XLIII. „Dat we gemeenschap met Hem hebben!”

Indien we zeggen, dat we gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zoo liegen wij, en doen de waarheid niet.

1 Joh. 1 : 6. a


„Gemeenschap met Hem?” Met wien?

Gemeenschap met den hoogen, den heiligen, den heerlijken God! o, Mijn ziel beseft, tast, peilt ge, wat wereld van zaligheden er in die ne gedachte van gemeenschap met dat volheerlijk en volzalig Wezen besloten ligt?

Neen, gemeenschap met Hem, dat wil niet maar zeggen, dat ge aan uw God soms denkt. Noch ook dat ge u met de verbeelding nu en dan in den hemel verplaatst. En ook niet, dat ge voor Hem ijvert of aflaat van Hem te grieven.

Och, dat blijft alles nog uitwendig; tijdelijk; gemaakt; een soort van gekunstelde gemeenschap, waar geen grond onder en geen waarheid achter zit.

Of is dan de Heere onze God niet de voleinding aller volmaaktheden, en zou gemeenschap met Hem, dan ook iets anders zijn kunnen, dan een gemeenschap in volkomen sambinding; een gemeenschap, die dus niet door ons gebed, door ons lied, door onze zielsverheffing tot stand komt, maar die Hij tot stand brengt en die dus eeniglijk in zijn welbehagen rust?

Maar hoe, zoo vraagt uw ziel in angste, „volkomen zal |176| die gemeenschap zijn moeten of ze misleidt en bedriegt! Ai mij, dan heb ook ik tevergeefs gehoopt en ontzinkt de grond aan mijn vertrouwen!”

Welnu, mijn broeder, zelfs voor dien moedeloozen uitroep deins ik niet terug, en ook te midden uwer bekommering blijf ik het aan uw conscintie getuigen: Neen, waarlijk, indien uw gebed, uw denken, uw ijveren, uw liefde dusver de band was, die uw gemeenschap met dat eeuwige, heilige, volzalige Wezen aanbond, dan was er niets dan zelfmisleiding. Voor uw ziel gemeenschap niet uw God aanbinden, dat doet niet gij, maar kan alleen God zelf; en al uw bidden, al uw lieven en loven is niet die gemeenschap, maakt die gemeenschap niet uit, en kan ze nog veel minder, waar ze niet bestaat, tot stand brengen, maar is er hoogstens het uitvloeisel, de vrucht, het gevolg van.

Ja, zoo ver moeten we hierin gaan, dat we het durven uitspreken: „Zie maar toe, dat uw bidden, uw liefde, uw vroomheid niet aan die gemeenschap in den weg sta!”

Och, het is maar de vraag, hoe staat de plante des geloofs en der gerechtigheid in uw ziel? Met den wortel in den bodem en de kroon naar boven? Dan wel, gelijk het, helaas, bij zoo velen is, met de kroon in den grond gedolven en de verdorde wortelen afhangend van omhoog?

Een beeld, dat ge immers verstaat?

De kroon d.i. uw gebed, uw lieven, uw ijveren, uw offeren, en de wortel dat is het doen uws Gods aan en in u. Nu hoort het zoo, dat dit doen Gods de wortel zij waarop n uw leven n uw staat n uw geloofsuiting rust. Maar velen keeren dit om, en maken van hun gebed, van hun toewijding, i..w. van wat zij doen den wortel, en laten drop nu voorts hun gemeenschap met den Eeuwige rusten. Arme misleiden! Daarom zoo bijna niet voor Hem te winnen, omdat ze maar niet kunnen bukken voor de ontzettende gedachte, dat die God God is.

Van Hem moet u dus die gemeenschap komen!

Maar hoe, wt is ze dan? waar bestaat ze in?

Zie, n is zwak en drie op zichzelf zijn ook zwak, maar drie sam, daar ligt kracht in. Door de aaneensluiting. Dank zij de gemeenschap. Zoo kwam het dan dat zonde, dood, duivel en wereld een gemeenschap aangingen. Want God was zoo sterk. Zoo er hope voor den vijand Gods |177| bestond, dan moest hij niet alleen beginnen; maar aaneensluiten; samverbinden; gemeenschap maken. Vandaar dat zuigen en dringen en persen van al het zondige, om als raderen van n ontzettend helsch werktuig z op elkasr te werken, dat het een het andere steunde, voortjoeg en hielp. Zie maar eens, hoe in de wereld de ne zonde op de andere past, er op sluit, ze aanvult, en hoe alle ongerechtigheden met alle goddeloozen sam n geheel, n sam hoorend geheel, n gemeenschap uitmaken.

En hoe komt Satan daar nu aan? Vanwaar heeft de zonde dat heerlijk vermogen, maar in haar hand helsch, om allen aldus in harmonie op elkar te laten werken?

Verzon Satan dat?

Och, alsof Satan ooit iets anders kon, dan nabootsen wat God deed? Nabootsen op zijn duivelsche valsche wijs.

