„Geworteld en Gegrond.”

De Kerk als organisme en instituut

Intreêrede

uitgesproken in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, 10 Augustus 1870
door Dr. A. Kuyper


Amsterdam, H. de Hoogh & Co., [1870]

a



De onderwerpen bij mijn scheiden van Utrecht en mijn komen te Amsterdam, voor de gemeente behandeld, beheerschen den kerkelijken toestand.

De orthodoxie verweert zich: ze legt de hand op een goed, dat de tijdgeest vernietigen wil. Dit maakt haar conservatief. Maar de vraag is: strijdt ze voor een levensbeginsel, of slechts voor enkele der gevolgtrekkingen, die uit dit beginsel zijn afgeleid?

Zoo het eerste, dan zal ze leven. Zoo het laatste, dan sterft ze weg.

Er zijn maar twee beginselen, die een eigen wereld, een geheel eigen levenssfeer in zich dragen: de eeuwige verkiezing en de humaniteit. Zoolang de orthodoxie dus niet met wélbewuste beslistheid tusschen beiden kiest, laat ze door eigen schuld den Davidsslinger ongebruikt liggen, die ze in dat reusachtig beginsel der „verkiezing”, èn naar de Schrift, èn naar Augustinus, èn naar Calvijn bezit.

Voor dat conservatisme, dat slechts het bijkomstige behoudt, met prijsgeving van het beginsel, waarschuwde ik in mijn afscheidswoord 1).

Tot terugkeer naar een eigen beginsel, wekte ik in mijn intreêrede op.

Heeft toch de kerk een eigen levensbeginsel, dán, maar ook dán alleen, moet dat leven zijn zelfstandigheid naar wezen en vorm openbaren. |4|

Zoowel de verloochening van het eigen organisme, als de niet-handhaving van het eigen instituut, verraden nog een weifeling bij de keuze, die in den diepsten grond tusschen „verkiezing” en „humaniteit” aan het hart gesteld is.

Aan het slot van het 42e hoofdstuk zijner godspraken beschrijft Ezechiel den muur, die gesteld was: „om onderscheid te maken tusschen het heilige en onheilige.”

Die muur nu bestaat niet slechts in de erkenning van de „zonde”, niet slechts in de aanvaarding van het „wonder”, maar sluit eerst in de „verkiezing”.

Uit de belijdenis dier feiten moet de kerk leven, van die feiten moet ook haar vorm de uitdrukking zijn.

Alle kwestiën, die met het kerkelijk vraagstuk samenhangen, moeten door de aanvaarding of verwerping van déze beginselen beslist worden.

Daarom meende ik, opzettelijk het streven van zoovelen in onze dagen te moeten toetsen, die de moeilijkheid van den toestand zoeken te ontgaan, óf door het beginsel van een eigen leven te loochenen, òf door het noodwendig verband tusschen organisme en instituut te verbreken.

Alles hangt hier aan de juiste onderscheiding: dat in de orthodoxie het eenig ware beginsel ligt, maar dat de rechtzinnigen in het land krachteloos zijn, zoo ze uit dit beginsel niet leven; terwijl de niet-rechtzinnigen door de beweging van hun leven een onmiskenbare kracht oefenen, maar die toch ten slotte wegvloeit, wijl ze de wortelen van dat leven niet concentreeren in het ware beginsel.

Het ligt in den aard der zaak, dat de beperkte ruimte eener kerkelijke toespraak, de poging zelfs tot volledigheid buitensluit.

Toch meende ik daarom het gesprokene niet onder mij te mogen houden.

Immers, alleen door uitgave dezer toespraken wordt hun, die ik bestreed, de mogelijkheid van critiek geopend.

K.

Amsterdam,

10 Aug. 1870.




Efeze 3 : 17m.

„Geworteld en gegrond.”

Zoo zij dan mijn begin in uw midden, M.H. „in den naam des Vaders en des Zoon en des Heiligen Geestes,” en dies, gelijk het betaamt bij zoo heerlijke belijdenis, in stille vrees en nochtans in onwankelbaar vertrouwen. Aanvaardt dan mijn betuiging, dat ik met heel mijn hart tot u kom, gelijk ik met den ernst der oprechtheid mij reeds in ditzelfde bedehuis aan u heb verbonden. Wat ik slechts vraag, het is: Vergt niet, dat ik nu reeds in verheugde stemming die verbinding aan uw gemeente vier. Die verheuging is mij thans nog onmogelijk, nu het vaarwel aan zooveel oude vrienden pas mijne lippen wegstierf. Zoo ik nu reeds juichen kon, immers, óf mijn leedbetuiging ginds, óf mijn vreugdebetoon hier, zou onoprecht moeten wezen, en een hart van weinig diepte verraden, waarin smart en vreugd zoo spoedig wisselen kon. En daarom, hoe warm ik u ook dank voor de liefde, waarmeê gij mij reeds tegenkwaamt, hoeveel mij in uw gemeente ook aantrekke, laat de eisch van het hart, bid ik u, vooralsnog zijnen vrijen loop hebben, en duldt het, dat ik met bezadigden ernst en kalme nuchterheid mijn bediening in uw midden aanvaard.

Slechts over één ding ontveins ik nú reeds mijn vreugde niet: het is, dat ik in uw midden komend, komen mag, geroepen door u. Dát is mij goed, dat de vrije keuze der gemeente zelve mij de bediening opdroeg, en dus niet in eenig lichaam buiten u, maar in u zelf de grondslag mijner werkzaamheid rust. Wel weet ik, dat ook bij die keuze, niet allen mijn beginsel, — dat ook bij eenheid van beginsel, niet allen mijn persoon begeerd hadden; maar ik weet ook dat dit bij elke keuze onder vrije mannen steeds zoo was. De beteekenis |6| dier vrije stemming wordt daardoor in mijn schatting volstrekt niet verkleind. Ook zóó toch is de keuze der gemeente de titel, waaraan ik het recht van mijn optreden ontleen. Door haar sta ik op vasten bodem en is de weg tot vertrouwen gebaand. Juist door die keuze sta ik tot de gemeente in ongedwongen betrekking, en, wijl ik mijn gedachten nooit gesmoord heb, weet ik door die keuze, wat de gemeente van mij wil.

Meent echter niet, dat ik mij daarom het hachlijke verheel, dat in dien nieuwen rechtstoestand schuilt. Diep gevoel ik het: Die nieuwe verkiezingswijs draagt in haar schoot een nieuwe kerk, en ook hier komen de geboorteweën niet zonder smart en gevaar. Reeds is elke overgang bedenkelijk, en hoe dan niet een keer van zaken, zóó plotseling, zóó volstrekt, als we thans in onze kerk aanschouwden? We verlieten de oude paden, maar nog vraagt elk: waarheen? Vandaar een spraakverwarring zoo schromelijk, een verbijstering zoo jammerlijk, een gisting zoo gevaarlijk, als ons thans in elk brandpunt van ons kerkelijk leven verontrust. We weten, waaraan we reeds hálf ontkomen zijn en heél ontkomen zullen, maar wie richt ons ook op een vast, onwrikbaar doel, en wie zal ons den weg banen, die door deez’ bajert van verwarring, zéker naar dat doel geleidt? Bovenal, waar ligt in die golvende baren van ons kerkelijk leven, dat vaste steunpunt, vanwaar zedelijke kracht kan geoefend worden, zonder een overmoed die de ontferming bant, zonder hartstocht, die onbillijk maakt, meer nog, zonder die roekelooze overijling, die alles bederft, wijl ze ons jaagt voorbij ons doel?

Zoo vraagt men, en verward is het gedruisch van stemmen dat bij het uiten van die vraag opgaat. Maar toch, luisteren we wel, dan is er een drietal stemmen, dat zich boven anderen in die warreling van klanken hooren laat. Hier wenscht men de kerk in de maatschappij te doen uitvloeien, daar ze op nieuw naar Rome’s leest te schoeien, en ginder ze te doen uitgroeien in de vrije kerk onzer eeuw.

Weg met de kerk, als instituut of instelling! roept de een, slechts als organisme moet het Christelijk leven blijven. |7|Gij wassen, ik minder worden,” b dus luidt de ootmoedige betuiging, die het der kerk voegt te brengen aan het maatschappelijk leven. Uit te vloeien in den staat moet toch het doel van het Christendom wezen, en daarom, neemt eens de staat in eigen boezem op, wat eerst de kerk alleen herberg schonk, van zelf neemt die kerk dan een eind.

Maar, neen, niet die overgeestelijkheid, die alles vervluchtigt! roept juist de andere stem. Niet een organisme, instelling allereerst, instituut bovenal, moet Jezus kerk ons worden. En daarom Rome’s leest weer opgezocht, niet om Rome’s misbruik, maar om Rome’s kerk terug te roepen. Want van beiden één, óf weer een kerk worde het, niet in de menschheid rustend, maar vast en onbeweeglijk aan de menschheid opgelegd, óf wel, wat ge met den naam van kerk nog bestempelen wildet, is dien heiligen naam onwaard.

