen ideeën, waar men een tekst voor plaatst; neen, maar het Woord gelijk het daar ligt te prediken door het te ontvouwen en werkzaam op de harten te maken. Wie niet onvoorwaardelijk de onfeilbaarheid der Heilige Schriftuur belijdt, kan om die reden niet tot den Dienst des Woords worden toegelaten. Immers deze onfeilbaarheid te bestrijden en nochtans meteen „daar staat geschreven” voor de gemeente op te treden, is den schijn aannemen van iets te belijden, wat men ontkent. Dus onzedelijk.

Voor dezen Dienst behoort de persoon die er in dienen zal, te worden opgeleid, zoo door oefening in godzaligheden als door oefening in studiën. Een geleerd maar ongodzalig man is op den kansel machteloos en stoot af. Maar ook een godzalig maar onnoozel man is in de bediening misplaatst. Studie met godzaligheid gepaard, is dus de onafwijsbare voorwaarde, mits bij die onderscheidene studiën de studie, ik zeg niet over, neen, maar van en in Gods Woord steeds onverbiddelijk op den voorgrond sta.

Ontbreekt er gelegenheid voor zulk een opleiding, dan dient de kerk haar in het leven te roepen. Bestaat die, dan kan de kerk volstaan met na volbrachte studie de candidaten te examineeren.

Het recht tot deze examinatie van proponenten berust bij den kerkeraad, omdat de kerkeraad beroept. Overmits echter naburige kerken hierin een gelijk belang hebben, en vele dorpskerken buiten staat zijn, om in studiën te examineeren, doet men beter, door vele kerken saâm in de classis zulk een examen te laten afnemen. Zulk een examen dient én over de studiën én over de godzaligheid te gaan. Niet om wat het laatste punt betreft den staat van zulk een persoon voor God te beoordeelen, maar om zeer scherp acht te geven op zijn belijdenis en wandel. Op zijn belijdenis door te onderzoeken of hij in allen deele rechtzinnig is, en op zijn wandel door te ondervragen die hem kennen. Bovendien behoort er keuring te geschieden van de gave tot mededeeling door Koning Jezus aan zulk een persoon verleend of onthouden, opdat men naarstiglijk onderzoeke, of hij de gave der predicatie, der gebeden, der onderwijzing en der vertroosting werkelijk bezit.

Aldus van kerkswege behoorlijk geëxamineerde personen komen alsnu tot hun ambt door de roeping der kerken en door inzetting in hunne bediening. De kerken hebben heur Dienaren des Woords te roepen. Niet door hoofdelijke stemming; ook niet in kiescolleges gekozen door ieder die maar wil; maar zoo dat de geloovigen hun wenschen kenbaar maken aan den kerkeraad door het formeeren van een voordracht; dat daarna de kerkeraad |62| uit die voordracht de keuze doe; den gekozene roepe; en na zijn overkomst hem in het ambt inzette, hetzij door andere dienaren des Woords, hetzij door regeerende ouderlingen. Staat men gelijk het hoort, in correspondentie met andere kerken, dan behoort bovendien de classis zulk een beroep goed te keuren, daar de dienaren des Woords ook in naburige kerken optreden, en de kerken onderling te waken hebben voor de degelijkheid en de waarheid van elkanders kerkelijk leven.

Daar Dienaren des Woords zich geheel aan den dienst der kerk wijden, moeten ze ook van de kerk leven. Over de wijze waarop de kerk deze middelen ontvangen moet, zij hier alleen herinnerd dat de oudste gereformeerde kerken onder het kruis deze middelen vonden én door hoofdelijken omslag én door vrijwillige giften; maar hoe ook ontvangen, de kerken als zoodanig hebben ze aan heur Dienaren uit te keeren: en dat volstrekt niet als aalmoes, maar als vereering der liefde nog meer dan als recht. De zorge hiervoor behoort gelijk thans onze inrichting is, bij kerkvoogden, maar kan ook gevoegd worden bij het Diaconaat, alsdan opgevat, niet als beperkt tot armverzorging, maar als algemeene dienst der tafelen.

Alle Dienaren des Woords zijn in rang volkomen gelijk. De Dienaar van het kleinste dorp is in rang geheel de evenknie van den Dienaar des Woords in hof- of hoofdstad. Bisschoppelijke hoogheden kent de gereformeerde kerk niet. Ze verfoeit die en keurt ze als ongeestelijk insluipsel en onbetamelijke heerschappijvoering af.

Eindelijk, overmits niet alleen de zielen der geloovigen, maar ook de kerken, als lichamen, moeten geregeerd door het Woord Gods, zoo zijn de Dienaren des Woords tegelijk ook regeerders der kerken evengoed als de regeerende ouderlingen, en staat aan hen, om de waardigheid des Woords, in alle vergadering van kerkelijke herkomst zelfs de praesidiale leiding.


§ 23. Hoe het Ouderlingschap in de kerk behoort te staan.

Ouderlingen, in engeren zin, zijn in graad van ambt gelijk aan de Dienaren des Woords, die in de Heilige Schrift met denzelfden naam van Ouderlingen en Opzieners bestempeld worden. De onderscheiding, die de Dienaren des Woords als leerende van de gewone Ouderlingen als regeerende Ouderlingen onderscheidt, is dan ook niet volkomen juist. Ook de gewone Ouderling toch leert. Slechts hier ligt het verschil in, dat aan den Dienaar des Woords de publieke uitlegging en toepassing van het Woord in de vergadering der gemeente toekomt, terwijl |63| de Ouderling in engeren zin slechts privatelijk leert door vermaning aan de huizen en het Woord te belijden heeft door zijn leven. Bij ontstentenis van den Dienaar des Woords kan ook wel de Ouderling de vergaderde menigte stichten, maar dit is waarneming van eens anders ambt, niet uitoefening van eigen ambt. Daarentegen staan in het kerkelijk regiment en bij de oefening der tucht de Ouderlingen geheel als evenknieën naast de Dienaren des Woords. In den dienst des Woords zijn ze slechts een hulpe, een aanvulling van de Dienaren, maar in de zaken van regiment en tucht niet alzoo. Dan toch vormen ze met de Dienaren één gezelschap, hebben gelijke bevoegdheid en moeten volgens Vraag 85 van onzen Catechismus beschouwd als „mannen daarover van de gemeente gezet”, ook, gelijk ons formulier van bevestiging zich uitdrukt, opdat „daardoor geweerd worde alle tyrannie en heerschappij.” Zelfs komen ze in zake kerkelijk regiment soms schijnbaar boven een Dienaar des Woords te staan, in zooverre namelijk wie toezicht op iemand heeft tehouden staat boven den persoon over wien dat toezicht gaat, en aan de regeerende Ouderlingen, om dit woord nogmaals te bezigen, zeer bepaaldelijk is opgedragen „toezicht te nemen op de leeringe en den wandel van de Dienaren des Woords.”

Ze moeten. gelijk Vraag 85 van onzen Catechismus zegt, door de gemeente verkozen worden, doch in het ambt ingezet door hun mededienaren, ’t zij de Dienaren des Woords, ’t zij regeerende Ouderlingen. Voor de wijze van verkiezing geldt hetgeen in de vorige § over de verkiezing van de Dienaren des Woords is gezegd.

Ze kunnen dienen, desnoods voor hun leven, maar beter voor een bepaald aantal jaren, opdat ook anderer gaven der kerke ten beste komen, en alle oligarchie uit de kerke Gods worde geweerd.

