XCVI. „En nu blijven deze drie”

En nu bljft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze drie is de liefde.

1 Cor. 13 : 13. a


En nu blijven deze drie, geloof en hoop en liefde, van welke de liefde de meerdere is!

Ze blijven? Nu? Maar tot wanneer? Bedoelt de Apostel, dat ze blijven zullen tot aan onzen dood? Of dat ze ook na onzen dood ons zullen verzellen en blijven tot in eeuwigheid.

Het laatste begint thans al meer gepredikt te worden in de gemeente, en is ook oudtijds reeds gepredikt door dolende geesten. Maar de kerke Gods, die pilaar en vastigheid der waarheid is; of liever nog in haar de Heilige Geest; hield steeds vol en houdt nog vol, dat met de woorden: „Nu blijven deze drie”, geen voortbestaan er van in aller eeuwen eeuwigheid bedoeld is.

Dat kan niet.

Dat is even ondenkbaar als onmogelijk.

„Geloof” is juist het zichtbare verwerpen om het onzichtbare te grijpen. „Geloof” is door een geestelijke macht kleven aan wat ge nog niet aanschouwt. In het wezen van het „geloof” zelf ligt het niet zien en niet tasten opgesloten. „Zalig zijn ze, die niet zullen gezien en nochtans geloofd hebben.” Hoe, bid ik u, wil men dan het geoordeelde Thomas-geloof zich indenken als maatstaf voor het hooge, heilige leven des hemels?

En wat de „hoop” aangaat, dat kan een kind u wel zeggen. Hoop is het nog niet ontvangene, zich voorspiegelen |343| als zeker bezit; als een genot dat komt; als een heerlijkheid die wel toeft, maar gewisselijk eens ons wordt geschonken. „Hoop” in de Heilige Schrift, de „Christelijke” hoop, is daarom vast en onveranderlijk: het uitzicht van de kinderen Gods op die heerlijkheid, die hun zal geopenbaard wo rden, als Christus op de wolken komt.

En nu is het wel zoo, dat er zijn die zeggen: „Ja, maar ook in het hemelleven zijn trappen. Men begint met ééne mate geluk, en hoopt intusschen op een nieuwe mate geluk, die daarna pas komt.” Maar dat is ongerijmd! Dat is den hemel afmeten naar het tijdelijke. Dat mag niet. Daarboven is het eeuwige, en het eeuwige is nooit vandaag één deelen morgen twee deelen, maar van den aanvang aan en eeuwiglijk het volle bezit aldoor.

Een opeenvolging van oogenblikken is er in den hemel niet.

Als de Apostel van Jezus ons zegt: „Deze drie blijven, geloof, hoop en liefde”, kan hij dus niet anders doelen dan op dit leven. Slechts moogt ge het niet verstaan van een blijven slechts tot aan uw dood. Neen, maar tot aan de wederkomst onzes Heeren Jezu Christi blijven deze drie krachten de levenskrachten van zijn volk, van zijn gemeente, van de kerke Gods.

*

Daarin nu zijn die gaven scherp onderscheiden van de andere geestelijke gaven, waarvan de Apostel in 1 Cor. 12, 13 en 14 handelende is. Want de gave om in vreemde talen te spreken zou niet blijven. De gave der wonderen zou ondergaan. De gave der profetie zou ophouden. En terwijl Paulus nu juist bezig is om over die buitengewone, die sin. guliere, die slechts aan enkelen, die slechts voor korten tijd verleende extra-ordinaire wondergaven te handelen, plaatst hij er nu tot troost van de gemeente, opeens en met meesterhand, die andere drie tegenover, als de gaven die aan elk kind van God geschonken worden; als gaven die tot het gewone leven van Gods kinderen behooren; als gaven die van plaats of aanleg onafhankelijk zijn; en die even deswege niet zullen voorbijgaan, maar blijven zoolang de gemeente van Jezus op aarde verkeert.

Bedenk toch wel, dat de Heilige Geest den Apostel bij |344| het schrijven dreef, en dat die Heilige Geest toch wist, dat de kerke Gods nog zeer vele tijdperken zou doorgaan, en dat van al die tijdperken slechts een zeer korte aanvang met deze buitengewone wondergaven zou gesierd zijn. Bedenk, dat daarna die buitengewone gaven bijna geheel zouden ophouden. En bedenk ook, dat alsdan aan de gemeente als haar algenoegzame troost niet anders blijven zou dan haar geloof in, haar hoop op en haar liefde voor Christus Jezus onzen Heer.

