Conservatisme en Orthodoxie

Afscheidsrede

uitgesproken in de Domkerk te Utrecht, 31 Juli 1870
door Dr. A. Kuyper


Amsterdam, H. de Hoogh & Co., [1870]

a



Openb. III : 11m.

„Houdt dat gij hebt.”

Er is een tijd van komen, M.H.! en er is een tijd van gaan. Voor mij ligt dat eerste tijdstip nog geen drietal jaren achter mij, en is toch dat laatste reeds aangebroken. Hoe zou ik dan bij dat gaan dat komen vergeten kunnen en in dit oogenblik van afscheid dat ander oogenblik uit mijn herinnering bannen, toen ik an ditzelfde spreekgestoelte mijn eerste woord tot U bracht. Reeds om de kortheid van de tijd, die tusschenbeiden verliep, reeds om het keerpunt, waarop zich mijn leven bevindt, zoudt ge immers een herinnering aan dat eerste woord licht in mij dragen?

Maar toch, wat ik met die herinnering bedoel is geen bede om belangstelling in mijn persoonlijk weervaren. Reeds mijn tekstkeuze zei het u, hoe verre het van mij ligt, de godsvereering der gemeente te misbruiken tot zelfvereering van een mensch. En evenmin bedoel ik, met die verwijzing naar mijn intreêwoord, een werking op Uw gevoel. Mij dunkt, het betaamt den Christen veeleer warsch te zijn, van die opgezweepte aandoenlijkheid, die zich aan zwakke zenuwen vergast en weemoed steelt uit een denkbeeldige wereld. Neen, M.H. Van mijn vrienden scheid ik met een handdruk: wien geestessympathie met mij verbond, weet van geen losmaken bij zoo luttelen afstand. Wat mij dezen avond wacht, het is dus geen vaarwel aan het vriendenhart, geen uitgaan uit mijn geestelijke maagschap, uitsluitend tot scheiden van de gemeente ben ik geroepen, van de gemeente in haar geheel, van de gemeente als zoodanig. En wie is er dan, nuchter genoeg, om de klemming van dien gemeenteband naar waarheid te schatten, of hij billijkt mijn betuiging, dat er in de plechtigheid dezer ure geen oorzaak is, |4| noch voor mij om bij het spreken, noch voor U, om bij het hooren die kalmte van zin te verliezen, die bij den ernst steeds voegt.

Neen, het is niet de gelegenheid, maar de stof van dat eerste woord, dat mij noopt tot die herinnering. Het gold — licht heugt het nog een enkele uwer — het kerkelijk vraagstuk. Van dát vraagstuk sprak ik, als m.i. thans het eerste in rangorde. Ik bestreed de meening, alsof dat vraagstuk uw geloof niet raakte. Ik waagde het vermoeden, dat de tijd van oplossing voor dat vraagstuk gekomen was, en ontveinsde u mijne bedoeling niet, om zelf daarbij naar plichtsbetrachting te streven. — Welnu, wat sints om ons voorviel, scheen mij weinig geschikt, om die overtuiging te verzwakken. Het zijn stormachtige jaren geweest, die we doorleefden, en menig brokstuk viel weêr van den bouwval neder. Het gemis aan een kerk, dien naam waard, deed de vraag naar haar weêroprichting toenemen. Van den roes der alles vervluchtigende geestelijkheid bekomen, riep men steeds luider naar een optreden van het Christendom in vaste vormen, en door den driedubbelen strijd van kerkelijke verkiezing, om het kerkelijk goed, en voor den kerkelijken doop, is de eisch steeds klemmender aan ons kerkgenootschap gesteld, om ons óf een Kerk van Christus terug te geven, óf zelf door ontbinding te vergaan.

Zelfs buiten het gebied der kerk greep dat vraagstuk met macht om zich heen. Al meer doorzag de man van staat en besefte de gids van onzen volksgeest, dat bij het herleven des geloofs weer met de kerk te rekenen viel. Immers, de dorre jaren, die achter ons liggen, hadden wel tegen den invloed van een wezenloos genootschap gesproken, maar niets omtrent den invloed eener wezenlijke kerk beslist. Te vroeg had men de doodsklok geluid over den eeuwenouden strijd tusschen kerk en wereld, . . . men zag het in, toen daar als nieuwe verschijning de »vrije kerk” opdook, en niemand gissen dorst, welke beteekenis de aldus herboren macht voor de toekomst licht verkrijgen kon. — Door Rome was een |5| dubbele band gelegd: het geweten was aan de Kerk, maar ook de Kerk aan den Staat gebonden. Die dubbele band moest dus springen, zou de geest weer vrij zijn. En de Hervorming deed wel het één — zij gaf vrijheid van geweten — maar de band, die de Kerk aan den Staat kluisterde, slaakte ze niet. Van daar dat de Hervormings-kerk de stroom van haar leven ras zag vastvriezen, haar kerkinrichting niet kon afwerken, en het vrije geestesleven ten leste buiten haar erve dreef. Zoo werd ziel en lichaam gescheiden. De ontzielde kerk dierf den christelijken geest: de geest van Christus was in geen kerk meer belichaamd, en beider invloed ging te loor. — Maar thans, nu ook die tweede band al losser wierd, bijna sprong, en de Christelijke geest opwaakte, om weer de vrijgeworden Kerk te huwen, nu hoopt, wie vóór, nu ducht, wie tégen den Christus is, de ontwikkeling van die nieuwe macht. Nu ontveinst men zich beiderzijds niet langer het beslissend gewicht, dat bij den strijd om school en maatschappij en volksleven, door die kerk in de schaal wordt geworpen, en de waarheid vindt gereeder ingang: dat in den grond het vraagstuk der kerk geen ander dan het vraagstuk van het Christendom is.

Die zuivering van den eertijds zoo verwarden toestand is onberekenbare winste M.H., en tot een halleluja voor den Christus voelt het hart zich uitgedreven, als het bij dien scherperen strijd tevens het krijgsgeluk zich zoo verrassend keeren ziet. Immers, wat waren onze kansen voor het vierde eener eeuw en wat zijn ze thans niet? Ziet toch, de verscholenen van weleer wagen zich reeds in het vlakke veld. Thans siert zich met lauweren, wie toen door smaad gestriemd werd. Die gisteren nog verdrukt werden, zijn heden geroepen, om over hun verdrukkers te heerschen. De toon des geklachs stierf weg, en het lied des gejuichs weergalmde. — En nu, ik juich daarin met u, maar toch ik voeg er bij: juist in dien ongekenden voorspoed ligt gevaar. Overmoed is soms meer dan moedeloosheid te duchten. Zoolang het kruis drukt, scheidt het valsche zich van zich zelf af, maar, als we de palmen wuiven, mag wel een nietssparend |6| oordeel over het eigen hart gaan, een verscherpte blik onze wapenen keuren, en elk onzer gelederen met een doordringend oog worden bespied. Bleef die waakzaamheid uit . . . wie weet . . . de dag der overwinning mocht eens de dag van onzen ondergang worden! Daarom hoore een iegelijk, wat de geest tot de gemeente zegt. »Houdt wat gij hebt.” Behoudt wat ge verwierft, behoudt wat u gegeven werd. Behoudt, maar niet in den geest van een doodend conservatisme, dat met behoudzucht tot leus, het leven versterven doet. Die valsche, ze heeft met de ware behoudzucht niets gemeen. Conservatisme en orthodoxie, hoe vaak ook verward, moeten thans vooral zeer scherp gescheiden worden. En daarom, eer ik van U ga, U voor die valsche behoudzucht te waarschuwen, en tot de ware behoudzucht op te wekken, dát is het Gel., waartoe de voorspoed van het oogenblik mij dringt.

