XLIV. „En in de duisternis wandelen!”

Indien we zeggen, dat we gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zoo liegen wij, en doen de waarheid niet.

1 Joh. 1 : 6. a


Twee dingen moeten voor een Christenmensch muurvast staan.

Hij moet ten allereerste klaar en duidelijk van zich zelven weten: „Ik wandel niet in de duisternis, maar in het licht.” Maar even vast en stellig moet bij van zichzelven belijden en erkennen: „Ik heb zonde. En zelfs dan, als ik mij geens dings bewust ben, zal en moet ik nog roepen, om vergeving van verborgen zonden. Immers God is meerder dan ons hart. Wat ik niet weet, kan Hij weten. Hij, die heilige God, met zijn aldoordringend oog!”

Geef een van die beide overtuigingen prijs, en ge staat terstond buiten het Christengeloof en zijt een leugenaar geworden.

Hoor maar, wat de apostel zegt: „Indien we zeggen dat we gemeenschap met Hem hebben en toch in de duisternis wandelen, zoo liegen wij.”

Maar even beslist in vs. 8: „Indien we zeggen, dat we geene zonden hebben, zoo is de waarheid in ons niet.”

De heilige apostel laat de schijnbare tegenstelling dus eenvoudig staan zooals ze staat, en snijdt daarmeÍ zoowel de antinomiaansche loslevendheid als de perfectionistische zelfgenoegzaamheid, bij den wortel af. |181|

Beide saam moeten in u zijn, zoowel „een wandel in het licht” als een „gestadig belijden van uw zonde.”

Een raadsel! Een zedelijk mysterie! het zij zoo! Mits gij u maar bij het Woord houdt, en niet afwijkt; rechts zoomin als links!

*

Hoe dat dan is?

Onze oude Zanchius zei: „Lieve broeders, ik kan wel terdege wandelen op een weg, waarop het licht is, en toch gedurig vallen. Maar als ik wandel op een weg waar alles duister is, kom ik, ook al was het dat ik een tijdlang schijnbaar goed liep, ten slotte toch om.”

„In de duisternis wandelen” dat kan dus onmogelijk met het geloof sa‚m bestaan. Wie dat doet en desniettemin beweert een Christen te zijn, die is in den volsten zin van het woord niets dan een FarizeŽr, een huichelaar, een geveinsde, een die zijn eigen ziel vermoordt en anderen naar het leven staat.

Nu zijn er zulke geestelijke vampyrs; zulke schrikkelijke onheilige wezens, ten allen tijde in de kerk van Christus, ook onder zijn belijders, geweest. Menschen die hoog opgeven van hun Christelijke gestalte, en bij wie toch, zoo niet alles, dan toch o, zooveel er door kan; en die daardoor in hun heele omgeving de Christelijke consciŽntie verzwakken, naardien de jongeren dan zich gaan inbeelden, dat het in dien kring der Christenen volstrekt niet naar zoo hoogheiligen maatstaf behoeft toe te gaan.

Daarom is het noodig dat deze witgepleisterde graven worden ingetrapt. Eerbied er voor komt niet eens tepas. Men moet ze eenvoudig „de doodsbeenderen van binnen” laten zien. En daarmeÍ moet het uit zijn!

Dat is dan ook het hooge doel van wat het Woord telkens en telkens zoo snijdend over deze doornen en distelen in den geestelijken hof uitspreekt; en dit legt wederom aan alle predikers van het Woord en aan alle organen van het Getuigenis, den onafwijsbaren plicht op, om deze zedelijke monsters te ontmaskeren, en het hun openlijk aan te zeggen: „Weg van uw gevloekte |182| lippen met die heilige belijdenis! Weg met dat kruis van Christus uit uw onreine bezoedelde hand!”

Want versta het wel, lezer! „Wandelen in de, duisternis!” dat is aan de duisternis lust hebben. Evenals een ander in de koestering der zon gaat loopen, omdat die warmte hem goed doet en weldadig aandoet en verkwikt, zoo nu opzettelijk in de duisternis gaan schuilen en wandelen, omdat die duisternis het schrijnen van de wonde verzacht, den gruwel van binnen bedekt en het wezen der duisternis in ons sympathetisch toespreekt.

In de duisternis wandelen d.i. God mijden en het er op toeleggen om ons te onttrekken aan Gods oog. Het is een verloren zielstoestand, waarin we evenals de nachtvogels nog een oog hebben, dat wel in den donker kan inzien, maar dat het licht niet verdragen kan. Het wil zeggen, met zijn onbekeerd en onberouwelijk hart nog broeden in het verborgene en zijn vermaak hebben in de donkere paden.

