Tractaat van de Reformatie der Kerken

aan de zonen der reformatie hier te lande op Luther’s vierde Eeuwfeest aangeboden

door Dr. A. Kuyper

Amsterdam — Höveker & Zoon — 1883



Aan

Jonkheer Meester P.J. ELOUT VAN SOETERWOUDE

den langst ons gegunde van het edel drietal

dat

uit ’s lands raadzaal vorst en volk

in Kerk en Staat

terugriep

naar het Woord des Heeren, |VIII|

wordt

dit tractaat over de Reformatie der Kerken

aan den avond zijns levens

met dankbare hulde

opgedragen

door


den Schrijver.




Voorrede

Herinneringsdagen werden steeds onder alle volken, door alle eeuwen, in alle kringen van het menschelijk leven heilig geacht!

Niet zelden brachten ze dan ook een zegen.

Vooral machtige geloofsgebeurtenissen uit het verleden, wier nawerking tot stilstand was gekomen, worden door zulke herinneringsdagen weer in boeiende trekken voor onzen geest geplaatst; en het hart des menschen en der volkeren, langs den weg der herinnering weêr in zulk een geloofsgebeurtenis inlevende, gevoelt schaamte over zich komen, bij het zelfverwijt van geestelijke ontaarding; grijpt nieuwen levensmoed bij het aanschouwen van wat geloofsveerkracht eens vermocht; en geeft met warmer geestdrift, dan in lange tijden, weer lof en prijs en eere aan Hem, die deze geloofskrachten eens in menschen werken wilde, en nog dezelfde trouwe God blijft, om ze te werken ook in ons. |XII|

Terecht maakten daarom de Duitsch-Protestantsche volkeren zich dezen herfst op, om op den tienden van Slachtmaand Luther’s vierde eeuwgetij in alle landen der Christenheid te vieren.

Negentienhonderd en zeventien zal, voor wie het beleven mag, op den 31sten October nóg plechtiger herinneringsdag zijn; maar toch ook Luther’s geboorte is zulk een herinnering overwaard.

Want wel trad eerst bij Wittenberg’s slotkapel de daad der reformatie naar buiten, maar wie met ons belijdt, dat de Heere onze God de instrumenten voor zijn kerk reeds in moeders schoot bereidt, weet dat reeds met Luther’s geboorte ons in het stille Eisleben de man geschonken was, door wiens geloofsmoed het licht weer op den kandelaar zou worden gezet, en die voor alle „ongetroosten en door onweder voortgedrevenen,” weêr den weg zou ontsluiten tot vrede met God.

Ook wij, Gereformeerden, Gereformeerden ook in deze landen, stemmen met dien juichtoon onzer Duitsche broederen in.

Want Luther is volstrekt niet alleen de geloofsheld der Luthersche kerken, maar evenzeer de man ónzer sympathiën, de vertrouweling ook van óns hart, aan wiens woord en werk alle kerken der hervorming, en zoo ook de Gereformeerde kerken van Westelijk Europa, niet slechts veel, maar wat meer zegt, de bezielende hoofdgedachte voor heur reformeering hebben dank te weten.

In Luthersche landen moge men zich de hervorming voltooid kunnen denken zonder Calvijn, nooit daarentegen is het onder Gereformeerden |XIII| opgekomen, om zich Calvijn te denken zonder de breede schouders van Luther, waarop zijn slanke gestalte rust.

Calvijn heeft nóg fijner, nóg keuriger, nóg zuiverder het beeld der kerke Christi voor ons afgewerkt, dan de held van Wittenberg, maar Luther was het die het graniet er voor uit de rots te voorschijn haalde en in machtige trekken de gestalte er voor in beeld bracht.

Ook in deze landen is de eerste stoot tot reformatie niet van Calvijn, die eerst later bloeide, maar wel terdege van Luther uitgegaan. En al bleek het ook spoedig, dat de Duitsch-luthersche reformatie hier minder vasten wortel kon schieten; terwijl omgekeerd de Geneefsch-Calvinistische hier terstond orde in den chaös schiep, toch is daarom nooit door onze echte Gereformeerden vergeten, dat Luthers optreden het werpen van de lont in het kruit is geweest, en dat Calvijn slechts in de tweede plaats en na hem kwam, om wat hij begon, te voleinden.

Hoe streng de Gereformeerden dan ook op de zuiverheid van het kenmerkende in hun leer en op het eigenaardige van hun kerkinrichting stonden, nooit hebben ze daarom de banden vergeten, die hen aan Luther en zijn volgelingen verbonden. Luther is steeds door de Gereformeerden gelezen, hoezeer men in Luthersche landen Calvijn ook vergat. In Luthersche landen heeft men Calvijn gesmaad, maar Luther is in Calvinistische landen nooit anders dan met eere genoemd geworden. Van Duitsch-Luthersche zijde heeft men ons de broederhand vaak geweigerd, maar van Gereformeerde zijde is de broederband met de Luthersche kerken in |XIV| Duitschland steeds warm begeerd. En hoe men dan ook van Luthersche zijde boogt op zijn mildheid en ruimheid van begrippen en zich aan onze Calvinistische bekrompenheid zegt te ergeren, toch blijft het een onwraakbaar getuigenis der historie, dat in de wederzijdsche verhouding het koesteren van broederzin steeds meer van de Calvinisten uitging, en het uitstooten (lees slechts von Villmar’s opstellen nog in onze dagen) voor het meerendeel ten laste komt van de theologische Luthersche school.

Wel gingen onze Gereformeerden nooit zóó ver als thans vele „Vermittelungstheologen” ten onzent gaan, om met geestdrift in Luther den vriend van hun hart te begroeten, terwijl ze met deftigen groet langs het, naar ze meenen, marmerkoude beeld van Calvijn voorbijschrijden. Dit konden ze niet doen, omdat wie beter dronk, niet tot minder teug terug kan keeren, en elk goed Gereformeerde niet aarzelt te getuigen, dat Calvijn de Reformatie der kerken verder bracht dan Luther ze gedragen had.

Maar ook al heeft en houdt Calvijn hun dankbaarste hulde, toch blijven ze Maarten Luther eeren als den man van God besteld, om den ban te breken waaronder zijn kerk gebonden lag. Te vieren als den godgeleerde, die in de eerste frischheid zijner jeugd even beslist Calvinist was als ooit Calvijn zelf. En hem dankbaar te gedenken als den stichter van tal van Protestantsche zusterkerken, die, zij het ook minder zuiver gereformeerd, dan toch, als echte kerken Christi, het Woord Gods uitdroegen, en met ongeveinsden broederzin als „leden van het mystieke lichaam onzes Heeren” door een ieder in onzen kring worden erkend. |XV|

Zij het daarom ook aan een gereformeerde uit onze dagen vergund van deze dankbare gezindheid jegens Luther’s persoon en werk bij de herdenking van zijn vierde eeuwgetij eenig openlijk blijk te geven.

Werd mij het voorrecht geschonken, om door een bescheiden deel arbeids de historisch-Calvinistische traditiën hier te lande weer eenigermate, én bij ons volk, én bij onze godgeleerden, én bij onze staatslieden te verlevendigen, niet zelden wekte deze scherpgeteekende invloed bij anderen het vermoeden, alsof bekrompen naijver op niet-Calvinistische broederen met deze liefde voor het gereformeerde beginsel gelijken tred hield.

Niet zelden werd het mij zelfs nagefluisterd, alsof niets dan Calvijn in mijn oog en het oog mijner geestverwanten dankbre hulde waardig scheen.

Welnu, opdat blijken moge, hoe ónjuist deze voorstelling is, en hoe men ten onrechte nu weder aan de gereformeerden dezer dagen zoo kleingeestige enghartigkeid nageeft, kwam het mij gewenscht voor, dat Luther’s vierde eeuwgetij niet voorbij mocht gaan, zonder dat ook van gereformeerde zijde een openlijk blijk van ongeveinsde hulde aan de nagedachtenis van den grooten Hervormer geboden wierd!

En scheen het dan onder alle volken en in alle kringen de nagedachtenis van groote mannen steeds het waardigst, dat men de herinnering verlevendigde aan datgeen wat in hun leven en optreden op den voorgrond had gestaan, zoodat men schilders vereerde door over de kunst van hun penseel, dichters door over hun zang, regeerende |XVI| vorsten door over de kunst van regeeren te schrijven, — waarom zou het mij dan euvel worden geduid, indien ik de nagedachtenis van den grooten Reformator poog te eeren, door een tractaat te schrijven van de reformatie dierzelfde kerken, wier reformatorisch leven in Luther’s kloek bestaan zijn oorsprong vond.

Luther is óók de nationale held onzer Duitsche naburen geweest; óók de strijder voor vrijheid van denkbeelden en geweten; óók de godgeleerde met subjectieve strekking in zijn godgeleerdheid; maar boven en voor alle dingen staat Luther in de historie te boek als de Reformator van de Kerken onzes Heeren Jesu Christi.

Al ontzeg ik daarom aan de Duitsche natie het recht niet, om Luther als een harer groote zonen te eeren; en al betwist ik aan de vrijdenkers het recht niet, om Luther te danken, die hen voor boeien heeft gevrijwaard; ja, al gun ik aan onze „Vermittlungstheologen,” zonder boos oog, het genot om aan Luther’s subjectieve zijde met hun theologische voorkeur aan te leunen; toch beweer ik, dat Luther’s volle nagedachtenis alleen door hém [niet] verloochend wordt, die óók den reformatorischen trek in zijn beeldtenis aandurft, en zijn breken met het toenmalig kerkverband niet vergeet.

Een Duitscher kan in Luther’s nagedachtenis zich verheugen, ook al is hij Jood of Roomsch. Een vrijdenker kan Luther eeren, ook al loochent hij al de heilige waarheid, waarvoor Luther streed en worstelde. En ook een legitimistisch bestrijder van elke breuke met het kerkverband |XVII| kan zich in Luther als theoloog verblijden. Maar den echten Luther, Luther ten voeten toe uit, d.i. den Luther die als Reformateur optrad, hem eeren deze mannen niet.

Eer omgekeerd zou ik willen staande houden, dat wie thans Duitschlands wedergeboorte zonder den Christus; of ook vrijheid van geweten zonder gebondenheid aan het Woord; of ook genezing der kerk zonder het breken met menschelijke ordonnantiën bepleit, aan Luthers geest ontrouw wordt, en meer zijn moedig optreden verloochent, dan het hem heilige beginsel eert.

Luthers naam moet ook op zijn vierde eeuwgetij als een getuige Gods in ons midden uitgaan.

Een getuige Gods voor alle benauwden van ziel, om toch kun volkomen vrede niet anders, dan in den Christus Gods als hun Borg en Middelaar te zoeken.

Een getuige voor den twijfelzuchtige, om met een „Das Wort sollen sie stehen lassen,” als dwaling alle meening te bestrijden, die ook maar iets op de volstrekte onfeilbaarheid van Gods heilig Woord, in zedelijken of in geschiedkundigen zin, afdingt.

