XCVIII. „Meenden dat zij meer ontvangen zouden”

En de eersten komende, meenden dat zij meer ontvangen zouden; en zij zelven ontvingen ook elk eenen penning.

Matth. 20 : 10. a


Er is verschil, groot verschil, in geestelijke lotsbedeeling. Elk kind van God heeft zijn eigen pad, elk verloste zijn eigen weg. Een naam staat in den keursteen gegrift, dien niemand onder menschen kent, dan de persoon zelf die dien ontvangt. En zoo ook draagt elk pelgrim zijn eigen kruis, om aan dat kruis, op een manier die bij zijn ziel hoort, te sterven.

Make die wetenschap u uiterst voorzichtig in het beoordeelen van anderer genadestaat of anderer geestelijken loop. Want gij zoudt liefst zien, dat het ieder verging, zooals het u vergaat; en dat uw bekeeringsweg maatstaf bleek voor l Gods kinderen. En toch dat is niet zoo. De eeuwige mogendheid des Heeren Heeren is te majestueus, om niet vrijmachtig te zijn, en die vrijmacht Gods doet het bij den een aldus en bij eens anders ziel alzoo; eeniglijk daarbij geleid door goddelijk welbehagen.

Maar er ligt meer in. Er ligt ook een gedachte in, die menig afgedoold zieleleven opeens wer in het rechte spoor kan drijven.

Zie, er zijn er onder de belijders van Jezus, die een zeer lichten weg hebben. Menschen zelfs die tot op hun ouden |351| dag de wereld hebben genoten en de zonde hebben gediend; en nu, toegebracht door genade, na hoogstens een paar jaren van worsteling, kalm ontslapen in hun Heer.

En daartegenover staan dan anderen, die, jong bekeerd, een halve eeuw en meer al de hitte des daags en de innerlijke worsteling van het geloof en al den last der wereld hebben gedragen.

Er zijn er, die in lieven kring levend, niet dan lieve deelgenooten van het heil om zich zien, en, zelf van een kalm karakter, na een leven van ongestoorde rust, gelaten inslapen, om op te waken in den eeuwigen morgen.

En wer anderen zijn er, die op een eenzamen post, te midden van spotters en godloochenaars, met hun eigen heftig temperament, elken morgen en elken avond op de pijnbank gaan, en gedurig bijna geheel afgebracht van hun geloof, nog in hun stervenaangst naar boven zien, als vroeg hun brekend oog: „Heere God! zal ik wel bij U komen?”

En zoo ook, er zijn er, die de plagen des levens niet dan van hooren zeggen kennen en de slagen van het lot nooit voelden striemen om het eigen hart, maar schier in alles voerspoedig, in alles op zandwegen rijdend, in alles letterlijk op rozen tredend, aan het minzaam lachen gewend wierden en nauwelijks weten, dat er een fontein van tranen verborgen ligt in het menschelijk oog.

Terwijl anderen, geheel omgekeerd, uit allen bitteren beker te drinken krijgen; door grief na grief gevlijmd worden; en beurtelings met eik der plagen, die de Heere onze God in zijn toornende hand houdt, of zelf, of erger nog, in hun lieven, worden bezocht.

o, Waarom zien die drijvenden „in zeer stille wateren” zoo vaak met verwijtende, wijl onmedoogende, en dus kwetsende minzaamheid, op die „roodgekretenen van ziel,” op die „ten bloede toe worstelenden,” van hun kalme hoogte ner?

Zou daar geen zonde in steken?

Ja, bij God, zonde steken in dat schijnbaar ademen van een hoogeren vrede. Maar van een vrede, die liefdeloos is, omdat hij niet weet van erbarmen.

Maar dan ook omgekeerd, minacht de worstelaar in het Godsrijk niet maar al te vaak dien stil voortwandelendon pelgrim?

Zelf lijdt, zelf strijdt, zelf beidt men. o, Het hart keert |352| in den boezem om, en avond aan avond wordt de overstelpte ziel uitgegoten. Maar die andere! wt zou diens geloof? Ja, is dat geloof? Als men het z gemaklijk heeft! Maar immers dat moet zelfbedrog, dat kan niet anders dan ingebeeld wezen? Spreek gij, oppervlakkige van ziel die ge zijt, over geloof toch niet me. Als ge mijn weg eens geloopen hadt! Dan ja, dan zoudt ge er over me kunnen praten. Maar nu, wie denkt bij dat opgepleisterde, bij dat geverniste, bij dat doodsche „stil-leven” aan een wezenlijke ontrukking aan Satan van een menschenziel door onzen Heer?

