XCIX. „Een huis des gebeds”

Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden, maar gij hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt.

Matth. 21 : 13. a


De tempel, die op Zion stond, beduidde het hart van Isral. Niet van een enkelen vrome in Isral, maar het gemeenschappelijke hart van geheel het volk, van dat volk, welks hart de Heere zich ter woonstede had gekozen, de plaats zijner ruste; iets, wat natuurlijk niet in den steen of in het hout zat, maar in datgene, wat door dien steen en dat hout werd afgebeeld: het hart van Gods volk.

Toen Jezus verscheen, sloeg dus voor dien steenen tempel de ure der slooping. Want de Messias, wat was hij anders dan het hart der natie, de wandelende tempel Gods, de plaatse der ruste voor onzen God en Koning?

De steenen tempel had slechts gediend om op den Messias heen te duiden. Nu die Messias zelf verscheen, kon hij, doelende op den tempel zijns lichaams, zeggen: „Breekt gijlieden dezen tempel af en ik bouw hem u in drie dagen wer op!”

Toen Jezus op Golgotha stierf, scheurde in den steenen tempel geheel het voorhangsel in tween.

En wel voer na zijn verrijzenis de Christus naar den Troon der eere op, maar ook toen bleef er toch een tempel Gods |356| op aarde in de gemeente, die hij als Godslam gekocht had tot den duren prijs van zijn bloed, en in welke de Heilige Geest nederdaalde.

Naar aanleg en bedoeling is dus het hart van den mensch de wezenlijke tempel Gods. Een tempel, waarin Hij woning komt maken. Een woonstede, waarin Hem het offer wordt opgedragen. Een huis des gebeds.

Dat is het heerlijke, het hoog-heilige, het onuitsprekelijk majestueuze van een menschenhart.

Niet dat het gevoelsdraden heeft, die naar al wat leeft uitgaan en trillen op de zachtste aanraking. Ook niet, dat het zulk een bijna onuitdelgbaren levensmoed en schier onbedwingbare veerkracht bezit. En evenmin, dat het een orgaan heeft om lief te hebben. Dat alles is nog slechts instrument en middel. Maar het eigenlijk doel, de eigenlijke bestaansreden, het hoog koninklijke van een menschelijk hart ligt drin, dat God de Heilige Geest er in kan dalen, er in wonen wil en er uit spreekt.

Als de Heilige Geest spreekt en bidt met onuitsprekelijke verzuchtingen, dan doet Hij dat in het hart eens menschen.

Dat is zijn tempel. Dt de woonstede, die zich God verkoren heeft. Dt de plaats zijner ruste. En eerst, wanneer aller menschen harten voor zich en de harten aller menschen sam, onbelemmerd dien Heiligen Geest in zich toelieten, en door dien Heiligen Geest ongestoord zich lieten bezielen, zou de schittering volkomen zijn van de eere Gods in zijn tempel.

Dat er in Zion een steenen huis moest komen, was enkel, omdat die tempel Gods in menschenharten onbewoonbaar was geworden. En dat God in den Messias zich een zoo koninklijk menschenbart schiep, was alleen, omdat het hart des menschen zijn koninklijk bestaan verdorven had.

Als Jezus dus in den steenen tempel op Zion ingaat, er een geesel van touwkens sambindt, er de boosheden uitdrijft, de booze stukken er in onderstboven werpt en toornend uitroept: „Er staat geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden en gij hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt”, dan volvoert Jezus die daad van heilig ijveren eigenlijk aan ons; dan is het tot ons hart, dat hij het snerpend verwijt richt; in ons hart, dat hij toornend |357| met den geesel striemt, en uit ons hart, dat bij boosheden wil uitdrijven.

Let er scherp op! Zions tempel is niets dan de spiegel in het groot van wat uw hart in uw eigen boezem is en van wat er in uw eigen hart omgaat.

Jezus houdt u een schilderij ter zelfontdekking en ter heilige leering voor.

Het moet ook bij u n huis des gebeds zijn, en zie, wat er onder en door uw zondig doen van dat huis des gebeds geworden is!

„Huis des gebeds” wil zeggen, dat in uw hart uw ik steeds in kleine gevoelens van de doodelijke schuld en volslagen nietigheid op de knien moet liggen, om maar te bidden onhoorbaar, aldoor te bidden tot Hem, die aller heiligheden Bron en aller goeden Fontein en heerlijkheden Sprinkader is, en uit wien zegen na zegen, als elkar jagende golven, afvloeien, naar wie waarachtiglijk bidt.

