De Menschwording Gods het Levensbeginsel der Kerk

Intreerede

uitgesproken in de Domkerk te Utrecht, den 10en November 1867
door Dr. A. Kuijper


Utrecht, J.H. van Peursem, 1867



Door het mondeling verzoek van eenige gemeenteleden en het schriftelijk aanzoek van een veertigtal studenten in de Theologie heb ik mij tot de uitgave van deze toespraak laten verleiden.


Utrecht, 18 Nov. 1867 A.K.




Mijne Hoorders!


Zoo ik bij het aanvaarden mijner bediening in uw midden minder gul ben met de uitingen van mijn gevoel, min gereed om u en mijzelven een schijn van innigheid op te dringen, die vooralsnog gekunsteld en daarom onwaar zou zijn, misbillijkt dan, bid ik u, mijn streven niet, om ook bij de taak die ik thans vervullen ga, valsche overspanning voor eenvoud en natuurlijkheid te doen wijken. Vieren we het gevoel den teugel, zoo licht sleept het ons dan mede naar eene voorstelling der werkelijkheid, die met die werkelijkheid zelve strijdt, en slechts een válsche smaak kan dan nog lof hebben voor een woord, dat al schittert het door tal van schoonheden, toch het hoofdkenmerk van het waarachtig schoone, dat der waarheid mist.

Niet alsof ik daarom terughoudend moest zijn en angstvallig mijn gevoel zou moeten onderdrukken. Neen, geheel te zwijgen zou mij zelfs moeilijk vallen en gaarne kom ik er voor uit, dat zoodra uw roeping tot mij kwam, het denkbeeld mij machtig streelde, om voortaan in een der brandpunten van hooger geestesleven te verkeeren, en in ruimer werkkring op breeder schaal die waarachtige levenssympathie te vinden, die mijn toenmalige gemeente slechts in beperkte mate bieden kon. Ja, waarom het verzwegen, dat ik, zoekende naar die hoogere uiting van het leven, die de parel van het Christendom door de |4| schelp der beschaving heen doet glinsteren, uw gemeente mij steeds van zelf voor den geest zag gevoerd, en dat dus alles in mij neigen moest, om een roeping juist naar die gemeente, als een welkom keerpunt in mijn leven te begroeten.

Laat mij het u evenmin verhelen, dat juist misschien daarom veel mij aanvankelijk huiverig maakte om zelf tot die levensverandering den stoot te geven. Het was immers natuurlijk dat mijne jeugdiger jaren, mijn geringer deel aan levenservaring en de mindere geoefendheid mijner krachten mij zeer sterk deden opzien tegen de bediening eener gemeente, die juist om haar voorkeur zoo hooge eischen stellen mag. En al zwijg ik van den strijd, waarin ik dat opzien bedwong: al zou het onbescheiden zijn, zoo ik die bladzijde uit de geschiedenis van mijn inwendig leven ook voor u belangrijk achtte, — toch mag ik het uitspreken, dat de voorkomendheid, die ik uwerzijds verwachten dorst, mij in dien strijd als bondgenoot ter zijde stond: dat ik dus tot u kom met goeden willen, bereid om in u als gemeente des Heeren den Christus te dienen, maar dat mij daartoe dan ook, vooral van de sterkere geesten in uw midden, die zachtheid van beoordeeling noodig is, die wel de spanning in mij gaande houdt, maar zonder mij den moed te rooven, die aanblaast zonder uit te blusschen, die mij tegenkomt met vertrouwen, en mij dat blijft gunnen zoolang ik het niet feitelijk verbeur: ja, dat ik om geheel los te komen van elke gebondenheid des geestes, uit werkelijke behoefte nu reeds vragen durf om uw steun en welwillendheid, en zoodra uw hart mij in zich op kan nemen, om uw liefde en gebed.

Maar verder gaan zou mij dan ook in verlegenheid brengen. Eerst als het samenleven in een zelfden kring |5| een samenleven ook van hart en geest heeft gewekt, komt de dag, dat het gevoel met luider toon mag spreken. Niet aan het begin, maar aan het einde van den weg, die men saam bewandelt, voegt de betuiging van gehechtheid op de lippen. Laat ons daarom ook bij deze uiting van het kerkelijk leven de kiesche grens der soberheid niet overschrijden, en vergunt mij derhalve dat ik zonder meer verwijl uw aandacht vraag voor het onderwerp dat ik dit uur bespreken wilde, en u het woord der Schrift noem, waaraan ik de leidende gedachte mijner toespraak ontleen. Dat onderwerp zou ik liefst dus omschrijven: de menschwording Gods het levensbeginsel der kerk van Christus, en dat woord der Schrift kan dus wel geen ander zijn dan de u allen bekende betuiging van Johannes: „Het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond.” Gij leest ze ten overvloede in het eerste hoofdstuk van zijn Evangelie, het eerste gedeelte van het veertiende vers.


I.

Zoo ik van de vleeschwording des Woords, van de menschwording Gods in Christus spreek M.H., bedoel ik daarmeê niet een leerstuk, maar een feit. Met het getuigenis, waarop ik u wees, staan we op geschiedkundigen bodem. Johannes huldigt het recht der empirie: hij spreekt op grond van waarneming, „hij heeft in den Christus een heerlijkheid als des eeniggeborenen van den Vader aanschouwd”; zijn getuigenis rust op stellige ervaring, „zelf heeft hij uit de volheid van dien Christus genade voor genade ontvangen”; maar zijn waarneming is die deugdelijke, die niet alleen naar het gezichtsveld, maar ook naar het gezichtsorgaan vraagt, want „ook aan de wereld is diezelfde Christus verschenen, maar die |6| wereld heeft hem niet gekend”. Hun alleen in wie het geloofsorgaan gevormd was, is voor dat geloofsoog de ware gestalte, de echte persoonlijkheid van den Christus ontdekt. Nog eens een werkelijk feit is ons dus de menschwording Gods, en we aanvaarden dat feit, allereerst om het geschiedkundig getuigenis, maar dan ook omdat zonder dat feit het streven van den godsdienst op bittere teleurstelling uitloopt. Zoo de menschwording Gods nog geen feit was, zou ze door het wezen van den godsdienst als aanstaande geprofeteerd worden. Het wezen van den godsdienst eischt Gods menschwording: — eensdeels omdat hij niet rusten kan eer hij de gemeenschap met het leven Gods verwezenlijkt heeft, en omdat andererzijds de mensch het goddelijke niet in zich op kan nemen en dus tot geen levensgemeenschap met den Oneindige komen kan, dan waar het goddelijke in menschelijke vormen tot hem treedt. Zonder een menschwording Gods mist dus het goddelijke den vorm, waaronder het den mensch alleen bewerken kan, en wordt het einddoel waarheen alle godsdienst streeft „de levensgemeenschap met den Oneindige”, nimmer bereikt.