Zoo wordt men dan ook op zijn beurt liefdeloos; gaat zelf oordeelen, in plaats van Godc alle oordeel over te laten; en, . . . wat het ergste is . . ., hoog van harte! Z hoog dat men op zijn kruis en moeite roemen gaat, en aldus afdoolt van het pad der genade.

o, Onze Heer heeft het wel voorzegd! De arbeiders, die vroeg weren gehuurd en de hitte des daags hadden te verduren, zijn zoo licht in gevaar, van niet te kunnen velen, dat de later aangekomenen k nen penning krijgen; hun oog is zoo licht boos, omdat Jezus goed is; en z vanzelf schier sluipt hun de gedachte in de ziel, dat z veel zielelijden en z lange worsteling hun aanspraak geeft op iets meer, op iets bijzonders!

En er is dan ook geen twijfel, of in den eeuwigen morgen ontvangt wie meerder droeg ook meerder kroon; mits in dat meerdere dragen een meerdere genade is verheerlijkt en de ziel verre bleef van verheffing. Anders heeft ze haar loon weg. En dat nu juist is het schreiende, dat menig bange worstelaar zich door Satans influisteren verleiden laat tot een roemen in zijn smarten, en er drdoor alle vrucht van verbeurt.

Dat men toch alle ding in het geestelijke leven uit God wilde bezien!

Of waar wordt onder menschen langer en aanhoudender op geslepen, op een stuk gewoon glaskristal, of op een allerkostbaarsten diamant?

En als God de Heere met zijn scherpe instrumenten op uw ziel nu ns zoo lang vijlt, dan op het hart van dien ander, en Hij aan u het dubbele der moeite te kosten legt, en uw persoonlijk wezen slijpt met het driedubbele van goddelijke drijfkracht, is dat dan zoo ongelukkig? Is dan de |353| diamant zoo te beklagen, omdat hij er langer en harder aan moest dan de robijn? Of de robijn omdat hij sterker geklemd en scherper gespleten wordt, dan het te slijpen glas? En als het rod den Heere dan nu belieft, ook uw ziel zooveel harde aan te grijpen, en zooveel langer goddelijke Majesteit aan u te kosten te leggen, en u zooveel sterker bij het slijpen te drukken, en u als middenin den gloed te brengen, zeg zelf, is dat dan oorzaak tot „droef gejammer en geklag?” En als gij dat dan doorstaat en draagt, kan dat dan ook voor u ooit oorzaak tot roemen zijn? Of mag ook de diamant roemen omdat hij zich afschilferen en kloven en slijpen liet, met het scherpst instrument?

Maar immers, juist het omgekeerde van dit alles moest de ziel van zulk een worstelaar vervullen.

Als een diamant, die zeer hard was, zeer scherp is geslepen, wie denkt dan om wat er gebeurde bij dat slijpen, en wie ziet dan niet enkel op de uitkomst, op het zuivere water dat door dat slijpen in het licht kwam? En als men dan het werk wil roemen, wie zal dan een ander roemen, dan hem die sleep?

En zoudt gij dan anders doen?

Als uw ziel zulk een hard keurgesteente is, en God de Heere kan het helder water niet anders in u laten schitteren, dan door u ontzettend hard te kloven en te schilferen en te slijpen, wien anders komt daar dan de roem en de eere voor zijn liefde van toe, dan Hem, die dat voor en aan u doen wilde en niet afliet, eer het zuivere water zichtbaar stroomde?

Al die ontzaglijke bewerking is dus geen verdienste van u, waardoor God u iets schuldig zou worden. Maar het is omgekeerd een meerdere liefde van Hem jegens uw ziel, waarvoor gij dien trouwen Ontfermer een meerderen dank en een stiller toewijding en een vuriger liefde schuldig zijt.

Zoo hangt het er maar aan, of ge van uit den mensch naar God rekent, of wel, gelijk de Schrift eischt en onze vaderen ons voorgingen, van God uit naar het schepsel.

Rekent ge met den mensch eerst, dan is uw lijden een wezenlijke bezoeking; een strijd om er in om te komen; en dan misvormt u dat lijden tot hoogmoedige verheffing, en stompt het orgaan, om genade te ontvangen, in u af.

Maar begint ge met God en beziet ge van uit Hem u |354| zelven, o, dan wordt al Gods plagen en kastijden een te kosten leggen aan uw harde ziel van een meerdere genade; en de uitkomst is, dat ge stil en deemoedig onder die kunstbewerking der reddende liefde verkeert; dankt in ste van in u zelf te roemen; en in dat danken met nieuwe genade „vr genade” wordt verrijkt.




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 147 (3 oktober 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001