XLII. „Indien we zeggen!”

Indien we zeggen, dat we gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zoo liegen wij, en doen de waarheid niet.

1 Joh. 1 : 6. a


Indien we zeggen . . . o, Die valsche tong! Altijd op „zeggen” uit; op beroemen: op geestelijke grootspraak. „Zeggen”, dat we „des Heeren”, zeggen, dat we „Gods kinderen”, zeggen, dat we „geborgen” zijn. Zeggen, dat er een gemeenschap geboren is en een gemeenschap bestaat tusschen uw hart, dat ge in den boezem draagt, en dien levenden, heerlijken, heiligen God!

„Zeggen”, opdat een ander dat zou hooren; om alzoo in het oog van dien ander een zekere beteekenis, een hoogere waardij, een belangrijkheid te verkrijgen. De tong aan het werk zetten, om in anderer waardeering voor onszelf een gestalte op te bouwen, en te maken dat men heilige gedachten van ons krijge.

o, Dat stuitend misbruik n van uw tong n van uw zielsgenade, altijd ondersteld, dat ge die waarlijk hebt.

Uw tong is een kostelijk lid, een gansch goddelijk instrument, een wonder kunstmiddel, dat uw God u als mensch gaf, om wat van binnen in u leeft, woelt en drijft naar buiten te openbaren en zoo te openbaren, dat het tot in de ziel van een ander, die u hoort, over kan gaan. Uw tong en zijn |171| oor, dat zijn de wondere geleimiddelen waardoor hetgeen in u, in uw binnenste, van binnen bij u omgaat, overgebracht kan worden naar en in het binnenste van dien ander.

Zonder die tong en dat oor zouden de menschenkinderen als boomen in een woud naast elkar staan, elkar wel uitwendig aanrakend, maar buiten staat om van binnen elkaar op te zoeken, en persoonlijk gemeenschap te hebben.

Het is dus een gansch wondere gave van uw God, dat ge spreken kunt, dat ge iets zeggen kunt, dat ge u kunt uiten. Maar natuurlijk, dat wondere schonk God de Heere u niet als speelgoed, en nog veel minder, om er kwaad me te doen, maar met een hoog en heilig doel, met het doel, dat ge er Hem mede verheerlijken en den broeder zegenen zoudt.

En zie, nu zullen wij het onderstaan, om dat spreken, dat zeggen, dat uiten, van wat in ons is, te gaan misbruiken, als een pronkmiddel, om de menseben sam te roepen en te zeggen: „Komt herwaarts en laat mij u eens opsommen wat er voor schoonheden in de kamer van mijn ziel zijn; wat een belangrijke en begenadigde persoon daar woont; en wat God Almachtig zich met het daarin huizend persoontje heeft bijzonder opgehouden!”

Als de tong die zich z verlaagt, u uitgesneden werd, was het te wreed, zou het niet verdiend wezen?

Gij moet verdwijnen, uw eigen ik moet zich verloochenen, van u moet niets te zien overblijven, — uw God alleen moet groot zijn! En nu zult gij die kostelijke gave der sprake misbruiken gaan, om u zelven eerst eens waarlijk schitterend in de oogen van anderen te doen uitkomen, en de aandacht toch vooral op uw persoon te vestigen, en wel te doen uitkomen: zie, die man ben ik!

Of woudt ge u verontschuldingen, met te zeggen: „Lieve vriend, dat was wel eertijds zoo bij me, toen ik stofte op eigen deugd. Maar nu niet meer. Ge hoordet het immers, ik roem slechts op hetgeen God aan mijn ziel gedaan heeft!” — o, dan komt het Woord des Heeren u nog eens zoo scherp en zoo hard over uw verwaten en opgeblazen ziel schrijnen, om u diep en wel te doen beseffen, dat juist dat inmengen van het heilige de zaak voor u niet beter, maar juist nog zooveel slechter maakt.

Want ja, het is wel zoo: die sluwheid heeft uw ziel den verleider wel afgezien! Om hoog te kunnen roemen en nog |172| den schijn der nederigheid op den koop toe te hebben, is niets geschikter en doeltreffender, dan om bij uw grootspraak bij voorkeur het heilige als pronkmiddel te nemen.

Zeg dat ge dapper zijt, en men roept u na dat ge bluft. Zeg van u zelf dat ge knap zijt, en men noemt u verwaand. Neen, met dat alles kunt ge geene eere inleggen. Maar zeg dat ge van Gods heiligen zijt, en o, die allerhoogste pretentie weerspreekt men u niet, maar men gaat er voor uit den weg, en ziet er om tegen u op, en denkt: „Wat een bijzonder man moet zulk een toch wel wezen, die dat van zich zelf zeggen durft!”

En het gaat zoo makkelijk!

Eerst niet. De eerste stap kost. Dan wil het woord haast niet over de lippen, en bij de opening van onzen mond staat de goede wachter der beschaamdheid nog, dien God de Heere er gesteld had, om ons te bewaren.

Maar is die eerste aarzeling eenmaal overwonnen; zijn we eenmaal aan het uitspreken van ons zelf; aan het zeggen gekomen; o, let er dan zelf maar eens op, hoe dan vooral bij menschen die wat vlot ter tale zijn, dat zeggen een soort gewoonte wordt, iets dat hun op de lippen bestorven ligt, en van lieverle elke heilige schuchterheid van de onreine lippen week.