Onbewust spreekt dat besef zich reeds in het verloop der Heidensche godsdiensten uit. Het streven der Heidenwereld is voortdurend zich het goddelijke al nader, al nader te brengen. Van onpersoonlijk krachten klimmen ze tot zwevende gemengde gestalten, van die monsterfiguren tot een zuiverder diervorm op, en eerst op het hoogtepunt harer ontwikkeling gekomen, plaatst Phidias in zijn kunstgewrochten Griekenland’s Goden in zuivere menschengedaante voor het oog. Gij gevoelt het, de eisch der menschwording Gods is in dat streven onmiskenbaar; maar voor den Griek moest dat streven in teleurstelling eindigen, daar hij de vervulling van dien eisch in |7| zichzelven zoekt. Het einde van zijn weg is dan ook geen vleeschgeworden Woord, maar een beeld: het goddelijk leven dat hij aanbidt is door hem zelven in die trekken getooverd, dat oog blijft mat, die mond zwijgt, die aderen kloppen niet, — en als hij zijn God omarmen wil om zijn goddelijk leven in te drinken, vindt hij de kilheid van het marmer voor de warmste van den levensgloed.

In Israël leeft een deel dierzelfde menschheid met eenzelfden drang, een zelfde streven in ’t hart. Maar tot dat Israël is het woord van Jehova geschied: maak mij geen beeld, en de profetie had dus die wet verklaard: maak mij geen beeld, want het beeld van Mij, den Onzienlijke, zal komen. En op dat woord wierp Israël zijne beelden weg: rein en heilig bleef het dorsten van zijn hart naar den Oneindige zelven uitgaan. In geen wiegeling des gevoels, in geen weefsel van begrippen, in geen spel der verbeelding, in geen vergoding der kunst gaat zijn godsdienstig streven onder. Neen, al wat dat volk edels in zijn schoot draagt, geheel het verborgen leven van zijn ingewand wordt al meer één Amen op die profetie van den Messias, één uitzien naar den Immanuël „God met ons.” En nu, eindelijk doorloopt ook dat Israël den laatsten mijlpaal van zijn weg, bereikt het einddoel van zijn streven, en ziet, op een der bergen van Judaea staat daar, niet een Apollo uit marmer geboetseerd, maar een mensch van vleesch en bloed, de mensch Christus Jezus, die straks het groot woord zal spreken, dat wie hem gezien heeft den Vader heeft gezien, dat God mensch geworden is in hem.




In dat feit, in die gebeurtenis nu ligt, naar ik u zeide, het beginsel, waaruit de Christelijke Kerk leven moet, |8| de levenskiem, die in den ontwikkelingsgang van Jezus’ Kerk den aard en het karakter van haar leven moet openbaren. Immers de vleeschwording des Woords wordt weggecijferd zoo we daarin niets meer willen zien dan een oogenblikkelijke gezichtsvertooning. Wat daar voor achttien eeuwen is geschied, maar niet op ééne lijn worden geplaatst met de vroegere Godsverschijningen aan Israël. Geen verschijning maar een menschwording Gods berichten ons de Evangeliën. Bestaat nu het menschelijk leven niet anders dan in den vorm van voortgang en ontwikkeling, dan is ook in Bethlehem’s kribbe die menschwording nog slechts aangevangen. Zonder meer had er dus slechts een aanraking aan het menschelijke, geen menschwording in letterlijken zin plaats gegrepen. En daarom zegt Johannes ook niet slechts dat het Woord vleesch is geworden, maar dat het onder ons heeft gewoond, en volgt na Bethlehem het doorleven van een menschelijk bestaan, zoo ge wilt, de voortzetting van wat in Bethlehem is begonnen.

Maar zelfs bij dat menschelijk leven van den Christus mogen we dan niet staan blijven. Vormt de menschheid samen één geheel, één lichaam, één organisme, dan moet het Woord ook tot die menschheid komen, om woning in ’t hart te maken: dan moet de menschwording Gods zich ook tot die menschheid zelve uitbreiden, dan moet de menschwording Gods, die in de vleeschwording des Woords slechts is aangevangen, voltooid worden door het wonen van den Christus onder ons, door het komen van den Heiligen Geest. Niet Zoon eens menschen maar Zoon des menschen, het Hoofd der menschheid is Christus geworden. Eenzelfde Christus is het dus die uit Maria het vleesch aannam en in de verloste menschheid zich een lichaam vormt: eenzelfde Godheid, die in |9| den Zoon vleesch werd en als Heilige Geest ingaat in de menschheid, en voltooid zal die ingang van het goddelijk in het menschelijk leven eerst dan wezen, als God, de Drieeenige, na het volvoeren van zijn ganschen raadslag, werkelijk alles in allen zal zijn.

Zoo beschouwd M. H. spring het van zelf in het oog, als hoedanig we de Kerk moeten beschouwen. De Kerk is dan niet maar een verzameling van Jezus’ volgelingen, — neen, zoo wordt ze in vollen zin het lichaam van Christus, het rijke organisme waarin niet maar zijn geest, maar Christus zelf voortleeft. Haar sfeer en gebied is daarmee van zelf aangewezen. Mist de menschheid voor Christus het goddelijk leven en is dit in Christus door haar gebracht, dan moet de stroom van het menschelijk leven zich van Golgotha af noodwendig splitsen, en dat deel der menschheid dat zijn leven bezit feitelijk verschillen van dat ander deel dat zijn leven nog derft. Dan is er door Christus optreden in de wereld werkelijk een geheel nieuwe levenssfeer ontstaan, een nieuwe dampkring gevormd, en dan is het gebied der Christelijke Kerk dat gansche terrein, waar de wateren van dien nieuwen levensstroom overhenen vloeien, waar die nieuwe kracht zich openbaart en dat nieuwe leven werkt. Dan is de Christelijke godsdienst niet maar een andere wijze van Godsvereering: dan staat Christus niet maar naast Buddha of Mozes, het kruis niet naast de halve maan, de dom of kathedraal niet naast moskee of pagode, maar dan is de Christelijke godsdienst in al zijn levensuitingen daarom van die allen in beginsel verschillend, omdat hij alleen dat goddelijk leven bezit, waarnaar alle andere godsdiensten hoogstens uitzien en verlangen.

Met Christus kerk M. H. gaan we dus uit het rijk der schaduwen en zinnebeelden, der aspiraties en idealen |10| eens voor goed in dat rijk der werkelijkheid over, waarnaar elk onzer van nature vooral op godsdienstig gebied zulk een hartstocht gevoelt. En onderscheidt die werkelijkheid het Christelijk geloof van alle andere godsdiensten, even scherp is door de menschwording Gods zijn streven in tegenstelling geplaatst met de richting die het geestesleven volgt in de maatschappij. Bezielt dáár de leuze „u zelven opheffen, opklimmen tot den Oneindige,” juist omgekeerd is hier de weg, daar Christus’ kerk niet tot God opklimt, maar God in zich laat nederdalen, en binnen haar levenssfeer het beginsel van werking nooit in den mensch, maar altijd in God legt. Christus is haar albezielende geest, en zij Christus’ lichaam. De liefde die in haar werkt is een innerlijke beweging van Christus’ ontferming. Haar denken is een ingaan van den Heiligen Geest in de diepten Gods om die te onderzoeken. Haar gebed is een bidden van den Heiligen Geest in het hart harer leden. Haar spreken is een vertolken van wat de Heilige Geest haar op de lippen legt. Het licht dat van haar uitstraalt is een doorschijnsel van het goddelijk licht, want God zelf is het licht dat in haar schijnt. Jezus’ kerk ze is des Heeren in meest volstrekten zin: geen ander werk dan het werk Gods mag ze werken: „niet mijn wil maar uw wil” is het eentoonig refrein dat ze nooit moede wordt te herhalen, — en al wat in haar schoot zich voor Christelijk uitgeeft, maar zonder dien stempel te dragen, behoort niet tot haar wezen, is een vreemd bestanddeel dat niets voor haar beginsel beslist en hoe eer hoe beter moet uitgescheiden, een woekerplant die van haar sap zoekt te leven, zonder op haar wortel te zijn geteeld.