Een getuige voor wie zijn vaderland liefheeft, om nooit zijn politiek van zijn geloof te scheiden, maar steeds uit den Christus ook voor zijn vaderland en volk herleving te zoeken.

Maar dan ook een getuige voor wie de kerken Gods met de liefde van zijn hart bemint, om, kankerde het kwaad nog dieper in, desnoods |XVIII| zelfs voor geen breuke met zijn kerkverband terug te deinzen, en niet te rusten eer ons Zion weer herleeft.

Dit althans dunkt mij voor tegenspraak onder deskundigen kwalijk vatbaar: Alle man, die roept „Te breken met ons kerkverband ware revolutie!”, die heeft het recht verbeurd, om als echte zoon der reformatie meê te jubelen op het feest van dien held des Heeren, die juist door breuke met het kerkverband van zijn dagen de held onzer liefde en de stichter onzer kerken wierd.


Amsterdam, 1 October 1883.

Kuyper.




Inleiding

Ter inleiding van het hier volgend tractaat slechts een kort woord.

Juist doordien reformatie der kerken ook thans weer aan de orde is, heeft Luthers vierde eeuwfeest een te ernstiger beteekenis.

Ook in Luthers dagen stak men niet onbedacht de hand uit tot slooping van wat onherstelbaar vermolmd was. Aan Luthers optreden was een langdurige en ernstige bestudeering van het kerkrecht voorafgegaan, en in tal van geschriften was de zaak van de reformatie der kerken destijds vooraf bepleit.

Zonder zulk een voorbereiding zou door Luthers optreden slechts een chaös zijn ontstaan. Nu schikt zich na de breuke, die hij in het leven riep, schier alles van zelf, en metterdaad bewonderingswaard is het, hoe in die dagen der reformatie de meest juiste begrippen over kerk en kerkrecht en kerkbestuur bij predikanten, ouderlingen en gemeenteleden ontwikkeld waren.

Zóóver zijn wij thans, helaas, nog niet.

Wel is de reformatie onzer kerken aan de orde gesteld, maar de meeningen er over loopen nog te ver uiteen. Er ontbreekt nog een communis opinio. De weg, dien het op moet, is in veler voorstelling nog zwevend.

Dit leidt tot onaangename wrijving, en een deeling in groepen die daarom onzuiver is, omdat velen alleen op den klank af meêdrijven, en men aldus wat sâamhoort vaak scheidt.

Toch mag het gewichtige werk der reformatie van onze kerken daaronder niet lijden.

Of God de Heere het oordeel waaronder onze kerken thans nog gebukt liggen, nog zal willen verlengen, staat in Zijn vrijmacht. Maar niets ontslaat ons van den plicht der gehoorzaamheid, om in den weg der middelen genezing van de breuke Zijner kerken te zoeken.

De ellende die door zoo jammerlijken kerkstaat over ons land en over de zielen kwam, en nog steeds dreigender komt, is te groot.

De sleutel der kennisse raakt te loor. Op alle wind der leering drijven de onvaste geesten mede. Het huis onzes Gods werd tot een aanfluiting. En de teederder eerbaarheid en godzaligheid begint reeds in onze beste landskringen gevaar te loopen. |XXII|

Uit dien hoofde schijnt het mij raadzaam, dat die mannen in ons midden, aan wie God de Heere gelegenheid tot indenken en bestudeering van dit gewichtig vraagstuk geschonken heeft, hun denkbeelden over de Reformatie der Kerk in geregelde orde te boek mogen stellen.

Losse weekbladartikelen behandelen het vraagstuk altoos stuksgewijs, en ook in mondeling debat komt men zonder voorbereiding niet verder.

Eerst als een iegelijk die meent een gebaanden weg te kunnen aanwijzen, zijn denkbeelden in orde en in samenhang heeft te boek gesteld, kan er een geregelde bespreking der kwestie aanvangen, en wordt de mogelijkheid tot een handelen met helder bewustzijn geboren.

En het is daarom, dat ik mijn vrije uren dit jaar heb uitgewoekerd, om, waar ik anderen vermaan, zelf niet achter te blijven, en te beginnen met zelf mijn denkbeelden, zoo goed, zoo kwaad ze dan zijn mogen, aan het oordeel mijner broederen te onderwerpen.

Ik poogde dezen arbeid zóó in te richten, dat men door het helder water tot op den bodem kon doorzien.

Om dat doel te bereiken, heb ik mij niet bepaald tot de bespreking van de Reformatie (hervorming) maar aan het hoofdstuk over de Reformatie een ander over de Deformatie (misvorming) der kerk laten voorafgaan. Opdat duidelijk zou zijn wat ik door „deformatie” verstond, liet ik aan dit hoofdstuk weer een ander over de Formatie (vorming) der kerken voorafgaan. En overmits over de „Formatie” der kerken geen eenstemmigheid is te verkrijgen, tenzij men vooraf de algemeene beginselen, die het kerkelijk wezen beheerschen, duidelijk hebbe uiteengezet, meende ik ook deze beginselen in een afzonderlijk hoofdstuk te moeten bespreken.

De indeeling in paragrafen is er op aangelegd, om het naslaan van een of ander onderwerp te vergemakkelijken.

Want, ook al biedt dit tractaat nog slechts het flauwe schaduwbeeld van wat een „handboek voor gereformeerd kerkrecht” behoort te zijn, toch voorzag ik de mogelijkheid, dat men dit tractaat ook in die richting dienst van noodhulp zou laten doen, tot tijd en wijlen een onzer hoogleeraren in het kerkrecht ons dat onmisbare handboek schenke.

En hiermeê zij deze arbeid aan de goede gunste onzes Gods, aan de liefde der broederen en het welwillende oordeel van deskundigen aanbevolen!

Mijn loon zal overvloedig wezen, indien blijken mag, dat dit tractaat meê iets bijdroeg tot reformatie van die vaderlandsche kerken, die al de liefde hebben van mijn hart!


Amsterdam, 1 October 1883.

Kuyper.




Tractaat van de Reformatie der Kerken.

*

Hoofdstuk I. Algemeene beginselen.

§ 1. Wat Reformatie der kerken onderstelt.

Reformatie der kerken onderstelt ten eerste, dat de kerken Christi zekere forme, gedaante of gestalte hebben, die haar als kerken eigen is; onderstelt ten tweede, dat deze forme, gedaante of gestalte onzuiver kan worden door deformatie of misvorming; en stelt ten derde den eisch, dat deze gedeformeerde, vervormde of misvormde kerken door reformeering of hervorming terug zijn te brengen tot de oorspronkelijke forme, de goede gedaante of normale gestalte, die uit haar wezen voortvloeit en door haar karakter wordt bepaald.


§ 2. Waaruit de rechte forme der kerken gekend wordt.

De rechte forme, gedaante of gestalte der kerken wordt gekend uit de Heilige Schriftuur. Niet in den vaak onderstelden zin, als bood de Heilige Schrift ons een reglement voor kerkstichting, of ook een kerkorde voor het bestier der kerken, of zelfs ook maar een, in stelsel gebrachte, uiteenzetting van de beginselen, die ten deze leiden moeten. Van dit alles toch biedt de Heilige Schrift ons niets. Weshalve feil gaat een ieder, die òf elk in de Schrift voorkomend voorbeeld aan ons ten regel stelt; òf wel hare op zichzelf staande uitspraken samenrijgt, om aldus door eigen vindingrijkheid te vergoeden, wat hij in de Schrift vruchteloos zocht. Neen, gezag, en volstrekt gezag, oefent de Heilige Schrift in zake de kerk alleen deswege, wijl ze ons op onfeilbare wijze toont, hoe God Drieëenig in deze wereld, die in het booze viel en |2| nog ligt, werkingen en krachten inbracht en inbrengt, die naar vaste wet en op bepaalde wijze, zijn kerk deden ontstaan en in stand houden.

De wereld baart geen kerk uit den schoot van haar eigen onder vloek verzonken leven. Eer druischt haar leven lijnrecht tegen het wezen der kerk in; ze duldt de kerk niet en reageert tegen haar, als tegen een macht, die op beperking en intooming van ’s werelds zondigen aard is aangelegd. De wortel der kerk schuilt alzoo niet in de wereld, maar buiten haar, in den raad Gods. In den raad Gods is het eeuwige welbehagen, om in weerwil van zonde, dood en duivel toch ten slotte alle ding op de eere van God Drieëenig te doen uitloopen; is te dien einde het bestel van een Koninkrijk der heerlijkheid, waarvan vast en onwankelbaar de troon eeuwig staan zal; is de zalving van den Middelaar tot Koning in dat Koninkrijk, tot Vorst om op dien troon te zitten; is de verordineering voor dien Koning van een volk, dat, als één lichaam, onder Hem staat en aan Hem als het Hoofd verbonden wierd; en is eindelijk de verkiezing van de enkele personen, die als onderdanen van dien Koning, rechtens leden van dat lichaam zijn.

Door de uitwerking en volvoering van dien raad ontstaat nu in deze wereld de kerk, op eene voor ons onbegrijpelijke wijze. Naar deze wereld gaan namelijk van God uit, woorden, krachten, werkingen, invloeden, zendingen; en de vrucht van deze veelsoortige inwerkingen Gods, is dat de kerk er komt; hoe ook de wereld tegenwoelt, er blijft; en, ondanks de zonde die in haar eigen boezem insluipt, ja soms inkankert tot in haren levenswortel, steeds wast naar den door God voor haar bestelden wasdom.

Deze woorden, krachten, werkingen, invloeden en zendingen, die van God naar de wereld uitgaan, duren van den aanbeginne tot nu toe onafgebroken voort en zullen voortduren zoolang de Bruid den Bruidegom inwacht. Hielden die ook maar één oogenblik op, de kerk zou verdorren, sterven en niet meer zijn. Niemand mag deze woorden of werkingen of zendingen Gods dus bepalen tot den tijd die van Adam in het paradijs tot Johannes op Pathmos verliep. Onbeperkt duren ze veeleer ook van Johannes tot in onze dagen, en zullen ze duren tot Jezus’ wederkomst.

Slechts moet tusschen deze inwerkingen Gods van toen en nu, naar haar uiteenloopenden aard en hare verschillende bedeeling, onderscheiden.

Vooral op tweeërlei onderscheiding dient hier gelet.