Indien aan één of meerdere Ouderlingen zoodanige dienst in de gemeente wordt opgedragen, dat hij zijn eigen beroep verzaken moet, behoort ook aan de zoodanigen levensonderhoud voor hun personen en gezinnen verstrekt te worden, op geheel dezelfde wijze en onder geheel dezelfde bedingen als boven avoor de Dienaren des Woords is aangeduid. Het doel thans nagestreefd door de aanstelling van godsdienstonderwijzers, en dusgenaamde Evangelisten, kon op zulk een wijze veel juister, beter en ordelijker worden bereikt.


§ 24. Wat van de Doctoren zij te houden.

De vraag of er naast het ambt van predikant, ouderling endiaken nog een vierde ambt, dat van Doctor of leeraar, in de kerke |64| Gods bestaat, is niet uit te maken door verwijzing naar Ef 4 : 1. Daar toch staat wel onderscheidenlijk, dat de Heere er sommigen gezet heeft tot apostelen en sommigen tot evangelisten, maar dan volgt er: sommigen tot herders en leeraars. Stond er sommigen tot herders en sommigen tot leeraars, zoo ware de zaak beslist. Thans niet. Onze Belijdenis in Art. 30 en 31 kent dan ook slechts drie ambten, en wel wordt in de Kerkorde van Dordt, Art. 2, van vier diensten gesproken, maar vooreerst moet de kerkorde naar de belijdenis, nooit de belijdenis naar de kerkorde uitgelegd, en ten andere is de kerk ook na 1619 niet overgegaan tot het scheppen van een kerkelijk Doctorenambt. Op grond hiervan dient erkend, dat het Doctorenambt dusver nog in staat van wording verkeerde, en eerst allengs door verdere ontwikkeling van den kerkelijken toestand tot zijn recht zal kunnen komen. Bij die verdere ontwikkeling zal dan als regel dienen te gelden: 1º. dat het kerkelijk Doctorenambt geheel onderscheiden worde van de universiteitstitels aan gepromoveerde personen verleend; 2º. dat het kerkelijk Doctorschap nooit een bloote titel, maar steeds een ambt zij, ten doel hebbende om de aanstaande dienaren des Woords op te leiden, wetenschappelijk de waarheid uiteen te zetten, en de waarheid, die de kerk belijdt, tegen ketterij te verdedigen; en wel deze drie saâm, of één dezer drie; 3º. dat zulke Doctoren aan de kerkelijke seminariën geplaatst worden, liefst tegelijk met opdracht van een deel van den dienst des Woords; 4º. dat zulke kerkelijke Doctoren zitting ontvangen in den kerkeraad hunner plaats, en adviseerende stem erlangen op classis en synode; 5º. dat ze voor het Doctoraat niet verkiesbaar worden gesteld dan na behoorlijke examinatie van studiën en godzaligheid; en 6º. dat deze kerkelijke Doctoren voor hun ambt aangewezen worden door de kerk, en in hun ambt ingezet hetzij door den kerkeraad, indien ze plaatselijk beroepen zijn, ’t zij indien ze voor een kerkelijke kweekschool zijn aangesteld, door de classis of synode die deze kweekschool heeft gesticht.

Hoogleeraren in de godgeleerdheid aan universiteiten, d.i. niet aan kerkelijke kweekscholen, maar aan zelfstandige niet-kerkelijijke wetenschappelijke stichtingen, kunnen door den kerkeraad hunner woonplaats tevens tot kerkelijke Doctoren benoemd worden, maar zijn het niet als zoodanig. Raadzaamst is voor zulke universiteiten, dat ze voor de benoeming heurer hoogleeraren in de theologie de medewerking der kerk inroepen, op zulk een voet, dat aan deze hoogleeraren het kerkelijk ambt worde gegeven en aan de kerk het toezicht over hen die dit ambt bekleeden. |65|


§ 25. Wat de Diakenen in de kerke Christi te doen hebben.

Het ambt van Diakenen is reeds ten deele in de oude Christelijke kerk, daarna geheellijk in de Roomsche kerk bedorven, en tijdens de Reformatie slechts gedeeltelijk in eere hersteld. Slechts gedeeltelijk, doordien de Luthersche kerk het wegliet; maar gedeeltelijk ook, doordien het zelfs in de gereformeerde kerk nooit tot genoegzame ontwikkeling kwam. Een Diaken bekleedt een ambt, een koninklijk door Christus hem opgedragen ambt, evengoed als de Dienaar des Woords en de Ouderling. Te zeggen dat Diakenen in het stoffelijke arbeiden en dus lager dan de predikanten en de ouderlingen staan, die in het geestelijke arbeiden, is een valsche scheiding, die wegvalt, zoodra het ambt van Diaken slechts in zijn hoogere beteekenis wordt genomen. Het Diaconaat is het ambt der Christelijke liefde, en gelijk de Heere Christus tijdens zijn omwandeling op aarde tweeërlei Goddelijk werk deed, namelijk ten eerste het Evangelie prediken om de zonde te stuiten, en ten andere de ellende van kranken en hongerigen lenigen, om de gevolgen der zonde te breken, zoo moest ook in Christus’ kerk het Diaconaat naast het Presbyteriaat staan, om naast de bediening van het Goddelijk Woord te openbaren de bediening der Goddelijke barmhartigheid. Het Diaconaat mag dus volstrekt niet opgaan in collecteeren en bedeelen van behoeftige personen, maar dient zich allengs te ontwikkelen als het heerlijk orgaan der kerk voor de Christelijke philanthropie. De zorge voor weezen en weduwen, voor ouden van dagen en kranken, voor blinden en idioten, voor krankzinnigen en ongeneeslijke kranken, ja zelfs voor gevangenen, ook voor doorreizende vreemdelingen, enz. ligt op der Diakenen weg. En terwijl zij op deze wijs de ellendigen des Heeren hebben te helpen, te steunen en te troosten, niet alleen door geld en goed, maar ook door geestelijke vertroosting, hebben ze tevens de gemeente geestelijk te bewerken door haar te leeren geven. Geven van geld is voor den zelfzuchtigen en hebzuchtigen mensch een geestelijke daad, waartoe alleen genade bekwaamt, maar die ook genade brengt, en de Diakenen schieten te kort in plichtsbetrachting jegens de gemeente, indien ze haar dit geven niet leeren. Wel verre dus van het Diaconaat als een bloot stoffielijk ambt te minachten, heeft men het veeleer als een hoog geestelijk ambt te eeren, ook al wordt het zelfs heden ten dage nog bijna in geen enkele kerk naar dien eisch bediend.

Diaconessen bekleeden geen ambt, maar zijn als helpsters der Diakenen |66| te beschouwen, doch als zoodanig dan ook in elke kerk te eeren, overmits de liefde Christi over ellendigen niet tot haar recht kan komen, tenzij ook de vrouwelijke teederheid haar instrument zij.

De dragers van dit ambt moeten evenals de predikanten en ouderlingen verkozen worden door de gemeente, maar beroepen en ingezet door hun mededienaren, op gelijke wijze als bij de Dienaren des Woords en de Ouderlingen gezegd is. De vereischten voor hun ambt zijn ten eerste geestelijk, maar zoodra aan de onmisbare vereischten van rechtzinnigheid en godzaligheid voldaan is, ook die van zekere positie in het burgerlijke, opdat door finantieel beheer hun ziele niet in gevaar kome en het vertrouwen ongeschokt sta.

Of ze overeenkomstig Hand. 6 : 7 bevestigd moeten worden met handoplegging, moge onzeker zijn, stellig blijkt uit de handoplegging door de Apostelen aan de eerste Diakenen, dat hun ambt in waardigheid bij de overige ambten in niets mag worden achtergesteld.