|11| Zoo M. H. ontstond, handhaaft en zuivert zich dus het verborgen leven van die inwendige, onzichtbare kerk, die het waarachtige lichaam des Heeren is, en de menschwording Gods bleek daarbij telkens de maatgevende grondtrek te zijn, die de beweging van haar leven regelt. Mij dunkt als van zelf worden we daardoor tot de niet minder gewichtige vraag geleid, wat uit datzelfde beginsel, — het beginsel der menschwording Gods — is af te leiden voor die zichtbare, uitwendige kerk, die eindeloos geschakeerd naar vorm en gestalte allerwege voor ons optreedt. Allereerst wat beslist dat beginsel voor het bestaan zelf eener uitwendige kerk? Immers haar optreden in zichtbare gestalte wordt door niet weinigen in onze dagen overbodig gekeurd. Moge al voor de behoeften van vroeger eeuwen zulk een uitwendige vorm onmisbaar zijn geweest, thans acht men dat met die behoefte ook de drang tot haar vervulling heeft opgehouden. En niet alleen de lichtzinnigen spreken zoo. Neen ook in vrome kringen openbaart zich al meer een onverschilligheid jegens de uitwendige kerk, die als beginsel gesteld, tot haar vernietiging leiden moet. Ja zelfs door de woordvoerders op godgeleerd gebied wordt soms op de persoonlijke levensopenbaring van elk christen voor zich zulk een eenzijdige nadruk gelegd, dat men in ernst moeilijk begrijpt, wat plaats er in hun schatting nog voor de uitwendige kerk overblijft.

Van uit het standpunt nu dat wij innamen, moet zulk een neiging als in strijd met het beginsel waaruit de kerk leeft, nadrukkelijk worden bestreden. Niet slechts omdat zelfstandigheid met eenzelvigheid niets gemeen heeft, en inbinding van bijzondere neigingen door het gemeenschappelijk belang aan elk karakter is opgelegd, — maar allereerst omdat het beginsel van Gods menschwording een optreden der kerk in zichtbare gestalte |12| eischt. Immers in het historisch optreden van den Godmensch ligt voor alles deze groote gedachte uitgesproken, dat de Heer niet slechts langs inwendigen, maar ook langs uitwendigen zichtbaren weg het menschenhart wil bereiken. Het goddelijk leven alleen langs inwendigen weg in het hart gevloeid, blijft een sluimerende kracht, die die niet werken, een kostbare kiem, maar die niet uitspruiten kan. Zal dat goddelijk leven den mensch geheel doordringen en doortrekken en dus zijn leven worden, dan moet het ontwaken tot bewustzijn en in voor ons vatbare vormen aan ons zelven ontdekt worden. En daartoe dus is het Woord vleesch geworden, opdat het leven–Gods–in–ons zichzelf in den historischen Christus herkennen, aan den Christus buiten ons zich tot bewustheid ontwikkelen zou, en zoo uit den sluimerenden toestand waarin het werd ontvangen zou overgaan in den helderen vorm van geloof. Een uitwendige kerk als voortzetting van Christus’ historische verschijning is dus voor de Christenheid alle eeuwen door volstrekt behoefte. Zonder haar trekt het Christendom zich allengs geheel op het gebied des innerlijken levens terug, treurt en verkwijnt, verliest zijn klaarheid en bewustheid, en de geschiedenis van meer dan ééne secte levert het voldingend bewijs, dat het prijsgeven der uitwendige kerk ook den Christus buiten ons al meer vergeten doet, en als laatste gevolgtrekking feitelijk een loochening van Gods menschwording na zich sleept.

Een uitwendige kerk moeten we dus hebben, maar zoo lang haar gedaante met de gestalte van het koningrijk Gods niet samenvalt, moet ze worden, historisch zijn als de historische Christus. Een rustelooze ontwikkeling, een gelijkmatig verloop, een steeds voortgaande ontwikkeling, een organisch groeien i. é. w. is daarbij |13| intusschen volstrekt ondenkbaar. Komt het goddelijke niet uit het menschelijke voort, maar breekt het gedurig door het menschelijke heen, dan moet die ontwikkelingsgang door hevige schokken gekenmerkt zijn. Ging de vleeschwording des Woords in zijn ontstaan en voortgang van heftige bewegingen in het verborgen en machtige beroeringen buiten zich verzeld, datzelfde karakter moet dan ook de wording en ontwikkeling der kerk dragen. Eenerzijds moet de vorm van Jezus’ kerk dus vast zijn, omdat alleen in wat bestendig en blijvend is het eeuwig karakter van het goddelijk leven zich afspiegelt, maar evenzeer moet die vaste vorm door bewegingen des geestes en beroeringen van buiten vernield en verbroken worden, zoodra hij den geest niet meer tot voertuig dient, maar klemt. Dat eischt het wezen der kerk, dus ligt haar ontwikkelingsgang voor alle eeuwen afgebeeld in de menschwording van den Christus en zijn opstaan uit het graf.


Die vastheid, die bestendigheid van vorm moet zich natuurlijk openbaren op alle punten der lijn, waardoor de uitwendige gedaante der kerk begrensd wordt. Vast moet dus haar kerkrecht, vast haar belijdenis, vast haar eeredienst zijn. Uit eigen beginselen afgeleid moet haar kerkrecht juist omschreven zijn, en het bestuur uit dat kerkrecht opgewassen, geroepen om dat recht te handhaven, moet recht spreken opdat er recht geschiede. Haar belijdenis moet uitspreken wat als de meest juiste uitdrukking der Evangelische waarheid op grond der Schrift der gemeente tot klare bewustheid is gekomen, en niet maar naar strekking of bedoeling, maar zooals ze daar ligt, moet die belijdenis het vereenigingspunt der zichtbare kerk zijn. Geldt eindelijk ook voor haar de regel, |14| dat de smaak van ’t geheel boven die van den enkele moet heerschen, dan moet ook haar eeredienst niet aan angstvallige, maar toch aan vaste vormen gebonden zijn. Vooral het Sacrament moet dan door vaste regelen der liturgie en vaste formulieren in zijn obiectief karakter gehandhaafd worden, opdat hij die tot het Sacrament komt, wete daar te vinden wat hij zoekt.

Zonder die vaste bindselen kan het gebouwte der uitwendige kerk niet staan blijven. Een afwijking hoe gering ook in dit opzicht moet in beginsel tot haar slooping leiden. Die vorm moet vast zijn, omdat de uitwendige kerk alleen met dien vorm te rekenen heeft. Een uitwendige kerk mag zelfs naar den geest niet vragen. Zoo dikwijls ze dit doet, matigt ze zich aan wat haar niet toekomt, en gaat dus of vrijwillig tot ontbinding over, of handhaaft zich, maar dan ook in den eenigen vorm die dan nog voor haar overblijft, die der inquisitie. Juist in het belang van de vrijheid des geestes achten we dus elke poging bedenkelijk om den uitwendigen vorm onvast en zwevend te maken. Vastheid van vorm is het kenmerk, dat haar niet mag ontbreken, en het recht om die vaste vormen aan te nemen, d.w.z. om zich uit te spreken en met scherp–afgeronde trekken te vertoonen, zal haar niemand betwisten, zoo ze maar nooit beweert dat de zaligheid aan haar kerkvorm gebonden is, en zich wacht voor de doodelijke feil, om vastheid en onveranderlijkheid van vorm als woorden van gelijken klank te beschouwen.