Zie, toen de profeet geroepen werd om van het heilige Gods te spreken, toen klaagde hij diep uit de ziel: „Heere, met deze onreine lippen kan ik uw heiligheden niet uitspreken!” En toen vloog een seraf van den altaar, die eerst zijn spraakorganen uitbrandde. Wat beteekent dat? Wilde dat zeggen, dat Jesaia, zonder die pijnlijke heiliging van zijn lippen, de woorden van de heilige dingen niet zou hebben kunnen spellen en verstaanbaar uitspreken? Natuurlijk neen. Op zich zelf immers zijn die woorden niets dan de zeer gewone woorden van het dagelijksch leven. Maar dit lag er in: Jesaia was bang, dat hij met zijne onreine lippen die heilige dingen onheiliglijk beroeren zou, er over aan het praten en uitflappen zou raken, en dat praten misbruiken zou tot eigen verheffing juist evenzoo als dat ons zoo telkens overkomt.

En waar een held Gods als Jesaia dan die diepe behoefte aan wijding van zijn lippen gevoelde, om niet n zijn lippen n het heilige tot eigen zelfverheerlijking te misbruiken, |173| wat voegt dan aan ons niet, die aan nog zooveel grooter gevaar blootstaan?

En merk nu eens op, wat er zoo om u gebeurt en zeg dan zelf eens, of ge van zulk een Jesaia’s ootmoed nog veel merkt, en of niet eer een ieder in den waan schijnt te verkeeren, dat zijn lippen althans goed en heilig genoeg zijn, om er het heilige over te laten vloeien als een stroom.

Indien we zeggen . . ., o, de apostel van Jezus wist het wel, welk een verleiding, welk een gevaar, welk een zelfmisleiding er in dat zeggen schuilen kan, en daarom vermaant bij ons zoo roerend, om aan dat doorslaan in ons „zeggen” toch een einde te maken, om dit ons „zeggen” toch onder de tucht van den ernst der waarheid te brengen, en liever tienmaal niets te zeggen, waar we iets zeggen konden, dan n, n enkel maal iets te zeggen, dat onheilig zou zijn voor God.

De „leere Christi” is zoo aangrijpend ernstig.

Luister maar hoe alle mond onder alle volk aan alle einden der aarde zwetst en gonst en rusteloos raast tot vermoeiens toe, al lachend, al joelend, al gekscherend, altijd die kleine tong in beweging, en die lippen gaande op en neer. En nu komt de „leere Christi”, en werpt opeens onder die gonzende menechenwereld de verklarlng: „Gij zult, o mensch, rekenschap geven van elk ijdel woord, dat ge zult gesproken hebben!”

Maar hier bij Johannes gaat het nog dieper. Als deze apostel, die meest zwijgend, weinig sprekend, aanlag in Jezus’ schoot, ons en met ons heel de kerk van Christus toeroept: Indien wij zeggen! dan heeft hij volstrekt niet meer bet oog op ijdelpraterij en gesnap en geklap, maar op een nog veel erger misbruik, dat we van bet spreken maken, door ijdellijk te bazelen van het heilige; ’tzij we over de voorwerpelijke waarheid spreken, ’tzij we spreken over hetgeen persoonlijk omgaat in ons zelf.

Het eerste gevaar bestaat vooral voor de bedienaars van het ambt des Woords. o, Een prediker bekleedt een gansch begeerlijk ambt. Gezant Gods bij zondaren te mogen wezen en te mogen bidden, alsof God door ons bade: „Laat u met God verzoenen!” is prachtig, is wegsleepend schoon. Maar vergeet ook niet de schaduwzijde. Zulk een prediker verkeert in duizend gevaren, om het heilige te misbruiken. Om door |174| zijn ambt een troon voor zichzelf op te richten. Om zich in te beelden dat die menschen er zijn om hem te hooren, en dat niet hij er is, om die zielen te troosten. Om een kerk om zijn persoon als middelpunt, in ste van om het Woord des levenden Gods, te verzamelen. Bovenal om telkens veel heilige dingen te zeggen, zonder dat de ziel er bij is en het dus waar is op zijn lippen. Ontzettende gevaren! Eer een kemel door een naald, dan dat een rijke . . . zou er niet bijgevoegd mogen worden, dan dat een drager van het ambt inga in het Koninkrijk der hemelen!

Gemeente, bid voor uw predikers! Ze zijn zoo elken dag, vooral op den dag des Heeren, in gevaar!

Bid voor hen, maar ook let op uzelven, want aan het andere gevaar staat gij zelf evenzeer bloot. „Indien we zeggen . . . . dat we gemeenschap met Hem hebben!”

Dat nu gelooft elk verloste.

Maar het te zeggen, en hoe, en wanneer te zeggen!

Want dit staat vast, als het waarachtig zoo is, mag het ook niet gezwegen worden. Er zijn tijden, dat de tong wordt losgemaakt, en dat getuigen ook van wat God aan onze ziel gedaan heeft, stellige plicht is.

Maar nu tusschen die twee tijden ligt dan ook al het verschil.

Er zijn tijden dat God de Heilige Geest zelf u de tong losmaakt. Wie zou het dan inhouden? Of als de Leeuw brult, wie zou niet hooren? Dan is het u ten zegen!

Maar ook er zijn tijden, dat uw tong vastzit, en dat gij toch maar voort blijft praten over het heilige, niet uw God, maar uzelf bedoelend.

En dat is het waar Johannes tegen opkomt met zijn: Indien wij zeggen!

Dan is dat zeggen u ten vloek.




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 161 (23 januari 1881).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001