Een derde groep eindelijk, even fel gekant tegen geestelijke doorvloeiing, als beducht voor versteening, bezweert ons, dat we de kerk, noch als organisme, noch als instituut zullen prijs geven, maar beiden saam in de vrije kerk vereenigen. De vrije kerk! Vrij, want onbelemmerd moet de stroom van het Christelijk leven golven kunnen, maar nochtans kerk blijve ze, want de stroom smoort in de vlakke velden, zoo ge zijn oevers slecht. „Een vrije kerk,” zietdaar wat ons het raadsel op kan lossen, want vrij moeten we zijn, om aan Rome’s onbeweeglijkheid, maar kerk niet minder, om aan de verdamping van ons levensvocht door het spiritualisme te ontkomen.

*

Zal de Schrift ook hier ons ten toetssteen zijn, en bij het keuren dier stemmen leiden, dan schijnt het mij ontwijfelbaar, dat alleen de laatste meening door de Schrift wordt beaamd. Handhaven toch de beide eerste zienswijzen, die ik schetste, de Kerk òf uitsluitend als organisme, òf uitsluitend als instituut, dan pleit ons woord uit den Efezerbrief reeds voldingend tégen beider streven, en dus vóór de vrije kerk, die noch |8| het organisme der kerk prijsgeeft, noch haar instituut verwoest.

Geworteld én gegrond,” zegt de apostel en spreekt daarmee immers, zoo kort als kernachtig, dien tweevoudigen eisch, dien dubbelen karaktertrek uit van het Christelijk leven. Geworteld: dat is de kenschetsing van het organisch leven, maar ook gegrond: dat is de eisch van het instituut.

Geworteld,” dat is de beeldspraak van het vrije leven, dat niet door ’s menschen kunst, maar onmiddellijk uit de hand des Scheppers voortgekomen, in eigen kern de kracht, in eigen kiem de wet zijns levens draagt. Dat beeld vindt ge terug in den wijdgetakten boom, die uit het mosterdzaadje opschiet. Het speelt u voor den geest, als het „samengroeien tot één planting” de band heet, die aan Christus bindt. Hij de wijnstok, wij de ranken, verdorrend buiten Hem, maar vruchtbaar zoo we in Hem blijven, het spelt alles dat organisch leven met beeldspraak aan den plantengroei ontleend. Evenzoo wijst het zuurdeeg in de mate meels ons op een gisting, die van zelf werkt. En bovenal het schriftbeeld van het lichaam, bij voorkeur van de kerk gebezigd, het eischt organisch leven, bindt de deelen saâm door een kracht die onzichtbaar werkt, en doelt op een natuurlijk wassen, niet door wat wordt bijgevoegd, maar door kracht van binnen uit.

Geworteld dus, maar evenzeer „gegrond,” want naast die lijn van gisting en van groeikracht loopt in de Schrift een andere reeks van geheel verschillende beeldspraak, niet aan de natuur, maar aan het werk van ’s menschen hand ontleend. In die reeks wordt niet het groeiend lichaam, maar het opgetrokken huis ons meest als beeld der kerk gegeven; een huis door ’s Heeren Geest tot Zijnen tempel gewijd, en straks zich uitbreidend tot de afmetingen eener gansche stad, wier naam haar aard zal uitdrukken, „Jeruzalem, dat vrede brengt.” De kerk groeit niet slechts, maar wordt evenzeer gebouwd. Vandaar dat telkens dringen op het eenig fondament, dat telkens wijzen naar den grondslag, waar het huis op rusten moet. Geschraagd door zijn pilaren, en klemmend in zijn vastigheid, wordt dat |9| huis door den uitersten hoeksteen saamgehouden. Het rijst omhoog, de bouwlieden verblijden zich, en het doel van aller streven is, dat dat huis worde gesticht.

Geworteld én gegrond,” dat is dus organisme en instituut vereend, en waar de Schrift zelve tegen scheiding waken wil, daar weeft ze beiden dooreen. Daar vloeit, door den mensch die zaait en plant, het beeld der groeikracht in dat der instelling, door den steen, die leeft, het beeld der stichting in dat van het organisme over. Één brood wordt dan de kerk des Heeren, gegroeid naar zijn bestand, maar niettemin door ’s menschen hand, als deeg gekneed, als brood gebakken. Een priesterschare heet ze dan, door geboorte gerechtigd, maar eerst door zalving gewijd. Een bruid door den Vader verwekt, maar door keuze genomen. Een volk eindelijk, wel aan den levensstam ontsproten, maar niettemin door vroedheid georden en door zelfwerkzaamheid geleid.

Niet bijkomstig maar maatgevend is dus beider verbinding in den tekst. Van de Schrift wijkt elke zienswijs af, die, òf beide grondlijnen buiten samenhang plaatst, òf de ééne scherp volgend, de andere uitwischt. Elk kerkbegrip is op zichzelf mislukt te achten, dat òf het raken dier beiden verhindert, òf één dier beiden versmaadt.

*

Ja ik ga verder, M.H.! Die wet, waarvan Paulus’ woord de uitdrukking is, geldt niet slechts van de kerk, maar van elk leven, dat met ’s menschen bewustzijn in aanraking komt. „Eden wordt geplant, maar de mensch zal het bebouwen,” dus luidt de grondwet der schepping. D.w.z.: De schepping is van God gewrocht, gewrocht mèt het leven, dat zwelt en tintelt in haar boezem, mét de krachten, die sluimeren in haar schoot. Toch, zooals ze daar lag, vertoonde ze nog slechts haar halve schoonheid. Maar nu kroont God haar met den mensch, en hij is het, die haar leven oproept, haar krachten wekt, en met zijn hand de heerlijkheid te voorschijn brengt, die wel in haar diepte besloten lag, maar nog niet blonk op haar gelaat. |10|

Reeds de onbezielde schepping toont dit. Zie slechts de erve onzer woning aan, en vraag, wát ze van nature was, en, wát ze door der vaderen geestkracht is geworden. Zoo ook, de kracht, die langs metalen draad ons woord, of die andere, die langs het ijzeren spoor ons zelf doet voortsnellen, ze lagen in die schepping reeds van Eden af, maar thans eerst heeft ze ’s menschen geest ontdekt, doordacht, geordend. Het gewas groeit uit organische kracht, maar ’s menschen hand wederom bereidt het een vruchtbaren bodem, besnoeit het wilde lot, leidt de takken naar den drang der sappen, en kweekt door vindingrijke zaadmenging nieuwe kruidsoorten aan. Het wilde wouddier zwelt en trappelt wel van vol organisch leven, maar eerst door den mensch getemd, door ’s menschenhand geleid, door ’s menschen kunst in keurrassen veredeld, bereikt die wilde natuurkracht haar doel. Kortom, vergelijk het woeste oord met de bewoonde landstreek, leg de schepping met en zonder mensch naast een, en alles getuigt immers, én van een schepping, die onmiddellijk gewrocht werd, én van een volmaking dier schepping, nu ze de Heer voltooit door den mensch.

Maar natuurlijk, veel sterker nog komt dit uit in de menschenwereld zelve. Een ander is in ons het instinctieve leven, een ander ons leven met bewustheid. Wat instinctief in ons werkt, komt met ijzeren noodzakelijkheid van zelf in en door ons tot stand. Zoo komt het huisgezin, de maatschappij en het staatkundig leven, bij den eersten stap zijner ontwikkeling uitsluitend uit natuurdrang voort. Allerwege vertoont het daarom eenzelfde gedaante, volgt het eenzelfde wet, wortelt het in eenzelfde bodem. Maar dát is slechts de eerste phase, dát het bloot organisch leven, het beeld vertoonend van het kind, — tot eindelijk het bewustzijn opwaakt, de betrekkingen van dat huisgezin naspeurt, die maatschappij doordenkt, dien staat door zijn gedachten regelt, en het organisch leven veredelt door de kracht van het instituut.

Zoo als het scheppingsverhaal heet: „Zijn werk, dat God volbracht had, om het te volmaken” — zóó is het, M.H.! Niet als om een deeling te maken, zeggende: |11| „dit wrocht de Heer,” „dát is door den mensch gevormd.” Houdt ge die tegenstelling vast, dan is de mensch volstrekt niets, en wat zou dan het niet vermogen. Ik ken maar Één, die dit machtig raderwerk tot aanzijn riep en al zijn veren stuwt en voortdrijft. Het is de Heer! Ook bij die tweede schepping is Hij het, die het doet, en ons als instrument gebruikt, om straks ons in Zijn vrijmacht weg te werpen, zoo we tot Hem niet zijn bekeerd. Wat wij ook streven, het plan waarnaar, de kracht waardoor, de stof waaruit, de grondslag waarop wij bouwen, het is alles Zijns. Wij zelven die het doen, wat zijn wij anders dan zijn brooze schepselen? En daarom, ook bij die onderscheiding, is Hij alleen van alles, wat gebouwd of wat gegroeid, van wat gegrond, of wat geworteld is, de Oorzaak en de Bron, de Springaar en de Werker. Uit en door en tot Hem is het al!

*

Zoo er dus geen zonde ware, zou hiermeê ook voor de kerk reeds alles zijn gezegd, . . . zoo althans, wat we ontkennen, zonder de zonde een Kerk zich op aarde denken liet.