Het behoeft wel geen betoog M. H., aan die onmisbare voorwaarde voldoet onze kerk thans niet, en daardoor alleen reeds verkeert ze dus feitelijk in staat van ontbinding. De oorzaak van dat verval mag nooit bij |15| de Hervormers worden gezocht, die de eischen eener kerk helder doorzagen, maar ligt geheel bij de geslachten die na hen zijn gekomen, en die het wezen der kerk ondermijnd hebben door ten koste van haar heilig karakter uitbreiding en grootheid te zoeken. Het voorbeeld van Rome heeft hen verleid maar verontschuldigt hen niet, en dat in de kerk opnemen van duizenden bij duizenden, die vreemd aan haar geest, niet wisten wat ze deden, was een misbruikmaken van vertrouwen, een spelen met de gewetensvrijheid, waardoor de kerk haar eigen vrijheidsbeginsel heeft gedood. Geen wonder dat de vrijheid zich wreekte en vernielend terugwerkte op die kerk die haar majesteit geschonden had. Wat toch gebeurde? die onheilige wateren, waarvoor ze zelve de sluizen zoo breed had opengezet, overstroomden haar spoedig geheel: niet meer haar geesteskinderen, maar een aan haar geest veeleer vijandige menigte won het spoedig in aantal, en welhaast was de geest die haar prediking en werking bezielde niet meer de geest van Christus, maar de matte, oppervlakkige, beginsellooze geest der maatschappelijke zedeleer, die zijn recht om den toon te geven kocht door te spreken in Christelijke termen.

God zij dank! dat onze eeuw zich eindelijk heeft aangegord, om een einde te maken aan die onnatuurlijke vermenging van onchristelijken inhoud met christelijke vormen. De geest der eeuw moest daarbij den Koning van het Godsrijk dienen om zijn kerk te reinigen en te zuiveren. De valsche vrede had uit: het monsterverbond werd verbroken. Het maatschappelijk streven driest geworden door onze lauwheid, schudde het Christelijke gewaad uit, wierp alle Christelijke vormen van zich af, vernielde in een versneld proces alle Christelijke |16| overlevering, om voor het minst oprechtheid tot elken prijs te gewinnen, en o! tot eeuwige schande der kerk moet het beleden: dáárdoor en niet door de levenskracht der kerk is thans het zuurdesem der farizeën weer ietwat uitgedreven en de heilige gewetensvrijheid weer naar heur rechten op weg.

De scheiding der geesten is dus gekomen en de eenige vraag die thans nog overblijft geldt dien bouwval van de eens zoo prachtige kerk onzer vaderen, waarop thans door onze schuld onze tegenstanders even deugdelijk recht bezitten als wij. Even deugdelijk, — niet natuurlijk als we letten op den geest, maar nog eens de rechtsbevoegdheid der uitwendige kerk mag zich tot den geest niet uitstrekken. Heeft zij zelve eenmaal geheel vrijwillig aan die duizenden en tienduizenden recht op haar medebezit gegeven, gegeven zonder beding of voorbehoud, gegeven zonder eenige beperking, gegeven toen ze zelve reeds lang de teugels had laten glippen, dan mist ze thans ook elke bevoegdheid om dat recht eigenmachtig te vernietigen, en moet ze het medebezit der anderen eerbiedigen, zoolang zij zelven dit niet afstaan. De niet–handhaving van haar eigen recht in het verleden geeft aan de kerk in het minst geen vrijheid om thans het recht van anderen aan te randen. Noch in ons persoonlijk leven, helaas! noch in het leven der kerk heeft berouw ooit terugwerkende kracht. Neen, we moeten de bittere waarheid onder de oogen durven zien, dat die kerk waaraan het bloed onzer vaderen kleeft, voor ons onherroepelijk verloren is, zoo de tegenstander meent dat het handhaven van zijn bezitsrecht hem de moeite loonen zal. Immers keurt hij het bezit der kerk die moeite waardig, slaat hij de hand aan het meer dan half gesloopte wrak, dan wordt ’t weer opgetuigd, maar |17| opgetuigd op nieuwmodische wijze, en dan gaat het in zee, maar onder een vlag die de onze niet zijn kan en het elk Christen verbiedt zich op dien bodem in te schepen. Maar wat ook de uitkomst blijke, of het verbeurde eerstgeboorterecht ons feitelijk ontga of het erfstuk der vaderen ons uit minachting worde prijsgelaten, voor den Christelijken geest is zichtbaar de ure gekomen, dat hij als priester weer in een eigen tempel offeren moet, zonder met iemand zijn altaren te deelen, en of we dus tot kerkherstel of tot stichting eener nieuwe kerk ons moeten opmaken, tot bouwen zijn we in elk geval geroepen, hetzij dan naar het oud bestek, hetzij dan naar dien zuiverder stijl en verhevener bouwtrant, die ons de geest des Heeren wijzen zal.

En mij dunkt, dan zal het blijken M. H., hoe onze eeuw zich nog bijna geheel aan de coryphaeën der Hervorming zal kunnen aansluiten, omdat zij hun eeuw zoo ver vooruit waren, en wij in geestelijke ontwikkeling zoo achterlijk zijn. Dan zal het openbaar worden, dat op het fundament door hen gelegd nog een tempel voor den levenden Christus verrijzen kan, die ons de smartelijke keus spaart, van of met Rome in haar praalgraf weer een dooden Christus te gaan beweenen, of een monument voor Jezus als het genie der godsdienst te plaatsen in dien zwevenden tempel, die gewelfd met het blauw azuur het bloemtapijt der aarde tot mozaieken vloersteen heeft. O! dat we dan, door schuld verootmoedigd en door smart geleerd, te diep het onkreukbaar recht der gewetensvrijheid gevoelen mogen, om ooit weer door roof die massa’s in ons op te nemen wier innerlijk leven zich op geen enkel punt nog met het leven der kerk heeft vermengd. Geve de Heer, dat in die ure de Bezaliëls en Aholiabs vele zijn mogen, |18| in wier hart en hoofd het geheiligd kunstenaarstalent de goede voltooiing voorspelle van het grootsche werk, dat dan zal worden aangevangen. En dat ze dan als wijze bouwmeesters niet maar de stukken los ineenzetten, maar werkelijk bouwen, niet de bindten op de muren leggen, maar ze met ankers in het cement bevestigen, en zich diep doordrongen toonen van dien gulden bouwregel, dat zonder vastheid van vorm en hechtheid van verbindingen niets blijvends en duurzaams in het uitwendige kan worden gesticht.

Laat dán vrij de wereld, wier beter deel nog zoo smachtend dorst naar den Oneindige en de kracht des gewetens zoo gaarne erkent, naast onze deur bouwen en een eigen godsdienstige vereeniging stichten, om uit andere beginselen en langs anderen weg met ons te streven naar een zelfde doel, — welaan dan zal de toestand zuiver worden! Maar dan zal het ook aan de kerk zijn om te toonen, dat de geest waaruit zij leeft inderdaad machtiger is dan de geest die buiten haar werkt. Onze roeping zal het dan zijn om door daden ons beweeren te staven dat in de sfeer van Jezus heilige kerk het leven waarlijk reiner en krachtiger is dan buiten haar grenzen. Voor hen die het altaar in dat nieuwe heiligdom bedienen zal het dan zijn weggelegd, om den mensch werkelijk gelukkiger op aarde te maken en rijper voor den hemel de eeuwigheid tegen te zenden. Want in ernst M. H., zoo dát de kerk niet vermag, dan weet ik niet waartoe we een kerk begeeren zouden, zoo dát de geest van Christus niet werk, dan begrijp ik niet waartoe God zijn Zoon gezonden heeft en waarom die Christus sterven moest aan een kruis.