Vooreerst, dwingt elk leven tot een tweeledige vraag, t.w.: Hoe ontstaat het leven? en ten andere: Hoe wordt het eens ontstane leven nu voorts gevoed, onderhouden, bestendigd? |3|

Eerst schept en vormt God een kind in den schoot zijner moeder, en dan wordt het geboren, om nu voortaan, eerst door zijn moeder en dan door zijn eigen hand, gevoed te worden. Het inpersen in de vrucht van het moederbloed vóór de geboorte is geen voeding maar vorming, in aard en werking volstrekt van alle latere, eigenlijke voeding onderscheiden. Het is dezelfde tegenstelling die zoo sterk spreekt in de twee sacramenten: den H. Doop als het sacrament voor het ontstaande leven, en daarom slechts voor eens, en het H. Avondmaal als sacrament van het te voeden leven, en daarom voortdurend herhaald. En zoo nu ook gaat er van God voor en naar zijn kerk tweeërlei werking uit: vooreerst zúlk een werking, waardoor Hij zijn kerk teelt, draagt in het verborgene, en tot haar ware gestalte uitbrengt; en daarna ten tweede een geheel verschillende werking, waardoor Hij de alzoo geborene kerk eerst met melk en daarna met vaste spijze voedt.

En hiermeê vloeit deze eerste onderscheiding vanzelf over in de tweede, waarop we boven doelden.

De kerk is namelijk niet de kerk van een volk, maar van de geheele wereld. Niet één volk maar de menschheid heeft God gehoond. Niet over één volk, maar over de menschheid moet dus de triumf des Heeren gezien worden. En dan eerst zal de raad des Heeren Heeren krachtig zijn gebleken, niet als zekere kring van vromen in den boezem van een enkel volk Hem aanroept, maar eerst dan als Hij uit de gansche wereld zijn kerk bijeenvergaderd heeft, zoodat het Hallelujah opgaat uit alle natiën en in alle tongen. Dit noemt de heilige Apostel telkens en met nadruk het groote mysterie, de groote verborgenheid, „die alle eeuwen is verborgen geweest, maar nu geopenbaard.” 1)

Alhoewel de Heere dus zijn ware, wezenlijke kerk op aarde altoos gehad heeft, van den aanbeginne der wereld tot nu toe, zoo bestaat er uit dien hoofde nochtans een merkbaar onderscheid tusschen de kerk gedurende en na afloop der bijzondere openbaring.

Zoolang namelijk die bijzondere openbaring voortduurt, wordt de kerk nog pas geteeld, gedragen in het verborgene, en blijft ze ingeweven in de windselen van Israëls volksbestaan, en eerst met het Apostolaat, of juister nog, als het apostolaat wegsterft, slaat de ure |4| harer geboorte, komt haar uittreden in het levenslicht, ziet ge haar verschijnen onder de volken en is haar openbaring op het terrein der wereld en der geheele menschheid voltooid. Dat is dus haar wordingsperiode, de geschiedenis van haar ontstaan. En daarna nu komt eerst het geheel andere, nu nog voortdurende tijdperk, het levenomvattend door die kerk te midden der volken, losgemaakt van Israël, als kerk der menschheid doorleefd.

Vatten we nu deze beide onderscheidingen saâm, dan vinden we derhalve: Er is eerst een reeks van werkingen Gods, waardoor de kerk in Israël tot aan haar geboorte voor de wereld wordt gebracht; en er is ten andere een geheel daarvan onderscheiden reeks van werkingen Gods, waardoor de aldus voor de wereld geborene kerk alsnu in die wereld wordt in stand gehouden.

Nu zijn uit den aard der zaak, en hier lette men op, die werkingen Gods uit de wordingsperiode der kerk normatief en verbindend ook voor de tweede periode van haar bestaan. Immers uit den klomp leem kan de pottenbakker nog naar vrije wilskeus een schaal of kan of vaas bereiden, al naar het hem gevalt, maar, is de vorm, b.v. van de schaal, eenmaal gekozen en is die schaalvorm in het leem ingedreven, dan is alle verdere toebereiding ook aan dien eens bepaalden grondvorm gebonden. En zoo ook kon God de Heere aan zijn kerk wel bij haar wording den vorm indrukken, die Hem goeddacht, of liever goedgedacht had in zijn eeuwigen raad. Maar toen die vorm er eenmaal ingedreven, en de aldus geformeerde kerk eenmaal geboren was, toen was God zelf aan die eerste werking dan ook gebonden, en is dus ook voortaan de geheele verdere ontwikkeling van zijn kerk aan het gezag dier oorspronkelijke formatie onderworpen. Dit gezag is geen willekeur, maar drang van ingeschapen levenswet.

Vast staat derhalve, dat de werkingen die nu van God op zijn kerk uitgaan, zich richten naar de werkingen, waarmeê Hij deze kerk eertijds uitbracht tot haar geboorte in de wereld; en dat uit dien hoofde elk persoon die in die aldus geborene kerk belijdend, predikend of handelend optreedt, verbonden is tot gehoorzaamheid aan de levenswet, die God Almachtig zelf in de teling en vorming der kerk aan haar schonk.

En overmits nu de Heilige Schrift niets anders is dan de zuivere en organische uitstalling van alle werkingen, invloeden, woorden, krachten en zendingen, die van God naar de wereld zijn uitgegaan, om zijn kerk tot haar geboorte voor de wereld te brengen, zoo is derhalve de kerk van Christus onder de volken duurzaam, blijvend en onherroepelijk gebonden, aan wat de Heilige Schrift ons |5| in de teling, vorming en baring der kerke Gods, als haar onveranderlijken levensvorm en hare levenswet toont.


§ 3. Op wat vierderlei wijze de kerke Christi te verstaan zij.

Het wezen der kerk moet op grond van dit gezag der Heilige Schrift onderscheidenlijk beschouwd worden onder vierderlei oogpunt. Men kan namelijk bedoelen òf de kerk, gelijk die in Gods raad besloten ligt; òf de kerk, gelijk haar leven verborgen is in Christus; òf de kerk, gelijk ze onder menschen op aarde verwerkelijkt wordt; òf eindelijk de kerk, gelijk ze eens in heerlijkheid jubelen zal voor den Troon.

Verwarring dezer vier verduistert alle helder inzicht.

Niet als waren er vier kerken ; want het is dezelfde kerk die in Gods raad verordineerd ligt, die aan Christus door den Vader geschonken is, die op aarde gewrocht wordt, en die eens in heerlijkheid juicht. Maar onderscheiden moet dit vierderlei gezichtspunt, omdat in en voor de kerk, al naar gelang ge haar in Gods raad, in Christus, in de wereld, of in de glorie des hemels aanziet, geheel andere betrekkingen ontstaan, die het antwoord op alle voorkomende vragen wijzigen.

In Gods raad ligt de kerk aller eeuwen, met het volle getal der uitverkorenen, en naar zuiver bestek voltooid, van vóór de grondlegging der wereld af. In dien raad is ze verordineerd, geroepen, gerechtvaardigd en verheerlijkt voor het aangezicht van den Drieënigen God.

Spreek ik daarentegen van de kerk in Christus, dan wordt die plechtige, majestueuse eenheid aanstonds gebroken, want een andere is de verhouding der patriarchen en profeten onder het Oude Verbond tot den Middelaar, en een andere de betrekking tot Christus voor de geloovigen des Nieuwen Testaments. Er was een oogenblik in den tijd dat hij vleesch wierd, een oogenblik dat bij leed en stierf, een oogenblik dat hij opstond, en er was derhalve ook een tijd toen deze wonderen der Barmhartigheid nog niet geschied waren. De vergeving en rechtvaardigmaking die in Gods raad eeuwig zijn, vallen dus bij den Christus in den tijd. Het rantsoen voor de kerk komt pas als hij sterft, gerechtvaardigd wierd de kerk eerst toen hij opstond. En evenzoo nu verschilt ook de betrekking tot den Middelaar voor de kerk die nog op aarde is van de betrekking, waarin de kerk in den hemel tot hem staat. Hier nog bruid, roepende om den Bruidegom, is ze daar reeds in het heilig |6| huwelijk ingetreden; een verschil zoo diep ingrijpend dat ze hier de verzoening nog van noode heeft, daar niet meer. Nochtans is door deze onderscheiding de kerk geenszins gedeeld, want zoowel de uitverkorenen van ouds, als die nu leven op aarde, of ook reeds ingingen in zaligheid, ja ook het zaad der kerk, dat nog uit moet komen, het is alles den Zoon van eeuwig geschonken, ze zijn in hem, één lichaam met hun Heer. Toen hij stierf, stierven alle uitverkorenen in den Christus, en, toen hij opstond, stonden alle uitverkorenen met hem op; ja, nu reeds zitten alle uitverkorenen, met Christus medegezet, in den hemel. „Gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God” (Col. 3 : 2). Het heilig, ondoorgrondelijk mysterie!

En geheel anders weer doen zich die betrekkingen voor, indien de kerk voor ons treedt, niet gelijk ze besloten is in Gods raad, of ook verborgen in Christus, maar gelijk ze zich openbaart op aarde hangende deze bedeeling. Dan toch gaat te loor zoowel de eenheid die de kerk in Gods raad heeft als de heiligheid die ze in Christus bezit, en doorloopt de kerk al die verschillende toestanden en heeft ze zich te bewegen in al die onderscheidene betrekkingen, die voortvloeien uit haar aanraking met de wereld, uit haar bezoedeling door de zonde, alsook uit die overgangen en ontwikkelingen, die van elk leven in den tijd nu eenmaal onafscheidelijk zijn.

Terwijl eindelijk, indien gewaagd wordt van de kerk nu reeds in den hemel, al deze aardsche betrekkingen weer wegvallen, om plaats te maken voor nieuwe verhoudingen, weer van geheel anderen aard, voornamelijk beheerscht door het onderscheid in heerlijkheid tusschen de voorloopige glorie waarin de gezaligden thans reeds jubelen, en de volkomener glorie na de opstanding, die tot Jezus’ wederkomst toeft.

Wie over de kerk spreekt, raakt dan ook zelf verward en verwart anderen, indien hij zich niet telkens en bij alle bespreking afvraagt: in welke van deze vier betrekkingen hij de kerk bedoelt.

Van reformatie der kerk handelende, heeft ook dit geschrift zich derhalve die vraag te stellen, en alsdan kan het antwoord wel geen ander zijn, dan dat bij reformatie der kerk, niet de kerk in Gods raad, noch de kerk in Christus, noch ook de kerk in den hemel is gemeend, overmits de kerk in dezen drieërlei zin niet gedeformeerd, en dus ook niet gereformeerd kan worden, maar dat eeniglijk en uitsluitend van de kerke Christi te handelen valt, gelijk ze zich openbaart op aarde. |7|


§ 4. Waarom de ééne zelfde kerk op aarde tegelijk onzichtbaar en zichtbaar zij.

Deze kerke Christi op aarde is tegelijk zichtbaar en onzichtbaar. Op ééne en dezelfde wijze als elk mensch deels een waarneembaar, deels een niet waarneembaar wezen is, zonder daarom twee wezens te zijn, zoo heft ook bij de kerke Christi deze onderscheiding tusschen het zichtbare en niet zichtbare de eenheid van het wezen der kerk allerminst op. Het is eene en dezelfde kerk, die naar haar verborgen wezen in het geestelijke schuilt, om zich alleen aan het geestelijk oog te openbaren, maar die tegelijk naar haar uitwendige gedaante in het zichtbare te voorschijn treedt, om openbaar te zijn voor de natuurlijke waarneming, zoo van de geloovigen als van de wereld.