Slechts zie men wel toe, dat men zich niet vergisse.

Ook onder de buitengewone gaven komt er één voor die én Jezus én zijn apostelen „geloof” noemen. Zie maar in het vorige hoofdstuk vers. 9. Daar staat, dat den éénen is gegeven „een gave der gezondmaking”, en „eenen anderen het geloof.” Dat kan natuurlijk niet het zaligmakend geloof zijn. Want dat heeft immers niet maar een enkel Christen, maar elk kind van God. Met „geloof” is in 1 Cor. 12 : 9 dus een bijzonder, singulier „geloof” bedoeld; zooals onze kantteekenaren zeiden: „Een buitengewoon geloof om mirakels te doen.” Diezelfde buitengewone geloofsgave, waarvan Jezus zei: „Indien ge geloof hadt als een mosterdzaadje, ge zoudt zoo’n berg met uw woord in zee werpen!”

En let er nu op dat Paulus in den aanhef van 1 Cor. 13 juist eerst over die gave van een extra-ordinair geloof heeft gehandeld, en gezegd heeft, dat die extra-geloofsgave niet zaligmakend is.

Hij schreef toch: „Al ware het dat ik een geloofsgave had, om tot dezen berg te zeggen: Word opgenomen en in de zee geworpen, en ik had de liefde niet, zoo ware ik niets.”

En gelijk de Apostel daar nu eerst van een aparte niet-zaligmakende geloofsgave spreekt, zoo spreekt hij er ook van een aparte niet reddende gave eener zeer sterke hope, als hij zegt: „Al ware het dat ik mijn lichaam overgaf, om verbrand te worden (in de hope der heerlijkheid, niet waar?), en ik had de liefde niet, zoo zou het mij niet nutten.”

En na aldus het niet-zaligmakende van deze extra-gave des miraculeusen geloofs, en van deze extra-gave der martelaarshope te hebben uitgesproken, voegt bij er nu zelfs aan toe het ijdele en onnutte van de extra-gave eener van alles afstand doende liefde: „Al ware het dat ik al mijn goederen tot onderhoud der armen deelde, en ik had wel deze extra-gave |345| der liefde, maar niet de diepe zaligmakende liefde, het gaf mij voor de eeuwigheid niets.”

En zie, in verband hiermeê, en als in tegenstelling met deze niet zaligmakende extra-gave van zulk een singulier geloof, van zulk een singuliere hoop en van zulk een singuliere liefde, in den aanvang van het kapittel, wijst hij nu aan het slot van het hoofdstuk op de wel zaligmakende, niet extra-ordinaire, aan allen gemeen zijnde Geestesinwerkingen, die het waarachtig geloof, de onverwelkelijke hope en de goddelijke liefde in het hart uitstorten; en komt ons nu in naam des Heeren verklaren, dat, ook waar die extra-ordinaire gaven bij tijden verdwijnen; en er nu eens eeuwen en volken zijn, waarin het martelaarsbloed vloeit, en dan weêr eeuwen en natiën, waarin de martelaarsgave wegvalt; deze drie, het geloof, de hope en de liefde, alle eeuwen door en onder alle volken het gemeengoed van Jezus’ gemeente blijven, totdat hij komt, d.i. totdat we hem zien zullen van aangezicht tot aangezicht.

Vers 12 teekent dan ook niet het hemelleven, maar spreekt alleen uit, hoe het ons te moede zal zijn bij het zien van Jezus, als hij op de wolken komt. Nu als in een wolkenspiegel, dan van aangezicht tot aangezicht. Nu van verre kennen. Dan kennen door de macht van het volzalig aanschouwen.

En daarop nu volgt: „En nu, d.i. in afwachting daarvan, tot aan die komst des Heeren, blijven deze drie heilpanden der gemeente vaststaan: Geloof, hoop en liefde! En onder deze de liefde de meerdere, gelijk ook in uw schatting immers (voor wat het genot betreft) de duiventros meerder is dan de rank, waarvan ze geplukt wordt en meer dan de wortel waarop de wijnstok bloeit”!




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 145 (19 september 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001