Zoo zien we dus, dat de gemeenschap niet door Satan is uitgevonden, maar in het doen Gods ligt. D.w.z. dat het Hem, den Heilige, alz heeft behaagd, dat alle ding dat Hij schiep en herschiep, op elkar zou werken, bij elkar zou hooren, sam n lichaam, n rijk, n organisme zou uitmaken, en aldus n majestueus geheel zou zijn, n volheerlijke gemeenschap. Een gemeenschap, niet naar menschen die maken, door tot elkander toe te treden, maar een gemeenschap naar Gods eeuwig wezen, en alzoo van Hem uitgaande, uit Hem levende, door Hem bezield, bestemd ter openbaring van zijn eeuwige glorie, en rustend op elks persoonlijke gemeenschap met aller heeren Heer.

Wat nu in deze schepping wel, wat niet als een stuk, een lid, een deel, een rad, een spil of veer in die Godsgemeenschap hoort, dt is vastgesteld in zijn eeuwig welbehagen. Maar dan ook z vastgesteld, dat wie of wat er eenmaal in is er dan voor eeuwig in is, er niet meer uit kan, en uit de verte en uit den afstand al inniger al nader, al nauwer getrokken wordt naar de diepte van het eeuwig Licht.

Of ge gemeenschap met Hem, den Heerlijke, hebt, beteekent dus niet, of ge aldoor die gemeenschap ervaart; niet, of ze niet wel gansche uren weg is voor uw besef; en dus nog veel minder, of ge van oogenblik tot oogenblik de zalige genieting van zijn teederste liefde smaakt; neen, maar uitsluitend, of ge weet, ik ben uit de gemeenschap van Satan in de gemeenschap van den Heilige overgetild, overgezet uit |178| het rijk der duisternis in het Koninkrijk van den Zoon zijner liefde.

Gemeenschap met dat eeuwige Wezen hebben, beteekent een radertje of veertje in het groote werktuig Gods te zijn geworden, of wil men, een vezeltje of celletje in dat Lichaam dat de Gemeente is des Zoons!

Die gemeenschap is dus opeens volmaakt. Ge stondt er buiten en zie nu zijt ge er in. Ge waart er los van en zie nu zijt ge er vast aan. Het was gij hier, en die „Godsgemeenschap” daar buiten u, maar zie, nu zijt gij er in opgenomen, een stuk, een deeltje er van geworden, door niets, dan het wondere doen uws Gods.

En waarom dat dan „gemeenschap met God” heet?

Weet dan, dat er in die gemeenschap ook wel indringt en insluipt, wat er niet in hoort, evenals een splinter u soms in het vleesch schiet. Dat moet ook weer uitgezworen. En daarom is het niet alleen maar de vraag, of ge in die gemeenschap zijt, maar of ge daarin zijnde, gemeenschap met God hebt, want dat juist is het kenmerk van het echte er in en er bij en er toe hooren. Al wat er in is en aan God vast ligt, dat hoort er in; maar al wat er wel in besloten is, maar met God zelf niet is verbonden, dat zweert er nu of eeuwig weer uit.

Wie is nu de man die op zal staan en zeggen: Ik heb met dien God die echte gemeenschap! Of om dan nu elken schijn van verwatenheid weg te doen: wie is de man, die, ja, er toe geperst en gedrongen, maar dan toch uit de beklemming zijner ziel in vollen jubel juichen zal: Ja, waarlijk. God zij lof, ja, die volzalige gemeenschap heb ik!

Wie?

Niemand dan de zoodanige bij wien God het alzoo wrocht, en wien God de Heere in zijn binnenste door den Heiligen Geest er de vrijmoedigheid tot zulk een getuigen nog als tweede genade bij schonk.

Wie het zegt, als het er niet is, die blaast zeepbellen tot zijn eigen verderf op. Wie het heeft en er me schermen gaat zonder dat de Geest hem vervrijmoedigde, diens ziel wordt stram en dien vergaat de sappigheid des levens.

Maar bij wien deze twee zijn, n dat hij er in is, n dat de Geest in hem gebiedt. Spreek! die man ja, zal staan voor God en menschen, en zeggen: Ja, bij God, ik leef, ik |179| sta, en ik ben in die gemeenschap, ik heb die gemeenschap met mijn God!

En als zulk een dat zegt, dan is zijn woord als een bliksemstraal, die plotseling het donker van veler harten verlicht en openbaart wat er in is. Een toon die trilt met macht en wakker schudt. Een slag als van het dreunen van den donder in de stilte van veel nacht en van veel graven, waarin zielen te verkwijnen liggen.

Dan is het heerlijk!

Maar als dat een ijdel bazelen van opgeschoten waterloten wordt, een getuigen der opgeschroefdheid, zoo maar niet uit de hoogheden en hoovaardigheden, dan walgt alle ziel er van, en vallen slechts de zenuwachtige en licht huilende menschen in den strik.

o, God en Heere, bewaar ons toch van die onwaarheden van den geestelijken hartstocht. Gemeenschap met U is zoo het heiligste, het hoogste, het heerlijkste dat zich uit laat spreken. Geef het onzen lieven, geef het aan velen, geef het ook aan ons in uw erbarmen! Maar bovenal blaas in die gemaakte, in die ingebeelde, in die voorgewende gemeenschappen, o, Proever der nieren, o, Kenner van ons hart!




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 162 (30 januari 1881).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001