Een wedstrijd dus is het wat ik van de toekomst vraag M. H., een wedstrijd van Christus’ geest met den |19| geest der wereld, een edele wedstrijd, waarin hem de kampprijs verblijft, die God het meest verheerlijkt en den mensch het reinst en edelst maakt. En gelooft mij, daar zal elk in juichen M. H., die nog niet wegzonk tot het laagste peil. Onze eeuw die zoo met vrijheid dweept, zal zelve erkennen moeten dat onze kerk, hoe krachtig ook ingericht, niemands vrijheid verkort, zoo ze haar deuren slechts voor niemand opent dan die zelf daar in wil gaan en de beteekenis van dat ingaan kent. De vriend der eerlijkheid zal juichen bij de vernieling van zooveel valsche verhoudingen als thans door de slapheid onzer kerkinrichting zijn ontstaan. Door rusteloozen wedijver met wie anderes geestes zijn, zal elke neiging tot weerinsluimering ons van zelf van de oogen geweerd worden. Meer op krachtsbetoon dan op grootspraak zal het aankomen: minder bekeering gehuicheld en meer waarachtige wedergeboorte worden voorbereid. Zoo zal het winste zijn in elk opzicht M. H., zoo zal de kerk van Christus weer met eere het hoofd kunnen opheffen, en Hij die voor ons stierf zal verhooging van vreugde smaken als ook zij die Hem in Nederland liefhebben, warsch van halfheid en valschen vrede, weer met heiligen moet zijn strijdleuze in hun banier ontrollen „Vuur moet op de aarde geworpen, en wel zoo het brandt!”


II.

Een voortzetting van de vleeschwording des Woord door het wonen van den Christus in en onder ons, — ziet daar dan het van zelf gegevene beginsel der Kerk M. H., dat ons nooit verlegen liet, noch ter aanwijzing van haar oorsprong, noch ter begrenzing van haar gebied, |20| noch bij het ontdekken van haar levenssfeer, noch waar we de wet van haar ontwikkeling opspoorden, noch zelfs ter beantwoording van die hoog ernstige vraag: wat te oordeelen zij van de uitwendige Kerk in het algemeen en van onze Vaderlandsche Kerk in het bijzonder. Ook daarbij bleek weer de deugdelijkheid van den regel, dat het uitgangspunt van alle verklaring moet saamvallen met het uitgangspunt van het leven, dat men verklaren wil, of wilt ge, dat in de kiem de onschendbare grondtrek ligt van het leven, dat zich bij de ontwikkeling openbaart. We gaan dus veilig, zoo we van uit datzelfde gezichtspunt ten slotte nog de niet minder ernstige vraag onder de oogen zien: Wat eischt die beweging van het inwendig Kerkelijk leven van elk Christen in het bijzonder: wat is de plicht en de roeping die de Kerk krachtens haar beginsel aan elk levend lid van haar gemeenschap oplegt.

Het blijft daarbij natuurlijk aan de inspraak van ieders eigen gemoed overgelaten, of hij zichzelven al dan niet onder de levende leden dier Kerk rangschikt, en zoo ja, wie hij bij den strijd voor het Godsrijk als werkelijke bondgenooten begroeten wil. Alleen, wat ik u bidde, laat toch de uiterste behoedzaamheid ons daarbij leiden, en zij het, bij het aannemen zoowel als afwijzen, een waarlijk geestelijk onderscheiden, waarnaar ons voor of tegen zich richt. Nu bij den ontredderden toestand onzer Kerk het parool verraden is, liegt élke leus, misleidt élke wapenkreet, en bezit kleederdosch noch wapenrusting meer afdoende waarde ter herkenning. De slagorde is verbroken: in bonte groepen woelt en wemelt alles in het strijdperk dooreen, en daarom is er geen moeilijker taak dan bij het deinzen en zweven van alle liniën de wezenlijke scheidingslijn te zien, en is er geen gevaar waaraan we meer |21| zijn blootgesteld dan óf met den vijand op te trekken óf den waarachtigen broeder en bondgenoot te treffen in het hart. Men is zeker spoedig gereed, zoo men rechtzinnig en Christelijk ook thans nog voor eensluidend in het Godsrijk verklaart, maar ik zou dan ook de achting die ik u schuldig ben te kort doen, zoo ik voor deze vergadering de zondige oppervlakkigheid van zulk een oordeel nog wilde brandmerken. Neen, is de menschwording Gods het beginsel waar uit de Kerk van Christus leeft, dan volgt daaruit met onverbiddelijke noodzakelijkheid, dat leus noch belijdenis, dat vorm noch begrip, maar alleen het invloeien van het goddelijk leven in ons hart, alleen waarachtige wedergeboorte dus, ons kan overzetten in het Koninkrijk der hemelen. En hebben de begrippen van Christelijk en rechtzinnig elkaar nooit in Jezus Kerk kunnen dekken, omdat het zuurdeesem der Farizeën met de zonde zelve geboren is, hoeveel meer moet dan thans niet alles ons weerhouden van zoo overijld en gedachteloos een oordeel.

Ook in het Godsrijk immers komt het leven eerst en volgt het bewustzijn. Én altijd, maar vooral in dagen als thans waarin de ware Christus zoo weinig getoond en gepredikt wordt, zou er dus leven in het hart kunnen zijn, maar dat sluimeren bleef, omdat het de sfeer van Christelijke kennis en levensopenbaring niet vond, waarin het zich tot bewustzijn ontwikkelen kon. Of wat dunkt u, zou de minachting en spot waaraan het feit der menschwording Gods vooral ten onzent zoo lange jaren ten prooi was, een oorzaak kunnen zijn, dat het goddelijk leven, al was het in ’t gemoed gewerkt, nog vreemd bleef aan die volle verlichting des verstands, die in de realiteit van dat wonder der wonderen den grondslag van geheel het Christendom erkennen doet. Het is immers denkbaar dat |22| voor menig jongeling de strijd met den geest van afval nog te machtig was, om het kind Gods dat van den Heiligen Geest reeds ontvangen was in zijn hart, ook voor de wereld te doen geboren worden. En even zoo omgekeerd. Waarom zou een uit God geboren hart bij gemis in eigen Kerk aan die gemeenschap der Heiligen die het zocht, niet op den weg der secten kunnen zijn afgedoold, zonder daarom nog vervallen te wezen van Christus. Behoef ik u nog te zeggen, hoevelen er in den lande zijn, die wantrouwend jegens de wetenschap eener Kerk geworden, die zonder eenig verzet of betooning van veerkracht haar goddelijk levensbeginsel vernietigen liet, zich van die Kerk en haar wetenschap met wrevel hebben afgekeerd, zonder dat de zelve zoo diep–schuldige Kerk daarom nog het recht heeft, hun de geijkte termen van lichtschuw en duisterling voor de voeten te werpen. O! zeer zeker zijn er onder die allen, ter linker zoowel als ter rechterzijde, niet weinigen die den Christennaam door roof nemen, zonder een schijn van recht zelfs op dien eeretitel te bezitten, — maar even waar is het, dat er ook op die velden waarheen ik u wees menig kostbaar zaad verscholen ligt, dat niemand vertreden mag; dat er ook langs den niet–kerkelijken stroom menig gekrookt riet kan staan, dat wij niet verbreken mogen; dat er ook daar, waar wij niets dan duisternis zien, nog een vlaschwiek in de asch kan roken, die niet mag worden uitgebluscht. Er is een scheidingslijn van kinderen Gods en kinderen der wereld, — wie zou het loochenen die nog gelooft, dat de goede Herder zelf de schapen zijner kudde kent? — maar zal ook onze geest, al was het maar de schemering van die lijn ontdekken kunnen, dan moet onze natuur al zeer veredeld en door den Heiligen Geest verfijnd |23| zijn: dan moet het instinct des Heiligen Geestes als ik het zoo noemen mag, zeer krachtig in ons werken: ja, ik zou zeggen, dan moet onze gemeenschap met den Christus die innige zijn, dat we naast den broeder dien we keuren zullen, de gestalte van den Christus zelven plaatsen, om het uit zijn trekken te lezen, of hij, de Christus zelf, hem als den zijne erkent of verwerpt.




