Honig uit den Rotssteen

door Dr. A. Kuyper


Tweede bundel

Amsterdam, J.H. Kruyt. 1883



„De Heere is onze Rotssteen!” zong Israel. Het zong er bij: „dat uit dien Rotssteen honigbeekjes vloeien.” En enkele druppelen uit die beekjes op te vangen, om er de eigen ziel aan te verkwikken, en voorts, als vrucht dier genieting, ook het hart van ’s Heeren volk er me te sterken, is het onuitsprekelijk voorrecht, nu en dan, aan ’s Heeren dienstknechten gegund!

Is het niet te hoog gegrepen, als ook de opsteller van deze korte stukjes ze herdrukte, in het stil bewustzijn, van niet buiten die begenadigde dienstknechten te staan?

Althans, slechts in die heerlijke onderstelling bond hij deze schove sam. Ook omdat er hem van veel kanten, omdat er hem rusteloos om gevraagd was.

En nu, spreekt er iets, iets ook maar in dit bundeltje van de ondoorgrondelijke Barmhartigheden onzes Gods, dat het dien God dan verheerlijke door troost aan zijn volk te brengen; en wat er zondigs of gedoolds in is, bedekke dat zijn trouwe genade en make Hij dat werkeloos door de kracht der werking van zijn Geest.


De Schrijver.


Amsterdam, 12 December 1880.

*

De ontvangst aan den eersten Bundel van deze Meditatien ten deel gevallen, moedigde den uitgever aan, een tweeden Bundel ter perse te leggen.

Ruste ook op dezen Bundel die genadige zegen onzes Gods, die soms een zielsuiting van den n gebruiken wil, om de ziel des anderen op te bouwen en te vertroosten.


KUYPER.


Londen, 11 November 1883.




I. „De nachtwacht over hunne kudde”

En er waren herder in diezelve landstreek, zich houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hunne kudde.

Lucas 2 : 8. a


Zoo we ooit benijden mochten, benijdt ge dan die herders uit Bethlehems velden niet? Die tot overzalig geluk uitverkoren mannen, die in dien zaligen nacht een uitstrooming van hemelglorie hebben aanschouwd als nooit onzer n, en die al Gods hemelsche heirscharen hebben zien zweven en schitteren over de velden, en dien rijken engelenzang van „Voor God de glorie!” met het eigen oor opvingen, en die toen naar Bethlehem togen, en het daar zelf gezien hebben, dat „Kindeke in doeken gewonden en liggende in de kribbe”, door Maria’s moederglans omstraald?

Die herders werken zoo op onze verbeelding! Van jongsaf heeft hun groep ons geboeid. Zooals ze daar neerhurkten of zich half neervleiden tegen den glooienden heuvel; met de blanke schapen en nog blanker lammeren nog grazend of neergedoken om hen heen.

En als we ons dan denken hoe het zilveren licht der maan daar overheen droop, eer het wegdook voor de heerlijkheid des Heeren, o, immers, dan is er haast niet schooner, dan is er haast niet boeiender, dan die herders met de hun toevertrouwde kudde, en daarom over die kudde nachtwacht houdend, buiten Bethlehems poort. |2|

Maar blijft het daar nu bij? Dat ze u boeien, dat ge ze benijden zoudt, is dat al? Hebben ze ook niet een woord tot uwe zielen? Een woord van ernst? Van vermaan?

Zie toch, er zijn immers zoo vele anderen die ook herders zijn, al weiden ze geen eigenlijke schapen op het groene gras der velden. De schaapherder is nog de hoogste herder niet. De Herder ller herderen is de Heere, de opperste Herder onzer zielen. Dt eerst is de volle, rijke, vervulde herdersgedachte, Hij, onze Jezus, is de Herder, Hij alleen.

En omdat Hij nu de Herder is, speelt het beeld van den herder ook op aarde. Op tweerlei wijs. Deels als de mensch kudden van runderen of schapen langs den groenen akker drijft. Maar ook deels, en in veel hooger zin, als de Heere God het z beschikt, dat de ne mensch besteld wordt, om herder over een kudde van menschen te wezen.

Wie is „herder over een kudde van menschen?”

Zijn het niet de koningen en opperheeren, die „herders der volken?” Zijn het k niet de bedienaren van het Woord, die „herders der kerken?” Zijn het ook niet vader en moeder, die „herders van hun kinderen en heel hun gezin?” Ja, „herders”, zijn het niet allen, die over menschen gezet en met gezag over menschen bekleed zijn? Hoofdlieden over honderd; verzorgeren van gestichten; zij die de zaken onzer armen bestellen; onderwijzers op alle scholen; zij ook die de groote kudde der maatschappij leiden door hun invloed, hun voorgaan, hun woord?

En immers ook bij die allen is het: gij de herder, zij de kudde! en nu in den nacht van Bethlehem God alwetend tot u komend, om te bezien of ook van u even gul, ook van u naar waarheid kan gezegd worden: „En zij hielden de nachtwacht over kunne kudde!

De schaapherder houdt nachtwacht om gewins wil. Deed bij het niet, dan ontstal hem de wolf zijn lammeren. Hij moet wel. Om brood te hebben. Het schaap leeft van het gras, maar hij van zijn schapen.

Dat staat dus laag.

Zulk een groep in Bethlehems velden is schilderachtig en boeit. Maar er spreekt geen zedelijke grootheid uit.

Groot, rijk, heerlijk wordt de herder dan eerst, als het bij zijn herder-zijn om menschenzielen gaat. Als het weiden van zijn kudde is, niet om er van te trokken, maar om zich |3| te geven. Als het wordt een weiden door zich toe te wijden. Een herder die er zijn leven voor stelt.