*

Verre van op zich zelf aan het Christendom vijandig te zijn, M.H.! zit de behoudzucht veeleer ons Christendom in het bloed. Om te behouden kwam het. Behoudenis is het moedgevend woord, dat het ontrolt in zijn kruisbanier. Juist als een macht ter behouding buigt het zich tegen de verderving in. Wel beoogt het Christendom een nieuwe schepping, maar nieuw uit het oude, nieuw uit de ingezonken wereld, die bestaat. Het verwekt kinderen Gods, doch niet door ze te roepen uit de steenen der woestijn b, maar door wederbaring van den mensch, die er is. »En roept zondaars tot Gods kinderen” is het onveranderlijk Selah, waarin elke strophe van den psalm der genade rust. Hierin juist tegen de revolutie gekant, leeft het niet als zij uit holle denkbeelden, maar uit werkelijke kracht, en toovert zich geen luchtkasteelen, maar bouwt een hechte woonstede op den gegéven bodem, uit de stof, die het vindt. De revolutie sloopt en vernielt, om als ze in haar moedwil al het bestaande heeft omvergeworpen, op dien puinhoop in te sluimeren en te dweepen met een betere wereld, die in haar droom verschijnt en met dien droom verdwijnt. Ze is |7| naar Jesaia’s woord als een »die op paarden vliegt en in stilheid geen vertrouwen heeft.” c Rusteloos, altijd voort, draaft ze het luchtpad op, tot de wereld aan haar voeten wegzinkt en geen toon der ontferming voor die gebroken schepping meer aan haar speeltuig kan worden ontlokt. Haar dus is de behoudzucht tegen de borst, de valsche met de ware voor haar vierschaar geoordeeld. — Maar niet alzoo het Christendom, M.H.! dat wel den vloek ontdekt en de versterving in den levenswortel aanwijst, maar nogtans dien kankerenden wortel ter vernieuwing in zijn vezelen aangrijpt, en zegt: »Wat gebroken is worde verbonden: geheeld wat gewond is: wat afdreef, ik breng het terug.” Tot wat zich wentelt in zijn bloed, roept het naar Ezechiëls godspraak: »In uwen bloede zeg ik, leef.” d Ja, zoozeer is behoudzucht de kern van zijn wezen, dat het zelfs het vleesch niet prijs geeft, en in het artikel van »Opstanding des vleesches” van volkomen behoudenis profeteert.

Maar nu, juist omdat het behouden wil, haat het Christendom de valsche behoudzucht, die zijn eerenaam rooft, zonder zijn kracht te deelen. Wie zal om den kranke te behouden, hem houden willen in den staat waarin hij is? Dan juist immers sterft hij in uw handen, en brengt ge hem door valsche behoudzucht den dood. In dien zin behoudend zijn, in dien zin het bestaande willen handhaven, is dus het Christendom den weg versperren tot zijn doel. Wat is, kan niet blijven gelijk het is, in een wereld van zonde. Zoo als het is, wordt het juist niet behouden, maar het verderf tot een wissen prooi. En daarom voor hem, die na den zondeval nog van den levensboom eten wil, is dat Christendom als de »vlammende Cherub,” e die hem uit de nu doodelijk geworden paradijsrust opjaagt. — Immers die zonde is voor de planting dezer wereld, niet maar een verzengende wind, die haar den top der bladeren schroeit, maar een doodend gif, dat in de wortelen opgezogen, haar leven zelf aantast, in al haar vezelen opstijgt en blad en bloesem saâm verwelken doet. Wat zult ge noemen, dat van haar smet gevrijwaard bleef? Het is alles krank, van frisschen levensglans verstoken, een bouwval in uw eigen hart, en door |8| den vloek een bouwval niet minder de wereld om u heen. En hoe, bid ik u, zou dan het Christendom niet toornen tegen een conservatisme, dat omziende in zulk een wereld, ook van die gevallen schepping oordeelt, »dat ze goed is”? f Hoe niet toornen tegen een valsche behoudzucht, die den stroom des levens stremmen wil, zweert bij wat is, en de kunstbewerking tegenhoudt, die tot redding van den kranke wordt vereischt? O, zoo ge de invretende kracht van zonde en dood niet kent, dan verklaart het zich, hoe ge meenen kondt met zulk een streven het Christendom te zullen vereenigen. Maar in de werkelijkheid zijn ze gezworen vijanden, M.H.!: is het Christendom als de arm Gods, waarmeê hij die wereld uit haar inzinking wil opheffen, en is die behoudzucht als de onheilspellende arm uit de diepte, die Gods werk poogt te verijdelen, en zich inspant om die wereld neder te trekken, opdat ze voortkwijne in de verzinking waarin zij ligt.

De zonde, zietdaar dus de klove, die van zulk een behoudzucht het Christendom voor immer scheidt, en die niemand overschrijden kan. Wil zij het krank geworden leven houden, gelijk het is, — het Christendom wil juist het leven, dat krank werd, redden, door de krankheid uit te drijven. Zweert zij bij den tempel, die staat, — het Christendom laat dien afbreken en bouwt hem nieuw door zijn geest. g Wandelt zij door aanschouwen, — het Christendom door geloof. h Zij wil het eeuwige in deze gestalte der dingen doen versteenen, — het Christendom poogt die doode gestalte met het eeuwige te bezielen. En daarom klemt zij zich vast aan een wereld, die dat Christendom haten leert, en vleit zij zich ter ruste neder, terwijl dat Christendom een zuurdeeg blijft, dat niets onaangetast laat, maar gist altijd door. i