Indien dan ook bij de breedere ontwikkeling van het kerkelijk Diaconaat onderscheidene personen hieraan geheel hunne kracht zullen moeten wijden, zou er niets tegen zijn, om zoodanige Diakenen ook evenals de predikanten van levensonderhoud voor hunne personen en gezinnen te voorzien; mits de gelden hiervoor niet genomen worden uit de aalmoezen, maar gekweten worden door de kerk.

Over de vraag of diakenen deel hebben aan de regeering der kerk is lang en veel gestreden. Gewoonte der gereformeerden ten onzent was, dat in ruim duizend van de circa elf honderd gemeenten de Diakenen aan de regeering wel deel namen, t.w. in alle plattelandsgemeenten en zeer kleine steden, en dat daarentegen in een goede honderd de Diakenen een afzonderlijk college vormden en slechts voor de beroeping van ambtsdragers en stoffelijke aangelegenheden meê in den raad der kerke stemden. Vandaar de schijnbare strijd tusschen de Belijdenis, die in Art. 30 de Dienaren, Ouderlingen en Diakenen in éénen kerkeraad vereenigt, en ons Formulier van bevestiging, dat het college van Diakenen van het gezelschap der Dienaren en Ouderlingen onderscheidt. En toch is het geenszins twijfelachtig in welken zin dit geschil dient opgelost. Uit het stellige feit toch, dat onze gereformeerde kerken, na de eerste troebelen, geen Diaken op de classis of op de synode hebben toegelaten, blijkt dat het eigenlijke kerkelijke regiment hun door onze kerken niet is toegekend. Wel behooren ze dus zitting te hebben in den plenairen raad, waar heel het ambt saâm komt en de gemeente vertegenwoordigt, maar indien ze op de dorpen aan de regeering deel hebben, is dit om het klein getal der ouderlingen, wier tekort ze aanvullen. Daarentegen gaan we |67| niet mede met hen, die de Diakenen ook aan de beroeping slechts laten deelnemen, als eerzame gemeenteleden. Dit kan niet. Ambt is ambt. En ook Diakenen zitten nu eenmaal in den raad der kerke als ambtelijke personen.

Een andere vraag, die we slechts aanstippen, zou daarentegen zijn, of gelijk de classis en synode vergaderingen zijn van meerdere kerken, om de zaken te behartigen die aller regiment aangaan, zoo ook Diakenen van onderscheidene kerken niet van lieverleê op gelijke wijs zullen moeten saâmkomen om de zaken te behartigen die vele ellendigen aangaan. Voor de inrichting van de weesverzorging op kleinere dorpen, voor de verzorging van kranken, idioten, krankzinnigen, blinden, vreemdelingen, enz. schijnt zulk een saâmwerking in een Classicale Diaconie al meer onmisbaar.


§ 26. Hoedanig het ambt aller geloovigen in de kerke Christi zij.

In Art. 28 belijdt onze Confessie o.m. dat er ook is een ambt aller geloovigen, daarmeê helder en nauwkeurig weergevende, wat H. Schrift bedoelt, als ze het volk des Heeren siert met de eeretitels van koningen en priesters. Want wel komt deze eere aan allen toe, maar zonder daarom het karakter van een ambt te verliezen. Wat ge krachtens uw ambt doet, doet ge niet uit uw persoon, maar ten gevolge van een op uw persoon gelegde waardigheid; terwijl omgekeerd, hetgeen ik buiten ambt verricht, door mij verricht wordt als uitvloeisel van mijn persoonlijk welbehagen, zonder dat van een opgedragen macht sprake komt. In de Vereenigde Staten van Amerika bestaat evengoed als in Frankrijk algemeen stemrecht op burgerlijk terrein, maar tusschen beide landen bestaat dit alles afdoend verschil, dat de Fransche kiezer zegt: „Ik stem omdat dit mijn recht als mensch is, een recht dat ik bezit, en waar ik niemand voor heb te danken;” terwijl de Amerikaan, die zijn constitutie verstaat, zal zeggen: „Ik stem niet, krachtens mijn recht als mensch, maar bij de gratie Gods, omdat God mij dit ambt verleend heeft.” Geheel hetzelfde verschil nu bestaat ten deze tusschen de denkbeelden der geestdrijvers en die der gereformeerden. Beiden erkennen dat er macht in de kerk bij de geloovigen berust, maar terwijl de geestdrijver uitroept: „Ik, ik als persoonlijk geloovige, heb in Jezus’ kerk te beslissen,” betuigt de gereformeerde: „Als geloovige heb ik niets dan den plicht om eeuwig mijn God |68| voor zijn genade te danken, en eerst doordien koning Jezus mij een ambt heeft opgelegd, bezit ik alsnu in die kerk een verantwoordelijke macht.”

Dit ambt der geloovigen bestaat allereerst hierin, dat, waar de regeerende ambten wegvallen, het ambt der geloovigen er voor in de plaats trede. In een kerk op een eenzaam eiland, waar pestziekte opeenmaal alle ambtelijke personen ten grave sleepte, zouden de geloovigen zelven krachtens hun ambt in de plaats van deze ambtelijke personen hebben op te treden, en wel door onverwijld het ambtelijk werk te verrichten bij manier van waarneming, en voorts door nieuwe ambtsdragers te verkiezen. Het eene ambt schuift, bij wegvalling, zijn taak altoos op het naastkomend ambt over. Valt de Dienaar des Woords weg, dan komt de regeerende Ouderling in zijn plaats; valt de Ouderling weg, dan neemt de Diaken zijn taak op; en valt ook de Diaken weg, dan treedt het ambt aller geloovigen er voor in plaats. Een regel, die, gelijk we zien zullen, dus ook doorgaat, waar de ambtsdragers niet door sterven of heengaan weg-, maar door ongeloof en ontrouw afvallen, of door verzuim en hoogmoed te kort schieten; een helaas, maar al te breed veld, waarop als aanklacht tegen ambtsdragers en ouders, thans de Zondagschool enzoo menige andere (op zich zelf, onnatuurlijke en dus ongeoorloofde) inrichting staat, maar die als correctief onmisbaar bleken en dankbaar zijn te waardeeren. Toch is deze ambtelijke waarneming van anderer taak slechts een uitvloeisel van de meer algemeene taak, die in het ambt aller geloovigen besloten is, t.w. de plicht, om gestadig en rusteloos in zake van belijdenis, kerkregiment en eeredienst de beslissingen en daden der andere ambtsdragers te controleeren. Nooit mag een geloovige zich bij iets neerleggen, omdat de dienaren der kerk het zóó uitwezen. Dat is Roomsch, niet gereformeerd. In een gereformeerde kerk moet elk geloovige zijn geestelijk oordeel hebben en dat oordeel laten werken; niet uit betweterij of bedilzucht, maar uit geestelijke gehoorzaamheid; en dus nooit op grond van zijn opinie, maar uitsluitend naar het geestelijk verstand van den Woorde Gods. Aldus moet al hetgeen in de kerk beleden, beslist of bediend wordt steeds zijn gestadigen steun vinden in de geestelijk verlichte conscientie der geloovigen. En ontstaan er nu tusschen deze verlichte conscientiën der geloovigen en de beslissing of handeling der Opzieners strijd, dan is het ambt aller geloovigen, zich hierover een oordeel te vormen, dit oordeel met eerbiediging van het regeerambt eerst geheimelijk mede te deelen, dan als beklag in te brengen, en eindelijk desnoods als publiek getuigenis algemeen te maken. Een zeer |69| ernstige taak, waaruit tevens deze andere ambtelijke verplichting voortvloeit, om, blijkt elke poging, om het kerkelijk regiment bij de waarheid te houden, vruchteloos, zich af te scheiden van alzulke Opzieners, die alsdan blijken niet meer van de kerk te zijn, en zich te voegen tot de ware kerk, of ook zelf die kezk op nieuw te openbaren.