Naar heur geestelijke, onzichtbare zijde is de kerk één op heel de aarde, en heel die kerk op aarde weer één met de kerk die reeds in den hemel is. En evenzoo is de onzichtbare kerk tegelijk heilig, niet alleen wijl ze een kunstig gewrocht Gods is, geheel hangende aan zijn goddelijke invloeden en werkingen, maar ook omdat de geestelijke verontreiniging zoowel als de inwonende zonde der geloovigen, niet tot haar behoort, maar tegen haar strijd voert.

Naar haar waarneembare zijde daarentegen treedt de kerk niet dan stuksgewijze in het licht en is dus altoos plaatselijk, d.i.: in het onbepaalde gedeeld, en de volkskerken ontstaan eerst doordien tusschen deze plaatselijke kerken zulk een onderling verband wordt gelegd, als de aard der kerk en de nationale verhoudingen met noodwendigheid eischen. Nog grootere verbindingen der kerken kunnen nooit anders dan tijdelijk of uitermate los en rekbaar zijn. En zoomin als deze kerken (als zichtbare openbaringen van de onzichtbare kerk) één zijn, zoomin zijn ze heilig; want ze deelen de onvolmaaktheid van alle aardsche leven en worden ontreinigd door de macht der zonde, die tegelijk van binnen en van buiten, den welstand der kerk voortdurend ondermijnt.

Het is alzoo van de kerke Christi op aarde, en wel nader in haar zichtbare verschijning, dat de gebiedende plicht tot reformatie geldt, zoo dikwijls deformatie aanwezig blijkt.

Welbezien is deze plicht tot reformatie dan ook een altoosdurende, overmits de kerk in strengeren zin altoos gedeformeerd is; nooit in zuiveren, gaven vorm is gezien; en steeds onheilige elementen in zich draagt. Toch is reformatie in dit traktaat niet in dien volstrekten zin bedoeld. Er is een afwijking van het geestelijk wezen der kerk, |8| die in den aard van haar optreden in de wereld ligt en zonder welke de kerk onder menschen niet openbaar worden kan; en die derhalve, hoezeer afwijkende van het geestelijke ideaal, toch voor zooveel de zichtbare verschijning der kerk aangaat, zelve normaal is en blijft, althans zoolang de heerschappij van het heilige over het onheilige en van de waarheid over de onwaarheid ongekrenkt en gaaf blijft. Deze noodwendige afwijking van het ideaal kan door geen reformatie weggenomen. Wie dat poogt, verliest de kerk en vindt de secte. Te haren opzichte geldt de plicht tot reformatie dus niet. Dat ware Donatisme! Perfectionisme. Een gemeente najagen van engelheiligen op aarde! Een jacht waarbij helaas, altoos ten slotte de bestialiteit als buit werd ingehaald!

Onder den plicht tot reformatie komt de kerk in haar zichtbare openbaring eerst dan, als de afwijking beneden dit normale peil zinkt, door het onheilige niet slechts in zich te dragen, maar door het stilzwijgend en ongestraft te dulden, of erger nog, door aan het onware en onheilige ten slotte macht en heerschappij over de waarheid en het heilige te geven.

De reformatie der kerk kan op dien grond omschreven als kwijting van de verplichting, die op de kerk in haar zichtbare openbaring, d.i. op de plaatselijke kerken Christi, èn stuk voor stuk in in haar onderling verband, rust, om, zoo dikwijls de leugen en de zonde straffeloos in haar midden het juk afwerpen, door terugkeer tot de oorspronkelijke forme die in Gods Woord voor de kerken geboden is, aan de waarheid en de heiligheid opnieuw haar heerschappij over leugen en zonde te verzekeren.


§ 5. Hoe Gods Woord geheel het leven der kerk beheerscht.

De normale forme ofte gedaante en gestalte van de kerk op aarde wordt bepaald door het Woord Gods. Door dat Woord vergadert de Heere zijn uitverkorenen, makende Hij dit zaligmakend werkzaam ter wedergeboorte door den Heiligen Geest. Door dien Geest verwekt, belijden de uitverkorenen dat Woord tegenover Satan en de wereld, tegenover elkander en zichzelven; staan er naar, om, door inrichting van een prediking onder de tucht van dit Woord gehouden te worden; zoeken een bediening van de Sacramenten om het geloof aan dat Woord te bevestigen; trachten door dat Woord het zaad der kerk tot ontkieming te brengen; en streven er naar om, insgelijks door dat Woord, de heidenen, de Joden en de afvalligen in de kerk in te lijven. |9|

De dienst der verzoening, der gebeden en der lofzinging voor den Heere onzen God komt thans bij dat Woord niet meer bij, maar ligt na Golgotha in den dienst van dat Woord besloten. Eertijds was dit anders, eer Christus stierf. Vandaar in de wordingsperiode der kerk onder Israël toen de eenige Offerande nog niet gebracht was, en de Voorbidder nog niet bij den troon der genade bad, en de Geest nog niet was uitgestort op allen (Joël 2 : 29), de dienst der ceremoniën, in dagelijksche offeranden, in priesterlijke voorbidding en Levietischen zang bestaande. Deze ceremonieele dienst ging echter in de kerk, na haar geboorte voor de wereld, niet over. Want tusschen het wegzinken der Israëlitische kerk en het opkomen der wereldkerk ligt in de komst van den Middelaar in de volheid der tijden. Die Middelaar heeft toen in en voor de gansche kerk aller eeuwen die eenige en algenoegzame offerande gebracht; voer daarna op ten hemel om in en voor zijne kerk het gebed Gode op te dragen voor zijn volk; en zond den Heiligen Geest die alle tong losmaakt om de groote werken Gods te verkondigen en groot te maken de deugden van Hem, die uit duisternis riep tot zijn wonderbaar licht.

Er mag dus niet gezegd dat wel de kerk in Israël offerde, priesterlijke voorbidding en geestelijke lofverheffing had, terwijl de kerk thans die drie zou missen; maar er moet beleden, dat oudtijds deze drie slechts op gebrekkige wijze als schaduwen uitkwamen, terwijl ze thans in de kerk heerlijk bediend zijn en worden door Christus en den Heiligen Geest. Christus is in de kerk, en nu nog, elken dag, past hij zijn eenige offerande toe, laat hij zijn voorbede voor ons opgaan en maakt hij tot heerlijkheid des Vaders den Geest werkzaam. Romes fout ligt dus niet hierin, dat ze deze drie heiligheden in de kerk in stand wil houden, maar daarin dat ze, terwijl de Middelaar thans zelf deze drie uitricht, ze hem na wil doen of doen in zijn plaats, en dus hem uit de hand neemt.

Practicaal opgevat vloeien deze drie diensten thans, voor wat de reformatie der kerken aangaat (overmits het werk van den Middelaar aan geen deformatie onderhevig kan zijn) feitelijk in den éénen dienst des Woords saâm. „De discipelen Christi zijn thans rein door het Woord dat hij tot hen gesproken had.” (Joh. XV : 3.) Er is toch geen deel aan zijn offerande noch aan zijn voorbidding noch aan zijn Geest anders dan door het geloof en het geloof aan het Woord alleen maakt deze heiligheden voor de ziel waarachtig. In de bediening des Woords wordt ons, als hoofdinhoud zelfs, de offerande Christi toegediend, toebediend zijn voorbiddinge en toebediend de werking des Geestes aan de ziel. Alle sacrament en alle gebed en alle lofzang in |10| de kerk is daarom aan dat Woord gebonden, moet op dat Woord gegrond zijn, en door dat Woord opgenomen worden in het nu nog altoos voortdurend Middelaarswerk van Christus onzen Heer.

Een andere dienst dan die des Woords is er in de zichtbare kerk alzoo niet, en alle levensopenbaring der kerk vloeit uit dien éénen dienst des Woords voort. Immers zoo dikwijls nu de uitverkorenen dit Woord Gods tegenover zichzelven belijden, gaan ze in den weg van boete, zelfveroordeeling en bekeering en ontstaat de belijdenis van zonden. Belijden ze daarentegen dit Woordvan God tegenover elkander, dan ontstaat het vermaan en de bestraffing en voorts al de heerlijke arbeid der liefde. Belijden ze dit Woord tegenover de wereld, zoo komt het werk der barmhartigheid, naar lijf en ziel, tot openbaring. Belijden ze dit Woord tegenover Satan, zoo ontstaat het roemen der hope en het ingaan in het martelaarschap. En eindelijk belijden ze dit Woord Gods tegenover den Heere zelven en zijne heilige engelen, zoo ruischt het gebed en jubelt de lofzang. „Belijdenis van het Woord!” is al de levensuiting der kerk.


§ 6. Hoe de dienst des Woords oudtijds anders was dan nu.

Deze dienst des Woords is verschillend al naar gelang de bijzondere openbaring Gods nog voortduurt, tijdelijk geschorst wierd of reeds ten einde liep.

Duurt deze bijzondere openbaring Gods nog voort, en is ze werkzaam, dan gaat deze dienst rechtstreeks van God uit door zijn zieners en profeten. Er is dan geen geregelde voortzetting van dezen dienst, maar de dienst komt als de Geest Gods in de profeten komt; wordt afgebroken, als voor de profeten het gezicht verduistert; en wordt weer opgevat als God de Heere weer tot zijn knechten spreekt.

Toen daarom met Maleachi de profetie des Ouden Verbonds verstomde en tot op Johannes den Dooper niet weer stond te komen, is voor de vier eeuwen die daar tusschen liggen de geregelde dienst des Woords in de Synagoge op gang gebracht; een dienst die zijn hooge waarde slechts behield tot op den terugkeer der bijzondere openbaring in de dagen van Johannes den Dooper. Daarmeê toch wierd de dienst der Synagoge weer op den achtergrond geschoven en trad daarvoor in de plaats de dienst des Woords van onzen Hoogsten Profeet, door het „Bekeert u” van zijn heraut voorafgegaan en door den dienst van het apostolaat achtervolgd.

De dienst door aangestelde herders en leeraars komt eerst tot mondige |11| kracht, als met het wegsterven van dit apostolaat de bijzondere openbaring haar voltooiing bereikt heeft. Wel was er ook vroeger onderwijzing des Woords door den priester en door den vader in zijn gezin, maar een afzonderlijk ambt van herders en leeraars bestond er vóór den uitgang naar Babel niet; trad in de Synagoge slechts als praeformatie te voorschijn; en is eerst normaal geworden na het opvaren ten hemel van hem, die sommigen gezet had tot apostelen, daarna sommigen zette tot evangelisten, en sinds, alle eeuwen door, sommigen gezet heeft en nog zet tot herders en opzieners.