Toch, hoe scherp dat verschil ook geteekend zij, bestaat in zake der kerk voor insluiping dier behoudzucht, zeer ernstig gevaar. Reeds hierom, wijl vasthoudendheid aan wat werd overgeleverd, altijd, bij elk volk, een karaktertrek van den godsdienst bleek. Deels wijl het schuldbesef steeds fluistert van een paradijs, dat achter ons ligt, en dies schuchter maakt bij |9| het voortschrijden. Maar meer nog, wijl de ziel die het eeuwige zoekt, niet slechts voor zich uit, maar ook achter zich terug grijpt. Ze keert zich niet slechts naar God, maar ook in God ligt haar oorsprong. Zij dan al dat eeuwig achter ons niet meer rein, toch is het tastbaarder dan het eeuwige, dat voor ons ligt, en zoo gebeurt het ongemerkt, dat men door het een geboeid, voor het ander de oogen sluit, en, het leven uitdoovend, alleen in het verleden rust. — Daarbij komt dat ook buiten de kerk van Christus diezelfde behoudzucht bestaat, maar daar als een weldadige geestesrichting, door den aard der dingen noodwendig geeischt. Dáár vormt ze op elk gebied des levens een werkelijke macht, wier steun men niet licht versmaadt, te meer daar ze steeds geneigd bleek, stelligen godsdienstzin tegen twijfelzucht te beschermen. Wat dan natuurlijker, dan dat bij heftige worsteling op godsdienstig gebied, bij felle bestoking van het Christendom, die geestesrichting als bondgenote wordt aangezocht en de kerk van Christus met zich in een spoor trekt, dat, hoe uitmuntend op zichzelf ook, die kerk steeds afleidt van haar doel. — Welnu, voeg dan die dubbele aanleiding saâm: die behoudzucht in het maatschappelijk leven, en die vasthoudendheid, die de godsdienst nooit verzaakt: vergeet daarbij den aard van ons volkskarakter niet, dat noode opwaakt uit zijn rust: let daarbij vooral op den fellen krijg, waarin het Christendom ook thans verwikkeld is, — en immers ook gij zult het gevaar niet meer loochenen, dat de veerkracht van ons geloof door valsche behoudzucht dreigt ontzenuwd te worden, en niet minder, dat veel zich bij onze gelederen aansluit, dat niet met ons den zegepraal des Christendoms, maar slechts den triomf der behoudzucht bedoelt.

*

Meest in drieërlei vorm M.H., wordt die krankheid openbaar. Ze wil óf herstellen wat de vaderen bouwden, of behouden wat men tot dusver redde, of wel vrede nemen met het al mindere dat men ons laat.

Die eersten, zij, die het oude terugroepen, dwingen |10| eerbied af, ook al bestrijdt men hun pogen. Meest zijn ze mannen uit één stuk, en willen, wat zij willen, geheel. Ze kunnen zich geen beginsel denken, dat niet het leven in al zijn uitingen beheerscht. En daarom, warsch van dat doelloos slingeren, waaraan onze eeuw haar zonen went, tasten ze naar een levensopvatting, die aan hun gang een vasten steun kan geven en door de tooverkracht der eenheid de spierkracht van hun leven stijft. Maar, helaas, al hun zoeken is om niet. Om zich heen bespeuren ze haar niet, en wat zich nog aan dorst melden, het was een geestesrichting, die wel niet door halfheid zondigt, maar met zoo ruwe vingeren de teederste snaren stuk breekt in het menschenhart, dat ze, verre van een verklaring, veeleer een wegcijfering van het leven bleek. En toch, . . . . zelf haar scheppen kunnen ze evenmin. Voor dien reuzenarbeid faalt het hun aan denkkracht, missen ze den moed . . . . Zegt het mij, is het dan zoo wonder, dat het verleden allengs een wondere bekoring op hen gaat oefenen, en de blik al meer geboeid wordt door de manlijke kracht, die in de geloofshelden der hervorming schitterde. Immers, dáár was juist wat ze zoeken: dáár die ongebroken eenheid, die heel het leven in zich sluit: dáár die onverdeelde toewijding, aan wat de ziel had aangegrepen: dáár die volstrekte beheersching door een onwrikbaar geloof. Bij hen was karakter, en dus van halfheid geen zweem, maar elk perk des levens doorbroken door die ééne gedachte, die hun ziel aan het eeuwige bond. O! waarom hebben ze toen niet geleefd! Ware in die eeuw hun levensdeel gevallen, hoe zouden ze de longen hebben uitgezet, om die frissche levenslucht in te drinken! Waarom toch vlood ze weg, die wondere eeuw van kracht, wier golving nog natrilt in wat onze eeuw beweegt? Ze had donkere schaduwen, . . . maar kon het anders bij zoo klaar een schijnen van het licht? Neen, de lichtere schaduw van thans, kan hen met het schemerlicht onzer eeuw niet verzoenen. Weer om dat volle licht vragen ze, al moest de schaduw ginds er te zwarter om gekleurd worden. Keer weder, keer weder! zoo roepen ze de tijden onzer |11| vaderen toe, . . . en, bij het woord de daad voegend, maken ze zich op tot nabootsing, gorden ze zich aan tot weeropbouwing van wat de hand der vaderen had gesticht.

En waarom het hun dan nog nimmer gelukte, ook maar één steen blijvend op den andere te doen rusten? Wijl ze repristineeren willen, en repristinatie een streven is, dat zich zelf veroordeelt. »Altijd vlieten, zonder ooit te keeren,” is het hoog gebod dat de Schepper zelf aan den tijdstroom gaf. Voor wat gisteren was, is in het heden geen plaats te vinden, en daarom altijd ledig keert dat roepen tot hen weer. Houdt, niet wat de vaderen hadden, maar wat gij zelven hebt, is het woord des levens, dat van meet af met onvruchtbaarheid slaat, wat die levenswet schenden durft. En zoo verspillen ze hun kracht aan een bouw, die toch nimmer gereed komt. Zoo dringen ze zich buiten hun tijd en boeten elken invloed in op het leven dat hen omringt. Zoo keeren ze zich ten leste tegen hun broeders, dat de reeds zoo kleine kracht nog meer verbrokkeld wordt. Ja, wat het ergst is, zoo moet hun geestesleven zelf schade lijden, en door altijd nieuwe teleurstelling het graf hunner lievelingswenschen eindelijk het graf worden voor hun geloof. — Neen, gij, Mannen die de vaderen eert! zoekt eerst het leven, dat de vaderen hadden, zelf te hebben, en houdt dan wat gij hebt. Spreekt dan dat leven uit in úw taal, gelijk zij het in de hunne deden. Ja, worstelt dan gelijk zij geworsteld hebben, om dat leven in de aderen van ons kerkelijk, in de aderen van ons maatschappelijk leven, uit te drijven . . . . dan zal niet meer een doode vorm maar levende gemeenschap u met hen verbinden, het geloof u zelf een kracht zijn, en de bouw u volkomen gelukken.

*

Meer geschikt voor het leven, maar armer aan veerkracht, zijn zij, M.H.! die, niet al wat de vaderen hadden, terugbegeeren, maar slechts datgene behouden willen, wat dusver van de erfenis der vaderen werd gered. Gij weet, zelfs in de |12| droefste tijden van inzinking was der gemeente nog altijd iets van het heilige gebleven, en sints bracht de geloofsopwekking dezer eeuw ons menig kostbaar erfstuk terug. Welnu. Dát te redden, zonder meer te eischen. Dáárvoor pal te staan, zonder de hand naar meer uit te strekken, — zietdaar derzulken leus. Nieuw te scheppen wagen ze niet, het oude terugroepen, kunnen ze niet, — wat zullen ze dan beter doen, dan aan wat gered werd al hun liefde schenken, vast besloten, elke hand terug te slaan, die weer ten roof naar dat kleinood greep.