Doch ook in gewone tijden is er in dit ambt der geloovigen nog een ander, zeer actief en positief moment. Niet slechts toch is het ambt aller geloovigen, om, gelijk we zooeven reeds aanstipten, een te kort in kennis bij de jeugd door de Zondagsscholen en andere inrichtingen aan te vullen; maar sluit dit ook de plicht in, om het Evangelie te verkondigen, waar dit niet geschiedt of slechts in schijn plaats heeft zoodra God de Heere er gave toe verleent. Mits, en hier hangt alles aan, mits men het doe ambtelijk, krachtens zijn ambt, en niet in geestdrijverschen zin, omdat men er lust toe gevoelt of waant er drijving des Geestes toe te hebben.

De oude Gereformeerde kerken dreven dit, op het voetspoor der eerste gemeente, zelfs zoo verre, dat ze oorspronkelijk geregelde dusgenaamde profetieën instelden, d.w.z. saâmkomsten der gemeente, waarin gewone geloovigen, onder leiding van den kerkeraad, de gemeente poogden te stichten uit den Woorde Gods, opdat alzoo alle gave, door Jezus in zijn kerk gelegd, ten nutte der kerk mocht worden aangewend. Nog van Comrie is het onlangs uitgekomen, dat ook hij dezen dienst in het Woord krachtens het ambt der geloovigen aanmoedigde. Waarmeê dan tevens samenhangt, dat men voor mannen van „extraordinairische gaven,” die kennelijk door den Heere daartoe bekwaamd waren, ook zonder universitaire opleiding, den toegang tot het ambt van Dienaar des Woords ontsloot.


§ 27. Hoe het staat met der kerken goederen.

Eigendom of bezit van goed is voor het wezen eener kerk niet onmisbaar. Zelfs zonder vast kerkgebouw kan een kerke Gods in de open lucht, in een schuur of pakhuis saâmkomen zonder dat het wezen der kerk daardoor verkort wordt. Bij uitbreiding en in rustiger tijden daarentegen is, althans in ons klimaat, het bezitten van een of meer kerkgebouwen onmisbaar; en onmisbaar ook eenige localiteit voor kleinere samenkomsten van ambtsdragers of gemeenteleden. Behalve deze gebouwen bezit een kerk meestal ook een vast kapitaal aan roerend of onroerend goed, waarvan de inkomsten door erflaters of schenkers bestemd zijn voor het onderhoud der gebouwen, den eeredienst of de bezoldiging der kerkedienaren. En zijn de inkomsten |70| uit deze vaste bezittingen niet voldoende, om te zorgen voor localiteit en dienstpersoneel, den eeredienst in stand te houden en de ambtsdragers behoorlijk te bezoldigen, dan behoort de kerk bovendien nog door inzameling van vrije giften of door hoofdelijken omslag dit tekort aan te vullen.

Het beheer over deze goederen en inkomsten staat aan de kerk zelve. Het is haar goed, het zijn haar gelden, die ten haren bate besteed moeten worden en waarvoor zij verantwoordelijk is. De wijze waarop zij dit beheer voeren kan, is velerlei. Oudtijds liet zij dit veelszins over aan de gereformeerde overheid. Nu die wegviel stelde zij eigen voogden en beheerders aan, en deed ze dit deels rechtstreeks, deels door den kerkeraad. Naar beginsel dienen de navolgende regelen hierbij als leiddraad te strekken. 1º. In zeer kleine kerken kan dit beheer overgegeven worden aan de Diakenen, als belast met den algemeenen dienst der tafelen, d.i. van alle geld, en niet alleen van het geld der armen. 2º. In gewone en grootere gemeenten is dit noch doenlijk noch raadzaam. Niet doenlijk, daar de diakenen, bij hun gebrekkige organisatie, reeds hun eigen taak voor twee derden onafgedaan moeten laten. En evenmin raadzaam, omdat het geestelijk karakter van het Diaconaat er schadebij lijdt. 3º. Men doet beter met in het beheer niet door den kerkeraad te laten voorzien, daar deze als ambtelijk collegie een eigen roeping heeft en de kerkvoogdij niet ambtelijk, slechts zaak is van commissie. En 4º. Het veiligst gaat men derhalve, indien men door alle leden der kerk, onder de leiding van den kerkeraad, een afzonderlijk collegie van kerkvoogden benoemt, en voorts, eenige kerkleden naast hen committeert, om de rekening en verantwoording van kerkvoogden op te nemen.

Hoofdelijke omslag steunt niet op het beginsel der liefde, maar op verplichting naar rechten. Zulk een aanslag mag dientengevolge nooit gebezigd, om aalmoezen te vervangen en in den nood der armen te voorzien; maar mag zeer wel aangewend, om saâm de kosten te vergoeden, die men saâm als kerk maakt. Een kerk die een gebouw gebruikt, dienstpersoneel houdt, een orgel laat bespelen en zich verbindt een predikant te bezoldigen, doet telken jare gezamenlijke uitgaven, maakt gezamenlijke kosten, en gaat alzoo een jaarlijksche schuld aan. Al nu wat uitgave voor eigen gebruik, kosten voor eigen genieting en schuld voor eigen uitgave is, valt nooit onder de rubriek van aalmoes, maar is en blijft tributum, d.i. wat men in rechten verschuldigd is. Dit nu kan men of vrijwillig bijeenbrengen, of gaat dat niet, dan moet men de kosten onder elkaar verrekenen en verdeelen. Maar ook al brengt men deze gelden vriiwillig bijeen, dan zijn het nog nooit aalmoezen, maar |71| blijven het altoos betalingen voor genoten of te genieten waarde. Wie zich dan ook inbeeldde, dat bij den ommegang in onze kerken de collecte voor de kerk en voor de armen op één lijn stond, zou zich een goed werk toeschrijven dat hem niet toekwam. Zelfs wie meer in de kerkcollecte geeft dan hij pondpondsgewijze schuldig zou zijn, reikt daarom nog volstrekt geen aalmoes aan zijn kerk, maar betaalt, behalve zijn eigen verschuldigd aandeel, nog een ander deel in de schuld van min willige betalers.

Voor goeden kerkdienst zal men in gewone kerken en tijden omstreeks vijf Gulden per hoofd of vijf en twintig Gulden per gezin en per jaar hebben te betalen; een som die alzoo, naar den regel dat kerkelijke betaling zich schikt naar het vermogen, terwijl de genieting voor allen gelijk is, voor de onvermogenden op nul daalt, maar voor de gewone burgers dan ook op dertig à veertig en voor de meervermogenden tot honderd en meer per gezin klimmen moet.


§ 28. Door welke vergadering de kerk bestuurd wordt.