Intusschen het feit der zonde ligt daar op onzen weg, de zonde met haar jammerlijken nasleep van zielsverderving, vreugdverstoring en vloek voor deez’ aard. Zij keerde dit machtig raderwerk in zijn loop, door het uit zijn spil in den Eeuwige te lichten, en mét haar kan van voleinding der krachten voor deze schepping dus geen sprake meer zijn. — Ware zij uitgebleven, Eden zou gebouwd, de schepping zou allengs volmaakt zijn, tot ze eindelijk aan het hemelleven aansloot en in eeuwige heerlijkheid overging. Maar thans niet meer. De levenswortel is geknakt, de grondslag gewrikt uit zijn voegen. Wat ook op dien verkankerden wortel groeie, wat ook op dat gescheurde fundament gebouwd worde, het blijft het merk van zijn oorsprong dragen, en reikt dus aan de hoogte des hemels nooit. Schrijde al de ontwikkeling voort met reuzenschreden, brenge ons elke eeuw eenen nieuwen schat van krachten tevoorschijn, die blozende vrucht kan nooit zwellen tot haar volle grootte, |12| maar druipt, vroegrijp en innerlijk verkankerd, straks van den stengel neêr, na slechts een valschen blos getoond te hebben. Dàt is het, dat „déze hemel en déze aarde zullen voorbijgaan.” c Het verband is onherroepelijk verbroken. Overvloeien in het eeuwig leven kan dit zondig leven niet.

En toch gaat deze schepping niet teloor, — slechts haar bolster wordt eens afgeworpen, en een nieuwe gestalte zal uit haar treden, ontwikkeld uit een levenskiem, die na den zondenval in haar gelegd is. De wereldbrand komt, maar uit dien wereldbrand zal het eêl metaal gered worden, waarin hooger kracht een deel haars levens omzet. En zal dus deze wereld, zelfs in haar stoutste ontwikkeling, nooit aan de hoogte des hemels reiken, toch zal er een heerlijk leven uit haar kiemen, welks zaad uit den hemel nederdaalde, en dat eens met dien hemel samensmelt in smetteloozen glans.

Dat leven, in Christus als menschelijk leven, dus als leven in den hoogsten zin voor deze schepping opgetreden, is uit de genade, en niet uit de verzondigde natuur. Dat leven is het wonder. Het klimt niet uit deze aarde op, maar breekt er in. Het wringt zich in haar voegen, versmelt wat het vindt en zet het om in zijn eigen leven. Verwant met deze aarde, gelijk ze vóór de zonde was, is het daarom juist in felle weerspraak met die schepping, gelijk ze door de zonde is geworden. Niet in graad slechts, maar in soort, niet in vorm, maar in beginsel — ziet slechts het kruis! — van het zondig leven gescheiden, kan het met dat leven nooit groeien op gelijken wortel, kan het nooit met dat leven op eenzelfde basis worden gebouwd.

Een dubbele strooming gaat thans dus door het rijk der geesten. Vooreerst de stroom van het oude leven, die wel zijn golven verder stuwt, maar toch verzanden moet, eer de oceaan is bereikt. En daarin een andere stroom, van Gods heiligen berg neergedruppeld, welks koers zich niet verliest, al schijnt hij zich met die andere wateren te vermengen, en die, straks zijwaarts uitbuigend, zijn bedding naar den oceaan verdiept. Noch het organisme, noch het instituut van dit oude leven kan dus voor dat nieuwe leven gelden. Dat leven vliet |13| uit een andere bron, en welft zich straks eigen boorden. Als eigen leven moet het op zichzelf geworteld zijn; wijl het een eigen leven is in een zelfstandig instituut zich een eigen vorm scheppen.

Dàt organisme nu en dàt instituut is de Kerk. Voor wie het wonder loochent, voor wie slechts de schepping der natuur erkent, heeft die kerk dus geen zin en kan die kerk geen herberg bieden. Zeer scherp in al zijn strengheid moet die eisch gedreven worden. Op het graad- of soortverschil van het zondig en het heilig leven komt het aan.

Gewijd en ongewijd” of „alles gemeen”, dus luidt de vraag, die onze liefde voor de kerk aanvuurt of verkoelen doet, en voor haar recht van aanzijn doet beslissen. Maar is die scheiding ons werkelijkheid, en een kerk dus door ons geloof geëischt, dán, het spreekt vanzelf, moet ook voor die kerk de levenswet gelden, dat ze én een organisme én een instituut behoeft.

Organisme is de Kerk, omdat ze een eigen leven in zich draagt en volkomen bewust de zelfstandigheid van dat leven tegenover het oude leven handhaaft. Organisme, omdat ze leeft naar eigen regel, en een eigen levenswet volgen moet. Organisme eindelijk, omdat reeds in haar kiem ten volle is gegeven, wat straks zich uit haar bloemknop ontplooit.

Geworteld, gelijk onze vaderen dit zoo juist gezegd hebben, in de eeuwige verkiezing, of gelijk de apostel het hier uitdrukt, in de Liefde. Dus in een anderen bodem dan de akker dezer wereld biedt. Heerscht hier de zelfzucht, de liefde is de onuitdelgbare grondstof, waarmeê het eeuwige zich uitbreidt. En in dat eeuwige veld juist slaat het organisme der kerk zijne wortelen uit: uit dat eeuwige zuigt ze haar levenssappen: in den glans van dat eeuwige bloeit ze op.

Dat organisme is haar hart. Uit dat hart golft haar levensbloed, en waar die polsslag van haar leven stilstaat, maakt het instituut alleen de kerk nooit. Zend missiën uit naar verre oorden, zoo ze die levenskiem niet met zich dragen, wordt uw kerk daar ginder nooit geboren. Een kerk kan niet |14| gemaakt worden, en een regeling, hoe keurig, een belijdenis, hoe onberispelijk ook, is onmachtig een kerk te vormen, zoo het levend organisme ontbreekt. Laat zij het slechts beproeven, die dat eigen leven der kerk met opzet loochenen, om de kerk van Christus op eigen erve na te bootsen, en weer zal men zien, wat reeds zoo dikwijls aanschouwd werd: met het wegkruien van den zandgrond stort ook hun bouw ineen.

*

Een organisme dus, — maar ook hier volgt na de wording van het leven het bewustzijn en met dat bewuste leven dus een tweede schepping als voortzetting, voeding en ontplooiing van wat het organisme in zich draagt. Dus naast den groei een bouw, een planting maar ook stichting, een wortel maar ook een basis onder haar, — een organisme maar ook een „instituut”. — Bij haar eerste wording had de gemeente dit niet. Meer instinctief was toen haar leven, wijl de volheid van dat leven nog niet was ontleed, de eisch van dat leven nog niet uitgesproken, en zijn optreden in de wereld zich nog beiden liet. En toch, toen reeds traden de apostelen op, om in den groei den bouw te plaatsen. Ze ordenen, ze regelen, ze nemen op en werpen uit, en zoeken het leven een vorm te geven, die het voor doorvloeiing behoedt. De eisch van het instituut was hiermeê uitgesproken, ook al heeft de gemeente, zeer tot haar schade, een eeuw schier dien bouw van het instituut verzaakt; zoo zelfs dat eerst de geesel der gnostiek over haar moest komen, en de zelfvertering van het Donatisme aan haar leven moest knagen, eer ze haar plicht tot weerinslaan van het apostolisch spoor begreep.

De kerk kan het instituut niet missen, reeds uit dezelfde oorzaak, waarom alle leven onder menschen ontleding en ordening behoeft. Zóó is het met de ziel, zóó met het lichaam, die wel organisch leven, maar nochtans kwijnen, zoo geen regelend bewustzijn ze leidt en geen ordenende hand ze verzorgt. Zóó is het met het recht, dat wel in de menschheid |15| groeit, maar nochtans geschift, beschreven en gehandhaafd moet worden, en zonder rechtsinstituut bij geen ontwikkeld volk bestaat. Evenzoo is het met de openbaring Gods, die organisch wierd, en toch het instituut van Israël, toch den vorm van schrift en letter niet ontberen kon. Ja, zóó is het bovenal met den Christus zelf, wiens leven niet maar zwevend uitstroomt, maar zich door de vleeschwording in menschelijke bepaaldheid openbaart.

Dit nu geldt ook van de kerk. Wijl het christendom niet slechts een enkele bezielt, maar velen saamverbindt, ontstaat er noodwendig een rechtsbetrekking, die, bij gemis aan rechtsregel, in verwarring ontaardt. Wijl ze niet slechts den enkele, maar ook allen saam een taak oplegt, moet er een ordening zijn, die de opdracht regelt van wat in aller naam geschiedt. Eindelijk, wijl haar eigen leven telkens in het leven der wereld dreigt door te vloeien, moet ze niet slechts in de diepte een geestelijke schifting, maar ook een tastbare keur op de oppervlakte werken laten, die voor opneming en uitscheiding beslist.

Maar dit is nog slechts het instituut van zijn menschelijke zijde, M.H., die geheel terugtreedt voor de veel ernstiger beteekenis, die het instituut der kerk bezit als stichting Gods. In dien zin toch openbaart het niet slechts het organisme, maar is het een van God gegeven middel, om dat organisme te voeden en uit te breiden. Immers, na de eerste schepping gaat ook hier de verdere levenswekking door den mensch als instrument.