Toch kan ook zulk een streven slechts bevredigen voor een tijd. Natuurlijk, wie zich eerst schier van alles beroofd zag, springt op van vreugde, zoo een deel van zijn schat tot hem wederkeert. Van daar dat de eerste opwekking bij onze rechtzinnigen elke andere gedachte, dan die der dankbaarheid, buitensloot, en zonder andere keur dan die van sympathie des geestes, de man zich met zijn broeder verbond. Wie begreep die rekbaarheid niet, waar een strenger eisch de rookende vlaswiek, het pas gewekte leven, dreigde uit te blusschen? j Wel had men op veel niet eenzelfden blik, maar toch, hoe klein ook, er was een gemeenschappelijken bodem, waarop men arm in arm kon staan. O! het waren schoone dagen, die eerste dagen des nieuwen levens, toen men in kinderlijke onbezorgdheid zich op den stroom liet afdrijven, en nog geen stormen duchtte en aan geen eischen des levens dacht. Maar toch . . . die eischen kwamen, en toen bleek het alras dat men, om saam te wonen, meer behoeft dan een gemeenschappelijken bodem. Immers aan wat men saam geloofde, werd men ras gewend, de vraag naar wat daar verder lag, liet zich niet langer onderdrukken: hoe meer men het oog van het verschil zocht af te trekken, hoe meer het er heen trok . . . en toen werd de jammer openbaar. Want toen bracht elk zijn eigen meetsnoer aan en was er geen maatstaf die beslissen kon. Toen begon dat zweren van een iegelijk bij zijn eigen woord, dat zich verliezen van elk in eigen paden, en al te wreed moest toen de zorgelooze broederkring boeten, dat ze slechts |13| een vriendenkring en niet een kerk had willen zijn. Nu zag men het in, dat voor het uitwendige leven, geen band van sympathie volstaan kan, maar een band der belijdenis van noode is, en verlegen vroeg de een den ander, wát belijdenis het zou zijn? De band met het verleden was verbroken, er was geen macht die hem weer aan kon binden, niet te veel mocht men eischen, om niet te velen af te stooten, en daarom op een tasten ging het aan. Zoo moest willekeur gelden voor recht, in het ruwe werd een grens getrokken en op den gis af naar den dunk der meesten een maatstaf geëikt, die van nu voortaan voor het recht op den eernaam van rechtzinnig zou beslissen. Houdt »wat gij hebt” was ook nu wel de leuze, die men ophief, maar »wát men in Christus had” bleef voor het hart onzeker en voor het denken onbeslist. Voor de drijfkracht der beginselen beangst, deinsde men voor het doordenken der waarheid terug, en een beginselloos »ongeveer” werd als stuk van hooge wijsheid boven de volstrektheid onzer vaderen verkozen. — Van toen af belemmerde angstvalligheid bij elke schrede: onderling wantrouwen belette elk krachtsbetoon. Tot werkeloosheid was men gedoemd: in de oppervlakte bleef men zweven, vreezend bij het dompelen in de diepte te vergaan. En zoo, inwendig gedeeld, nu her-, dan weer derwaarts slingerend, kon men geen stand houden, veelmin een karakter toonen, dat den vijand eerbied afdwong. Neen, M.H., ook langs dien weg feilde men ter overwinning. Ook daarin huisde geen kracht. De eens vastgevroren stroom brak los, . . . . een oogenblik hoorden we het kabbelen van zijn golven, en dien nú reeds weer te stremmen, om straks den golfslag voor immer te boeien! Neen Gel.! niet de bevloerde wateren, maar de bruisende stroomen, dragen leven, brengen heil!

*

En zoo staan we dan van zelf voor den derden vorm dier krankheid, die zich geleidelijk uit de laatste ontwikkelt: hen bedoel ik, die slechts dát behouden willen, wat de vijand ons |14| laat. Natuurlijk, de onvastheid, waarin men verliep, moest er ten slotte toe brengen, dat men élken toestand aanvaardt. Is de grens, die de u heilige erve omloopt, zichtbaar voor elks oog en scherp geteekend, dan wijs die grens zelve u de plek, welks overschrijding gij nu dulden moogt, en welks schending u ijlings het zwaard uit de schede jaagt. Dan is het op die plek »nù of nooit.” Is daarentegen uw wapenzuil weggenomen, en de grens daardoor onzeker, zwevend en onzichtbaar geworden, dan houdt vrees, om het zwaard te vroeg te trekken, zoo licht de hand van het gevest terug, en ducht men geen blaam, als men nog en nog een schrede rugwaarts wijkt, tot eindelijk de heilige erve geheel verloren is, en de moed voor een nu doelloozen strijd ons ontzinkt. Want die onzekerheid juist snijdt ons de peezen onzer kracht door: die onvastheid maakt aarzelend: dat aarzelen doet dralen, en met dat dralen is, eer we het zelf bespeuren, het vuur van onzen geestdrift gebluscht. — En toch zoo verging het ons M.H. . . . Dit zou men nog geworden laten, maar als dàt werd aangerand, zou men onverbiddelijk doortasten! Eerst zou het een worp om de Belijdenis zijn. Toen die verspeeld was, zou men pal staan voor de Schrift. Toen ook die verloren was, zou een zestal Hoofdwaarheden ons ten Shibbôleth zijn. Toen ook dat onhoudbaar bleek, zou men voort ’t minst dan toch de Wonderen handhaven. Eindelijk gaf men ook van die stelling de buitenwerken prijs, en zou de Opstanding van Christus ons ten borstwering zijn. Ook die verloor men. Thans heeft de tegenstander de hand reeds aan onzen Doop geslagen, — en toch . . . . aan alles heeft men zich gewend en nog heeft men »de formule van weerstand” niet gevonden. Zoo boog men de lijn van verdediging telkens meer binnenwaarts. Waar men nog stand hield, was het slechts schijn. Naauwelijks in het vuur, hoorde men van verre reeds den aftocht blazen, en »vrede, vrede” suisde altijd weer het zachte liedeken, waarmeê men zich van zooveel smaadheid heeft getroost. O, wien heeft dat roemloos terugtrekken niet soms gegriefd, . . . . maar er was geen oproeien tegen den stroom. Het valsch gekozen uitgangspunt wrook zich, |15| en nimmer eindigende teleurstelling moest de vrucht onzer onbeslistheid zijn. Het gemis aan vastheid belette het overleg: het uitblijven van overleg sleepte gemis aan beleid na zich: en bij het teruggaan werd spoedig van het tegendeel overtuigd, wie nog aan een andere mogelijkheid gedacht had. En zoo als het dan meestal gaat, . . . . toen werd voor enkelen een hebbelijkheid, wat voor allen noodzakelijk bleek, en het behouden van wat men ons liet, begon gedragslijn en systeem te worden. Wat is, behouden, zelfs niet zóó als het is, maar gelijk het van dag tot dag van erger natuur wordt, dús is het peil gemerkt, waartoe de wateren der behoudzucht daalden. Een »tot hiertoe en niet verder”, was van dat oogenblik af ondenkbaar geworden. Eerst was de grens nog zwevend, nu zou ze door den vijand bepaald worden. Het »ongeveer”, dat bij de grensbepaling nog een tijd lang gold, het was nu reeds met innerlijke noodzakelijkheid door een »nergens” vervangen.