De praeformatie in het rabbinaat der Synagoge kon eerst opkomen toen de Schrift des Ouden Verbonds voltooid was; en evenzoo kon de formatie van dit ambt, na het wegsterven van het apostolaat, eerst tot groei en bloei komen, toen geheel de schriftelijke openbaring van Oud en Nieuw Verbond haar voleinding gevonden had. Zoolang dit geschreven Woord Gods nog niet kon werken, werkte God zelf door zijn Woord in de ziel der profeten te spreken; maar ook dat spreken moest een einde nemen, zoodra het geschreven Woord gereed lag. Ook daarna ging de werkzaamheid van den Heiligen Geest omtrent het Woord wel door, maar op andere wijze. Van nu af licht de Geest toe, gelijk Hij vroeger openbaarde.

Elke richting die deze vaste verhouding loswrikt; voor dit onderscheid tusschen den dienst des Woords voor en na de voltooiing der Heilige Schrift geen oog heeft; en ook nu nog, in gelijken zin als eertijds, van een openbarende werkzaamheid des Geestes gewaagt, rukt de ordinantiën Gods op Montanistische of Anabaptistische wijze omver; of wel maakt erger nog de „Openbaring Gods door zijn profeten en apostelen” gemeen, door, gelijk onderscheidene ethischen dit leeren, de openbarende werking des Geestes in de apostelen en profeten slechts gradueel van zijn verlichtende werking in de uitverkorenen te onderscheiden.


§ 7. Waarom de kerk vroeger geen eigen inrichting noodig had en thans wel.

Onder de bedeeling der schaduwen was er alzoo wel een geordende dienst voor het priesterschap, maar voor het Woord niet; thans daarentegen is er geen geordende dienst meer voor het priesterschap, maar ontstond wel zulk een ordening voor den dienst des Woords. Deze beide ordeningen zijn niet van gelijke natuur. Immers daar tijdens de priesterlijke bediening de kerk nog in de windselen van Israël verscholen lag, droeg ook de priesterlijke bediening destijds een streng nationaal |12| karakter. Ze was toevertrouwd aan een enkelen stam, strenger genomen nog aan enkele familiën, en niet geestelijke voorkeur, maar vleeschelijke aanhoorigheid tot deze familie of dezen stam gaf recht op ordening. Daarentegen, na uitsterving van het apostolaat, wereldkerk geworden, legt de kerk deze nationale beperktheid af, vertoont zuiverder dan dusver haar geestelijk gelaat, en kan dus ook haar diensten niet langer binden aan afstamming en gemeenschap des bloeds.

Hieruit ontstaat vanzelf en gelijdelijk voor de kerk de drang tot eigene organisatie. Onder Israël behoefde dit niet, want het volksorganisme zelf was destijds tevens de organisatie der kerk. Volk en kerk was één, gelijk het nog onvoldragen, ongeboren wicht nog één is met den moederschoot, waarin het gekoesterd wordt en rust.

Met het wegvallen van Israël daarentegen en het vervallen van zijn geheel eenige beteekenis voor de kerk wordt dit geheel anders. Niet bestemd om een Grieksche of Egyptische of Romeinsche kerk te worden, maar om op te groeien als wereldkerk kan de kerk van Christus voor haar verlies van de organische kracht die in Israëls volksbestaan school, geen vergoeding vinden door zich te klemmen in de nationale banden van Griekenland of Syrië, Egypte of het Romeinsche rijk. Veeleer moet ze, om haar roeping te kunnen vervullen, tegen het gevaar van zulk een opsluiting in een onnatuurlijk keurslijf op haar hoede zijn, en voor haar zelfstandigheid waken.

Dit nu kan ze alleen door organisatie op eigen fundament, onafhankelijk van de organisatie der volkeren. Israël was op de kerk aangelegd, voor de kerk geschapen, en uit dien hoofde kon Israëls volksbestaan een passenden vorm opleveren voor het kerkelijk leven in zijn voorbereidenden toestand. Maar dit was bij Israël geheel exceptioneel. Bij andere volken gaat dit niet door. Geen enkel ander volk is op de kerk in dien zin aangelegd noch in die volstrekte ordineering voor de kerk geschapen. Onnatuurlijk, niet passend en met den aard der zaak in strijd zou dus elk pogen zijn, om een ander volksorganisme aan de kerk, als voor haar bestemd, te willen opdringen. Ze heeft geen keuze maar moet zichzelve organiseeren. Niet op een wijs als Israël georganiseerd was, noch ook als copie van het model der volksorganismen, maar naar eigen aard, overeenkomstig den eisch van haar eigen leven. Eerst zoo komtde groote verborgenheid waarvan de heilige apostel Paulus gewaagt, tot haar recht. |13|


§ 8. Bij wien voor de kerk de bron van het Souverein gezag ontspringt?

Deze afzonderlijke organisatie der kerk onderstelt, dat er in haar en over haar zij een gezag. Hoe toch zou er een inrichting, instituut of vergadering denkbaar zijn, zonder dat er in haar sfeer macht bestond, om het gebod te geven, en de plicht, om aan dat gebod gehoorzaam te zijn. Een inrichting welke ook, zonder oorspronkelijk of verleendof opgedragen gezag ware een muur zonder cement gelijk, een bintlaag in den muur gelegd zonder ankers. Zulk een gezag bestond dan ook in de voorbereidende kerk: eerst in Mozes’ stedehouderschap van Jehova, toen in de Richteren, en daarna in Israëls Koningschap. Davids huis van Godswege bekleed met goddelijke autoriteit. Maar ook, die autoriteit was niets slechts voor een tijd, maar duurzaam, op Davids koninklijke dynastie gelegd:

„’k Heb eens gezworen bij mijn eigen heiligheid:
Zoo ik aan David lieg’, zoo hem mijn woord misleid’;
Zijn zaad zal eeuwig zijn, zijn troon zal heerlijk pralen,
Zoo duurzaam als de zon, zoo glansrijk als haar stralen.”

Beide moet dus waar zijn, én dat Israëls koningschap wegviel, én dat Davids troon eeuwig staat. Een schijnbare tegenstrijdigheid, daarin haar oplossing vindend, dat Davids huis eerst koningen voortbracht die den waren Koning slechts afschaduwden, en daarna uit zich voortbracht dien waren Koning, die geroepen is, om Koning der koningen te zijn en eeuwig Koning te blijven. Rome’s pogingen om ook te dien opzichte de Mozaïsche en Israëlitische toestanden in haar stedehouderschap na te bootsen, loopen dus uit op aanranding van onzes Konings eere. De Christus Gods en hij alleen, zit als Davids zoon, Heer en Koning over zijn kerk in eeuwigheid.


§ 9. Hoe Jezus Koning over zijn kerk wierd.

Dit koninklijk gezag bezit de Christus niet uit zichzelf, het is hem verleend door den Vader als loon op zijn zelfvernedering tot in den dood. „Dáárom, omdat hij gehoorzaam geworden is tot in den dood, ja den dood des kruises, dáárom, zegt de apostel Paulus, heeft God hem ook uitermate zeer verhoogd, en heeft hem gegeven een naam boven allen naam die genaamd wordt in hemel of op aarde, opdat voor hem zich alle knie zou buigen en alle tong zou belijden, dat Jezus is de Christus tot heerlijkheid Gods des Vaders.” „Mij is gegeven |14| alle macht, getuigt de Christus zelf, gegeven in hemel en op aarde.” Oorspronkelijk berust het gezag over de kerk dus, evenals alle andere macht, alleen bij God Drieëenig d.i. bij Vader, Zoon en Heiligen Geest. Het vloeit voort uit de bron der goddelijke souvereiniteit, en in zooverre de Christus Gods eigen Zoon en zelf God is, neemt hij ongetwijfeld ook aan die oorspronkelijke souvereine macht over de kerk goddelijk deel.

Maar, en hier dient scherp op gelet, aangestelde Koning der kerk is Jezus niet als Gods Zoon, maar als onze Middelaar, want alleen als Middelaar bezit hij het souverein gezag over de kerk niet uit zichzelf, maar is hij koning bij de gratie Gods, of liever overmits gratie altoos onverdiende gunst in zich sluit, door Godes hoog bestel.

De zaak staat dus alzoo, dat in God Drieëenig alle souverein gezag rust, zoowel om te gebieden in den staat en onder de volken, als om te gebieden in de kerk. Nu belieft het intusschen den Heere Heere, dit gezag noch over de volken noch over de kerk rechtstreeks uit te oefenen, en deswege stelt hij over de volken vorsten en stedehouders, en nu evenzoo over zijne kerk den Middelaar Christus. Gelijk dus de koningen der aarde een aan den souvereinen God ontleende autoriteit over de natiën hebben, evenzoo is Jezus onze Middelaar bekleed met eene aan den souvereinen God ontleende autoriteit over de kerk.

Wel is aan den Zoon, opdat hij een waarachtig koning over zijn kerk zou kunnen zijn, tevens ook macht gegeven over den Satan, die de kerk aanvecht en overweldigen wil, over de engelen die uitgezonden worden om dergenen wil die de zaligheid beërven zullen, en zoo ook over vorsten en volken onder wier kronen en in wier midden de kerken optreden en bloeien; maar dit doet niets af noch toe, aan het ernstig en onloochenbaar feit, dat Jezus’ koningschap over zijn kerk een loon voor zijne onuitsprekelijke liefde is. Zijn loon is op zijn zelfofferande gegrond.

Even uit dien hoofde is zijn koningschap daarom ook van zijn priesterschap onafscheidelijk, en onafscheidelijk evenzoo van zijn profetische eere. Golgotha is geen dood feit, maar de eeuwige altoos levende gebeurtenis, die door hem actief op de zielen zijner uitverkorenen van uur tot uur en van oogenblik tot oogenblik wordt toegepast. En overmits het Woord zonder gezag geen Woord Gods meer zijn zou, kan er in zijn kerk geen profetisch getuigenis naast zijn koningschap zijn. De priester en profeet zijn in den koning één, en voor de organisatie en formatie der kerk op aarde moet dus als door Gods Woord geoordeeld en als Jezus’ eere aanrandend, afgewezen en bestreden elk pogen om een priesterschap na of naast Golgotha, om een gezagsfeer naast |15| den troon van Davids Zoon, of ook om een onwaarachtig menschenwoord naast het Woord van den mensch Jezus Christus op te richten.

Van den mensch Jezus, sta hier met nadruk; want eerst als des menschen Zoon is jezus onze hoogste profeet, onze eenige hoogepriester en onze eeuwige koning. God Drieëenig is buiten de kerk, want hij is er boven, maar de mensch Jezus Christus is in de kerk, levende in ons vleesch en bloed. En gelijk het nu Gode behaagd heeft de volken te regeeren door vorsten, die menschen zijn en aan wien Hij macht geeft, zoo ook heeft het den Heere goedgedacht zijn kerk te regeeren door een koning die mensch is en die door Hem met macht is omgord. Het verschil is alleen, dat de vorsten zondaren zijn en koning Jezus afgescheiden van de zondaren is, en dat even daarom het gezag dat bij de vorsten op hen gelegd werd in hun kroon, in Jezus Christus in wordt gelegd, als een macht rustende in zijn goddelijke persoon.