Het bestuur over de kerken wordt uitgeoefend door de kerkeraden, die in wijderen zin zijn saâmgesteld uit de predikanten, ouderlingen en diakenen, in engeren zin, voor zooveel de hanteering van den tweeden sleutel des Hemelrijks aangaat, uit de predikanten en ouderlingen alleen, terwijl evenzoo de diakenen op hun beurt een afzonderlijk collegie vormen voor de bediening der tafelen. Dat in kleinere kerken ook de diakenen aan het bestuur in engeren zin deel nemen, is een toegeven aan de noodzakelijkheid, maar vloeit niet voort uit het beginsel. In alle zaken daarentegen, waarin noch uitsluitend van de handteering der sleutelen, noch uitsluitend van de bediening der tafelen gehandeld wordt, maar die de algemeene belangen der kerk raken, staat de beslissing uit beginsel bij den vollen raad der kerke, waarin diakenen zoowel als predikanten en ouderlingen zitting hebben. Belangen van algemeenen aard zijn de beroeping van predikanten, de benoeming van ouderlingen en diakenen, de representatie der kerke bij de overheid, de zorge voor de kerkelijke goederen, enz. In den breeden kerkeraad zoowel als in den kerkeraad voor de hanteering der sleutelen zitten de predikanten voor, maar staan overigens de ouderlingen en diakenen in macht hun volkomen gelijk. Deze kerkeraad behoort zelf de voorkomende zaken naar goede ordre af te doen, en mag nooit anderen committeeren dan ter uitvoering van een bepaalden last; behoort de leden der kerk die zulks wenschen voor zich te ontvangen; en blijft het best met |72| de kerk in levend contact door aan de geloovigen gelegenheid te bieden, als toehoorders de vergaderingen bij te wonen; natuurlijk behoudens het recht, om in besloten kring te vergaderen, zoo dikwijls de geaardheid der voorkomende zaken zulks eischt.

De Dienaren des Woords kunnen saâm wel een bijeenkomst of krans vormen voor de bespreking van hun werkzaamheden, en evenzoo de regeerende ouderlingen een eigen krans organiseeren om de verdeeling van hun arbeid te bespreken, maar macht, recht of bevoegdheid heeft zulk een dusgenaamd ministerie of presbyterie in het allerminste niet, en de ééne zoomin als de andere krans was van oudsher in onze gereformeerde kerken bekend. Wel de Diakenen hebben een onderscheiden dienst en vormen deswege een afzonderlijk college. Maar leerende en regeerende ouderlingen zijn lieden van een zelfde categorie, verbonden door de bediening van de sleutelen des Hemelrijks, en kunnen dus ook naar luid ons Bevestigingsformulier, geen ander collegie of gezelschap vormen, dat macht en wettelijke bevoegdheid zal bezitten, dan den gewonen kerkeraad, waarin ze saâm met gelijke stem en geheel gelijke bevoegdheid optreden.


§ 29. Van de toebediening der genademiddelen.

De genademiddelen der kerke zijn de schatten die in Christus voor de uitverkorenen zijn weggelegd, en die ons voorgehouden worden in het Woord en bezegeld door de Sacramenten. Woord en Sacrament worden daarom terecht de beide genademiddelen der kerk genoemd. Deze genademiddelen nu worden toebediend door den één en genomen door den ander. Vandaar dat het Sacrament gebonden is aan den presbyterialen dienst, overmits niemand een sacrament nemen kan, tenzij er een toebediening zij. Anders staat het daarentegen met het Woord. Dit kan ook zonder toediening genomen en genoten worden, zij het ook op minder rijke wijze. Het genademiddel van het Woord is derhalve alleen voor zijn uitlegging en toepassing aan het ambt gebonden, en wel met dien verstande, dat het ambt der geloovigen dit genademiddel toediene aan een iegelijk, die vermaan wil hooren, het priesterambt van den vader in zijn huis het toediene in alle huisgezin, en het ambt van den Dienaar des Woords het publiekelijk toediene aan de geheele gemeente. Deze toediening van het Woord draagt tweeërlei karakter, naar gelang er melk moet toegediend of vaste spijze. Het toedienen der melk is de toediening van het Woord door de catechisatie, het toedienen van de vaste spijze is de toediening van dit genademiddel door uitlegging |73| en toepassing van het Woord. Met het uitreiken van deze melk is ambtelijk belast, de Dienaar des Woords voor publieke en private catechisatiën; de regeerende ouderling voor private onderrichting; de vader, of ook de moeder, in elk huisgezin; en elk geloovige bij zoodanige kinderen, bij wie noch de ouders of de verwanten noch de kerk kwijting van plicht betoont. Het toedienen der vaste spijze daarentegen geschiedt ambtelijk alleen in het huisgezin door den vader als priester, en in het midden der gemeente door den Dienaar des Woords, beide malen als hanteering van den eersten sleutel des Hemelrijks; niet als dusgenaamde Evangelieverkondiging, maar als een spreken in den Naam des Heeren met macht; kan slechts bij wijze van waarneming op regeerende ouderlingen overgaan; en geschiedt slechts subsidiair in de dusgenaamde profetieën, of bij ontstentenis van ambtsdragers door gewone kerkleden. Voorts echter rust op de Dienaren des Woords niet minder de verplichting om dit genademiddel aan de huizen der kerkleden om te dragen; bij huisbezoek vóór elk Avondmaal aan allen; bij krankheid of droefenisse aan de bedrukten, en bij naderend doodsgevaar aan de stervenden. Alleen het geloof is machtig tot behoudenisse, en om het geloof te wekken en levendig te houden is er geen ander genademiddel dan het Woord.

Het Sacrament bezegelt het woord en sterkt daardoor het geloof, zoowel aan de kerk in haar geheel als bij den enkele die het geloof deelachtig werd. Gelijk nu elk zegel om zegel te zijn, een publiek karakter moet dragen, zoo is het ook met den dienst der Sacramenten. Ze moeten overeenkomstig haar natuur publiek bediend worden, en zijn deswege aan den publieken dienst der kerk als zoodanig verbonden. Ze worden uit dien hoofde door de kerk aan de kerk toegediend, onder de leiding van den kerkeraad en onder de aanwending van den dienst der herderen. Alleen in de kerk, onder de leiding van den kerkeraad, door de herderen toebediend, zijn de Sacramenten sacramenteele zegels. Zegels op het Woord zijnde, mogen ze dan ook van den dienst des Woords niet worden afgescheiden, en worden het best na geëindigde predicatie toegediend. Dus nooit aparte Doop- of Avondmaalbeurten.

Op de toediening van beide genademiddelen, zoowel op die van het Woord als op die van het Sacrament, heeft elk lid der kerk recht, maar ook het aannemen en gebruiken ervan is voor beiden plicht. Vandaar geldt als regel niet bejaarden-, maar kinderdoop; en mag niemand van den Doop geweerd, die op eenige wijze als lid der kerk is aan te merken. Het Woord en het sacrament des Avondmaals zouden evenzeer reeds aan de kleinste kinderen toekomen, bijaldien deze er vatbaar voor waren. Nu daarentegen de natuur dit onmogelijk |74| maakt, verkrijgt het kind eerst dan recht op het Woord als het hooren, en eerst dan recht op het H. Avondmaal als het belijden kan. Wie geen lid der kerk is, of ook van elders komt uit kerken, die niet erkend zijn, mag men niet tot de Sacramenten toelaten, gelijk evenzoo van de Sacramenten moet uitgesloten, al wie door dwaling of boosheid onder tucht geraakt.

Maar evenzeer is omgekeerd elk kerklid tot het gebruik van het Sacrament verplicht. Een ieder is verplicht zijn kind te laten doopen, en evenzoo staat een ieder geloovige onder de verplichting, om zoo dikwijls het H. Avondmaal wordt uitgereikt, zich bij die uitreiking te laten vinden. Niet alsof aan het Sacrament zijn zaligheid hing. Geen goed Christen die dit niet beter weet. Maar ook geen goed Christen, die, overmits God vrij machtig is, hem ook zonder Sacrament zalig te maken, aan den Heere God zijn ontferming met verachting van zijn heilig Sacrament vergeldt.


§ 30. Van de oefening der kerkelijke tucht.