*

En nu, oordeelt dan zelf, Gel., of er geen oorzaak is om die valsche behoudzucht in al haar gangen te bespieden. Nog trad ze niet in haar ware gedaante op: nog was ze steeds met het heilige gemengd, door het heilige getemperd: en toch, wat kwaads berokkende ze ons niet reeds? Wat zal het dan niet zijn, als ze eens, elke vermomming afwerpend, openlijk haar banier ontrolt, en de kerk van Christus het zinbeeld des levens afrukt, om haar het teeken der versterving op het voorhoofd te drukken. — De tijden zijn ernstig. Wel hevig moet de strijd der geesten in de lucht zijn, k om zoo geweldige schokken op deze aarde te doen natrillen. Het is, of het verderf het uiterste zijner kracht inspant, om den zegen weer te verderven, waarmee de Heer ons had verrast. Want ja, de Heer heeft wonderen gedaan, Hij die machtig is, onze Heiland. Daar lag ze, de eens zoo bloeiende vallei des Christelijken levens, zoo het scheen, in de dorre vlakte der woestijn verkeerd. Meer een doodenveld dan een akker des levens was de kerk van Christus op aarde geworden. En ziet, de Heer ontfermt zich onzer: |16| die beenderen waken op; l als een afschijnsel van het pinksterwonder gaat over ons geslacht. Weer ritselt het leven: weer klimt de lofzang op: weer wordt de naam des Heeren aangeroepen. Zijn uitgestrekte arm is weer aan de zijnen geopenbaard! — En nu, dien zegen, óns geschonken, en waarvan deswege op ons de verantwoordelijkheid rust, dien dreigen we te verspelen. Te verspelen door ons ongeloof: te verspelen door afwijzing van ontwikkeling: te verspelen door onze halfheid. Weer stellen we vorm en wezen naast een, zoodat het wezen zonder vorm doorvloeit en de vorm zonder wezen versteent. Weer nemen we het gif in onze aderen op, en scheiden in tal van secten krachtige elementen des levens uit. We hunkeren naar een steun, dien God ons niet verwekt heeft, en, de kracht der Gideonsbende versmadend, ontplooien we zeer breed onze gelederen, die straks verstuiven zullen, als de ure van scheiden komt, voor wie niet uit ons zijn geweest. Het is zoo: nog blijft de schijn van eenheid bewaard, maar niet langer dan het den vijand goeddunkt ons door zijn tegenstand te vereenigen. En komt eens de dag, dat het met dien tegenstand ook het steunsel onzer eenheid wegvalt, . . . . o, dan zal er rouwe zijn en gekrijt in Israëls legertente, dan zal het blijken, dat men nooit straffeloos den heiligen krijg voor de eere Gods in vrijbuiterij voor aardsche rust ontheiligen kan. Dan zal ons laatste erger dan ons eerste zijn, en de demon, dien we uitdreven, in den ledigen tempel wederkeeren, verzelschapt van zeven andere geesten, boozer dan hij zelf. m

Toch, daarom nog niet gewanhoopt, Gel. Wel dreigt dat gevaar, maar onafwendbaar is het niet, mits het beseft worde. Nog kan een losbarsting van het onweer zuivering van den dampkring brengen. Nog kan de arm des Heeren naar voren omkeeren, die dusver steeds achter zich zagen: de onvasten vastzetten, en de minnaars van een roemloozen vrede opjagen uit hun valsche rust. Scheidt gij slechts van de valsche behoudzucht in uw eigen hart, van de valsche behoudzucht in uw kerk, van de valsche behoudzucht in het leven. Houdt, niet wat u heeft, maar wat gij zelven hebt, en roemt |17| in een kroon, niet die ge elkander om de slapen legt, maar die, nu onzichtbaar, u bereid is van God.

*

II.

Of dan èlke behoudzucht schade brengt? Dat zij verre, mits we de valsche uitdrijven, om de ware te kiezen. Reeds wees ik er u in den aanvang op, hoe vasthoudendheid met godsdienst eenzelvig is, en »behouden door opstanding” als de levenspalm van den Christen ruischt. Zijn reeds hierom beiden nauw verwant, ik voeg er thans nog een andere oorzaak bij, de Christendom en behoudzucht onafscheidelijk moet verbinden.

Het Christendom leeft niet enkel uit schoone gedachten, maar slaat door machtige feiten zijn levenswortelen uit in de werkelijkheid die bestaat; want het Christendom is een historisch verschijnsel. Openbaring van het onzienlijk, maar in wat zichtbaar is: van het eeuwige, maar in den tijd, is juist zijn geheel eenige uitnemendheid boven elken anderen godsdienst op aard. In die feiten ligt zijn waarmerk: door die feiten is het gesticht: uit die feiten vloeit de stroom zijns levens voort. Die feiten nu zijn in het hechte fundament, waarop wij staan, als steenen ingevoegd: ze bekleeden in het verleden een eigen plaats: met de wegcijfering van dat verleden vervielen ook zij. Strekt dus onze geest zich uit, niet naar een idealen Christus, vrucht van eigen schepping, maar naar den Christus der Schriften: naar Hem, wiens leven zich in het leven dezer wereld historisch geopenbaard heeft, dan kan de gang door dat verleden den zoekenden geest niet gespaard worden. Immers, alleen aan de menschwording van Gods Zoon dankt het Christendom zijn aanzijn. In dat feit alleen ontspringt de bron zijner kracht. Alleen daaraan kan het zijn glans ontleenen. Het verleden, mét dat wonder Zijner geboorte in zich, het is voor de kerk van Christus de ruwe schaal, waar in hooger hand die kostbre parel besloten heeft, en »behouden” moet daarom zijn |18| leuze blijven, wijl het zonder die behoudzucht ook die kostbare parel verloor.

Ja, niet alleen de kracht van dat verleden moet tegen wegcijfering beschermd worden, maar om dat verleden, moet ook, wat nu is, den Christelijken geest ter verdediging doen opwaken. In het heden toch leeft dat verleden voort. Niet als afgesloten vakken liggen de eeuwen naastéén, maar, wat toen was, werkt nu na, en die historische wonderfeiten, waardoor het Christendom gesticht werd, hebben de eeuwen die daarna zijn gekomen bezwangerd met hun kracht. Een deel van die kracht ligt dus ook thans nog om ons heen gespreid, in de verhoudingen en betrekkingen van het leven. De nawerkingen van die feiten zijn in het thans bestaande ingeweven. Onvoorwaardelijke wegwerping van het ons thans omringend leven, zou dus ook die heilige kracht moedwillig vernielen. Behouden moet het Christendom dien gebrekkigen bodem, wijl het in dien bodem ook thans nog met zijn wortelen staat.

