XLV. „Zoo liegen wij en doen de waarheid niet”

Indien we zeggen, dat we gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zoo liegen wij, en doen de waarheid niet.

1 Joh. 1 : 6. a


Naar de menschen zeggen komt het tegenwoordig maar aan op „waar zijn.” Van „onwaarheid spreken” van „onwaarheid doen” verneemt men schier niet meer. Het hoofdeuvel waartegen men te velde trekt, heet thans „onwaar zijn”. En die uitdrukking „onwaar zijn” schijnt zoo machtige bekoring uit te oefenen, dat ze uit de schriften der philosofen in de werken der godgeleerden, van daar in predicatiën en stichtelijk geschrijf overging, en nu al van lieverleę ook op de lippen van evangelisten, oefenaars en „ontwikkelde” gemeenteleden gaat leven.

Is dit goed?

Volgens Gods heilig Woord neen. Naar luid van dat Woord toch kunnen we over iemands innerlijk zijn niet oordeelen; staat dat aan God en niet aan menschen; en hebben wij ons te vergenoegen met de nedriger rol, om aan de deur der lippen en op de uitgangen der wegen, waar de menschenkinderen op wandelen, de wacht der waarheid te betrekken. Zoo komt het dus aan op wat iemand zegt en doet; niet op wat hij is. Wel te verstaan voor óns. Over wat hij is |186| zal God oordeelen. Weshalve al dat geliefkoosd gebeuzel over „onwaar zijn” in den grond niets dan een aanmatiging is en een treden in Gods recht.

Te sterker dient hiertegen gewaarschuwd, omdat het altijd gewagen van „onwaar zijn” er ongemerkt toe leidt, om het „waarheid spreken” minder nauw te nemen, en van het „waarheid doen” schrede voor schrede verder af te gaan.

Dit hangt saâm.

Dring ik eenmaal door de oppervlakte heen naar den verborgen achtergrond van iemands wezen, om dáár te heoordeelen, of hij wel waar is, dan verschijnt in vergelijking met die groote vraag, de kleine, of hij wel juist spreekt zooals het is, als van zoo ondergeschikt belang, dat ik daar vanzelf minder aan hecht. Te meer, daar dat „diep gaan” vanzelf minder waarde aan de oppervlakte doet hechten; aldus de kracht der woorden verzwakt; en er aan went om onder alles alles te verstaan.

Ja, om nog dieper de zaak op te vatten, eigenlijk is dat „waar zijn” iets van een mensch beweren, wat aan een mensch niet toekomt. Alle mensch is „leugenachtig.” Bij den onwedergeborene is dit zoo, zonder dat hij dit inziet of toestemt. Bij den wedergeborene is het oog voor dat leugenachtige van het eigen wezen opengegaan. En terwijl het kind Gods in hem worstelt tegen het „ik”, komt hij eerst recht tot inzicht van dat onware, valsche en leugenachtige van zijn wezen. Elke poging om reeds hier op aarde aan dien toestand een einde te maken, blijft vruchteloos. De contradictie van zijn en gelooven houdt aldoor stand. En tenzij men aan den bedwelmenden beker van het Perfectionisme zich den slaap der ingebeelde gelukzaligheid heeft ingedronken, blijft die afstand tusschen wat ik belijd en wat ik ben aanhouden tot in den dood.

„Waar zijn” is dan ook niet eens Hollandsch. Van een persoon gebezigd moet het niet heeten: „Hij is waar”, maar: „Hij is waarachtig”, gelijk dan ook onze Bijbelvertalers, overal waar in het oorspronkelijk het „waar zijn” van God wordt uitgesproken, dit steeds als „waarachtig” vertalen l). |187|

In 2 Cor. 6 : 18 wordt het wel is waar aan de apostelen gezegd, maar met het oog op de inspiratie.

Dit „waarachtig zijn” nu komt alleen aan God toe en niet aan ons.