En dan kan er wel geestelijk gepraat en gebed zelfs en bemoeiing met heilige dingen bijkomen, maar dat is dan ůf nawerking van gewoonte, ůf louter gevoelswerk en spel der hartstochten, of, erger nog, huichelarij met voorbedachten rede, om invloed op anderen te hebben; om voor zijn booze streken vertrouwen te winnen; of ook in den dunk: „Misschien dat God me om dat vrome schijntje in mijn doodsnik nog begenadigt!”

*

Kinderen Gods nu wandelen in dien zin in de duisternis nooit, en valsche zucht om uit eik Schriftwoord een toepassing op een ieder te maken, mag nooit verleiden, om te doen denken, dat men half en half wandelen kan; ’s morgens in het licht en ’s avonds in de duisternis; of met den eenen voet op het pad der glansen, met den anderen op het pad der donkerheden.

Daar is niets van aan. Dat kan niet. Ge leeft of ge zijt dood. En zoo ook ge zijt en wandelt op den weg rechts, of wel ge zijt en wandelt op dien weg niet, maar dan wandelt ge ook op den weg links.

En nu zegge men niet: „Maar dan de bekommerden!” Want, lieve broeder, ik bid u zelven, is het niet duizend |183| maal beter, dat gij ongerust zijt en dat de Schrift u dan verzekeren komt, dat ge toch binnen zijt, dan dat ge zelf met de „gerusten Zions” insluimert en eens door het woord van uw Rechter voor eeuwig met doodelijken schrik wordt verschrikt?

Alzoo niet naar bevindingen, maar naar het Woord. En dan is er geen twijfelen aan, of elk kind van God wandelt al de dagen zijne nieuwen levens in het licht en hij kan niet meer terug, om zoo nu of dan eens, een tijdlang te gaan wandelen op de paden der duisternis.

*

Maar dit kan wel: te weten, dat ge wandelend in het licht, met een duisternis om de ziel wordt bevangen.

En dan komt het er op aan!

Want dan moet ge wel weten: „Hoe sta ik er nu aan toe? Is het nu een wandelen op den weg der eeuwige glansen met een tijdelijke zielsverduistering, of zou het nog een wandelen op de donkere paden der duisternis zijn?”

En dat is dan, God zij lof, terstond te beslissen!

Hoe!

o Zoo practisch eenvoudig.

Onderzoek slechts, wat ge dan in u waarneemt.

Voelt ge dan bij u een neiging, die denkt: „HŤ, bleef dat nu zoo heerlijk duister!” Trekt ge u in die donkerheid terug? En geeft ge, als de menschen er u over hard vallen, uw donkerheid voor licht uit? Of wel — slaat u de angst voor uwer ziele zaligheid om het hart, vloekt ge uzelven in dezen, en roept ge aanstonds om ontferming en vergevende genade?

Indien het eerste, dan zijt ge een ellendige huichelaar! Indien het laatste, dan zijt ge een verloren zoon,eenschaap dat afdoolde, een kind dat zijn Vader bedroefde, maar toch altijd aan Christus, uw Borg en Middelaar vast.

Tot den huichelaar nu zegt Hij, die heilig is, Erbarmer is zijn naam: „Bekeer u van uwen boozen weg; indien ge u bekeert, is er ook voor u nog genade; maar indien niet, weet dan dat het u vreeslijk zijn zal eens te vallen in de handen van den levenden God!|184|

En tot zijn verloren en afgedoold kind spreekt de Trooster in hem, ook al hoort hij het zelf nog niet: „Uw zouden zijn in de diepten der zee geworpen; keer weder, mijn kind en zondig niet meer!”

*

En hoe dat dan gaat, om alzoo in het licht te wandelen?

o, Zoo vanzelf.

„Of zijn we niet zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken; die Hij voor ons bereid heeft, opdat wij daarin wandelen zouden.”

Gij zult dus niets doen dan gelooven.

Gelooven ook in den Heiligen Geest die in u werkt.

En dan zal het u alzoo wezen, dat ge van binnen, door u zelf, in uw ellendige ikheid, geen enkel goed werk bestaan kunt; maar aan die aldus worstelende ziel zal de Heilige Geest de goede werken dan aanbrengen, en met een af keerig hart, dat zei: Neen! zal het feitelijk toch zijn: Ja waarlijk! door en in die hulpe, die alleen staat in den Naam des Heeren onzes Gods!




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 163 (6 februari 1881).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001