Ziet toch. Op den Pinksterdag daalt de Heilige Geest, ik zeg niet onvoorbereid, maar toch onmiddellijk neder, en schept de gemeente in een menschheid, die haar nooit voortbrengen kon. Maar nà dat wonder niet alzoo. Van nu aan is het de gemeente zelve, waardoor de Heilige Geest, die in haar woont, die gemeente uitzet en ontplooit. Van nu aan is er wederzijdsche doordringing, een weerkeerig op elkander werken. Uit het organisme wordt het instituut geboren, maar ook door het instituut wordt het organisme gevoed.

„Gaat henen, onderwijst alle volkeren en doopt ze.” d |16| Onderwijst en doopt! dus luidt van dat instituut de stichtingsbrief. „Woord en Sacrament”, zietdaar de grondlijnen van het bestek, waarnaar het instituut wordt opgetrokken. Immers, noch de prediking van dat Woord, noch de dienst van dat Sacrament, is een organische werking. Ze onderstellen menschelijk bewustzijn, ze behoeven menschelijke ordening, ze eischen een menschelijke daad. Ze werken niet vanzelf, maar door den mensch als instrument des Heeren. Geen groeien op den wortel, maar stichting op den grondslag is hun beeld.

Men dwaalt derhalve, zoo men de kerk slechts opvat als vereeniging van gelijkgezinden, ter openbaring van wat in hen is. Niet zij is het orgaan der menschheid, maar de mensch wordt uit haar moederschoot als haar orgaan verwekt. Zij is vóór den mensch, want ze baart hem. Ze staat boven den mensch, want ze voedt hem op. „Een moeder is ze — naar het schoone woord van Calvijn — wier schoot ons niet slechts droeg, wier borst ons niet slechts zoogde, maar wier teedere zorg ons tot aan den eindpaal des geloofs geleidt”. „Wien God tot vader wordt”, zoo schreef hij, „heeft Hij de kerk tot een moeder gegeven, en zonder haar moederlijke opvoeding, is er niemand die tot wasdom gedijt”. De kerk onze moeder! zietdaar het schoone beeld, M.H., dat èn het organisme én het instituut zoo treffend uitdrukt. Haar schoot schonk ons het leven, haar zorge voedt ons op.

Maar juist die „opvoeding” maakt het instituut volstrekt onmisbaar. Waar elk kind van nieuws begint, zijn eigen weg zich baant en aan zich zelf wordt overgelaten, is van opvoeding geen zweem. Opvoeding is juist een brengen tot het kind van den schat, die dusver werd gewonnen, een leiden van allen op de reeds effen baan. Opvoeding bedoelt juist tevoorschijnlokking, voeding en besnoeiing van het vol organische leven, naar een vaste gedragslijn, die met bewustheid gekozen is, naar een onwrikbaar beginsel, dat geheel de omgeving beheerscht. Geen opvoeding dus waar geen regelmaat, geen kweekplaats waar geen orde is. Elke sfeer van opvoeding is organisme en instituut. |17|

Zeer zeker, de Geest Gods wordt in het menschenhart een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. e Maar het water, uit die bron in het hart, ontlast zich in een stroom, die de winst van elk nieuw geslacht in zich opneemt, elk komend geslacht zijn wateren biedt en, steeds zich verbreedend, steeds zich verdiepend, zijn golven verder stuwt, om, alle geslachten besproeiend, ze met elkander te verbinden. Voor dien stroom nu is het organisme der kerk de voedende bron, maar het instituut de bedding, die zijn golven draagt, de oevers die zijn wateren omzoomen. Alleen zoo is er ontwikkeling, alleen zoo is een vooruitgang van het Christelijk leven denkbaar. Zij, de Kerk, is het, die ons doet staan op de schouders van wie voor ons waren, en onzen oogst voor het geslacht, dat na ons komt, bewaart.

Juist door het instituut alleen kan de kerk ons die eigen levenssfeer bieden, waarin de bodem, dien we betreden, de dampkring, dien we inademen, de taal, die we spreken, en het voedsel voor onzen geest, niet die der wereld, maar des H. Geestes zijn. Dat instituut stelt zich tusschen ons en de wereld, om met de macht, die eendracht en die orde geeft, de eigenaardigheid van ons leven te beschermen. Door dat instituut, in al zijn gangen en zijn kringen, in zijn rijke vertakkingen, moet de vrucht, de hoogere aard van het nieuwe leven, ons als een vaste gestalte in de werkelijkheid getoond worden. De bewustheid van het leven des harten kan niet anders dan in sympathetische sfeer gewekt worden, en zulk een levenssfeer, in meer dan vage beteekenis, biedt ons alleen het instituut.

En daarom zulk een instituut, dat zelf degelijk gevormd, vormend op den enkele, ordenend op het huisgezin, richtend op de maatschappij werkt, en zich de Christelijke school tot haar voorportaal kiest. Een instituut, dat uit den wortel van zijn leven, een eigen wetenschap en kunst tevoorschijn roept, in zijn belijdenis naar steeds juister uitdrukking van de eeuwige waarheid, en naar steeds zuiverden eeredienst voor den Heilige streeft. En instituut eindelijk, dat tucht en recht |18| bewaart en nochtans buigzaam, teer en lenig, voor elks aard zich leent, naar elk volk zich schikt, en in elke eeuw de taal dier eeuw zich maakt, — zietdaar dus wat der kerk van Christus even sterke behoefte is, als het geworteld zijn in God.

Men zorge slechts dat de wortel van het organisme steeds samenvalle met den grondslag, en make den bouw der kerk nooit van haar groei en wording los. Uit het organisme putte men steeds zijn bewegende kracht, zijn vormend vermogen, en wachte zich voor Rome’s dwaling, die omgekeerd juist naar den bouw den groei wil regelen, en in strijd met den aard van elk leven, het „geworteld” eerst volgen laat, als het „gegrond” reeds is volbracht.

Eerst geworteld, dan gegrond, maar ook beiden saam op het innigst verbonden!” zoo zij de leus der gemeente, die uit Gods Woord leeft. De vrijmachtige verkiezing van Gods eeuwigen raad, blijve voor het Hervormd volk, naar de taal onzer vaderen, het hart der kerk, en dus de wortel waarop ze bloeit, maar ook het vaste fundament, waarop haar bouw verrijzen moet. Het organisme het wezen, het instituut de vorm, nog eens zij ’t met Calvijn gesproken: „Wat God vereenigd heeft, scheid gij het niet, o, mensch!”

En vroeg dan iemand ten slotte, of met den bouw dier zichtbre kerk ook de geestelijke tempelbouw voleind zou zijn, de zichtbre kerk op aard dus met het Godsrijk vereenzelvigd? hem zou ik wedervragen: of het lange treurspel van de kerk op aarde het voeden van dien waan dan nog een oogenblik gedoogt.

Neen, M.H., een geheel andere is de band, die beiden, Kerk en Godsrijk, saam vereent. Liefst in een beeld wijs ik dien u aan. Ge weet, vaak zien we in onze steden een houten tuin om open erve slaan. Steen wordt opgetast: binten worden aangedragen: met maat en paslood gaat men rond; en op dat erf verrijst een log gevaarte, uit paal en plank en dwarsbalk saamgebonden, wanstaltig eer dan sierlijk voor het oog. Die steiger, zoo men het noemt, schijnt altijd nog omhoog te rijzen, en volgt in zijn omloop steeds de grondlijn |19| van den bouw. Maar toch, dat houten schut is niet de ware omtuining, die saamgesjorde steiger niet de muur van het huis. Want ziet, als dan na lange dagen ook de kroonlijst opgedragen en de gevelspits geankerd is, weg valt dan die steiger, dan wordt die schutting afgebroken, en het kunstig huis, dat onzichtbaar gewrocht werd, schittert in zijn pracht van lijnen en blinkt in vormenschoonheid voor elks oog.

Gij verstondt mij reeds, M.H.! Die steiger is de Kerk op aarde, — als zij gebrekkig, als zij wanstaltig voor het oog. Nog moet ze blijven, want wie kan zonder steiger bouwen? Maar eens, als ook hier de kroonlijst zal zijn aangedragen en de laatste steen is ingevoegd, wèg valt dan ook die steiger, wèg valt dan die Kerk op aarde, en dan blinkt in zijn eeuwige schoonheid die volheerlijke tempel, die zij niet was, maar dien, door haar gedragen, de bouwlieden hebben gebouwd.


II.

Zoo vonden we dan in het Apostolisch woord een scherpgeteekend uitgangspunt M.H., en gij gevoelt: de critiek over de stroomingen in ons kerkelijk leven, het oordeel over onzen kerkstaat is daarmee beslist. Juist door de uiteenwarring van organisme en instistuut, en beider onmisbaarheid, vormt zich dat oordeel ongezocht.