Vraagt ge: waarin dan, zoo al de behoudzucht voor het Christendom gewettigd, ja geëischt is, de ware behoudzucht zich van de valsche onderscheidt? M.H. de behoudzucht, die we veroordeelen moeten, wil, wat is, behouden, zoo als het is: de ware, behoudt wat is, gelijk het wordt in Christus: d.w.z. opgestaan.

De ware behoudzucht ijvert niet voor de schaal, maar voor de perel: heeft niet de verschijning der dingen lief, maar de verborgen levenskiem, waarmee Christus ze bevrucht heeft. Als achter het gordijn der zichtbare gestalte grijpt zij naar het reine beeld der dingen, dat zich uit die nieuwe levenskiem ontwikkelt. Ze ziet, wat is, aan, niet gelijk het thans zich vertoont, maar gelijk het in de eeuwigheid eens zijn ware heerlijkheid ontplooien zal. En daarom haat ze die wereld, gelijk die thans is, en heeft ze nogtans die wereld lief, om het levenscheppende Woord Gods, dat in haar verborgen diepte verzonken ligt. Ze weet: deze gedaante der wereld gaat te niet, hemel en aarde zullen voorbij gaan, maar het Woord Gods blijft in eeuwigheid, en in dat Woord ligt een nieuwe hemel |19| en een nieuwe aarde, een nieuwe levensvorm voor elk schepsel dat aan het verderf ontkomt. En daarom, dat Woord Gods heeft al haar liefde: dat Woord Gods, niet slechts gelijk het in klanken gesproken is, maar ook gelijk het vleesch werd in Christus, en van Hem uit in de voegen dezer wereld indrong, als de eenige levenskracht is, waarin het bestand der dingen rust.

Twee levens zijn dus thans dooreengeweven, en het is alleen het behoud van het laatste, van het nieuwe leven, dat de ware behoudzucht bedoelt. Daarom moet de orthodoxie zonder de scherpe onderscheiding van dat tweesoortig leven, allengs vergaan. Is die onderscheiding haar zwevend, dan tast ze onzeker rond bij de vraag: wat wél, wat niet moet behouden worden, en kan ze het gevaar niet ontkomen, van ten deele een leven te handhaven, dat ze juist bestrijden moest, en ten deele prijs te geven, wat als een onmisbaar element, in het geheel van haar leven niet ontbreken mag. Belijdenis van zonde baat haar niet, zoo ze die zonde buiten verband met het leven beschouwt, en de onmisbaarheid eener nieuwe levensschepping niet juist uit haar verklaart. De verdediging van het wonder geeft haar geen kracht, zóó ze dat wonder als iets bijkomstigs opvat, en niet ter grondlegging van het nieuwe leven die tegennatuurlijke inbreking in den bestaanden toestand eischt. Bovenal, haar handhaven van de genade, tegenover de vrucht van ’s menschen werk, kan haar toekomst niet verzekeren, zoo ze die lijn van genade niet tot in het uiterste doortrekt en nogmaals Gods vrijmachtige verkiezing tot het uitgangspunt van haar leven verheft. Of wilt ge korter gezegd: haar strijd voor de Schrift, moet noodwendig in zelfmoord eindigen, zoo ze zich voor Gods woord niet onvoorwaardelijk buigt, en haar oog niet opent voor dat, van deze schepping geheel afwijkende, geheel andere en dus nieuwe leven, waarvan dat woord ons den aanvang, den inhoud en het einddoel toont: waarvan het ons de gangen en bewegingen voorteekent: voor welks herkenning het ons den echten toetssteen reikt. |20|

De Christus stelt een allesomvattend en volstrekt beginsel, d.w.z. uit hem begint een geheel nieuw leven. Toch is dusver nog slechts een zeer klein deel te voorschijn getreden van den eeuwigen levensschat, die in dat beginsel ligt. Een deel van wat dit beginsel in zich draagt, is naar buiten gekomen, maar verreweg het grooter deel ligt er nog in. Nu kan men, óf wat dusver uit dat beginsel reeds te voorschijn kwam, óf het beginsel zelf behouden. Het conservatisme doet het eerste: de ware orthodoxie moet het laatste doen. Niet om de enkele bloesems, die zich reeds ontplooiden, om de plant zelve moet het haar te doen zijn: om die plant, mét de vormingskracht die in haar wortelen schuilt: om die plant, mét de profetie van ontelbare bloesems, die haar leven ons brengt.

De plant moet ze behouden, niet alsof onze hand de rijpe vrucht eerst zelve scheppen moest, om die straks aan haar takken te binden, maar in het vast geloof, dat ze zelve die volheid van vruchten nu reeds in zich besluit. Den Christus houden dus, niet slechts ter handhaving van een onderscheiden leven, niet slechts als het volstrekt beginsel van dat eigen leven, maar evenzeer als den Eeuwige, in wien de volheid van dat leven, ook voor uzelven, nu reeds rust. De orthodoxie breekt met het eeuwige, zoo ze onze vaderen niet durft naspreken: dat we in Christus alles hebben, en het niet nog eerst verwerven moeten.

Wie nog zelf den Heer, al was het slechts een enkelen steen, wil aandragen voor zijn eeuwig huis, of meent, dat hij nog voltooien moet, wat Christus slechts begonnen is, die kan niet behouden, wat hij zelf erkent, nog niet te hebben, en steeds nog zoekt. Alleen het eeuwige, is het houden waard, maar dan ook dat eeuwige, niet leeg, maar met zijn volheid, niet ten deele, maar geheel. Het is zoo. Dat eeuwige is uw bezit nog niet, maar toch is het uw eigendom, uw reeds losgeworden erfenis. Gij hebt ze, die volheid des eeuwigen levens, maar gij hebt ze door het geloof.

