C. „Waakt!”

En hetgeen ik u zeg, dat zeg ik allen: Waakt!

Marc. 13 : 37. a


De zonde wordt in Gods Woord vergeleken bij een slaap. „Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de dooden, en Christus zal over u lichten”, roept de heilige apostel Paulus ons in Eph. 5 : 14 toe. „Waakt op rechtvaardiglijk en zondigt niet”, heet het bij denzelfden apostel in 1 Cor. 15 : 34. In Rom. 13 : 12 vergelijkt hij den staat in zonde bij een „geestelijken nacht”, als hij zegt: „De nacht is voorbijgegaan en de dag is nabij gekomen; laat ons dan afleggen de werken der duisternis en aandoen de wapenen des lichts; laat ons als in den dag eerlijk wandelen;” en sterker nog in 1 Thess. 5 : 6, 7 zich uitlatende, vermaant bij de gemeente van Jezus met deze woorden: „Zoo laat ons dan nietslapen gelijk de anderen; want die slapen, die slapen des nachts; en wij zijn niet des nachts, maar wij zijn des daags en des lichts.”

Zeg ik nu tot iemand: „Waak!” dan wil dit in zulk verband niet zeggen: „Houd de wacht bij dat huis, bij dat schip!” — gelijk men wakers aanstelt, om goed, dat op open erf ligt, te bewaken. En beduidt dat k niet: „Waak bij deze kranke, opdat in den nacht haar geen hulpe ontbreke.” Maar beteekent „Waak” uitsluitend: Zie toe, dat de slaap u niet wer overvalle, en ge uit den wakenden toestand; d.i. uit den toestand van wakker te zijn; niet wer terugzinkt in den toestand eens slapenden. |361|

Het is met de ziel niet evenals met het lichaam, dat ze op gezette tijden zou moeten inslapen, om daarna wer te ontwaken; nogmaals te arbeiden en wer in te sluimeren; en zoo bij beurte, met slapen en met waken, heel het leven door. De ziel moet nooit slapen. Slapen is voor de ziel even slecht, zondig en schadelijk, als een gezonde slaap voor het vermoeide hoofd of het afgetobde lichaam weldadig en gezegend kan zijn. Slapen voor de ziel is op de ziel iets stoffelijks overbrengen; iets, dat bij de ziel niet hoort; dat voor elke ziel verderfelijk is; en het leven onzer ziel vernielt.

Onze ziel moet frisch, helder, wakker, nuchteren zijn; en is ze dat, dan kan ze dat onafgebroken, zonder zweem van rust volhouden; want het lichaam wordt van arbeid uitgeput; maar de ziel gaat door geestelijken arbeid van kracht tot kracht, door genade tot genade.

Wakker zijn voor de ziel, dat is het hoofd opsteken boven de bedwelmende rookwalmen dezer wereld uit, en nu om zich zien, hoe het met alle ding gelegen is, den Duivel als een duivel herkennen, en Jezus op den Troon te zien zitten en te merken, hoe, als een verkwikkende regen, de dauw der genade uit dien Jezus naar Gods kinderen afdaalt.

Wakker zijn, dat is kunnen vertellen, hoe men straks, toen men sliep, droomde en in zijn droom dwaasheid deed en in zijn droom zondigde, en in zijn droomen door goud en eer en ijdelheid en vleescheslust bekoord werd, maar hoe men, nu uit dat smadelijk droomleven opgewaakt, de onooglijkheid, de walgelijkheid, de schandelijkheid van dit alles inziet en k ziet dat de echte robijnen alleen in bet hemelsche Jeruzalem flonkeren, en dat, wat hier keurgesteente leek, slechts namaak is en valsch.

*

En zoo moesten we allen staan; elk op zijn post staan. o, Wat zou dat leven goddelijk en heerlijk zijn! Zoo wakker, met open oogen, en met vuur in dat oog voor onzen God.

Maar zie, hier nu komt de Verdoover, de Blusscher, de Bedwelmer, de Inslaapwieger, tusschen beiden, en overgiet ons letterlijk met slaap. Met slaap ons en ons geslacht. Met zoo diepen slaap, dat onze kleine lieve kinderkens reeds |362| dommelend en sluimerend in de ziel geboren worden. Vanwaar het komt, dat bij het opgroeien de geestelijke narcotica al lichter werken kunnen en we bij onze knapen en meisjes soms een slaap vinden, z werbarstig en hardnekkig, dat er geen wakker roepen of wakker schudden aan is.

Och, immers juist, zooals het bij onszelven eens was: verzonken in den slaap der zonde.