Het op ons zelf te willen toepassen, is een ergerlijke hoogheid, die ons niet voegt. Wat wij vermogen, is, uit onze diepe leugenachtigheid smeekend de armen om redding uitsteken naar Hem, die de Waarheid is. Naar den „eenig Waarachtige”, die er ons uit kan helpen en houden. Naar Hem, die als Jehovah „is die Hij zijn zal”, en daarom alleen onder allen den volstrekten „waarborg van waarheid” in zich zelf heeft.

Bij Jesaia klaagt de Geest over hen, die „de duisternis tot licht stellen en het licht tot duisternis” (vs. 20). Dat wil zeggen, dat een vledermuis en nachtuil de vraag zou kunnen stellen, of het eigenlijk overdag niet donker was en ’s nachts licht, omdat hij dan ziet. En precies evenzoo doen wij nu met God den Heere. Omdat ons oog stomp is voor het licht en scherpr in de zonde staart, keeren wij het bestand der dingen om, en zeggen in onzen hoogmoed: „Zie, nu zie ik, dus nu is het licht over mij”. En dan komt de Heere in zijne majesteit en werpt u omver in het stof der aarde en dondert het u in de ziel: Neen, maar uw licht is duisternis in u, en Ik, Ik uw God, Ik alleen beslis en maak uit, wat licht, wat waarheid, wat de wezenheid der dingen is en heeten moet!

En dan, niet meer wetend, hoe of wat, dan tasten we naar den wand en vragen om een toetssteen, om een standaard, die het uit kan maken, en dan komt Jezus en zegt: „Ik ben de Waarheid!” En dit belijdend: „Hij de Waarheid”, dan lig ik ook om, en heb ik in mij zelf te erkennen: „Ik onwaar, ik leugenachtig, in mij de verdichting, de onwezenlijkheid, de strijd, de contradictie, — in Hem, in Hem alleen de waarheid, het waarachtig zijn, de zuivere volle harmonie!”

En daarom zie toe, mijn broeder, dat ge u doordat spreken over „waar zijn” niet verleiden laat.

Wie zoo zich opmaakt, om over anderen te oordeelen, dat ze „niet waar zijn,” die beeldt zich van zich zelven allicht in: „Maar ik ben wel waar!” En zoo verleidt de tong de ziel, en doet wat hoog en aanmatigend is, en al beuzelend over „waar zijn”, raakt men van de „Waarheid” al meer af.

Neen, wat ons, arme schepselen, toekomt, is maar om |188| ootmoedig en stil steeds dieper tot de overtuiging te komen, dat „de Waarheid” boven is, en de „éénig Waarachtige” in den hemel, en dat „alle mensch leugenachtig” is; wij zelven in de allereerste plaats.

En gebeurt het dan dat genade ons bekeert, d.w.z. dat we dit komen in te zien, en dat de Heilige Geest ons nu inboezemt een begeeren naar die Waarheid die boven is, en een lust om die Waarheid te belijden en als Waarheid in ons en om ons tot heerschappij te brengen, dan onder het juk door, mijn broeder! en niet u verdiept in een diepte, die ge toch nooit peilt, maar naar de Schrift, maar practicaal, maar naar de leer der vaderen, dan de wacht betrokken aan de deur der lippen, of ge verantwoorden kunt wat ge zegt, en de wacht betrokken aan den uitgang uwer wegen, of ge metterdaad wandelt op depaden die gij voorgeeft.

En zoo niet, dan u zelven vonnissen, oordeelen, doemen, en tot u zelf zeggen: „Alzoo lieg ik dan!” „Alzoo deed ik de waarheid dan niet.”

En onder dit vonnis van het Woord doorgaande, dan breekt ge uw hoogheid af; strekt in die afbreking uw hand weer naar de Waarheid uit; en Gods Woord brengt u, door n te oordeelen, van de leugen af en in de Waarheid terecht.




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 164 (13 februari 1881).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001