De toediening der genademiddelen moet heilig gehouden en de gemeente Gods met geestelijke politie geregeerd. Tot dit tweeërlei doel strekt de oefening der Christelijke tucht, die aan het ambtelijk gezag gebonden is. Deze tucht wordt daarom geoefend 1º. door elk en een ieder geloovige in den weg van vermaan, zoo hij den broeder ziet afdolen; 2º. door elk en een ieder geloovige in de lagere trappen, bij persoonlijke beleediging; 3º. door alle geloovigen saâm bij het bannen of weder opnemen van wie zich misdroeg, door in te stemmen met de beslissing van den kerkeraad, of zich tegen die beslissing te verzetten, en voorts 4º. en ten principaalste door den kerkeraad over de gemeenteleden en door de classes over dolende kerken.

Deze tucht is niet een broedelijk vermaan der liefde, maar een zedelijk strafrecht dat met gezag namens koning Jezus wordt uitgeoefend. Dit strafrecht richt niet den staat des harten noch de bedoeling. De intimis non iudicat ecclesia 1). Het is evenmin inquisitoriaal en zoekt dus niet de overtreding op, die binnenshuis geschiedt. Maar ze is uitsluitend gericht op publieke overtreding, d.i. die óf publiek begaan is, óf, in het verborgene begaan, bekend wierd. Deze tucht gaat over belijdenis en wandel, en dat zonder aanzien des persoons, zoowel over Dienaren des Woords en overheidspersonen, als over den vergeten burger. |75|

Zij volgt een geregelde procedure, die behoorlijken waarborg behoort op te leveren tegen veroordeeling van onschuldigen; schrijdt langs vaste trappen voort tot eindelijke afsnijding van de gemeente; maar keert steeds op haar schreden terug, zoodra er boetvaardigheid blijkt, en dat wel zonder zweem zelfs van eerloosheid op den boetvaardige te laten rusten.

Ze stuit de werking der genademiddelen, overmits de genademiddelen alleen voor de geloovigen zijn, en door toepassing van tucht de vraag of iemand een geloovige is, onzeker wierd en kerkelijk in twijfel is getrokken. Wel kan iemand die onder tucht staat daarom met het Woord bewerkt worden, maar het Woord komt dan tot hem evenals het tot anderen komt die buiten staan, t.w. om hem te veroordeelen en tot bekeering te manen, niet om hem te troosten met zijne beloften. En in strenger zin nog wordt het sacrament gestuit, overmits de kerk niet langer de beloften niag bezegelen aan iemand wiens geloof kerkrechtelijk in twijfel is getrokken. Bij den H. Doop is dit alleen daarom niet toepasselijk, overmits een pasgeboren wicht niet dolen of overtreden kan, en het denkbeeld, om het kind te straffen voor de overtreding der ouders, wel van Gods zij kan geschieden en geschiedt, maar een strafoefening is, waartoe de kerk geen macht bezit.

Van de tucht in het huisgezin behoort hier niet gehandeld te worden, daar de vaderlijke macht een burgerlijk en geen kerkelijk karakter draagt.


§ 31. Van den Eeredienst.

De eeredienst doelt uitsluitend op de heilige handelingen, die in de openbare vergaderingen der kerken plaats grijpen. Noch hetgeen in de huisgezinnen noch hetgeen in bijzondere bijeenkomsten geschiedt, mag dus onder dezen titel begrepen worden. Eeredienst is hetgeen de kerk als kerk in de ure van geestelijke gemeenschapsoefening en gemeenschappelijke aanbidding doet onder de hanteering van de sleutelen des Hemelrijks. Hieruit vloeit voort, ten eerste, dat de leiding van den Eeredienst aan de Dienaren des Woords moet opgedragen worden, en dat de inrichting er van ter beslissing van den kerkeraad staat. Zijn vele kerken vereenigd, dan kan die inrichting voor die vele kerken saâm door de classis, of voor nog meerdere kerken door de synode worden vastgesteld, maar ook in deze classicale en synodale beslissing is het feitelijk de kerkeraad die de inrichting regelt. Vloeit in de tweede plaats voort, dat de |76| Dienaar des Woords in de vergadering der gemeente niet verschijnt om zijn individueel geestesleven uit te spreken, maar om in den Naam des Heeren aan de vergaderde gemeente haar zonde en Gods oneindige barmhartigheden aan te zeggen, en evenzoo in naam der vergaderde menigte tot God den Heere te gaan met gebeden, lofzegging en dank. Zekere vaste gang is hierbij onmisbaar. Of al de Dienaren wisselen, of ook in grootere kerken, meerdere Dienaren naast elkander optreden, het moet toch altijd de ééne kerke blijven die in aller veelvuldigen dienst haar eenheid en gedurigheid terugvindt. Op dien grond zijn formulieren voor de bediening der Sacramenten, voor bevestigingen, voor openlijke tuchtoefeningen, enz. stellig geboden; dient de algemeene gang van den eeredienst in groote kerken te zijn voorgeschreven; hetgeen gezongen moet worden, vast te staan; en is zelfs een enkel formulier-gebed allerminst te veroordeelen. Altoos echter met dien verstande, dat uit deze regelen geen vormdienst of formalisme geboren worde en de vrije uiting des Geestes in de gemeente niet door menschelijke bepalingen worde gebonden. En vloeit ten slotte voort, dat in eenzelfde stad of groot dorp wel meer dan één kerkgebouw voor den dienst mag worden ingericht; en dat evenzoo aan elk kerkgebouw zekere vaste predikers en zekere vaste stadswijken, in den vorm van kerspelen mogen verbonden worden; maar dat al deze diensten altoos onder éénen kerkeraad behooren te staan, opdat in elk dier diensten, in wat kerkgebouw ook gehouden, steeds dezelfde belijdenis beleden en dezelfde liturgie gevolgd worde.

Uit dit oogpunt bezien, is de dusgenaamde gezangenquaestie een kerkelijke quaestie van ernstig belang. Zoolang b.v. de kerk van Amsterdam verbonden blijft met die andere kerken, met wie zij sedert 1775 één was, staat de regeling en inrichting van den eeredienst, dus de bepaling van wat er gezongen mag worden uitsluitend aan de nationale synoden. Nu hebben alle vroegere Synoden bepaald, dat alleen de Psalmen zouden gezongen worden, en kon alzoo dit constante besluit alleen door een nationale synode rechtens ook herroepen worden. De Deputati Synodi echter die in 1806 de Gezangen invoerden, hadden tot deze invoering van geen enkele Nationale Synode opdracht ontvangen, terwijl naar gereformeerd kerkrecht een deputaat niets doen kan noch mag, dan wat een Synode binnen haar kring hem opdroeg en uitdrukkelijk gelastte. En overmits nu een Synode-provinciaal nooit kan noch mag te niet doen wat een Synode-nationaal bepaald had, zoo bezaten de provinciale Synoden in 1805 zelven geen macht hoegenaamd, om de bepalingen der |77| Synode-Nationaal van 1619 te vernietigen, en konden dus ook evenmin een macht, die ze zelve niet bezaten, op haar deputaten overbrengen. De invoering der Gezangen was alzoo in volstrekten zin onwettig. En de Synode van 1816 heeft deze onwettige daad dáárom niet kunnen goedmaken, overmits zij, volgens haar lastbrief, optrad uitsluitend als Bestuurscollegie en alle aanbrengen van verandering in de geestelijke aangelegenheden der kerk opzettelijk van haar bevoegdheid was uitgesloten. We laten dus de vraag, of het goed dan wel niet goed zij, bij den eeredienst der gemeente naast de Psalmen ook liederen te zingen, thans geheel in het midden; en spreken alleen als ons gevoelen uit, dat de invoering der dusgenaamde Evangelische Gezangen kerkrechtelijk in elk opzicht onwettig was en dusver nog nimmer gewettigd is geworden.

