XCVII. „Noodzakelijk dat de ergernissen komen”

Wee der wereld van de ergernissen! Want het is noodzakelijk dat de ergernissen komen. Doch wee dien mensch, door wien de ergernis komt!

Matth. 18 : 7. a


Het is een vreeslijke strijd voor Gods kinderen, hoe ze toch door zullen zeilen tusschen die beide klippen, om aan den nen kant de wereld niet te verachten en aan den anderen kant niet in die wereld verstrikt te raken.

’s Heeren volk mag er niet uit. Het moet in die wereld leven. Zout te zijn, bederf te weren, is zijn roeping. Een licht in de duisternis. Een stad hoog op een berg. Maar . . ., en daarin ligt al het benauwende: om bederf te kunnen weren, moet het zout met dat bederf in onmiddellijke aanraking zijn.

En dit juist nijpt en beklemt het geloof.

Het geloof, dat vol moed den weg oploopt, en denkt „Ik zal niet versagen!” En zie, pas zijn een tweetal schreden gezet op den weg, of daar ligt een struikelblok, waarop niet was gerekend, en men valt. En een eind verder is een kuil gegraven, die niet vermoed werd, en men valt er in. En wer een eind verder dreigt een zieleroover, dien men niet gemerkt had, en men valt onder zijne harde slagen ner. En zoo raakt de ziel afgemat, al komt ze er me onder door. |347| En ze verleert het vertrouwen op de geloofskracht. En moedeloos zinkt ze eindelijk in en vraagt zich af: Wat heb ik aan mijn geloof! Het brengt er mij toch niet!

o, Indien die strijd maar in het bloed der ziele doorstreden wordt, dan komt men er in het eind toch wel; maar ongemerkt; vooruit varend . . ., terwijl het aldoor is, alsof men achteruit gaat. God de Heere, brengt er ons dan, en Zijns is de glorie!

*

Maar onderwijl gaat het bang met eens menschen ziel toe, vooral indien nu bij die gevaren en tegenheden der ziel k nog de ergernissen komen.

Ergernissen, dat zijn al die woorden, die omstandigheden, die dingen, die er op aangelegd zijn, om een kind vanGod tot zonde te verleiden; ’tzij doordien men aan het kwaad een schoonen, vromen glimp geeft, ’tzij doordat men speculeert op de inwonende zonde in hem.

En van die ergernissen is ons leven vol.

Dat kn niet anders.

De wereld in haar diepste wezen haat den Christus; omdat ze voelt, dat die Christus Gods haar dood is.

Wel is het haar gelukt, om dien Christus aan het kruis te dooden. Maar dat hielp niet. Hij stond op, Hij voer naar den hemel. En nu van uit dien hemel bedreigt bij die wereld. Hij toeft, hij beidt, hij wacht, maar de wereld weet zeer goed, dat dat toeven en beiden en wachten alleen maar op de schare der uitverkorenen is, en dat, zijn die eenmaal ingebracht in het Koninkrijk, dat dan niets den Christus meer zal, tegenhouden; dat dan haar ure zal geslagen hebben; dat het dan uit met haar glorie is; en dat zij zich dan den dood zal eten aan den Zoon van God.

Dus moet het wel, dat ze met diepen wrok en bitterheid tegen dien Zoon van God bezield is; dat ze hem vreest, en daarom hem uit zoekt te drijven, of ze nog aan zijn uitgestrekten arm ontkomen kon.

De wereld is als een slang, die onder den Leeuw nergedrukt ligt, en nu sist en gif spuwt en zich kronkelt.

Ze moet er aan, maar ze wil niet.

Dat is haar helsche worsteliug tegen den Christus in. En |348| hoe dikwijls ze het ook beproefd heeft, om, op haar manier, aan dien strijd tegen den Christus een einde te maken, het baat, het helpt haar niet.