En sluit nu de koningen, die Gode rekenschap zullen geven, de bedienaren des Woords, die cijnsbaar aan hun Zender zijn, eens buiten uw gedachte, en denkt nu eens alleen aan u zelf.

Aan uw herderschap. Aan de u toevertrouwde kudde. Aan de nacbtwaken, die gij over die kudde te houden hadt. En nu, hoe getuigt dan de conscintie in u? Het jaar loopt ten einde. De dagen snellen heen. Geef rekenschap aan uzelven, rekenschap aan uw eigen ziele. Wat, wat, broeders en zusters, hebt ge met uw kudde gedaan, met de kudde, waarvan de Heere tot u gezegd had: „Die vertrouw Ik u toe!”

En zeg mij dan, hoe stond het er met u aan toe! Hieldt gij nachtwacht?

„Nachtwacht”, ge weet het wel, dat beduidt niet, of ge ’s nachts bij het beddeke van uw kranke lievelingen gingt zitten. Dt immers kunt ge nacht aan nacht doen, dat toch uw lammerkens door den wolf worden weggesleurd.

Neen, de „nacht” is het leven „zonder licht”. De levenskring, waarin de begenadigden „in het licht van het vriendelijk aanschijn voortwandelen”, dat is de dag. En de „nacht,” daartegenover staande, dat is de donkerheid der zonde, dat is de duisternis der ongeheiligde wereld. Van die wereld, waar uw kinderen in moeten; maar waarin ze aan dubbel gevaar bloot staan, omdat in die duisternis der wereld hun teedere ziel dubbel gevaar loopt. De „dagwacht” over uw kinderen, dat is het licht, als ze in uw huis, om u heen, en daardoor veiliger zijn. Maar de „nachtwacht” over uwe kinderen, dat is het zeer zware, als de gevaren komen, en de donkerheden om ben neerdalen, en uw kinderen opeens weg kunnen zijn.

Daarom, zei ik, er zijn moeders die soms een week lang alle nacht aan het ziekbed van heur lieveling zaten, en die toch nog nooit „nachtwacht” hielden, omdat ze heur kleine schatten dan juist uit het oog verloren, als de nacht der zonde om hen neerzonk en de zielewolf rondsloop, om te vangen.

Zulk „een nachtwacht over uw kudde te houden”, kost toewijding. |4|

De goede herder, zegt Jezus, stelt zijn leven voor de schapen. En nu verstaan de meesten dat enkel van het inrennen tegen den wolf, als bij op het schaap aanvliegt. Maar men vergeet, dat ge om in het oogenblik van gevaar bij uw schaap te wezen, er aldoor bij blijven moet, en dus uw leven voor uw kudde ter beschikking moet stellen, het aan uw kudde moet toewijden.

Een nacht twee drie opzitten bij uw kind is veel, maar het gaat voorbij, en dan is die nachtwacht wer uit. Maar de nachtwacht bij uw kinderen, waarop we thans doelen, gaat altijd door, omdat uw kinderen altijd in den nacht der zonde verkeeren, en daarom aldoor in gevaar zijn. En juist daarom is die „nachtwacht in den nacht der zonde” zoo uitputtend.

o, Schrikkelijk, schrikkelijk is dan ook het schuldig verzuim van ouders en verzorgeren in dit opzicht. Telkens en telkens komt men in dien „nacht der zonde” kudden tegen, die zonder haar herder omdolen, en maar alleen het pad moeten zoeken. En dat de herder dan in het licht rustig neerzit, en denkt: „God zal voor mijn kleinen wel zorgen!”

Ja, wie, wie telt ze, de geroofde lammeren, die gegrepen werden en weggesleurd, omdat het moederoog geloken was, en vader van dien „nacht der zonde” niets merkte. Van dien „nacht der zonde”, die buiten in de wereld, maar die ook op school, die ook bij vriendjes en vriendinnetjes, die ook in het ouderlijk huis, ja tot op hun beddekens neerdaalt.

En dan zijn er ouders die houden „nachtwacht”, ja over een andere kudde buiten de deur. Ze hebben het, o, zoo druk! En daarom moeten ze hun kudde wel aan een verzorgster overlaten. Gods ordinantie omkeeren! Erger dan een ongeloovige worden! Nachtwacht houden, ja, maar bij hun kudde niet!

En zou er dan vrede kunnen wezen?

Zou de hemel dan over ons kunnen opengaan?

Ziet, als die herders in Efrata’s velden niet trouw de nachtwacht bij hun kudde hadden betrokken, ze zouden niets van die glansen hebben gezien, geen heerlijkheid des Heeren zou hen omschenen hebben, ze zouden geen engelenzang hebben beluisterd, en nooit ware het heilig Godskind door hen begroet. |5|

En nu, geldt dat ook niet van u?

Ng openen zich soms de hemelen; ng daalt er som een heilige glans op aarde om ons neder; ng bedienen Gods engelen zaligheiden; en ng is er met dat Godskind een begroeten.

Maar zij het u in den naam des Heeren, zij het u, om uwer kinderen en om uwer zielen wil aangezegd, o, mijn broeders, mijne zusters, die heerlijkheden ze kunnen over u niet komen, die hemelen ze kunnen zich voor u nietopenen, tenzij ook van u door ’s Heeren Geest getuigd worde: „Ook deze herderen, ze hielden de nachtwacht over kunne kudde!




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 209 (25 december 1881).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001