En wat dan de taak is waartoe we ons met hen die we als bondgenooten erkennen, hebben aan te gorden? Wat anders dan om krachtens de wet die in de menschwording Gods ligt uitgesproken het goddelijk leven, zoo ons gemoed dat ontving, al meer in onzen eigen mensch, in de menschheid, in al wat menschelijk is te doen doordringen. De majesteit Gods in haar ongetemperden luister verbindt ons maar koestert onze ziele niet. De waarheid in haar ingebroken eenheid is ons te machtig: haar licht, waar het zijn vollen gloed uitstraalt, is te schel voor ons oog: al het goddelijke in zijn heilige afgezonderdheid is te overstelpend groot voor ons wezen. Aanbidden, bewonderen kunnen we dat, maar in ons opnemen en inweven in ons eigen leven niet. En daarom liet Hij, die wist wat maaksel we zijn, omsluierd door de knechtsgestalte in Christus zijn beeld voor ons optreden: daarom verdoofde hij zelf den luister van zijn majesteit, opdat we hem zien en nogtans leven zouden: daarom werd God mensch, opdat de mensch het goddelijk leven zou kunnen bezitten.

Hebt gij dus den geest des Heeren verstaan, woont in u de zin van Christus, dan erkent ge uw roeping, om het goddelijk leven, zoo het u werd ingestort, al meer in uw menschelijk bewustzijn te doen ingaan: dan |24| is het u maar niet genoeg om de waarheid gelijk ze ongebroken in Christus ligt aan anderen aan te kondigen, maar dan voelt ge uw plicht, om die waarheid in u zelven gedurig mensch te laten worden en uit de diepten van uw eigen gemoed die waarheid als geest en leven voor anderen te doen schitteren. Niet door ons werkeloos bij den goudmijn, dien we in Christus ontdekten neer te vleien, maar juist door onvermoeid steeds verder zijn goudaderen open te leggen, wordt de begeerte naar den rijkdom van Christus in het hart van anderen geprikkeld. Juist omdat u de dorst gelescht is, moet ge weer telkens met uw eigen ziel uit de bron des levens putten voor hem die nog versmacht. Niet ’t minst door erbarming met anderer lot moet de bede om zelf meer genade te ontvangen u gedurig op de lippen worden gedrongen, en niet een zelfgenoegzaam u terugtrekken, maar een u gebruiken laten door den Heer om Hem aan anderen te vertolken, is de wet der dienende liefde die ook voor u in het rijk van Christus geldt.

Maar juist om dat te kúnnen moet gij Christus eerst laten doordringen in uw eigen wezen: het goddelijke een vorm laten verkrijgen in uw eigen mensch. Wat nut u het bezit van het goddelijk leven, zoo ge het als afgezonderd bestanddeel ongebruikt en onverwerkt liggen laat op den bodem van uw gemoed. Neen van uit ons gemoed, als het middelpunt van ons wezen, moet die goddelijke kracht langs al de stralen van ons geestesleven naar geheel den omtrek van ons menschelijk bestaan geleid. Niet afgezonderd blijven, maar doordringen moet de Heilige Geest om door zijn toovermacht uit den bouwval van ons menschenhart weer een tempel voor God te doen verrijzen. Verfrisschend en bezielend moet Zijn heilige adem gaan over al onze neigingen en |25| begeerten: veredelend op ons gevoel, verscherpend op ons geweten, zuiverend op onze verbeelding, verhelderend op ons verstand werken, om zoo langs elken geleiddraad van ons wezen den wil te bereiken en onze verwoeste natuur in die nieuwe persoonlijkheid om te zetten, die naar God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid. Dàn eerst is ons eigendom werkelijk bezit: dan eerst wat we in Christus hebben ons door den Geest waarlijk toegeeigend geworden: zoo eerst wordt de Christus buiten ons door den Christus in ons voor waarachtig erkend, en zoo eerst rijpt op de wortel van ons zieleleven die edele vrucht, die een zegen ook voor den broeder worden kan.

Werp dan die vrucht hem in de schoot, en voed de ziel die zelf in Christus nog niet wortelt, met het afgeleide levenssap dat gij uit Hem ontvingt. Wees ook daarbij niet gemaakt of gekunsteld, maar natuurlijk en vrij, en werk veel door vermaning, meer nog door geloofsgetuigenis, maar door openbaring in het leven allermeest. Het Goddelijke, dat ge eerst in uw eigen mensch deedt doordringen, van u uitzenden langs al de gangen van het menschelijk leven, dus luidt de eisch die in Christus menschwording tot u komt. Zijn Hem alle dingen van den Vader overgegeven, Hij wil dan ook dat gij Zijn Geest, Zijn leven van uit uw eigen hart al meer in alle dingen brengen zult.