De tegenbedenking, dat men dan ook de Psalmen van Datheen nog zou moeten zingen, gaat niet op. Dit toch is een quaestie van uitvoering, die het groote beginsel, of men bij den zang in het Godshuis al dan niet aan het Woord Gods gebonden zij, ongedeerd laat. Dat groote beginsel: „In Gods huis niets anders dan Gods Woord ook in uw lied!” hebben onze wettige geestelijke Synoden, op voorgang van Datheen en Marnix beiden, met beslistheid beleden; ook tegenover de Remonstranten, die het eerst gezangen eischten. En zulk een beginsel kan, ja moet zeer zeker, als het naar den Woorde Gods anders blijkt te zijn, door een latere Synode-Nationaal veranderd; mits dan die verandering maar op wettige wijze geschiede, en niet, gelijk ten onzent, door onbevoegden plaats grijpt.


§ 32. Hoe een kerk in verband treedt met andere kerken.

Een kerk mag niet op zichzelve blijven staan, daar zij niet de kerke Christi is, maar slechts een openbaring van de kerke Christi op ééne enkele plaats. Vergaderingen in andere plaatsen, die insgelijks openbaringen van hetzelfde lichaam Christi zijn, hooren dus bij haar en zij bij deze. Hieruit spruit de stellige verplichting tot correspondentie met andere kerken binnen de perken van het mogelijke. Die verplichting ontstaat intusschen dan eerst, als in andere plaatsen de kerke Christi tot zoodanige openbaring is gekomen, dat ze als kerke Christi herkenbaar is. Is dit niet het geval, dan kan een kerk er geen correspondentie meê aangaan. Verliezen de kerken elders dat karakter, dan moet ze er de correspondentie meê afsnijden. Eenheid van belijdenis is de onmisbare grondslag, waarop alle kerkelijke correspondentie, en dus ook alle kerkverband, moet staan. |78|

Waar nu zoodanige eenheid van beginsel gebleken is, en alzoo door correspondentie kerkverband moet gezocht, daar behoort dit kerkverband ten doel te hebben: 1º. het uitspreken van de gemeenschappelijke belijdenis der kerken, en het behandelen van gravamina daartegen; 2º. het regelen van den gemeenschappelijken eeredienst en leerdienst; 3º. het onderhouden van weerkeerig toezicht op elkander; 4º. het gemeenschappelijk verdedigen van de rechten der kerken tegenover derden; 5º. het uitwijzen van geschillen tusschen de kerken onderling; 6º. de verzorging van den Dienst des Woords, door het oprichten, indien noodig, van kweekscholen, het keuren van candidaten, het approbeeren van beroepene Dienaren en ontslaan van weggaande, enz.; 7º. het regelen van den overgang van lidmaten uit de eene in de andere kerk, ’t zij voor de bediening van den H. Doop, ’t zij voor die van het H. Avondmaal, door dusgenaamde attestatie; en 8º. het onderhouden van de gemeenschap door afvaardiging van deputaten naar elkanders vergaderingen.

De verzorging der Belijdenis, van den leerdienst en den eeredienst staat daarbij op den voorgrond, overmits hierin zich het geestelijk karakter der kerken afteekent. Formulieren van eenigheid vast te stellen en te waken voor heur handhaving is alzoo de eerste plicht aller kerken die in kerkverband treden. Niet, dit sta duidelijk op den voorgrond, om deze schriften in eenige waardij ook maar bij den Woorde Gods te houden, maar overmits een iegelijk die buiten staat of binnen is, moet kunnen weten wat de kerk van den Woorde Gods houdt. Deze formulieren binden dus nimmer de conscientie. De conscientie bindt alleen de Heilige Schriftuur, aan welke deze formulieren altoos examinabel blijven. Daarentegen staat het niemand vrij in de kerk tegen die formulieren te leeren; behoort een iegeijjk die gravamina heeft, deze bij de kerke aan te brengen opdat ze onderzocht worden; en is een iegelijk gehouden zich óf aan de uitspraak van de kerk in deze te onderwerpen, óf anders uit een kerk, die naar zijn overtuiging tegen het Woord Gods koos, te scheiden. Hierin ligt al het verschil tusschen een Remonstrantsche en Gereformeerde revisie.

Dit kerkverband of deze correspondentie met andere kerken staat onder het bestuur van een Synode, maar overmits niet alle kerken die saâm in correspondentie staan op de Synode saâm kunnen komen, heeft men van ouds en terecht de naburige kerken streeksgewijze nog in kleinere kringen saâmgevoegd onder den naam van Classis. Op deze Classis behooren alsdan alle kerken van de streek saâm te komen, als vrije geconfedereerden of geünieerden; doch naardien nu |79| de geheele kerk, en zelfs heur kerkeraden, niet in vollen getalle verschijnen kunnen, komen alleen de Dienaren saâm met de ouderlingen. Deze behooren niet hoofdelijk, maar kerksgewijze te stemmen, onder leiding van een moderamen, dat voor elke vergadering gekozen wordt en wegvalt als de vergadering sluit. Is er geen classis saâm, dan bestaan er niets dan naast elkander liggende kerken, en elk denkbeeld van eenig duurzaam bestuur of moderamen moet als inkruipsel van pauselijke tirannie met ijver uit de kerke Gods geweerd blijven. Wel kan de classis deputaten committeeren, maar nooit anders dan met bepaalde lastgeving. Dus nooit een commissie die als een soort collegie zou beraden en besluiten, maar losse gecommitteerden, die den last der classis uitvoeren, zonder meer.

Uit deze Classis en door deze Classis worden dan afgevaardigden ter Synode gekozen. De tusschenschakel van een Provinciaal kerkbestuur is in elk opzicht met de beginselen van het gereformeerde kerkrecht in strijd, en dat te meer nu men de provinciale Synoden vervallen liet. Rechtstreeks behoort men dus uit de Classis naar de Synode te deputeeren, hetzij naar de provinciale Synode, die dan op haar beurt een generale Synode benoemen, hetzij op eens naar een Synode-nationaal. Maar ’t zij men langs één, hetzij men langs twee trappen naar de Generale Synode opklimme, in elk geval geldt voor deze provinciale en generale Synoden geheel dezelfde regel als voor de classis, Ze komen en ze gaan, zonder eenige Synodale Commissie of eenig Synodaal moderamen achter te laten, en worden telkenmale saâmgeroepen door een kerk of classis die daartoe opdracht ontving; benoemen dan hun moderamen en ontslaan dit, als ze uiteengaan; gecommitteerden worden belast met de uitvoering der besluiten, mits voor een bepaalde zaak en met bepaald mandaat; en deze gecommitteerden doen dan eerst verslag als de Synode opnieuw saâmkomt.

Op deze generale Synode pleegt men dan en terecht ook correspondentie te onderhouden met de kerken buitenslands, voor zooverre die eenzelfde belijdenis hebben. Deze correspondentie kan óf in een bloote begroeting bestaan, óf gelijk te Dordrecht het dubbel doel hebben, om kerken die in moeielijkheden geraakten, te helpen, en om de eenheid van de gereformeerde wereldkerk tegenover andersdenkenden uit te spreken.

Met kerken van een andere belijdenis onderhoudende kerken geen correspondentie, hoewel de nadere verwantschap met de Luthersche kerk er altoos toe geleid heeft, om de kerken, die onder deze benaming staan, met broederlijke genegenheid te bejegenen en steeds |80| te staan naar hereeniging, van wat wel saâm hoort, doch, alvorens het in belijdenis één wierd, niet saâm wonen kan.