Valt daarbij mijn oog vanzelf het eerst op de moderne strooming, dan vraag ik niet, dat iemand, wijl ik haar bestrijd, mijn moedbetoon love. Dat moedbetoon is volstrekt denkbeeldig op een plaats, waar geen tegenspraak wordt gedoogd. Zoo ik spreek, het is slechts, omdat klaarheid van betrekking onmisbaar is, en zwijgen slechts het misverstand voedt.

De kerk van Christus — dit bleek ons straks duidelijk — leeft uit een eigen organisme en behoeft een eigen instituut, om de zonde. Denk u de zonde weg, en de kerk is ondenkbaar geworden, wijl de wereld zelve dan kerk zou zijn. Bij de vraag of een kerk reden van bestaan heeft, hangt dus alles af van die andere vraag: wat ons van de zonde dunkt? |20| Nemen we haar absoluut, — dán een kerk; is ze ons slechts betrekkelijk, — dán voor een kerk geen plaats. Is het scheppingsleven door haar werkelijk krachteloos geworden en in den diepsten zin ontwijd, dán, maar ook dan alleen, laat zich het reine leven denken, als in die schepping neergedaald, als door het wonder in haar ingebroken, en dus bloeiend op een eigen wortel, die in levenswet en levensbeginsel van de wortel der wereld verschilt. — Noemt men het daarentegen, gelijk ik onlangs in stichtelijke blaadjes van die zijde las, „elkander praatjes wijs maken,” als men nadruk legt op de verdorvenheid onzer natuur, en de onmacht des menschen beweert om uit zichzelf ook slechts het geringste te doen, — dan, ieder gevoelt het, is het slechts gebrek aan consequentie, zoo men met den naam van kerk nog speelt. Meent men, dat het leven van den Christus niet absoluut van het zondig leven verschilt, en doopt men dus zijn geest in de wateren van den spot, om de grenslijn uit te wisschen, die het gewijd en ongewijd gebied vaneen scheidt, een club ze noemend, die met Jezus spreken van „velen die geroepen, maar weinigen die verkoren zijn”, dán, het lijdt geen tegenspraak, is een kerk als eigen organisme ondenkbaar en vloeit noodwendig met de maatschappij ineen. Of wilt ge, acht men het wonder, niet onmisbaar, maar onmogelijk, en keurt men elke breking af, die het groot proces der dingen storen zou, dan kan er ook geen ander leven, dan uit de wereld zelve zijn, en een kerk, die uit de wereld is, ware een gedachte, die zichzelve weerspreekt. — Op dien grond rust derhalve mijne overtuiging, dat er voor die moderne strooming geen zedelijk recht in onze kerk bestaat, al kon ze ook haar juridisch recht nog handhaven op grond van een wetboek, als het onze, dat niets zoozeer als juist rechtshandhaving schuwt. — De voorslag, om, ook al streden onze beginselen, nochtans broederlijk samen te wonen in eenzelfde huis, kan daarom niet aangenomen, wijl men, om broeders te heeten, uit eenzelfde maagschap moet gesproten zijn, en de kunst, om éénzelfde plant op tweesoortigen wortel te doen groeien, nog steeds zijn uitvinder wacht. — Zoekt men |21| eindelijk de kerk te handhaven, als bond ter verspreiding van zedelijk en godsdienstig leven, een kweekplaats der vroomheid, ook dan moet hun die eisch ontzegd worden, en schroom ik niet de stoute spreuk van Luther op te nemen: „Het doel der kerk is niet om vrome menschen, maar om Christenen te maken. Men kan wel vroom en toch geen Christen zijn. Een waar Christen juist weet van zijn eigen vroomheid niets.”

Dat eigen organisme, door de modernen geloochend, ge weet, het wordt schitterend gehandhaafd door die andere richting, die ik liefst met den naam van de „irenische” noem. „Irenisch, vredelievend,” — niet alsof ook zij den strijd voor eigen leus niet minnen zouden. Immers al wie een beginsel heeft, strijdt daarvoor tot aan zijn dood. Maar toch „irenisch, vredelievend,” wijl zij nog een oplossing mogelijk achten, waardoor de smart van onherstelbare breuke wordt ontgaan. Meent echter niet, dat het hun daarom schorten zou aan een diepe opvatting der zonde. Integendeel. Zeer diep gaapt hun de klove, die het heilig en gewijde leven van het ongewijde scheidt. In het strijden voor een eigen leven, dat het Christendom met geen ander deelt, gingen ze anderen veeleer voor, en verwierven ze onverwelkbre lauwren. Geworteld is het Christelijk leven hun zeer vast. Ja, ze beamen dien eersten term van het Apostolisch wachtwoord niet slechts, maar veeleer zijn zij het juist, die die grootsche gedachte van een eigen leven, dat rijk beginsel van een eigen organisme, weer uit den dood hebben opgewekt, om ze in het bewustzijn der kerk te doen herleven. — Maar gelijk elk streven, dat een vergeten woord weer uit moet spreken, gelijk elke richting, die het verbroken evenwicht herstellen komt, vanzelve neigt, om zich met al haar wicht in de ééne schaal te werpen en dus zelve in eenzijdigheid te verloopen, zoo ook vergaat het haar. Omdat de kerk het geworteld vergat, vergeet zij het gegrond. Vandaar dat ze in het kerkelijk vraagstuk zwak is, en nog steeds een kerkbegrip mist, waarin ze haar snijdende tegenstelling van „gewijd en ongewijd” kon doorvoeren. |22| En gelijk het gaat met wie zelf niet bouwen durft, helaas, die moet wel wonen in wat anderen bouwden: ongemerkt wint die huizing zijn liefde; zijns ondanks beschermt bij haar ten leste, en de dure plicht van zelf te bouwen wijkt in het diepste des gewetens al meer terug. — Valt nu zulk een richting in een tijd als de onze, dat juist het kerkelijk vraagstuk elken anderen strijd beheerscht, natuurlijk, dan kan de krachtsverspilling geen geheim blijven, die zoo gewrongen stelling met zich brengt, en moet òf de schrede voorwaarts van het geworteld naar het gegrond gedaan worden, òfwel men wijkt, zonder zelf het te weten, nog achter het geworteld terug. — Hun geliefkoosde stelling, dat het Christelijk leven, hoe ook met vreemdsoortig leven in Jezus’ Kerk vermengd, toch door eigen kracht dat vreemde uitscheiden, in zich omzetten en beheerschen zal, wil ten onrechte voor de Kerk doen gelden, wat op de groote kampplaats der wereld door niemand wordt betwist. Zeer zeker, hij die met ons is, zal in dien strijd zich machtiger betoonen, dan de geest, die ons bestrijdt, mits we zijne ordening niet weerstaan, dat hij die geestesmacht door en in zijn Kerk wil betoonen. De markt der wereld, niet de kerk, is het krijt, waar om den prijs geworsteld wordt, het renperk, waar de wedloop aangaat om de kroon. De kerk, wel verre van die kampplaats zelve te zijn, is veeleer als de legertent des Heeren, waar men vóór den strijd zich sterkt, ná den strijd zijne wonden bet en de „gevangene door het zwaard des Woords” aan de tafel des Heeren wordt gespijsd. Dat onhoudbaar streven, om slechts het geworteld, slechts het organisme te willen, wat is het anders dan een terugkeer naar het embryonisch leven, eer nog de zintuigen der kerk zich geoefend hadden, en haar enkelen waren vastgezet? Neen, M.H.! wat gold voor de eerste gemeente het kan niet gelden voor onze dagen, wijl het den wasdom der kerk miskent.

Nog minder intusschen kan het andere uiterste voor het apostolisch woord bestaan. De mannen der uitwendigheid, die tot elken prijs een hecht en weldoortimmerd huis zoeken, |23| maar zonder een schijn van bekommering zelfs om het leven, dat daarbinnen wordt geleefd; de mannen van de oppervlakte, die in een klaren spiegel zich verlustigen, maar zonder zich te bekreunen om wat daar in de diepte wegsterft, ze kunnen nooit de kerk bouwen, omdat met doode steen de kerk van Christus haar muren nimmer rijzen ziet. O, snijdt vrij allen af, die niet op „het bloed van vreemde smetten vrij” in der vaderen kerk bogen kunnen. Meet alles in uw kerk tot met het uiterste van uw onberispelijk meetsnoer. Brengt uw belijdenis in uw kerk weer tot onbetwiste heerschappij. Ja, laat de uitwendige gedaante uwer kerk naar de zuiverste lijn worden opgetrokken, om de kerken aller landen tot jaloerschbeld te verwekken, en een kerkstaat te vertoonen, zoo onbevlekt en ongerimpeld, als nooit de loop der eeuwen dien aanschouwd heeft . . . En toch, hoe bouwkunstig schoon dat huis ook in zijn lijnen blinke, den naam van Christus zelfs mag uw kerk niet dragen, zoo ge het leven bant, uit vrees dat men uw vernis bezoedeld, en Gods Geest buitensluit, duchtend dat zijn machtig werken straks uw schoon plaveisel scheure. Zulk een kerk, ach, wat zou ze anders zijn dan een weelderig Lazareth, doch waar én arts én medicijn ontbraken, en wie draagt daar zijn kranken heen? Neen, Gel.! het „gegrond,” het „gefundeerd” zijn, kán u niet baten, zoo ge ook niet een leven hebt, dat op den eeuwigen wortel bloeit.