Geen oogenblik is de kerk dus te denken, als ware Jezus buiten haar. Jezus leeft in haar, bedient in haar altoosdurend zijn offerande, doet al door uitgaan zijn hoogepriesterlijke voorbede, en regeert ze onafgebroken door zijn Woord en Geest. Alleen door die gestadige profetische, priesterlijke en koninklijke actie van den Christus is ze kerk, en op aarde komt slechts zooveel van de kerke Gods aan het licht als in haar uitwendige gestalte die altoosdurende, actieve werking van Christus doorstraalt en gezien wordt.


§ 10. Hoe dit koninklijk gezag van Christus op aarde werkt door het instrumenteel gebruik van menschelijke personen.

Om dit koninklijk gezag over zijn kerk te kunnen uitoefenen, moest de Christus opvaren ten hemel. Op aarde droeg hij de knechtsgestalte, eerst in den hemel is hij met de koninklijke hoogheid bekleed; en die hoogheid spreidt hij ten toon niet krachtens zijne menschelijke natuur, maar in die menschelijke natuur door de kracht zijner Godheid, die hem in staat stelt, om „met zijn genade, majesteit en geest” op alle plaatsen tegelijk in zijn kerk tegenwoordig te zijn. „Waar twee of drie in mijnen naam vergaderd zijn, d. i. de kerk in haar kleinst denkbare afmeting, daar ben ik in het midden van u;” „Ziet ik zal met u zijn al de dagen, tot aan de voleinding der wereld;” „Het is u nut dat ik wegga.”

Men zegge dus niet, dat Christus in den eigenlijken zin alleen in de hemelsche kerk als koning troorit, en in de aardsche kerk slechts door overdracht van gezag op menschen regeert; want al zulk zeggen loochent en weerspreekt zijn Godheid. Christus is wel terdege present |16| in zijn kerk op aarde; present in den meest eigenlijken zin des woords; en waar hij niet zelf present is, daar moge een getabberd mensch staan te redeneeren, maar daar is geen bediening des Woords; daar moge water gesprenkeld en brood gebroken worden, maar daar is geen sacrament; daar moge met gesloten oogen gepreveld en luidkeels gezongen worden, maar daar is zoomin gebed als lofzang; en eindelijk evenzoo daar mogen kerkelijke heeren op groene kussens zetelen, maar daar is geen kerkeraad noch concilie noch synode machthebbende in zijn naam.

Alleen de presentie van Christus in zijn kerk maakt de heilige dingen reëel. Zonder die presentie van den Christus zijn het ledige vormen; ijdele schijnvertooning van alle wezen en welwezen ontbloot.

Deze presentie van den Christus is „niet met uitwendig gelaat, maar binnen in u;” dus rust ze niet in de instellingen of plechtigheden, maar uitsluitend in de personen. Dit versta men intusschen niet zoo, alsof de presentie van den Christus alleen in de toegebrachte personen openbaar werd. Vele toch zijn de uitverkorenen die vooralsnog niet zijn toegebracht, en toch ook in dezen is de presentie des Heeren; ja zelfs in het kaf dat met het koren nog vermengd is, blaast de adem zijner lippen; zij het ook met een reuke des doods ten doode, niet ter opstanding maar ten val; of sterker nog, wat nimmer mag uit het oog verloren, om, met overspringing van soms twee of drie geslachten, toch weer uit den nu schijnbaar verloren stam zijn uitverkoren loten te doen uitschieten.

Deze presentie van Christus in zijn kerk, hoewel aldoor in de personen en niet in de instellingen klevende, is nochthans wel terdege aan die instellingen gebonden. Eerst onder en door die instellingen komt het gemeenschapsbesef der kerk tot bewustzijn en wordt door de daad van gehoorzaamheid aan den koning dat heerlijke bewustzijn tot klaarder helderheid verhoogd. Vandaar onder de reëele bediening van Woord en Sacrament een gewaarwording van anders ongekende tegenwoordigheid des Heeren, een weten dat hij, de Heere, in het midden was, een verrukkend besef dán slechts en slechts voor zooverre genoten, als het de presentie van Christus zelf is, die door den dienaar spreekt, die zelf doopt, zelf brood en wijn uitdeelt, ons voorbidt, opdat wij hem na zouden bidden, ons geeft opdat wij aalmoes zouden geven, en zijn loflied voor den Vader zingt in den toon onzer eigen stem. „Ik, sprak de Messias, ik zelf boodschap uwe gerechtigheid in een groote gemeente; zie mijne lippen bedwing ik niet; Heere, gij weet het”! (Ps. 40 : 10). „Van u zal mijn lof zijn in een groote gemeente” (Ps. 22 : 26). „Het welbehagen des Heeren zal door mijn hand gelukkiglijk voortgaan” (Jes. 53 : 10). |17|

Hieruit vloeit echter geenszins voort, dat er in de oefening van Jezus’ koninklijke heerschappij over zijn kerk geen instrumenteel gebruik van menschelijke personen in de instellingen zou zijn. Zulk gebruik is er zeer zeker, voor zooverre de kerk op aarde in het zichtbare treedt; zich in het uitwendige vertoont, en in waarneembare vormen zich openbaart. Dan toch moet de koninklijke heerschappij van den Christus zich ook tot dat zichtbare, tot dat uitwendige, tot dat waarneembare uitstrekken, en dit is zonder instrumenteel gebruik van menschelijke personen ondenkbaar. Slechts houde men daarbij tweeërlei onwrikbaar vast, t.w. in de eerste plaats, dat dit instrumenteel gebruik van menschelijke personen er niet is en er niet kan zijn, tenzij de actie van den presenten Christus er in en er bij zij; en ten andere, dat het gebruik nooit anders dan instrumenteel is noch zijn kan. Hij is en blijft in alle ding de eenige en onwederstandelijke Werker en de menschelijke persoon is nooit anders dan een instrument, waarvan hij de Koning zich met koninklijke majesteit bedient.

Dit instrumenteel gebruik van menschelijke personen is onderscheiden, naar gelang het strekte, om de kerk in de wereld tot vollediger openbaring te brengen, of wel om in die wereldkerk zelve de heerschappij van koning Jezus te handhaven. Het eerstbedoelde gebruik toch, loopende tot op het wegsterven van het apostolaat, droeg een duurzame vrucht, doordien het instrumenteel gebruik van de profeten en apostelen, onder veel meer, ook dit gevolg had dat er een blijvend, geboekstaafd Woord van God tot stand kwam. Dit Woord is het duurzaam Woord van den Koning in zijn kerk, waarvan in volstrekten zin de uitspraak van den Spreukendichter geldt: „Waar het Woord des Konings is, daar is macht”. Ook al belieft het den Heere dus, in zijn verbolgenheid over de zonde zijns volks of ter beproeving van hun geloof, den publieken dienst des Woords tijdelijk te doen ophouden en zijn kerk onder het kruis der vervolging te krommen, zoo is toch nooit de Koning zwijgend. Hij spreekt en blijft spreken, elken morgen en elken avond in elke kerk, in elk gezin, tot elk hart onder zijn verkoren volk, door zijn blijvend, duurzaam in schrift gesteld Woord.

Onder alle instrumenteel gebruik van menschelijke personen staat uit dien hoofde het gebruik van den dienst der profeten en apostelen steeds op den voorgrond. Nu nog, evengoed als voor achttien eeuwen, zijn deze profeten en apostelen de, alle eeuwen door dienstdoende, instrumenten, door wie Koning Jezus zijn kerk, en in zijn kerk zijn uitverkorenen al den dag en nacht toespreekt.

Maar naast dit buitengewone instrumenteel gebruik van profeten en apostelen, Staat, edoch, onherroepelijk aan de vrucht van hún arbeid |18| gebonden, het gewone instrumenteel gebruik van personen in het vaste gewone kerkambt. Doel, strekking, roeping van dit ambt is, om het Woord Gods, het Woord des Konings waar te maken, te verwerkelijken, te realiseeren met onweerstandelijke macht.

Op die bijvoeging met macht valt hierbij de nadruk. Het ambt toch heeft de sleutelmacht. Er is geen ambt zonder institutie van den Koning en oplegging van zijn koninklijk gezag. Zonder dit gezag moge er een betrekking, een menschelijke werkzaamheid, een aanstelling zijn, maar ontbreekt het ambt. Het ambt is orgaan van of hulpe voor de souvereine macht. Een koning op aarde zou welbezien alles zelf moeten doen. Maar dit kan hij niet. Daartoe ontbreken hem de duizend armen waarmede de Indiërs hun goden afbeelden. En daarom nu stelt hij ambten in en bekleedt met die ambten personen, die, als de armen zijner mogendheid, de taak afwerken op zijn last, voor hem, en tot zijn eer. Die ambtelijke werking is òf naar den koning toe gaande, òf van den koning uit gaande. Ze gaat naar den koning toe, als er kennis moet verkregen om den koning voor te lichten, en ze gaat van den koning uit als ze strekt om zijn bevel te doen gehoorzamen. Ze gaat naar den koning toe, als tol en cijns naar den schatkamer des konings wordt gedragen, en ze gaat van hem uit, als de gunste des konings zich keert naar zijn volk. En ook ze gaat naar den koning toe als de hulde van zijn volk voor hem opklimt, en wederom van hem uit, als hij zijne gave schenkt aan zijn onderdanen.

En het is nu geheel in dezen zelfden zin, dat ook onze Heer en Koning Christus, onze Messias en Immanuël, voor de zichtbare verschijning van zijn kerk op aarde een ambt heeft ingesteld, als drager van zijn koninklijke autoriteiten en openbaring van zijn koninklijke majesteit.


§ 11. Op wat wijze het ambt in de kerke Christi onder het Nieuwe Verbond werkt.

Het ambt is oorspronkelijk als één enkelvoudig ambt ingesteld in het apostolaat. „Gelijkerwijs mij de Vader gezonden heeft, zende ik ook ulieden.” „En zoo wat gij binden zult op aarde, dat zal in den hemel gebonden zijn.” Leerambt, regeerambt, ambt der tafelen, het lag alles in dat ééne apostolische ambt verscholen. Ananias en Saphira leggen hun offergave aan de voeten der apostelen neder, en de apostel des Heeren slaat die offerande wel dadelijk af, edoch niet vermits die gave bij hem niet hoorde, maar dewijl ze de liefderijke reuke miste voor den Heere. Ook de heilige apostel Paulus zamelt op zijn reizen telkens gelden in voor de verarmde Jeruzalemsche kerk. De apostelen |19| bedienen dus aanvankelijk het Woord én de tafelen tegelijk. Dit toont dat de drie of vier ambten die later in de kerk tot afzonderlijke ontwikkeling kwamen, niet als zelfstandige ambten, naast elkander staan, maar in den grond der zaak saam één enkel ambt vormen, dat in zijn eenheid dient doorzien en begrepen. Deze eenheid nu ligt in de eenheid van ’s Konings majesteit. Gelijk tijdens ’s Heeren omwandeling op aarde de prediking van het evangelie niet naast de genezing der kranken noch het bestuur zijner jongeren naast de spijziging der hongerigen stond, maar èn deze prediking èn dit regeeren der jongeren èn dit wondere betoon van liefde, alle drie slechts uitingen van éénzelfde zalving waren, zoo ook is het in het wezen der zaak slechts één enkelvoudige werking die door de instrumenteele bediening van één ambt, zij het ook gesplitst in meerdere vertakkingen, thans nog van den Koning naar zijn kerk uitgáat. Waar te midden der heidenwereld nieuwe kerken aan het opkomen zijn, vertoont de zendeling nu nog die eenheid van het ambt in zijn persoon, doordien hij prediker, bestuurder en armverzorger tegelijk is.