Daarme is nog niet gezegd, dat alsdan zulk een zondeslaap ook in zonde behoeft uit te spatten. Neen, niet de uitspatting eerst, maar reeds de slaap zelf is zonde. Ook al tormenteeren u geen bange droomen, is uw bewusteloos nederliggen daarom geen slaap? Waarom zou het stille meisje, dat slapend met de ziel in huis omwandelt, niet even zondig voor God kunnen staan, als de jongeling, die droomend uitvliegt in de wereld?

o, Gewisselijk, dat wilde droomen kan de zonde nog ontzettend verergeren. Maar toch, in den grond der zaak is het n. En reeds dat slapen zelf en op zich zelf, is het doodelijke, het ijslijke, het in-zondige voor God.

Daarom zoo ijslijk, omdat niemand zich aan dien slaap ontworstelen kan. Want al wildet gij, Satan staat met de chloroformflesch reeds voor u, en bij de minste beweging reikt hij u het bedwelmend gif wer toe.

*

U redden, maken dat ge wakker wordt en uit den slaap opkomt, kan daarom Hij alleen, die eerst dien Satan bij den arm neemt, dien arm verlamt; maakt dat geen geestelijke chloroform u dat oogenblik bereiken kan; en u in dat gelukkig oogenblik dus roept bij uw naam, u optrekt van uw leger, u de oogen zalft met oogenzalf en u uitvoert in het frissche en verkwikkende van Gods heerlijk genaderijk.

Dan zijt ge ontwaakt; opgewaakt; wakker. Dan is er wer een wil in u; een hooger bewustzijn; dan weet ge van u zelven en van uw God af. Dan waakt ge.

Maar nu komt er nog erger gevaar.

Hoe zult gij nu wakende blijven? Hoe voorkomen, dat ge straks, van onder Jezus’ oogen weg, niet wer naar het oude lieve bed der zonde toesluipt, uw Christelijke |363| wapenrusting wer aflegt, en u nervleit in de armen der zelfvergetelheid en der zieldoodende bedwelming?

Dat gevaar heeft Jezus voorzien.

Voorzien bij zijn discipelen, en voorzien bij een iegelijk onzer.

En daarom is het, dat bij, vr hij sterven ging, met zoo wonderen nadruk tot zijn discipelen zeide: „Hetgeen ik u zeg, dat zeg ik allen: Waakt!

Het is, alsof de Heer zeggen wilde: Ge zijt zoo pas ontwaakt; zoo zit dus de vorige loomheid u nog in de leden; ge neigt nog om wer in te sluimeren; en uw oogleden zijn nog bezwaard. o, Ziet dan toe, want de zielenverderver, de zielsbedwelmer merkt dat wel aan u, en hij zal zijn kans wel bij u waarnemen. En de menschen zullen dien zielverderver wel bijstaan. En ze zullen een slaapdrank voor u mengen en een slaapzang voor u zingen. En als ze maar merken, dat ge wer zitten, en straks wer liggen gaat, en het hoofd wer op het peluw der zonde legt, o, dan zullen ze al stiller, al zachter hun doodelijk lied doen gonzen, tot ze eindelijk geheel zwijgen en op hun teenen wegsluipen, met duivelschen lach om de lippen, elkar toefluisterend: „Triomf, die slaapt wer! die weet wer van zijn God niet meer af!”

*

En daarom: „Waakt!”

Waakt, niet omdat het raadzaam is; niet omdat ge het zelf oirbaar acht; ook niet omdat een mensch het u aanzegt; maar op het woord van uw God.

„Waakt,” zoo staat er geschreven. En dat „er staat geschreven,” is ook bij dien strijd om niet wer in te sluimeren, het groote, het eenig proefhoudende toovermiddel, om dien slaapdrank te ontwapenen, voor dien slaapzang u doof te maken, en te bewerken, dat ge niet liggen gaat, maar blijft staan.

Jezus roept: „Waakt!” en wie dat woord van Jezus’ lippen zich in het oor laat dringen, aan dien wordt de belofte vervuld: „Ook al ware het, dat ge iets doodelijks zoudt drinken, het zal u niet schaden.” In diens oor wordt het wiegelied van Satan een schor gekrijsch, dat hem eer uit den |364| slaap zou houden dan er in doen verzinken. Voor dien staan er scherpe, puntige pieken in het bed zijner vorige sluimering, dat hij er niet wer op zou kunnen nederliggen.

„Waakt!” roept Jezus, en dat woord doet zijn wonderkracht, en de ziel kan niet slapen; ze moet wakker blijven; omdat Jezus aldoor met haar spreken blijft.

En, niet waar, onderwijl dat Jezus met u spreekt, in zonde-armen in te sluimeren, dat kan de ziel niet, dat doet de ziel niet, die hem mint.




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 149 (17 oktober 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001