Eindelijk, daar is een laatste strooming, of laat mij liever zeggen, er hangt over Jezus’ kerk een druipende wolk, die, zich nu hier dan ginds ontlastend, gedurig kleine beekjes ritselen doet, maar wier kenmerk het juist is, dat ze zich nimmer vereenigen tot een stroom. Gij kent dat streven. Waar, zoo vraag ik, bespeurdet ge niet zijn bezige hand, in welken akker vindt ge zijn voetstap niet afgedrukt! O, ik heb hem lief, dien bekeerenden ijver, die, niemand sparend, elk aangrijpt, en door elk beletsel heendringend, telkens nieuwe bekeerlingen met zich voert, als buit voor onzen Heere. — En toch, ik mag het niet ontveinzen, er is in die rustelooze drijfjacht, wat mij verontrust. Bekeering wordt gedreven, |24| maar de stichting der bekeerden moet uitgesteld, — hoe zou het anders? — er is geen tijd, want ziet, reeds weer op nieuwe toebrenging is aller oog en hart gericht. Vooral in het cijfer der bekeerlingen jubelt men; waant dies elken toetssteen te kunnen missen, en begroet met nevelachtige onbepaaldheid in elk een medestander, die, op welken grond, langs welken weg, uit welke drijfveer ook, slechts bij het vaandel met ons op wil komen en meespreekt van den Heere. Het is of de voorbereidende genade werkeloos, of de erfzegen krachteloos, of het verleden der kerk doelloos is geworden, en elke bekeering, buiten invloed van Gods trouwverbond, een op zichzelf staand feit, een los daarheen geworpen werking is van ’s Heeren Geest. Het schijnt soms, of Gods uitverkorenen niet door wederbaring uit den éénen Christus in onderlinge maagschap verwekt worden, maar als drenkelingen door den arm des Geestes opgevischt uit den stroom. — Dát mag niet zonder tegenspraak blijven, Gel.! Geestelijke opwekking, ik weet het, is een uitnemende genade, soms het eenig redmiddel, maar in dien zin tot regel verheven, werpt ze Jezus’ kerk omver. Dan zijn het stekken altemaal, hier en ginds in perken saarngevoegd, maar dan is er geen wortel, en stoelt de wijnstok niet, die de ranken tot eenheid verbindt. „Met al de heiligen,” zegt de man van Tarsen in het vers, dat op ons tekstwoord volgt, en nooit dan tot zeer ernstige schade wordt die samenhang miskend. Immers, reeds wordt de wrange vrucht openbaar. Reeds zien we, hoe elk varen wil onder eigen vlag, vrijbuit onder eigen vaandel. Reeds steekt het veelhoofdig monster van het alles verbrokkelend individualisme de hoornen op. Och, of men het toch inzag, zoo worden de steenen wel aangedragen, zoo wordt de steenhoop wel op het erf gevlijd, maar die opgetaste steengroep, kan zich zelf niet tot muur opeenstapelen. Zonder plan, cement en bouwmeester, wordt uit die steenen nooit een huis.

*

Maar al bestrijd ik ook die drie laatste richtingen, M.H.! |25| ik haast mij er bij te voegen, dat ze elk heur oorzaak en dus heur onwraakbaar bestaansrecht vinden in den onhoudbaren kerkstaat, waarin we zijn. We wonen niet goed. We moeten verbouwen of verhuizen. Niemand, die het zich ontveinst. Zoo men het al ontkent, gelooft mij, dan legt meer vrees voor de koortsachtige spanning der crisis, dan kalme gerustheid ons dat woord op de lippen. Viel eens een diepe slaap op allen, en was het, of in ons droomen, als met een tooverslag, de crisis voleind en de zuivering gekomen ware, elk onzer immers zou dien droom willen vasthouden, als hij straks weer in de werkelijkheid ontwaakt. Niet de vrucht, wel de pijn der crisis, vreest men. Men voelt: het zou zóó wel beter wezen, maar wat vooraf moet komen, schrikt terug.

Dat oordeel durf ik uitspreken, M.H., want ik zie, dat het zoo is. Elk gesprek met leiders van de meest uiteenloopende richtingen, overtuigt mij telkens weder, dat diezelfde mannen die temidden van het marktgeschrei de crisis bezweren willen, toch in stilte, in de binnenkamer van hun hart, met nieuwe bouwplannen bezig zijn, en dat slechts het onmogelijk streven, om „zonder crisis de vrucht der crisis” te verkrijgen, de voltooiing hunner teekening vertraagt.

En hoe zou het ook anders, M.H.? Immers, zoowel dezerzijds als van de overzijde, weten we ontwijfelbaar, zegt elk kloppen van het hart het ons, gevoelen we tot in onze nieren, dat we gansch anderes geestes geworden zijn. En is dat zoo, wat, bid ik u, kan dan het samenwonen anders brengen, dan of verbergen van beginsel, of rusteloozen strijd. En daarom, niet in naam van Christus, — want ik weet niet of ge dat allen verstaan zoudt, gelijk ik het bedoel, ” maar met beroep op uwen zedelijken ernst, mij klemmend aan wat gij allen heilig noemt voor uw eigen hart, ja met mijn hand in uw geweten grijpend, vraag ik u, is er een jammerlijker schouwspel denkbaar, dan een kerk van Christus, die óf tot leugen doemt óf tot broederkrijg veroordeelt? Verzwijgen wat ons heilig is, of elkanderen verbijten, mag dat de keuze zijn voor Jezus’ kerk, die juist vóór alles den leugen uitroeien, en de bitterheid bezweren moet. |26| Laat ze dan — zoo ge zegt — alleen een kweekschool zijn voor vroomheid en voor zedelijk leven, dan nog vraag ik, kan er sprake zijn van innige vroomheid, zoo lang beiderzijds het hoofd zóó warm, het hart onrustig is, en de felste partijdrift elk meezuigt in haar stroom? Maar immers, ze voedt juist de onzedelijkheid, een kerk, die aan den voet van haar altaar haar offer ontwijden laat en zelve heur priesters tot trouwbreuk verleidt. — En dan zegt men nog, dat het kerkelijk vraagstuk slechts door enkelen is opgedreven. Neen, M.H.! maar het ligt daar door God op onzen weg geworpen, het ligt daar als een steen des aanstoots, die de harten openbaren zal. O, hoeveel vrijer zou dan ons geweten niet kloppen, hoeveel teederder ons gebed, hoeveel gestadiger onze gemeenschap met God niet zijn, zoo het eens uit was met dat dansen op het koord, om het evenwicht te bewaren, zoo eens voor altijd de scylla van den leugen, en de charybdis van den valschen vrede was ontzeild. Om vrede maar ook om waarheid; om waarheid, maar ook om vrede roepen we. En daarom is onze leuze: zuivering van den toestand, wijl die zuivering alleen weer „de waarheid met den vrede huwt.”

Daartoe eischen we niets dan vrijheid. Vrijheid, wijl geen organisme tiert, zoo het niet vrij zijn wortelen spreiden en in frissche lucht zijn bladerenkroon ontplooien kan. Vrijheid, opdat het organisme onzer kerk zelf zijn aard ons toone, zijn levenswet ons spelle, en zelf de levenssfeer vorme, noodig voor zijn bloei. Vrijheid, opdat in dat raderwerk elke kracht haar loop, elk rad zijn spil, elk deel zijn juiste perken vinde. Vrijheid, eindelijk, opdat — met wegvalling van alle kleingeestige belemmering — de strijd weer geestelijk worde, een worsteling borst tegen borst van de elkaar bestrijdende elementen, en geen waanwijze maatstaf, maar de levenswet zelve schifte, welk element ze nog kan omzetten in haar eigen leven, en wat ze onverbiddelijk nu reeds uitzweert, als giftig voor haar geest en voor haar leven gevaarlijk.

Drievuldig is daartoe de eisch der vrijmaking. Vrij worde |27| de kerk van den staat, vrij van den geldband, vrij van den druk van het ambt.

Vrij worde ze van den Staat, en zoo hersteld de grove feil, die voor reeds veertien eeuwen om ’s keizers gunst door Jezus’ kerk begaan werd. Immers, juist omdat de kerk heerschen wilde, heeft ze de volkeren niet beheerscht, en alleen, zoo ze weer dienen wil, wint ze haar heerschappij terug. Zoolang een kroon haar schedel sierde, was zij de „reine fainéante” „vorstin zonder invloed” en de machtige Staat, hoe ook schijnbaar haar dienaar, was in waarheid haar heer. Maar al verloor ze zoo haar vrijheid, al nam de staat sinds zelf de kroon, haar recht op die vrijheid blijft nochtans onvervreemd. Geen souvereine vorst kan ooit het souvereine recht van haar gezalfden Koning breken. Hier geldt geen verjaring, hier geldt geen berusting. Wijl ze een organisme is, heeft de kerk een eigen leven, en dus een eigen rechtsbeginsel. En daarom wie naar den eisch van het staatsrecht naar den gang van het burgerlijk recht, den loop van ons kerkrecht dwingen wil, verwart wat in beginsel gescheiden ligt, en geeft de vrije zelfstandigheid van het kerkelijk organisme prijs.