Splitsing in dit ambt ontstaat eerst door de uitbreiding der kerk, in verband met de beperktheid van kracht in hen die met het ambt bekleed zijn. Zoo zien we dan ook in Hand. VII uit deze en geen andere oorzaak het afzonderlijk diaconaat zich afscheiden van het apostolaat. Het was, gelijk er staat, omdat „de discipelen vermenigvuldigden” (vs. 1); en overmits nu deze uitbreiding der kerk de apostelen belette elks belang met de vereischte nauwkeurigheid te behandelen, ontstond er murmureering; en deze murmureering bewoog de apostelen tot de erkentenis, niet: „Het hoort niet alzoo dat wij als apostelen ons ook met het stoffelijke bezighouden;” maar wel: „Het is niet behoorlijk dat wij het Woord Gods nalaten, om de tafelen te bedienen.” Zoolang dus de dienst der tafelen nog van zoo kleinen omvang was, dat de dienst des Woords geen schade leed, ging diaconaat en prediking in het ééne ambt saam; maar ook, zoodra de uitbreiding der kerk den dienst der tafelen derwijs uitbreidde, dat het Woord schade moest lijden, schiepen de apostelen voor den dienst der tafelen een afzonderlijk ambt, of liever nog, deden ze uit den stam van hun oorspronkelijk ambt een afzonderlijke loot in het diaconaat uitschieten. Een omstandigheid dáárom van gewicht, omdat er uit blijkt, hoe volkomen naar Gods woord onze Kerkorde in art. 25, en evenzoo ons liturgisch formulier voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen ook het diaconaat wel terdege als ambt erkent, en in onze Belijdenis beleden wordt, dat diakenen „met de herders en opzienders” der gemeente „als een raad der kerke vormen.” En |20| niet minder belangrijk, omdat deze loswikkeling van het diaconaat uit het apostolaat ons ongezocht den sleutel in de hand legt, om den alouden strijd over den voorrang van het leerambt over het ambt der ouderlingen gereedelijk op te lossen.

Dit geschil toch liep en loopt nog, gelijk men weet, over de vraag of de leeraar de eigenlijke ambtsdrager en de ouderling slechts zijn helpend instrument is, dan wel of beiden, leer- en regeerouderlingen, op voet van volkomen gelijkheid staande instrumenten van Koning Jezus zijn. Gelijk namelijk eerst het diaconaat zich uit het apostolaat loswikkelde, zoo splitste zich, om gelijke oorzaak, van lieverleê ook het leer- en regeerouderlingschap. De Jeruzalemsche kerk had oorspronkelijk een schitterenden kerkeraad, bestaande uit twaalf apostelen, die tegelijk leerende, regeerende en bedienende instrumenten van Koning Jezus waren. Tengevolge van de uitbreiding der kerk kwamen daar straks zeven diakenen bij. En deze negentien personen zouden ongetwijfeld volkomen in staat zijn gebleken, om het koninklijk gezag van Jezus in zijn kerk uit te oefenen, indien er alleen te Jeruzalem een gemeente ware ontstaan en de roeping van het apostolaat zich tot Jeruzalem had mogen beperken. Maar dit was niet alzoo. Allerwege moesten kerken gesticht, en daar het nu onmogelijk was, dat elk dezer kerken twaalf apostelen zou bezitten, scheidde zich vanzelf uit het wereldapostolaat de ambtelijke dienst der plaatselijke leeraars af; en overmits het aantal dezer leeraars in de meeste kerken zeer gering bleef, moest zich van dit plaatselijke leeraarsambt weer op geheel natuurlijke wijze het plaatselijk regeerambt afscheiden, als een plaatselijke ambtelijke dienst, geheel in gelijkheid van rang bestaande naast het leeraarsambt en het diaconaat. Het doctorenambt bleef, ook na die drieledige ontwikkeling van het ambt, nog een tijdlang verscholen in het leeraarsambt. Dit lag in den aard der zaak. Zoolang toch de bestrijding der ketterij en de verdediging der waarheid nog uitsluitend op practisch-kerkelijk terrein stand hield, bleef deze gewichtigetaak nog geheel voor rekening van den leeraar komen in zijn gewone prediking of zendbrieven, Maar toen later de strijd met de ketterij ook op wetenschappelijk gebied werd overgebracht, zou de herder of leeraar den dienst des Woords hebben moeten nalaten, om met goed gevolg op het erf der wetenschappen zijne kerk te dienen. Weshalve, daar dit niet mocht noch kon, het doctoraat nu geleidelijk en als vanzelf als nieuwe loot aan den ambtelijken stam uitschoot en de leeraar der kerk voortaan enkel herder wierd. Herder altoos wel te verstaan, niet in den nu gangbaren zin, alsof de predikant op den predikstoel leeraar en alleen bij het huisbezoek herder ware; maar herder met |21| dien verstande, dat in de eerste plaats op den kansel, en voorts bij elke ambtelijke verrichting, de kudde door haren herder met het Woord Gods worde geweid.

Op tweeërlei, dat hieruit voortvloeit, dient de aandacht gevestigd. En wel ten eerste op het onloochenbare feit, dat de vier ambten van „herder, ouderling, diaken en leeraar” als vier stengels op één wortel bloeien, en dus nooit als vier stekken mogen worden beschouwd, die los naast elkander, elk in eigen aarde, op eigen wortel stoelen. Het ambt van herder in Jezus’ kerk is daarom tevens regeerambt; terwijl de regeerouderlingen, wel verre van buiten den dienst des Woords te zijn gesloten, veeleer voor de zuiverheid van den dienst des Woords hebben te waken. En gelijk het diacohaat overvloedig moet zijn in vertroosting met het Woord, en dies in verreweg de meeste kerken mede in den ambtelijken raad der kerke zit, zoo staat ook het diaconaat midden in den dienst des Woords en behoort tevens vervlochten te zijn in het regeeringsorganisme der kerken. Terwijl eindelijk, hoezeer het diaconaat meer bijzonder het ambt is voor de betooning van een Christendom, dat niet in woorden bestaat, maar in kracht, desniettemin toch geen der drie overige ambten buiten den dienst der ontfermingen staat, en elk ambt verbeurd zou zijn, dat geen licht liet schijnen voor de menschen.

De andere opmerking is, dat bij deze splitsing der ambten in de zichtbare kerk op aarde zich slechts herhaalt wat in het eigen Messiasambt van den Christus gezien, werd. Gelijk toch dat ambt van Messias één in oorsprong, aard en strekking is, en zich niettemin in het drievoudig ambt van profeet, priester en koning deelt, zoo ook is het ambt der zichtbare kerk op aarde wel één in stam en wortel, maar gesplitst in zijn werking. Door het herder- en leerambt spreekt meer bijzonder onze hoogste Profeet en Leeraar; door het presbyteriaat regeert in engeren zin onze eeuwige Koning; en door het diaconaat worden op eigenaardige wijze de ontfermingen openbaar van onzen eeuwigen Hoogepriester, den „Christus Consolator.” Maar evenals nu met gelijk recht kan beweerd dat de dienst des Woords én profetisch getuigt, én priesterlijk bidt, èn koninklijk heerscht, en evenzoo de beide andere diensten beurtelings aan elk der drie ambten van den Christus deel hebben, zoo liggen ook op aarde in de zichtbare kerk deze drie stengels dooreengevlochten, en gaat de juiste kennis van elk ambt op zichzelf te loor, indien men de worteleenheid van al deze ambten saam uit het oog verliest.

En onze slotsom kan derhalve geen andere zijn, dan dat het kerkelijk ambt op aarde niets meer noch minder is dan instrument van het Messiasambt, teneinde hij, die een naam heeft ontvangen boven allen naam, op aarde al de eeuwen door, in het midden van ’s Vaders uitverkorenen, |22| profeteere, regeere, leere en ontferming doe. Een geconcentreerd ambt alzoo, van oogenblik tot oogenblik van het eenig Middelaarsambt uitgaande, dat geroepen is om het ééne Woord te prediken in het herderambt, door het doctoraat te bepleiten, en tot heerschappij te brengen, tegenover de zonde door het presbyteriaat, en tegenover de ellende, als vrucht der zonde, in het ambt der diaconen.


§ 12. Op welke wijze de Heilige Geest het aardsche ambt met het hemelsche Messiasambt van Koning Jezus saamverbindt.

Het opvaren van Jezus naar den hemel is een werkelijk feit dat in onverzwakte beteekenis moet erkend worden. Het mag derhalve niet voorgesteld alsof Jezus ook na zijn hemelvaart toch eigenlijk wel op aarde was. Neen hij is nu in den hemel en blijft daar tot aan den dag der wederoprichting aller dingen. Wel is hij de zijnen nabij in de werkingen van zijn genade, majesteit en geest, maar niet persoonlijk. In het heilig sacrament des Avondmaals zelf daalt Jezus niet tot de uitverkorenen neder, maar trekt hun zielen tot zich op, om ze, niet op aarde, maar in den hemel, te spijzen met zijn waarachtig lichaam en te drenken met den drank van zijn bloed. Met name tegenover de leer der Luthersche broederen op dit punt handhaafden de zuiverder of gereformeerde leeraren, even als Calvijn, steeds en onverzettelijk het „in coelum subvecta” van de verloste ziel, d.i. dat de ziel des uitverkorene bij het heilig sacrament des Avondmaals in den hemel werd opgenomen, en alzoo door den Immanuël gevoed.

Er is eenmaal een zending van Jezus naar deze aarde geweest; maar deze zending heeft nu uit en is thans vervangen door een andere, t.w. door de zending van den Heiligen Geest; en niet nu, maar eerst in den jongsten dag zal er nogmaals een zending van den Zoon plaats grijpen, dan niet meer om zich te ontfermen, maar om gericht te houden over levenden en dooden.