En wat is daarvan nog overig? Wat vindt ge nog daarvan? Ik zeg niet, zooals ge u op uw best voordoet. Maar zooals ge in het eenzaam, onbespied, den weg uwer wegen gaande, daarbinnen door uzelven bevonden wordt.

o, Doorzoek dat hart in uw boezem eens!

„Maar ik moordtoch niet!” roept ge verontschuldigend uit. „Een moordenaarskuil” is mijn hart toch nog niet geworden.

God zij lof! Neen! In dien banalen, bloedigen zin niet. Nog niet! Spreek niet te stout. Die sta, zie toe, dat hij niet valle! Maar ik neem het aan, neen, in strafrechtelijken zin.

Maar wat zal het zijn als Jezus’ apostel aan het woord komt. Die heilige boetgezant, die u in naam van Jezus verklaren komt: „Wie zijn broeder haat, ook maar haat, die is reeds een moordenaar!”

Wie heeft nooit gehaat? Groeit de plant van den wrevel ook niet in uw hof? Is wangunst u een kruid der onbekendheid? „Niet zetten kunnen”, is het van wegwenschen, wegwenschen van verwenschen zoo verre?

o, Spreek toch niet hoog voor uw God! De Heere weet al deze dingen. Naakt en geopend is voor zijn aldoorziend oog het verborgenst van het binnenste geheimenis.

En als ge zoo uw hart voor den spiegel van de vurige wet Gods plaatst, zeg zelf, mijn broeder, hebt ge dan nog |358| veel oorzaak tot roemens en zelfverheffing? Als er eens terdege licht, klaar licht, licht uit God op al de geheime paden van uw hart gaat schijnen, roept ge er de menschen dan wel zoo gaarne bij? Doet ge dat dan niet maar liever tusschen God en uw ziel af? En dat afdoen tusschen God en uw ziel, wat wil dat anders zeggen, dan dat het eigenlijk tusschen God en uw ziel zoo onuitsprekelijk schandelijk staat, dat schaamte u het oog doet nerslaan?

o, In een moordenaarskuil geschiedt nog zooveel meer dan moorden. Daar is ook de roof. Ook de leugen. Ook de wreedheid, ook de wellust. Ook de brutale hoovaardij.

Ja, zonderling mysterie, in het roovershol hangt een onheilige schim van het vrome soms nog een crucifix op. Er zijn bandieten gezien, op de knien vallend, als de God der eere zijn donder rollen liet door het woud.

En dat ng ijselijkere kunt gij het van u stooten, zeggende: „Althans daarin heb ik geen deel!”

Denk aan Zions tempel, toen Jezus er de koopers uitdreef!

Wat deden er die koopers?

Maar immers, ze kwamen om te offeren, ze kwamen om den schatpenning, te betalen, ze kwamen om te aanbidden. Ze deden als die Joden uit ouder dagen, tegen wie Jeremia het woord slingerde, dat Jezus hier aanhaalt (Jerem. 7 : 4). Het woord, dat de profeet op hunne zelfverzuchting: „Des Heeren tempel, des Heeren tempel zijn deze!” hun tegenvoerde: „Zult ge stelen en overspel bedrijven en rooken voor Bal, en dan komen en staan voor mijn aangezicht, in dit huis dat naar mijn naam genoemd is, en zeggen: „Wij zijn verlost, om al deze gruwelen te doen (vs. 9, 10)?”

Het was hun te veel moeite om een duifje van huis me te brengen of in de stad op de markt te koopen. Ze mochten zich eens bestoven maken. Zie, in den tempel, vlak bij het altaar het duifje uit de mand koopen, en het dan met een halve hand even aan den priester geven, was al, waartoe die verniste vroomheid het in Jeruzalem bracht. En daartegen richtte zich Jezus’ woede. En hij sloeg ze in het aangezicht, die huichelende, zelfgenoegzame, verachtelijke wezens!

En wij?

En onze vroomheid? |359|

De vroomheid van ons hart? Van dat hart, dat een huis des gebeds moest zijn? o, Is het niet verschrikkelijk, dat zich in ons raadselachtig hart die schim van het echt vrome zoo telkens vermaagschapt met dien geest van den moordenaarskuil?

„Ontferm, ontferm U onzer, Heere!” riepen die blinden, die Jezus pas genezen had. Wie, die de blindheid zijns harten gevoelt, zou het hun niet naroepen?

En daartoe voegen: „Doe meer, doe meer, o Heiland! Kom ook tot mij met de geeselroede, en drijf de boosheden bij mij uit!”




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 148 (10 oktober 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001