§ 33. Of de kerken ook bemoeienis hebben met wat niet tot de kerk behoort.

Een kerk van Christus mag zich niet opsluiten in zichzelve, om voor zichzelve te leven. Ze heeft ook een roeping voor wat buiten haar ligt, en dat in drieërlei opzicht. Ten eerste door, nadat de huisgenooten des geloofs behoorlijk verzorgd zijn, haar aalmoezen en de zorge harer barmhartigheid ook uit te strekken naar de ellendigen buiten haar poorte. Ten tweede door degenen die met de kerk in een zelfde stad of dorp saâmwonen, maar niet in haar heerlijke belijdenis deelen, door evangelisatie voor de belijdenis van den Christus te winnen. En ten derde door evangelisten of zendelingen ook naar andere oorden en streken te zenden, om de kerk te planten waar ze nog niet is. Het werk der Philanthropie, der Evangelisatie en der Missie of Zending.

Barmhartigheid aan wie buiten zijn moet gepleegd, niet om daardoor een goede reuke bij menschen te verkrijgen, maar om ’s Heeren wil, en uit besef van gemeenschappelijke schuld als bron van de gemeenschappelijke ellende.

De Evangelisatie moet uitsluitend ten doel hebben: de uitbreiding der kerk in de plaatsen waar ze gevestigd is, en behoort zich uit te strekken tot Joden en heidenen, tot nietsgeloovenden en bijgeloovigen, zoo armen als rijken. De prediking van het Evangelie aan gedoopten, is geen Evangelisatie maar catechisatie, en moet uitgaan van den Dienst des Woords, of, bij verzuim van de Dienaren, van het ambt aller geloovigen. Tot dit werk der Evangelisatie onder hen die buiten staan, is ieder in het particulier geroepen, voor zooverre God de Heere hem met buitenstanders in aanraking brengt; maar is ook de kerk als kerk geroepen, die daartoe bepaalde mannen onder den naam van Evangelisten kan aanstellen. Hun werkzaamheid moet leiden tot het brengen van deze buitenstanders in de kerk; overmits een goed onderwezene, die nu belijden wil, gedoopt behoort te worden en het recht van den H. Doop te bedienen, alleen aan de kerk toekomt.

De Missie of zending naar andere oorden of landen kan evenzeer óf particulier óf kerkelijk zijn. Ieder geloovige, die zich daartoe geroepen weet, mag naar vreemde landen of oorden gaan om het Evangelie te verkondigen, en het ware te wenschen, dat meerderen zich hiertoe gedrongen gevoelden. Niet geduld mogen daarentegen |81| worden particuliere zendingsvereenigingen, die zenden willen met bevoegdheid, om een Dienst des Woords in te richten, een Sacramentsbediening te organiseeren, en een kerke Gods te stichten. Wat particulieren doen mogen, is geld saâmbrengen om een geloovige die derwaarts gaan wil aan reis- en teerkost te helpen. Maar dan is zulk een geen zendeling, geen gezondene, geen Dienaar des Woords, heeft hij niet het recht om ’t Sacrament te bedienen, en is al wat hij doen mag, ginds als een getuige Christi optreden, om het Evangelie te verkondigen. Slaagt zulk een particulier er echter in, Joden, Heidenen of Mahomedanen te bekeeren, en vragen deze den Doop, dan behoort zulk een particulier zich tot zijn eigen kerk of tot de naastbijgelegen kerk te wenden, opdat deze kerk alsnu zende, een zendeling doe overkomen, en door dezen zendeling aan deze bekeerlingen den H. Doop toediene, ze in een kerk vereenige en door het verkiezen van ouderlingen en diakenen een eigenlijken Dienst des Woords voorbereide. Maar óók kan een kerk rechtstreeks zenden, d.i. een Evangelist of Dienaar des Woords afzenden, met last om het Evangelie te prediken, en met bevoegdheid, om, geeft de Heere bekeerlingen, dezen namens de kerk den H. Doop toe te dienen, ze kerkelijk te vereenigen en een Dienst des Woords onder hen in te voeren.

Alleen een zending op déze grondslagen mag duurzaam rekenen op de sympathie der gereformeerde kerken; ook al komt het niemand toe, terwijl men zelf stilzat, anderen te oordeelen, die deden wat hun hand vond om te doen.

Slechts ééne zaak moet stellig afgekeurd. Het dusgenaamd ordenen van genootschaps-zendelingen door eenige predikanten is een bedrijf dat onverantwoordelijk dient te heeten. Predikanten zijn geen Roomsche priesters die ex opere operato werken, en al waren er legioenen predikanten saâm, deze hebben, los bijeengevoegd, buiten kerkelijk verband, noch eenige macht noch eenige de minste bevoegdheid, om een ordening te verleenen, die zich alleen uit liet verband der kerken laat afleiden.


§ 34. Wat de roeping der kerken ten opzichte van de scholen zij.

Het onderwijs vormt een eigen zelfstandigen kring van geestelijke werkzaamheid, evenals de huiselijke opvoeding. Het komt derhalve aan de kerk niet toe, het schoolwezen zonder meer aan zich te trekken. Dit zou de burgerlijke ontwikkeling tegenhouden, gelijk Romes |82| sterke inmenging met het huiselijk leven in tal van landen het huiselijk leven heeft gedood.

Wel heeft daarentegen de kerk zich met de school in te laten in deze drieërlei opzichten: 1º. heeft de kerk, bij wijze van waarneming, scholen te stichten, te voeden en in stand te houden, voor zooverre die ontbreken door anderer verzuim, of ook door inmenging van onbevoegden wel bestaan, maar bestaan in verkeerden geest; 2º. heeft de kerk voor de kinderen harer behoeftigen te zorgen, dat ze onderwezen worden, wat zuinigheidshalve vanzelve leidt tot de stichting van Diaconiescholen; en 3º. heeft de kerk bij zelfstandig optreden der scholen te waken voor de goede onderwijzing in de zuivere waarheid, die naar den Woorde Gods is.

De eerste en laatste dezer regels gelden voor het onderwijs in alle graden; het Hooger onderwijs incluis. Krachtens haar natuur en wezen komt het aan de kerk niet toe, om wetenschappelijk te onderwijzen, al staat het haar volkomen vrij, om kweekscholen op te richten ten einde te voorzien in de behoefte aan candidaten voor den Heiligen Dienst. Ontbrak daarentegen alle gelegenheid om onderwijs in de hoogere wetenschappen te ontvangen, of was het bestaande onderwijs voor Christen-jongelingen onbruikbaar, dan zou de kerk wel terdege gehouden zijn, niet krachtens haar eigen ambt, maar bij wijze van waarneming, in deze leemte te voorzien. Maar ook, waar, ’t zij dan door particulieren, ’t zij door de overheid Hoogescholen, die voor de kinderen van haar Heiligen Doop bruikbaar zijn, wierden opgericht, zou de kerk toch altoos hebben te waken en toe te zien, dat de aanraking van, het aldus gegeven onderwijs met de waarheid Gods aan die waarheid geen afbreuk dede.

Zij, de kerk van Christus, is de pilaar en vastigheid der waarheid, en wáár dus ook, ’t zij binnen ’t zij buiten haar kring, die Waarheid, die naar den Woorde Gods is, bedreigd wordt of in gevaar geraakt, daar is het haar recht en haar roeping, om luide haar stem te verheffen en met heldenmoed op te komen voor de rechten van haar Koning en Heer!




1. De kerk onthoudt zich van oordeel over de verborgene dingen.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004