De Christus gunt haar geen rust, en uit haar eigen onheilige diepte welt altijd met nieuwe stroomen de oude bittere vijandschap wer op.

En tusschen die slang en dien Leeuw zitten Gods kinderen nu in, en de slang belooft niet op hen te zullen spuwen, indien zij den Leeuw maar niet toevallen.

*

En dat nu is de diepe ergernis en aller ergernissen grond.

Christus zegt: De wereld is goddeloos. En kwam ze nu maar z goddeloos voor den dag, o, dan zou ze u niet omvoeren. Maar zie, ze ziet er niet goddeloos uit. Althans niet als ze tot u, in uw huis, aan de poorte van uw hart om uw gunst komt vragen. Dan is ze zelfs godsdienstig, teeder, beweeglijk vroom.

En van den anderen kant, de Christus zegt: „Mijn verlosten zijn rein!” En nu komt de wereld, en kruipt in uw hart en lacht u uit, en fluistert daar zoo echt duivelsch van binnen: „Een fraai rein hart!” En met dat ze dat zegt, haalt ze n voor n al de ellendigheden van uw innerlijk leven op, en laat den vuilen poel van ongerechtigheid opborrelen van uit de diepte.

En dat benauwt dan. Want dan eindigt onze arme ziel met de slotsom, „dat die wereld toch eigenlijk zooveel beter en wij zooveel slechter zijn dan we dachten.” En dan staan we gergerd. In wezenlijken zin gergerd aan ons hart. Gergerd aan ons zelf. Gergerd aan het volk des Heeren. Maar bovenal gergerd aan dat woord Christi, dat immers anders uitkwam, dan bij het ons sprak.

In zulk een oogenblik keert onze ziel in ons om.

We ontzinken aan ons zelf.

En Satan, dat ziende, zendt dan in allerijl een bode der onheiligheden, om juist in dt zwakke oogenblik ons den voet te lichten, dat we struikelen.

Voor wie dieper geleefd heeft, en banger worsteling kent, een ure als der hel.

En een ure waar ge niet door zoudt komen, indien het niet was naar gezegd is: „Ik zeg u dat hun engelen in de |349| hemelen altijd zien het aangezicht van mijnen Vader die in de hemelen is.”

En daarom, komt die ure dan, maar naar het Woord.

Naar dat Woord, waarin voorzegd is, dat die ergernissen komen zouden. Voorzegd is dat ze komen moesten. Voorzegd is dat ze ten slotte toch op een wee u, niet voor Gods kinderen, maar voor de wereld zullen uitloopen. En dat hij er het diepst onder door zal gaan, door wien die ergernis kwam.

En dat troost.

Want weet ik maar, dat het zoo zijn moet. Dat Jezus wist dat het zoo zou komen. Welnu, dan overkomt mij ook niets vreemds. Niets, waartegen bij Jezus geen voorziening zou bereid zijn. En ook in de bangste ure steun ik dan nog even onvervaard op dien Leeuw uit Juda’s stam, die machtig is om mijn arme ziel voor den slangesteek te behoeden.

Het grootste gevaar voor Gods kinderen ligt dan ook niet drin dat ze zelven gergerd worden, maar . . . en, o, beware de Heere dr uw uitgang en uw ingang voor . . . het grootste gevaar is, dat ge u door Satan zoudt laten gebruiken om een ergernis voor uw broederen te zijn.

Daarom voegde de Heere het er zoo ernstig manend aan toe: „Wee den mensch door wien de ergernissen komen!”

En nu, zie om u in de wereld der belijders, in de kringen der vromen, . . . en zeg zelf, gaat het er niet vaak toe, alsof het on ergeren van de kleinen werd aangelegd?

Of neen, liever nog zeg ik, zie niet op andere kringen, maar zie op uw eigen kring; zie tot in uw eigen hart.

Wat dunkt u, zou er n Christen zijn, die niet telkens, en telkens wer, zijn broeder had gergerd?




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 146 (26 september 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001