In deze tusschenbedeeling nu moet daarom de kerk haar Hoofd steeds daarboven zoeken, en „heeft ze te zoeken de dingen die boven zijn waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods”. Overmits ze nu echter desniettemin op aarde nog toeft en zich op aarde openbaren moet, zoo ontstaat de vraag, op wat wijze alsnu de band gelegd wordt, die het kerkelijk ambt op aarde aan het Messiasambt van Koning Jezus verbindt; en op die vraag nu is het antwoord: deze band wordt gelegd door den Heiligen Geest. Immers de persoon van den Heiligen Geestis thans de Gezondene, die op aarde werkt, en die als zoodanig niet alleen |23| in Christus als ons Hoofd, maar evenzoo in ons als zijne ledematen is, en alzoo Hoofd en kerk saamverbindt. Eerst was de Zoon als onze Trooster gezonden; maar nu hij wegging is er een andere Trooster gekomen, aan wien we dáárom meer hebben, dan de discipelen aan Jezus hadden, omdat de persoon van den Middelaar buiten hun personen stond, maar de persoon van den Heiligen Geest daarentegen in onze personen ingaat. „Weet gij niet dat ulieder lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, die in u is, dien gij van God hebt.” „Het is u nut dat ik wegga, want indien ik niet wegga, kan de Trooster niet komen.”

Deze werking van den Heiligen Geest is nu een tweeledige, t.w. een werking op den mensch en een werking door den mensch.

Ze is een werking op den mensch, doordien de persoon des Heiligen Geestes in den uitverkorene indringt, hem innerlijk roept en overreedt, zijn wil om- en overbuigt, hem voor de rechtbank der consciëntie vrijspreekt en rechtvaardigt, en voorts hem wederbaart en heiligt, in hem bidt met onuitsprekelijke verzuchtigen, hem verlicht en vertroost, verlost en vrijmaakt.

Maar ze is ook een werking door den mensch, overmits het Gode beliefd heeft, den persoon des Heiligen Geestes bij al zijn werk te binden aan het door hemzelven ingegeven Woord, en het is juist daardoor dat de persoon des Heiligen Geestes de eigenlijke Bezieler van het ambt is. In en door dat ambt werkt hij vooreerst door de personen voor dat ambt te heiligen, ten tweede door hun te zijner tijd de roeping tot dat ambt innerlijk te doen toekomen, ten derde door hen voor en in dat ambt te bekwamen, en ten vierde door bij de uitoefening van dit ambt, de vruchtbaarmaking aan het ambtelijk werk te verleenen.

Feitelijk vallen beide werkingen van den persoon des Heiligen Geestes dus saam. Om inwendig op den mensch te werken bedient Hij zich van den ambtelijken dienst van menschen, door wie Hij werkt; en omgekeerd, om door den dienst van menschen, een werking te kunnen doen, laat de Heilige Geest die ambtelijke uitwendige werking verzeld gaan van zijn persoonlijke werking in en op de ziel.

Doch ook hiermeê is het einde van deze heerlijke werkzaamheid des Heiligen Geestes nog niet uitgesproken. Immers de werking van den persoon des Heiligen Geestes gaat volstrekt niet alleen naar de afzonderlijke ledematen, maar wel terdege ook in die ledematen naar het geheele lichaam uit. Vandaar dat Hij aan „een iegelijk de gave toebedeelt gelijk Hij wil” en in de gemeenschap der heiligen Gods |24| uitverkorenen uitdrijft, om „hun gaven onderling gemeen te hebben en ten meesten nutte der andere ledematen aan te leggen.” Niet de kerk is om het ambt, maar het ambt om de kerk, en gelijk Israël oorspronkelijk zelf geroepen was om uit al zijne stammen priesters naar het Heiligdom des Heeren te zenden, en later Levi’s stam alleen om Israëls zonden afgezonderd werd tot den dienst, zoo ook staat het met het afgezonderd ambt in de kerk. Eigenlijk moest de werking Christi rechtstreeks door en op alle geloovigen kunnen uitgaan en het is alleen om der zonde wil en ter wille van onze zondige beperktheid, dat nu hetgeen op allen rusten moest, overgedragen is op een kleinen kring, die bijzonderlijk in het ambt gesteld is. Vandaar dat onder dit bijzonder ambt zich als zijn breedere grondslag steeds het ambt aller geloovigen uitbreidt, en dat de Heilige Geest er lust aan heeft gedurig over de zonde te triumfeeren, door dit ambt aller geloovigen weer te doen uitkomen; te doen uitkomen niet enkel in de huisgezinnen, maar ook in de kerken zelve, als bij ontaarding en verbastering van het bijzonder ambt, dit algemeene ambt weer krachtig opleeft. Het bijzonder ambt is en blijft noodzakelijk en volstrekt onmisbaar, maar toch is alleen het ambt aller geloovigen, gelijk het in den hemel eens schitteren zal, het hooge, het heilige, het heerlijke ideaal, dat uit Messias’ ambt in het hart der zijnen afstraalt.

Doch er is meer. Gelijk de persoon des Heiligen Geestes niet alleen in den enkelen geloovige, maar ook in de gemeenschap der heiligen door het ambt aller geloovigen zich betoont, zoo werkt ook de persoon des Heiligen Geestes niet alleen in den enkelen drager van het bijzonder ambt, maar evenzeer in de organische vergaderingen der ambtenaren van Koning Jezus. Zoo dikwijls de koninklijke ambtenaren van koning Jezus in organische vergaderingen saamkomen, is er een meerder iets aanwezig dan de optelsom van de individuën. Een vergadering van Jezus koninklijke ambtenaren, mits organisch saâmgekomen, representeert de macht Christi over heel zijn kerk, ’t zij in een vergadering van de ambtenaren eener locale kerk over die locale kerk, ’t zij in een vergadering of samenkomste van de koninklijke ambtenaren van meerdere kerken over die kerken saam; ’tzij eindelijk in een bijeenkomst van de ambtenaren aller kerken uit één land of meerdere landen, over die landskerk, of ook over de zichtbare kerk op aarde. In al deze bijeenkomsten, vergaderingen, of raden, ’t zij men ze consistoriën, classes, synoden of conciliën noemt, verhoogt het geheel de beteekenis van den enkelen ambtsdrager, en het is juist in deze organische verbinding der velen, |25| dat de persoon des Heiligen Geestes beter en krachtiger dan in de beperktheid van den enkele, de majesteit van zijn goddelijke, oneindige, onwederstandelijke werking openbaren kan. Daarom staat zulk een vergadering van ambtsdragers, waar het Woord des Heeren alleen macht heeft, en Christus door zijnen Heiligen Geest in den praeses praesideert, hoog in geestelijke autoriteit boven alle particuliere conferentiën, concilabulen of groepeeringen van geloovigen.

De sleutel der wijsheid voor deze ambtelijke vergaderingen ligt in den aanhef van het decreet der Jeruzalemsche synode: „Zoo heeft het den Heiligen Geest en ons goedgedacht.”

Vereenzelviging met de uitspraak van den Heiligen Geest mag intusschen, na het wegsterven van Apostolaat, de uitspraak van zulk een vergadering nooit worden. Door dit te wanen ging Rome feil. Altoos blijft er een klove gapen tusschen het onfeilbaar Woord des Geestes en het feilbaar menschenwoord. Maar ook door deze afwijking en dwaling en feil heen, voert de persoon des Heiligen Geestes de kerk op aarde toch steeds verder en leidt ze in alle waarheid. Roeping van den Heiligen Geest is het, den Vader en den Zoon te verheerlijken. Daarom is de Heilige Geest de Getuige in het woord der profeten en der apostelen, en tot ons als getuige tredend in het geschreven Woord. Maar dat Woord moet niet slechts gelezen en nagesproken; het moet ook door de kerk in zich opgenomen; voortdurend uit duisterder tot klaarder bewustzijn gebracht; en alzoo voor de kerk aller eeuwen overgeleid worden in een zelfstandig verkondigen der deugden Desgenen, die haar geroepen heeft uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht. En dat nu bewerkt de persoon des Heiligen Geestes in de totstandbrenging van het dogma, d.i. in de zoo zuiver mogelijk voor het helder bewustzijn der kerk geformuleerde belijdenis van die waarheid, die het Woord ons brengt aangaande den eeuwigen God. Zulk een dogma wortelt diep in het hart der kerken zelve. Want de persoon des Heiligen Geestes bereidt het in de harten der geloovigen voor, door de worsteling die de waarheid in dat hart met de leugen, en dieper nog met de zonde, te voeren heeft. Daarna maakt hij de ketters op, om de leugengestalte, die in het hart der geloovigen onderdrukt werd, van buiten af in volle wapenrusting tegen de kerk te doen inrennen, teneinde haar en haar leeraren aldus te noodzaken tot geestelijke inspanning, om in het zweet van dien geestelijken arbeid het levensbrood der kerk te doen gedijen. Totdat eindelijk de saâmgekomen vergadering van Jezus’ koninklijke ambtsdragers, waar het Woord des Heeren macht heeft en hij zelf in den Heiligen Geest praesideert, den oogst van deze moeite |26| der geesten inzamelt, en zoo het woord als den vorm vindt, om de waarheid Gods in te belijden.

En is die belijdenis dan alzoo, zij het ook in nog steeds feilbaren vorm en altoos aan het Woord apellabel, uitgebracht, dan keert hiermee de kringloop der ambtelijke werkzaamheid in de gemeente der geloovigen zelve terug, aan wie ze alsnu deze gevondene belijdenis op de lippen legt.

Die belijdenis ontvangt de kerk dus, niet als gedachtevrucht van geleerde denkers, maar als dierbaar kleinood door den Heiligen Geest haar in de zielsworstelingen der geloovigen en in de bange nooden der kerk heerlijk toebereid. Ze vindt in die belijdenis een stuk van haar eigen leven. Ze koestert die belijdenis als het kostelijk document, waarbij haar triomf over ketterij en dwaling, dankzij ’s Geestes inwerking, erkend is. Ze gaat op die belijdenis af als het eenige compas dat haar veilig door de velerlei uitleggingen van het Woord in de waarachtige beteekenis van dat Woord inleidt. Ze wil wel die belijdenis nog keuriger, nog juister, noch zuiverder zien worden, maar gedoogt nimmer dat eenig deel of stuk van haar prachtig organisme verminkt worde of veel min uitgesneden. En zonder ooit of onder wat vorm ook, die belijdenis met het geheel éénig Woord van God op gelijke lijn te stellen, houdt ze niettemin in de mogendheid des Heeren Heeren haar overtuiging staande, dat zoolang er geen zuiverder belijdenis gevonden wierd, haar belijdenis de allereenvoudigste en vooralsnog volkomenst bereikbare uitdrukking is van de volheerlijke waarheid die ons God heeft geopenbaard. |27|




1. Rom. 16 : 25; Ef 3 : 9; Col. 1 : 26; 2 Tim. 1 : 19; Ef. 1 : 9; Tit. 1 : 2; 1 Petr 1 : 20. Het strijdt dus volstrekt niet, wanneer onze Catechismus belijdt dat God zijn kerk vergaderd heeft van den aanbeginne der wereld tot nu toe, en als Jezus in Matth. 16 : 18 verklaart dat hij nu pas op dezen petra zijn kerk bouwen zal. Slechts worde ontvangenis en geboorte ook hierbij onderscheiden.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004