Geen gebied des levens blijve u dus als christen vreemd! Geen levensvraag worde opgeworpen, waarop door u geen antwoord van den Heer gezocht wordt. Geen talent zij u toebetrouwd, waarmeê gij voor Hem die u verlost heeft niet in het leven der menschheid zoekt te woekeren. In elken wedloop des levens vinde de wereld u steeds vooraan, genoopt om zij ’t ook met onwillige hand u te |26| lauweren en kronen. Hebt gij gaven der wetenschap, werk, arbeid dan zoolang het dag is en toon het der wereld dat eerst Christus in ’t hart die eenheid aan ons geestesleven geeft die het streven van ons denken tot wetenschap stempelt. Viel u kunsttalent ten deel, wees dan priester in haar tempel, maar gezalfd met den geest des Heeren en dwing de wereld te erkennen, dat de Christelijke kunst de waarachtig verhevene is, wijl haar oog alleen de reine gestalten van het goddelijk schoon ontdekt. Gaf God u zangersgaven, zing dan met volle borst uit God maar voor het leven en bewijs het van nieuws dat de diepere snaren van het gemoed eerst trillen waar de Christenzanger ze bespeelt. Is menschenkennis de gave, waar uw kracht in ligt, ontleed dan met den meesterblik dat raadselachtig menschenhart, en wijs in de voegen van dat hart de plaats nog aan, waar het uitgewischte beeld van den Onzienlijke gestaan heeft, om zoo nog uit de verwoesting van het menschenhart voor den Christus te getuigen. Hebt gij gaven der profetie, getuig dan uit de volheid des Geestes tegen den ongoddelijken geest der wereld en profeteer met heilige geestdrift van den triomf die het Godsrijk wacht. Zoo vloeie frisch en levendig de stroom des Geestes van uit uw hart over alle velden des levens. Zoo adele Christus geest den geest van elk christen huisgezien, verheffe den levenstoon onzer samenleving en heilige elke levensuiting in omgang en gesprek. Zoo vorme Christus geest de christin steeds tot de beste moeder, den christen tot den trouwsten echtgenoot. Zoo betoone die Geest in u zijn macht om alle valsche scheiding tusschen mensch en mensch uit te wisschen en u de juist verhouding te doen vinden, die heer en dienstknecht niet scheiden maar vereenigen moet. Zoo zij de jeugd onzer |27| christelijke scholen het diepst met eerbied jegens vader en moeder vervuld, het vluchtst ontwikkeld, steeds vooraan in den wedloop ook waar het de eerekrans geldt op maatschappelijk gebied. Zoo worde den christen die neering drijft de bede om zegen nooit door het zelfverwijt van oneerlijheid op de lippen gesmoord. Ja zoo werke elk uwer die van God bekeerd is, al roemt ge ook slechts in een enkele gave, er naar zijn mate toe mede, om de kracht die ge uit God ontvingt, in het menschelijk leven te doen ingaan, Christus een gestalte in de menschheid te doen verkrijgen, het rechtzinnig Christendom in eere te brengen, en zoo elk in uw eigen taal het uit te spreken, dat geen „Excelsior” ons den berg kan doen beklimmen, dan waar Christus in ons hart nederdaalt, om ons naar den bergkruin te geleiden.

Maar genoeg M.H. om u te toonen hoe hartelijke verkleefdheid aan den Christus Gods voor mijn gevoel den blik juist verruimt, het hart uitzet en tot krachtiger levensopenbaring prikkelt. Immers de Christus in ons kan geen andere zijn dan de Christus van voor achttien eeuwen. Gelijk het kindeke te Bethlehem geboren zoo moet ook de Christus in ons dus mensch worden in vollen, rijken zin. Gelijk de Christus van toen, zoo moet de Christus die thans in zijn gemeente leeft, zich niet schuilhouden en terugtrekken, maar uittreden en zich openbaren aan de wereld. Als de Christus van voor achttien eeuwen, moet de Christus die in ons is neergedaald, niet gluipend bespieden, maar met het ruimste hart erbarmend voor allen zijn. Als de Christus van Judea’s bergen zoo moet de Christus in ons zich geven aan de wereld, haar geest tot drank, tot spijze voor haar ziele. Als de Christus die den tempel reinigde, moet de Christus in ons eigen hart in |28| heiligen ijver toornen kunnen, mits bereid om als de Christus die op Golgotha stierf, zelf verbrijzeld te worden met een gebed voor den vijand op de lippen. Ik ben het Leven, het rijke, reine, reddende leven! dát roepe de Christus in ons eigen hart maar met steeds krachtiger toonen voor het oor der levensarme wereld uit, — en dan geen vreeze M.H., al steekt ze ons dan de doornen diep door het vleesch, om kon het zijn, nog eens den Christus in ons een kroon van doornen te vlechten, dan zal ze toch eindigen met óf naast ons neder te knielen óf nog in de stervenskreet van haar verbrijzeld zieleleven Hem te huldigen, dien onze ziel als den Vorst des levens aanbidt.




Toespraken


Nog een vluchtig woord zij mij ten slotte vergund aan hen, die het Staatsgezag, de Wetenschap en de Christelijke Kerk in uw midden vertegenwoordigen.

Aan de Overheid zij die eerbiedige groet het eerst gebracht, en daarmeê de betuiging van mijn onderdanige hulde U allen aangeboden, die als ’s Konings Stedehouder, van ’s Koningswege of door den volkswil verkoren, dragers zijt van het hoog gezag in dit Gewest en te dezer Stede. Dringt het Evangelie dat ik dien dán zelfs tot voorbidding voor de machthebbenden, zoo de overheid haar macht keert tegen dat Evangelie, hoeveel gereeder moet dan thans het gezag U opgedragen door de Kerk niet gehuldigd worden, nu dit veelszins zelfs ten gunste gestemd is van het streven dat ons bezielt. Niet meer saamgehuwd, niet meer hand–in–hand, maar toch |29| door gelijksoortig streven saamverbonden zoeken Staat en Kerk thans elk voor zich heur roeping te volbrengen. Mochten beiden daardoor tot steeds voller krachtsbetoon in eigen sfeer geleid worden en zoo onze eeuw ons de practische oplossing brengen van een der neteligste vraagstukken, waaruit voorheen zooveel droevig misverstand geboren werd! Met dieper waarheid dan ooit vroeger kan in die hope en dat vooruitzicht de dienaar der Kerk U thans de verzekering van zijn hulde en eerbied brengen, en weerkeerig die waardeering van zijn eigen streven verwachten, die aan de wederzijdsche verhouding van Staat en Kerk alle stroefheid ontneemt, die vrij en ongedrongen maakt, en daarom vruchten voor het leven dragen kan, omdat ze in de werkelijkheid wortelt.


Met niet minder warmte breng ik U de betuiging van mijn hoogachting, Hoogleeraren der Hoogeschool, U vooral die de Godgeleerdheid als wetenschap handhaaft. Heilig is uw roeping, vooral na een verleden als waarachter we thans staan. Heeft minachting van verlichting des verstands het Christelijk bewustzijn beneveld en verduisterd, dringend maar goddelijk schoon is dan ook de noodkreet die uit den schoot der gemeente tot U opgaat, om de volheid van het Christelijk leven weer voor het denken onzer eeuw te ontsluieren. Gaat wie Christen wordt uit den ouden dampkring in de frissche levenssfeer van Christus over, hij laat daarom zijn denken niet achter, maar wil ook als Christen denken, als Christen zichzelven begrijpen en van uit het nieuwe standpunt dat hij inneemt een juister blik verkrijgen op geheel die wereld die zich voor zijn denken ontrolt. O! daar is diepte van leven, daar is veerkracht van denken, daar is talent des geestes, daar is |30| scherpheid van blik toe noodig, meer dan elk Christen ontving, — en daarom juist wacht de gemeente op U, om weer telkens nieuwe vruchten van uw denkend leven te plukken: daarom bidt ze U verdubbeling van kracht toe bij den reuzenarbeid die U is voorgelegd, en daarom brengt ook mijn hart U de warme bede, dat de gemeente des Heeren zich nog in lengte van dagen verheugen moge in de rijkste schittering van het licht dat in uw geest ontstoken werd.


