XLVI. „Gij versmelt mij het wezen!”

Gij heft mij op in den wind; Gij doet mij daarop rijden; en Gij versmelt mij het wezen.

Job 30 : 22. a


Klaag toch niet te bitterlijk, ook al is het dat uw harp tot een rouwklage wierd of uw orgel tot een stemme des geweens; en, om niet in te bittere klacht te verzinken, leer aan Job wat het hooge doen des Heeren is met het verpletteren van zijn heilig kroost op aarde.

Zie, hier is dan die Job. Die Job is een wonderlijk heilig kind des Heeren. Niet heilig, als ware hij de zonde te boven. Och, neen, Job is als onzer één. Als gij en ik. En zoo hij al recht loopt, is het de Geest in hem, die hem stiert en ophoudt. Maar heilig is Job, omdat God scheiding in hem heeft gemaakt tusschen wateren en wateren, omdat het droge in zijn hart is gezien, en God er in heeft doen uitspruiten. Heilig, omdat hij, vallend of opstaand, apart is gezet als een vat voor zijn God. Hem tot een instrument. Tot een der raderen en veren in zijn heerlijk werktuig van genade.

En wat overkomt nu dien Job?

Dit ijslijke: Satan sart God. Satan sart God in zijn vromen. Satan fluistert maar aldoor, dat het geen echt werk in die kinderen der verkiezing is, ook al is het een werk van den Heiligen Geest.

En nu moet er, om dat sarren den mond te stoppen, een |190|



a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 165 (20 februari 1881).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001