Dán, vrij worde ze van het geld. Het voegt de kerk van Christus niet, zich door gouden kluisters of door zilveren ketenen te doen binden aan wat strijdt met haar aard. De eerste gemeente is met niets begonnen, dan met den Heiligen Geest, en toch is de schat der kerk allengs tot een goudmijn aangegroeid. Dien heeft men haar sinds geroofd, en de Heere heeft dien roof gedoogd, opdat thans zijn kerk toonen zou, wat ze hooger schatte: het geloof, dat haar het goud in den schoot had geworpen, of het goud, dat het geloof haar gaf. „Bij Mij zijn goud en zilver,” spreekt de Heere, „duurzaam goed en gerechtigheid.” Maar ook de Staat spreekt op zijne wijze: „Bij mij zijn de miljoenen, bij mij het geld, dat voor uw kerk van noode is!” En het is zoo, geld behoeft de kerk. Nu dan, twee aanbiedingen komen tot u. Wiens belofte betrouwt ge, Gemeente? Van Hem, die ’t goud u geeft als vrucht des geloofs, of van den Staat, die u zijn goud als ketenen aanbindt, |28| om de vrijheid des geloofs in haar loop te doen struikelen? Aan u de keuze, maar dit zeg ik u: uw geloofsschat moet steeds armer worden, zoolang ge het onvrije geld niet haten leert. Ook hier geldt het: Wie behouden wil, verliest. Rijk wordt, wie arm zijn kan. Wie het goud versmaden durft, heeft juist de goudmijn ontdekt.

Eindelijk, vrij moet ze worden van den druk van het ambt, het drukkend overwicht van ééne der bedieningen. Het schoone woord door mijn bevestiger gesproken, „dat de gemeente voor den leeraar niet slechts het witte veld des oogstes is, maar tevens een onafzienbare schare van medepriesters” ontlokte een halleluja aan het diepst mijns harten, en mijn ziel bad om een zegenend Amen, dat uit de krachtige werkzaamheid der gemeente op dat welsprekend woord volgen mocht. Het leeraarambt, gelijk het in den loop dezer eeuw door het nietsdoen der Opzieners en de traagheid der Gemeente geworden was, zou voegen in een kerk, die enkel instituut kon zijn, maar is volstrekt misplaatst in de gemeente des Heeren, die, als levend organisme, zelve tot den altaardienst gewijd is. Wie het ambt draagt, moet in het priesterschap der gemeente wortelen. Zonder die innige verwantschap wordt het ambt heerschappij.

*

En vraagt ge, hoe dan tot die vrijmaking te komen? M.H. de Heere is onze veldheer in den strijd, en de overwinning wenkt ons, zoo we hem slechts volgen willen. Niet wij, hij schept de gelegenheid, hij baant de wegen, van hem zijn de bereide kansen. Wie daar geen ruste in vindt, die strijdt niet voor den Heere.

Dringen wij maar door en verder op elk terrein, dat ons door hem geopend is, in elke veste, waartoe bij ons den toegang ontsloot. De valsche band van het ongereformeerde kerkbestuur zal eindelijk springen, zoo wij de leus maar moedig opnemen, die in de autonomie, d.w.z. het „zelfbeheer en zelfbestuur der gemeente” ligt. Dat is ónze kerkvorm. |29| Alleen dát gereformeerd. In Rome’s geheel is elke gemeente slechts een willoos lid, dat nooit door eigen aandrift, maar steeds door het nu onfeilbaar hoofd, bewogen wordt. In Luthersche landen liggen de levensdraden der gemeenten saamgevat in de handen van den staat. In beiden is de kerk eerst, en baart zij de gemeenten. Maar niet alzoo op oud-gereformeerden bodem. Dáár zijn de gemeenten eerst, dáár wordt eerst uit de samenvloeiing der gemeenten de groote stroom der kerk geboren, dáár klimt uit de zelfstandige gemeenten het slechts leidend kerkbestuur op.

Maar vergeet het niet, een gereformeerde kerkvorm groeit slechts om een kerk, die gereformeerd is in haar hart. Een kleurloos Christendom kan ’t onze niet zijn, daar het van een Christendom boven geloofsverdeeldheid in graad, maar niet in soort verschilt. Niet slechts mensch te zijn, maar een eigen karakter te hebben is elks roeping, en zoo ook, niet slechts gemeente te zijn, maar gemeente met een eigen kenmerk, is voor de kerk aller oorden een onverbiddelijke eisch. — Men weet wat van de groote protestantsche partij is geworden. Hoe roemloos smolt ze weg! Hoe is als haar ten spot, Rome’s macht weer uitgebroken, schier het meest juist op dat geldterrein, waar zij den strijd met Rome wou bestaan. — O, ik stem toe, wie in gewone tijden een huis binnentreedt, denkt niet om het fondament waarop het rust, en zoo kunnen er ook in Jezus’ kerk dagen komen, dat men samen woont en samen werkt, en schier om geen beginselen zich bekreunt. Maar in tijden, als we thans beleven, nu op elk gebied de fondamenten worden bloot gegraven, nu alles naar de diepte dringt, en men rusteloos voortgaat de diepste beginselen los te woelen, nu zou het toch al te argeloos, nu al te onbezonnen zijn, zoo men langer nog de vraag der beginselen ontweek. Neen, in dagen des vredes blijve het zwaard ongewet, maar als het voorwaarts door de gelederen klinkt, stompe men de scherpte van de lanspunt niet af. Heeft men dus al zonder schade de scherpte onzer beginselen een tijdlang bot gelaten, nu het op zelfverweer |30| gaat, moet het zwaard weer geveegd worden, of we staan machteloos in den strijd. — En daarom niet maar Christelijk, niet slechts protestantsch, Gereformeerd moet onze kerk weer worden; God haar Souverein, de eeuwige verkiezing het hartebloed van haar leven, en Gods Woord de onverwrikbare grondslag, waarop ze met bei hare voeten rust.

Eindelijk. Bij prijsstelling op gereformeerden kerkvorm sluite men de ontwikkeling onzer kerkinrichting niet af. Het gereformeerde kerkbeginsel draagt de kiem eener rijke, alzijdige ontwikkeling in zich, waarvan dusver nog slechts het eerste etgroen is uitgebot. Wat thans, bij gemis aan een deugdelijke kerk, zich los van haar gevormd heeft, trede dus met haar in samenhang. Haar school, door eigen schuld in vroeger tijd verbeurd, worde in de geestkracht des geloofs met alle krachtsinspanning heroverd. De reeks van vereenigingen, die zich uit het vrije leven gevormd hebben, moeten met haar in verband gebracht, om door eenheid en orde aller kracht te verdubbelen. Er moet ontwikkeling komen in onze belijdenis, ontwikkeling in den eeredienst, ontwikkeling in ons kerkbestuur, ontwikkeling in alle gangen der gemeente. Bovenal de groote sociale vraagstukken van „ontucht en overbevolking”, van den „arbeid en de armverzorging” achte onze kerk niet buiten zich. Zij vooral moet de zonde bestrijden, zij vooral heeft de roeping om het betrekkelijk recht der lagere volksklasse tegenover den tijdgeest te handhaven. Wat verdrukt wordt hebbe haar steun: de arme in haar een toevluchtsoord, en voor rijk en arm saâm worde zij weer de engel des vredes, die én van het misbruik én van de utopiën onzer eeuw ons met zachte hand terug leidt naar de ordening van Gods Woord.

Om het saam te vatten M.H.! Vertoont thans onze kerk ons twee ineengewarde struiken, door driedubbelen band omklemd en daardoor in haar groei belemmerd, — die banden moeten springen — dát is de vrijmaking. Van den wortel af, de stengels langs, moeten die struiken uiteengeward, — dát is de doorvoering der beginselen. De echte struik moet, |31| vrijgeworden, nieuwe bloesems dragen, — dát is de ontwikkeling, waartoe God zelf ons roept.

*

Gemeente van Amsterdam! Uwe roeping behoeft daarbij geen aanwijzing. Het gewicht uwer groote gemeente wijst u vanzelf uw plicht. Reeds deedt ge veel, reeds was uw worstelen glansrijk. O, schoone dagen wachten u! Want dies ben ik verzekerd: een gemeente, die reeds een halve eeuw terug haar vrijbeheer zoo manlijk heeft verdedigd, ja meer nog, die aan Da Costa’s voeten eens heeft neergezeten, sluit geen vergelijk en legt, eer het doel bereikt is, haar zwaard niet af.

„Niet vele edelen, niet vele aanzienlijken”, misschien geldt ook van u dat koninklijk woord. O! zoo het dan maar edelen van hart, zoo het maar aanzienlijken in het Godsrijk zijn, dan nog wenkt de hope ons met een lach van blijde vreugde tegen. Wat er onder u, nog uit der vaderen hand, de waarheid Gods ontvangen heeft, het grijpe slechts naar het „Woord.” Het doet dat Woord met macht in eigen hart, met majesteit om den huishaard, met zijn schiftenden invloed in het leven heerschen, men brenge elk slechts een enkelen druppel aan van het water des levens, en o! . . . mij dunkt, ik hoor hem reeds nederdruischen, dien onweerstaanbaren bergstroom, die uit zoo kleine druppelen zich op Zions steilten vormen zal.