Dat leven, dat ge in Christus hebt, in zijn eigen aard, in zijn scherpgeteekend beginsel, in zijn eeuwige volheid te houden, zietdaar dan onze heilige roeping. M.H. Gelooft ge, dat |21| deze wereld in den dood ligt en alleen in Christus het leven is? Voor het minst Gij belijdt het. Maar dan wijkt ook elke twijfel. Dan draagt alleen dat Christendom de levenskiem in zich, die deze wereld weer ten leven verwekken kan, en zijt gij de geroepenen, om der wereld dat leven te brengen. Dan is u op de hand gezet dat vurig medicijn, dat, waar elk geneesmiddel vruchteloos bleek, de eenige kracht ter genezing voor die doodelijk kranke wereld in zich draagt. O! hoort ge dan de onbewuste smartkreet niet, waarmee die wereld u toeroept: »Houdt dat gij hebt, Gemeente van den Zone Gods! Werp het niet weg, maar ook verderft zijn kracht niet.” Ja, om harentwil en om uzelfswil, is het of de Opperste Wijsheid u met haar smeekt: »Mijn zoon, laat het niet van u wijken, maar behoudt het in het midden van uw hart.” n

*

Houdt dat eeuwige, maar ontworstel u dan ook aan de zelfbegoocheling, als of gezindheid en streving genoegzaam waren om dat eeuwige te houden. Waar leven is, schept het zich een vorm. Een leven zonder vastbegrensden vorm kán in deze eindige wereld niet bestaan. Alleen in een vorm kunt ook gij dus dat eeuwige houden, zoo het als werkelijk leven zich in en om u openbaren zal. Die vorm moet natuurlijk uit dit leven genomen worden, en moet dus wisselen met de verandering die dat leven zelf doorloopt. In aansluiting aan den vorm onzer vaderen, o! gewisselijk, want we kennen geen ander leven, dan waarin zij gejuicht hebben, en dat in hun vormen ons werd aangebracht. Maar toch ónze roeping is, niet in hun dagen, maar in ónzen tijd te houden, wat we in Christus hebben, en daarom uit onzen tijd moet de stof genomen, waaruit thans die vorm wordt bereid. Die arbeid is ontzachlijk M.H., vooral waar zooveel werd verzuimd. Neen, ge kunstelt dien niet naar een plan door uw denken ontworpen. Uit het leven moet ze als van zelf ontstaan: naar de wet van dat leven zich regelen. De slangenhuid verwisselt zich niet kunstmatig, maar alleen door de veerkracht des levens die zich |22| op elke plek van haar oppervlakte openbaart. Een zelfde levenskracht is het die de oude huid losmaakt en den kronkelenden romp met een nieuwe huid overdekt. En daarom ook gij doet dien nieuwen vorm nooit komen, tenzij ge geheel ons aanzijn in al zijne betrekkingen met de veerkracht van dat leven, met de energie van dat eeuwige in aanraking brengt.

Houdt dat eeuwige dus, in het midden uws harten allereerst. Noch uw gevoel, noch uw denken zijn verkoren, om uitsluitende dragers van het eeuwige te zijn. Weet het wel: wat ge hebt, ontgaat u, zoo ge met iets minder dan met uw geheelen mensch het vasthouden van dat eeuwige beproeft. — Houdt het voorts in uw persoonlijk leven. De Christelijke geest is geen olie, die op den waterspiegel drijft, maar een scherp bijtend vocht, dat elken druppel van den stroom uws levens doortrekken moet. Wie geen Christen in het kleine is, kan het ook in het groote niet zijn. Niet slechts wat gij wildet afzonderen, geheel uw leven eischt het Christendom op. — Maar ook daar zelfs eindigt uw roeping niet. Schier elk heeft een huisgezin: we zijn allen leden der maatschappij en kinderen onzes volks, en ook die banden zijn onmisbaar, ook die moeten aan het eeuwige worden aangebonden, om dat eeuwige te houden. De Christus duldt geen dubbel leven: het moet één leven in ons zijn, door één beginsel, waar het zich ook uit, gedreven. Het leven vormt eerst in al die rijke vertakkingen den éénen hoogen tempel waar in de geur van het eeuwige op moet stijgen, — en wie wél het altaar zijner ziel, maar niet het altaar van dien levenstempel bedienen wil, is, misschien door zichzelf, misschien door anderen, maar zeker niet door den Christus tot zijn priester gewijd.

*

En daarom niet geklaagd, maar onze pligt begrepen, M.H. waar ook in het kerkelijk leven de oude vorm steeds meer onbruikbaar blijkt, en de nieuwe nog wordt gezocht. Van die kerk zijt ge allen leden: in die kerk hebt ge alleen uw plaats. Openbaart in die kerk dan slechts het eeuwige, dat gij hebt. |23| Onderdruk het nooit, maar breng elk uwer verrichtingen, breng elke plichtsvervulling, met dat eeuwige in aanraking, en gelooft mij, het doode in den ouden vorm, het kán u niet weerstaan. Hetzij ge bidt of de lofzang aanheft: hetzij het Woord gepredikt wordt of het Sacrament bediend: hetzij ge uw gemeenterecht uitoefent of uwe aanneming tot lidmaat vraagt: hetzij ge slechts uw gave hebt uit te reiken, of de gaven der gemeente bestuurt, waar ge ook als lid der gemeente optreedt, ban slechts de leugen en wees waar: houd op gedachteloos te zijn en blijf in den ernst: drijf de sleur uit en draag in alles het eeuwige dat ge in uw ziel ontvangen hebt, — dan zúlt ge onverwinlijk zijn, dan is ú de toekomst, en, stroomt zoo eens het eeuwige door de aderen van ons kerkelijk leven, geen nood! M.H., dan laat eer ge het meent de oude vorm van zelf los, en wordt, wat ge hebt, in nieuwen vorm behouden.

Niet het minst is u de roeping opgelegd, anderen daarin voor te gaan, Gemeente van Utrecht! die reeds sints lange jaren uw naam aan den strijd voor rechtzinnigheid en geloof in onze Kerk hebt verbonden. Dankt ge, dat de tijden voorbij zijn, waarin ge onder de grootere gemeenten onzes vaderlands bij dien strijd alleen stondt, toch blijft aan u, ook nu nog het oudste recht, en daarmee de duurste verantwoordelijkheid. Nog wordt er op Utrecht gelet, nog is Utrecht voor velen een stad op den berg gelegen. o Nog altijd is de eer der geloovige richting aan Utrecht’s bloei en Utrecht’s geestelijken wasdom verpand.

En niet zonder oorzaak, Gemeente! want de Heer heeft groote krachten in uw midden gedaan. Uit uw midden zijn het eerst de mannen verwekt, die den strijd tegen het ongeloof met geestdrift hebben aangebonden, met volharding hebben doorgestreden en met beleid hebben gevoerd. Uw gemeente is door Hem verkoren tot een middenpunt van geestelijke werkzaamheid, van waar in wijden omtrek zegen is uitgevloeid. De brandende schoolvraag is in uw midden het eerst afdoende opgelost en voor langen tijd de instandhouding der Christelijke school verzekerd. Het Christelijk leven had hier een |24| vrijen loop, en kon in elke levenssfeer doordringen. Ja, welk talent is niet met kwistige hand u toegedeeld? O! er was in uw gemeente een rijkdom, een weelde van gaven, waarbij te scherper afstak de geestelijke armoe, die men elders leed.