Gelooft mij, dat diezelfde gemeente, ja dat geheel ons lijdend Vaderland, evenzeer met grootsche verwachting op U het oog gericht houdt, jeugdiger beoefenaars der wetenschap, die als Kweekelingen aan die Hoogeschool U vormt voor het leven. Met die warme bezieling, die nog door geen teleurstelling is afgekoeld, met die frissche veerkracht die nog door geen droeve ervaring is geknakt, werpt gij U op die machtige levensvragen, die geheel den bodem loswoelen, waarop het verleden zich eens veilig had gewaand. O! Er ligt iets ontzettends in dat onderling worstelen van al de elementen van ons menschelijk bestaan! Maar toch ook genieten is het te leven, te denken, te gelooven vooral in een tijd, waarin alles prikkelt tot ernst, dringt tot krachtsbetoon en zelfstandigheid van karakter de eerste aller eischen is voor elken geest die denkt. O! Mocht de stroom van U aller gemoedsleven diep genoeg door den storm onzer dagen bewogen worden, om U de schreiende nooden onzer eeuw zelven in ’t hart te doen doorleven. Alleen zelf doorleven is kennen in die hoogere beteekenis, waarin alleen kennis U bekoort. Leeft veel, leeft diep en volk, door elke valsch rust te bannen en den strijd met U zelven te zoeken: leeft hier zelven om |31| welhaast in Kerk of Maatschappij voor anderen te kunnen leven: en zijn er onder U die met mij voor den Christus neder knielen, zij ’t dan onder lust en leuze, al meer die heilige liefde voor de waarheid te toonen die dan eerst in het hart ontwaaakt, als die waarheid ons geen afgetrokken gedachtenbeeld meer is, maar als werkelijk en levend, als persoonlijk en bezielend in Christus voor ons treedt.


En keer ik dan in de schoot onzer kerk terug, laat mij dan eershalve mij het eerst tot U mogen wenden, die als Kerkvoogden en Notabelen de uitwendige belangen onzer kerk verzorgt. Moet de kerk zichtbaar in de wereld optreden, moet ze ook een stoffelijken, tastbaren vorm bezitten, niet geringe dank is ze dan U verschuldigd, die U dat min bezielende deel van haar levenstaak niet verdrieten laat. Vergunt mij, dat ik met de betuiging mijner hoogachting U mijn hulde breng bij het schitterend getuigenis dat althans dit bedehuis van Uw zorge aflegt. Winne zoo al meer de overtuiging veld, dat de godsdienst van Christus met het sombere en onoogelijke niets gemeen heeft, maar juist het frissche en levendige, wat schoon is en wél luidt zoekt. Moge zoo al meer door Uw gewaardeerde zorge het heilig huwelijk van godsdienst en kunst ook in het uitwendige gelaat onzer bedehuizen hersteld worden. Zoo zal de echt Christelijke geest ook in die stoffelijke vormen zich afspiegelen, niet alleen ons hart, maar ook die steenen om ons van Hem spreken die in alle dingen werkt, en langs dien weg ook de moeite door U aan onze kerk ten beste gegeven dat heilig karakter dragen waardoor ze Hem verheerlijkt, wien ook het bedehuis is gewijd. |32|


Verheerlijking van den Christus, dat is immers het doel, waarheen zich ook Uw streven richt, Broeders! die als Leden van den Kerkeraad het geestelijk bestuur der gemeente voert. Laat mij met het oog op dat streven U van harte de broederhand reiken mogen en U dank zeggen voor het vertrouwen, door Uw keuze in mij gesteld. O! ik weet er iets van bij ervaring, hoe moeilijk het is, om het ontredderd schip der kerk bij een storm als thans is opgestoken nog veilig te sturen: orde te handhaven, waar wanorde haast beginsel is geworden, en nog gang te houden in een organisme, zoo stroef, zoo gebrekkig en zonder veerkracht als onze kerk thans is. Het is soms om moedeloos te worden, als gedurig uit dien gedrochtelijken toestand zelfs voor ons geweten een strijd geboren wordt, en bij de uitkomst zoo vaak niets dan ergernis en teleurstelling al onzen ijver en onze geestdrift loont. Maar neen laat ons dat niet doen Broeders! Moedeloosheid is zonde. Laat ons liever het gedurig elkaar herinneren, dat in ons zelven zoo dikwijls de schuld ligt van eene mislukking, die wij zoo licht geneigd zijn uit oorzaken buiten ons te verklaren. Laat ons volharden: minder onszelven zoeken en meer in echten zin de gemeente dienen. Zoo zal al meer zich ook in U de overtuiging bevestigen, dat we de overwinning nader komen, naarmate we het oude zuurdeesem krachtiger uitzuiveren, en in de kerk, die des Heeren is, den Heer, den Heer alleen heerschen laten.


Juist omdat mijn hart aan nog inniger levensgemeenschap met U behoefte gevoelt, kom ik met nog meerderen schroom tot U, Ambtgenooten met mij in dezelfde bediening. Juist omdat de gemeenschap des |33| arbeids mij tot U in zooveel nauwere betrekking plaatst, vraag ik het met dubbele zorg aan de toekomst, of zij ook met het oog op U mij de verhooring mijner bede brengen zal. Van harte dank ik U voor de welwillendheid waarmeê ge mij dusver tegenkwaamt, en met aandrang vraag ik U, blijft mij die schenken, ja schenkt ze mij in steeds klimmende mate, en geef bovenal dat Uw rijper ervaring, Uw meerdere kennis der gemeente ook voor mijn arbeid een rijke vrucht moge afwerpen. Hoog waardeer ik het voorrecht dat ik in U een kring van broederen begroet, waarin de strijd der beginselen die is aangebonden nog geen scheiding gebracht heeft, en die nog door éénen geest verbonden zijn. Ligge in die eenheid onze kracht Broeders! maar zij het die echte eenheid die, ongedwongen en natuurlijk, ruimte laat voor die eigenheid van ieders gave en karakter, waaruit de ware eenheid juist groeit. Draagt dat ook in mij en laat ook mij zoo deel mogen nemen aan Uw onderlingen wedijver wie de behoefte onzer eeuw het diepst gevoelen en het best uit Christus’ volheid vervullen zal. En kwaamt gij mij dusver uit welwillendheid met vertrouwen tegen, gelooft mij dat ik niets vuriger wensch dan spoedig dat vertrouwen te verdienen, en kan het zijn, mij een deel te verwerven van de liefde van Uw hart. 1)


En nu Gemeente! rond en open heb ik bij mijn eerste optreden mijn gevoelen uitgesproken over die levensvraag |34| van ’t heden, die de Heer mij op mijnen levensweg het meest voor den geest heeft gevoerd. Mijnerzijds is daarmeê althans iets van die onbekendheid weggenomen, die het vertrouwen zoo terughoudt, en het uitgaan van het hart belemmert. Wat nog daarvan overbleef, wijke spoedig! Mocht ik hier en in uw andere bedehuizen maar nooit voor U optreden dan in het levendig bewustzijn en heiligend gevoel dat de Heer in ons midden is. Doe mij geopende harten vinden, ook waar ik aan uw huizen tot u kom, en zal ik dán het meest in uwe woningen verkeeren als de Engel der smart mij is voorgegaan en de levensernst bij U heeft aangeklopt, o! bidt dan Gemeente! bidt, dat mijn gemoedsleven dan nooit die heilige wijding misse, die door den doop der smarte zoo rijkelijk in die ure over uw ziel zal zijn uitgegoten. Amen.





1. Zeer tot mijn spijt is hier door vergissing een woord van dank uitgevallen aan mijn Hooggeachten Medebroeder, die mij des morgens tot de Gemeente had ingeleid met een zoo diepgevoelden en heiligen ernst, met zulk een teederheid en medegevoel, dat die stille morgenure nog lang een heilig en plechtig levensuur in de herinnering voor mij zijn zal.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000