Men had u den slaapdrank aan de lippen gezet en schier waart ge weggestorven, o, kerk onzer vaderen! maar weêr wekte God uw levensgeest, weêr klopt u het hart, weêr stroomt u het bloed door de aderen, reeds bewoogt ge uw lendenen . . . O ga voort te ontwaken, sta op van het onteerend rustbed. Ge hebt het gekroonde hoofd slechts op te beuren, en de oude erve is úw.

Gun mij, gemeente, bij die worsteling met u in het gelid te treden. Niet om doldriftig voort te ijlen op paden, die ons oog nooit mat. Hij mist het doel, die met één slag verwerven wil, wat jarenlange inspanning eischt. Neen, maar om met kalm geduld, |32| met stil vertrouwen, en volhardende veerkracht door te strijden terwijl het gebed van onze lippen niet wijke: „Heere! Leid Gij mij op dien rotssteen, die te hoog is voor mijn kracht.”

Mijn hart en hand zijn u dan aangeboden. Alleen dit bid ik: vergt niet, dat ik mijn hand ooit leene tot een uitwendig bouwen, waarbij het inwendig geworteld zijn door het hart ontbreekt. Bedienaar des Woords, heb ik dat Woord u te prediken, alleen daarin ligt mijn kracht. Wat gij mij onlangs toezongt: „Houdt ons niets verholen, wat u werd bevolen, de gemeente hoort,” in Gods kracht zal ik het volbrengen, al moest ik u in het geweten striemen, al ging men om de hardheid mijner woorden weg.

Ja, laat mij het ten slotte uitspreken, Gemeente! Wat ik najaag, het is niet maar kerkherstel; wat ik bedoel, het is niet maar strijd met wie mijn streven afkeuren. Neen. Wat mijn ziel begeert, wat ik afbidde van mijn God, het is, dat Hij het mij geve, u een enkele lichtstraal voor het oog te doen blinken van die eeuwigrijke, nooit volprezen ontferming, die in Christus Jezus is. Wat mijn ijver verwekt, het is slechts, dat ik het uiterste mijns vingers moge doopen in die Fontein der eeuwige liefde, om een enkelen druppel uit die koele wateren der genade te leggen op de brandende lippen van uw hart. En zoo ik dan toch ook om kerkherstel vraag, dan toch ook naar het zwaard grijp, — het is alleen, Gemeente! wijl het bij mij vaststaat: dat de dienaar van Christus niet mag toezien, als de toegang tot die wateren des levens aan de gemeente des Heeren wordt versperd.

*

En zal ik dan nu nog een woord tot hen richten, Gemeente, die met eere in uw midden bekleed zijn.

U zij dan het eerst mijn hulde gebracht, Mijne Heeren, die als voogden en verzorgers met het beheer onzer kerke zijt betrouwd. Reeds hoordet ge, wat in uw verleden mijn |33| bewondering wekte, hoe ik juich in uw zoo moedig pal staan, toen een halve eeuw terug, door gouvernementeele wilkeur, de vrijheid der gemeente bedreigd werd. De gemeente bracht u voor die manlijke houding haar dank, toen ze nog onlangs haar vertrouwen u bestendigde en vrij beheer door u boven vreemde inmenging koos. Blijve die fiere geest u steeds bezielen, drage ook bij uw beheeren de vrijheid milde vrucht, en toone de gemeente door u krachtig te steunen, dat ze én haar vrije zelfstandigheid, én niet minder uw zorge waardeert.

Handhaaft gij die zelfstandigheid evenzeer op het u beschikt terrein, Leden van den Kerkeraad en Gemachtigden der Gemeente! die vooral in deze hachlijke dagen zoo dure verantwoordelijkheid draagt. Reeds leerde de ervaring mij, wat het vaak kost, om het recht der gemeenten tegen de macht der kerk te verdedigen. Toch roep ik u toe: Laat daarvan niet af. Worde er in dien strijd niet gewankeld. Gij zijt uit de Gemeente. Uit haar ontvingt ge uw opdracht. Ze ziet op u. Zet dan met goeden moed ons oud gereformeerde leven voort, voort in nieuwen vorm, en gevoelt als Opzieners, en als Armverzorgers, met uw leeraren eenzelfde recht, gelijken rang, maar draagt dan ook met hen, een iegelijk naar zijn eigen werkkring, eenzelfde aandeel in den arbeid van den dienst. Bovenal. Laat ons den strijd niet veruitwendigen. De gemeente geestelijk op te bouwen, ze te voeden niet het Woord des Heeren, blijft bij elken strijd onze eerste roeping. Make onze warme ijver ons vooral daarin getrouw!

U, mijne Ambtgenooten, zij mijn dank gebracht voor de vriendelijke welwillendheid waarmeê ge mij tegenkwaamt. O! hoe zou ik wenschen, tot u allen te kunnen zeggen: „Broeders, neemt mij, jongere, op in uw gewijden kring, om met u, hand in hand, den éénen Heere te dienen”. Mag ik dit tot mijn smart niet tot allen zeggen, gelde het dan voor u voor het minst, die nog vast staat in het Woord en met mij aan den Christus Gods in stil geloof u vastklemt. En gij, die meent dit niet te moeten doen, die veeleer uit diepe overtuiging bestrijdt, wat mij boven alles heilig is, o! ik weet het, ge zoudt mij verachten, zoo ik, |34| spelend met het heilige, van deze plaats de klove bedekken wilde, die zoo diep tusschen ons gaapt. En daarom, wat ik u alleen vraag, het is: laat onze betrekking eenvoudig, laat onze verhouding waar zijn, en gelde ridderlijke openheid en rondheid van taal bij een strijd, dien gij met de kerk, en daarom de kerk met u heeft aangebonden. Verhelen we elkander noch hier, noch in den omgang de hoogst ernstige breuke, die, zoo het blijft als het is, beiderzijds onherstelbaar zal blijken. En waar zoo het geloofsgebied ons scheidt, aanvaardt daar mijnerzijds de oprechte betuiging, dat ik, juist om die breuke, te duurder mijn roeping gevoel, om in den wedijver van wederkeerig hulpbetoon, zooveel in mij is, u te dienen.

Eindelijk een woord van dank aan u, mijn broeder! die mij den dag voor eergisteren tot de gemeente hebt ingeleid. Uw warme taal heeft mijn hart gekoesterd. Wat ge spraakt hadt ge doorleefd, en elks hart gevoelde het: dát vuur, dat in uw woorden sprak, was door geen kunst ontstoken. Hebt ge eenmaal naar de pen gegrepen, om mijn streven te bestrijden, mij is het behoefte, het der gemeente te zeggen, hoezeer ik uw streven op prijs stel. juist door u wilde ik tot de gemeente worden ingeleid, opdat het blijken zou, hoe weinig tegenspraak mijn hart toesluit, en hoe hoog ik een broederlijk oordeel waardeer. Ga voort, broeder, met de koorden der genade, wat afdreef terug te brengen, het verlorene te zoeken, naar de gave u zoo ruimschoots geschonken. En kan niet elk u daarbij volgen met die scheppende kracht, met die rustelooze volharding, o, „het verlorene te zoeken”, blijft toch ons aller streven, het enkele schaap meer de één, meer de verlorene schaapskooi de ander.

*

En nu Gemeente! nog ten slotte een bede aan u. Veel liet ik achter, maar toch met een geopend hart kom ik tot u. Onthoudt mij dan de liefde niet, waaraan mijn hart behoefte heeft en die zoo krachtig steunt. Alleen, zij het een liefde in besliste keus geworteld, in liefde voor Gods Woord gegrond. Laat mij |35| niet aan mij zelven over, maar dient mij met uw broederlijk oordeel, en zij het geen laf weerkeerig vleien, maar zeer ernstige tucht des geestes, die ons wederzijds verbindt. Zeer zeker, eendracht maakt macht, maar alleen, wat één is in beginsel, voegt zich eendrachtig saam. De toekomst is niet in onze hand, en daarom, ik doe u geen beloften. Wàt ik voor u zijn kan, moet niet in woorden, maar in mijn dienst u openbaar worden. En zoo aanvaard ik dan die bediening, en zoo eindig ik dan deze plechtigheid met mijne bede tot den Heilige Israëls: dat Hij ook mijne hand niet afsla, waar ze aan Jeruzalem’s muren bouwen wil.


Amen.



1. Hoewel door de Uitgevers aan afzonderlijke uitgave de voorkeur werd gegeven, wensch ik toch, dat het onderling verband tusschen deze beide toespraken niet voorbij worde gezien. Het afscheidswoord is gelijktijdig verschenen. Evenzeer bij de Heeren H. de Hoogh & Cº.




a.

b. Vgl. Johannes 3 : 30.

c. Vgl. Matteüs 24 : 35 par.

d. Vgl. Matteüs 28 : 19.

e. Vgl. Johannes 4 : 14.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000