Ook dát talent is iets, dat ge hebt, ook daarvan zeg ik: »houd het.” Als men elders u benijdt, laat het dan om iets meer zijn, dan om uw rechtzinnigen naam. Weet dan veeleer door de levenskracht, die van uw rechtzinnigheid uitstroomt, anderen tot jaloerschheid te verwekken. Elders klaagt men, dat er nog banden zijn, die belemmeren, — hier zijt gij vrij. Elders worstelt men nog, om de prediking van het ongeloof terug te dringen, — hier werd die strijd reeds met overwinning gekroond. O! slaap dan niet op uw lauweren in en ban den waan, alsof met die eerste schermutseling de groote strijd reeds was volstreden. Immers nu eerst komt de bange worsteling. Nu komt het er op aan, de vruchten van dien eersten strijd te toonen, door elk te overtuigen, dat de heerschappij der rechtzinnigheid de gemeente van Utrecht opbouwt, haar leven wekt, haar veerkracht verhoogt en het zuurdeeg des Christendoms ook in haar maatschappelijk leven gisten doet. Nu wordt het uw roeping, om niet slechts elk voor uzelf, maar ook als gemeente te beslissen, of gij menschen-inzettingen nog gehoorzamen moogt, zoo ze de kracht van Gods Woord tegenhouden. Nu komt de moeilijke taak, om het nieuw gewekte gemeenteleven, met vaste hand te ordenen en weer den geestelijken eisch te geven, aan al wat geestelijk heet. Ja, nu vooral, wacht u de reuzenarbeid, om het niet-geloovend deel der gemeente, waarover men zich dusver weinig bekreund heeft, weer met de kracht des Evangelies te bewerken, en te breken met dien valschen toestand, waarin ge dusver, zoo ik gelooven wil, uws ondanks, hebt verkeerd.

Met heiligen ernst roep ik u daartoe op, Gemeente! al zal het mij niet vergund zijn, in dien strijd met u op te trekken. Maar, al wacht mij thans in een andere gemeente de strijd, dien gij reeds achter u hebt, ook tot dien tweeden strijd zal het daar eens komen, en goed zal het mij zijn, dan anderen |25| te kunnen toeroepen: »Ziet het aan Utrecht, wat de rechtzinnigheid vermocht!

Wat ik in dien geest in uw midden zocht te arbeiden, voegt het mij niet te gedenken. Te meer, mijn zijn in uw midden was te kort, om meer dan hier en daar een enkele zaadkorrel uit te strooien. Reeds nu heeft die arbeid een einde genomen. Voor Hem leg ik dien neer, Gemeente! Wiens dienaar te zijn mijn eere was. Hij vergeve, wat mijn hart daarin zondigs bracht, Hij zegene wat daarin geschied is naar Zijn wil.

Werd ik daarbij nu en dan in strijd verwikkeld, het was, omdat ik niet altijd denken kon, zoo als anderen dachten, en verbloeming van dat verschil in strijd achtte met mijn plicht. Misschien wel, wijl ik in anderen kringen ben opgevoed, had ik op veel een anderen blik, en moest naar dat inzicht dus handelen, zoolang men mij niet van ongelijk had overtuigd. Steeds heb ik daarbij naar openheid van taal en eerlijkheid van wapenen gestreefd, en ook bij verschil van meening, wien eere toekwam, die eere gebracht. Wat ik daarin te kort schoot, zij mij vergeven: vergeven, om het teedere van den strijd, dien ik voerde: vergeven bovenal, om de vaak beklemmende eenzaamheid, waarin ik met mijn meening stond.

En zoo ga ik dan van u, Gemeente! met een dankbre herinnering in het hart, want veel is de winste, die mijn kort verblijf in uw midden mij bracht. En nu ik, door goed gerucht en kwaad gerucht, aan dit rustpunt op mijn levensweg gekomen ben, waardeer ik in hooge mate den zegen, dat ik bijna een drietal jaren in uw midden heb verkeerd. Van beproeving bleef ik niet verschoond, maar ook aan vertroosting ontbrak het mij niet, en mijn God was mij steeds een Hoorder des gebeds. Veel liefde hebt ge mij en de mijnen geschonken, en met milde hand mij de lasten des levens verlicht. Ik weet het: gij begeert daarvoor geen dank, maar mij is het behoefte aan de veelheid, aan de kieschheid, aan de teederheid uwer liefde getuigenis te geven. Wat het is, broeders en zusters van geestelijke maagschap te hebben, ik heb het te Utrecht eerst ten volle geleerd! |26|

Dat ik toch niet bleef . . ., neen waarlijk het was niet, wijl mij het leven in uw midden verdroot. De bekoring uwer schoone stad, de aantrekkelijkheid uwer godgeleerde school, bovenal de hechte banden, waarmeê ik aan zoovelen verbonden was, ze neigden mij tot geheel andere keus. Nogtans gelooft ge, dat ik uit plichtsbesef gehandeld heb, met een roeping naar elders aan te nemen. Dát gij het gelooft, geeft mij in deez’ ure rust.

Gemeente! van ú te vergeten kan mijnerzijds geen sprake zijn. Blijf gij dan ook mijner gedenken. Laat ons elk op onzen weg, den loop zoeken te voleinden. We weten niet welke dingen voor land en kerk staan te komen. Maar welke stormen ook losbarsten, wacht u voor de valsche behoudzucht. Begraaf onze heerlijke orthodoxie niet in den verraderlijken kuil van een valsch conservatisme. Houdt wat gij in Christus hebt, en openbare het de dag der dagen, dat er recht velen in uw schoot geteeld zijn, die niet slechts den loop voleind, maar ook het geloof behouden hebben, en de kroon ontvangen van hun Heer.

En nu, Gemeente, eer ik het Amen uitspreek, heb dan mijn laatst »Vaarwel”. Neme nooit de Heer de kandelaar weg, die Hij u zoo wonderlijk gaf, maar moge met steeds klaarder glans Zijn licht daarop branden. Met een open hart ben ik tot u gekomen, met een veel rijker hart ga ik uit uw midden weg, en is het mij dan gelukt, zij het ook slechts een enkelen steen voor den bouw van uwen geestelijken tempel aan te dragen, Hem, Gemeente! zij daarvoor de eere, Wiens alleen de kracht is, en die ook nu voortaan, u hier, mij ginds, dekke met de vleugelen Zijner eeuwige ontferming.


Amen.



a.

b. Vgl. Matteüs 3 : 9.

c. Vgl. Jesaja 30 : 15-16.

d. Vgl. Ezechiël 16 : 6.

e. Vgl. Genesis 3 : 24.

f. Vgl. Genesis 1 : 31.

g. Vgl. Matteüs 23 : 21; Johannes 2 : 19-20.

h. Vgl. 2 Korintiërs 5 : 7.

i. Vgl. Matteüs 13 : 33.

j. Vgl. Jesaja 42 : 3.

k. Vgl. Efeziërs 6 : 12.

l. Vgl. Ezechiël 37 : 1-14.

m. Vgl. Matteüs 12 : 43-45.

n. Vgl. Spreuken 4 : 21.

o. Vgl. Matteüs 5 : 14.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000