XCV. „Gebrokenen van hart”

Een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten.

Psalm 51 : 19. a


„Gebroken van hart” te zijn, is, zoo ge het diep doordenkt, eigenlijk de hardste eisch die tot een zondig menseb komen kan.

Wat „besnoeid” worden! o, daartegen heeft ons trotsche „ik” geen bedenking. Want iemand te vinden, die beweed in niets te feilen, komt bijna niet voor. Ieder erkent nog wel dat het beter met hem kon dan het gaat. En zoolang er van niets ergers sprake is, dan om de weelderige uitwassen wat af te snoeien, stuit ge bij verreweg de meesten nog op geen wezenlijk bezwaar.

Van die „besnoeide” menschen loopen er bij duizenden op den breeden weg met hun besnoeidheid en ingetogenheid te pronken, en van geschoren heggen in hun eigen rechtvaardigheid is het vlak der hel doorkruist en omtuind.

Dat geeft dus niets.

Geeft althans niets voor God. In het verborgen gerichte. Als zijn licht het al doordringt en ontdekt.

*

Maar ook met de ledematen die aan u zijn, te krenken, in te toomen, te buigen, en desnoods te knakken en te breken, komt ge voor dien Kenner der harten geen stap verder.

Ook dat pogen kent anders elk kind van God.

Zoo kan het niet blijven. De zeilen van het zondig leven |339| moeten gereefd. Er moet ingetoomd. Het lichaam moet onder bedwang gebracht. Dit zal men niet meer doen. En dt zal men afschaffen. En dr zal men aan sterven. Zonden, met name uitgedrukt, worden tot werkeloosheid gedoemd. Dingen die men vroeger zag, ziet men niet meer. Er is verandering, er is voruitgang. Dt is meer dan „besnoeiing,” dat is „besnijding” van de wilde natuur.

En toch ook dit brengt er u niet, en kan, er u niet brengen. Want zoo verminkt ge uw leven wel, maar zet het niet in zijn tegendeel om. En voor uw afgezette been, neemt ge een houten been, of desnoods een kruk, en op dit houten steunsel strompelt ge toch wer den ouden weg op. Och, de verminkte zielsworstelaars zijn ook onder de genooden der hel.

Neen de ledematen doen het zoomin als de wilde uitwassen. Dat zijn altegader slechts uitspruitsels van het leven. Als ge met God te doen krijgt, dan komt het op dat leven zelf aan. De goddelijke Arts betast niet uw hand of uw voet, maar tast dadelijk door; door nder uw kleed;, naar uw hart. En Hij aarzelt niet noch twijfelt een oogenblik, maar zegt het u terstond en op, den man af: Dat hart moet er aan.

*

En luister, op dat zeggen van den Heere onzen God komen opeens de bedenkingen.

„Mijn hart kan er niet aan! want dan ben ik weg!, in mijn hart zit mijn leven. Tast toe, neem alles, o, goddelijke Medicijnmeester! maar zet het spherpe mes van uw Woord in dat hart niet. Deze hand, o, zie, daar is ze. Dat been, ontneem het me. Laat me kruipen, laat me strompelen. Alles wil ik doen om gered te worden. Tot alles ben ik bereid. Geen pijn zelfs, hoe bitter ook, zal me afschrikken. Maar iemand zijn hart afzetten, zijn hart ontwee snijden, het hart te morzel slaan! waar is het ooit vernomen, dat zlk een kunstbewerking kan en dat de behandelde bleef leven.” En met dat zeggen duikt dan wer de eigenwillige gerechtigheid in dat zich handhavend hart op.

„o, Zie Heere, ook dat hart onthoud ik U, mijn God, niet. Ook dat hart moet bewerkt. Het is te hoog. Het moet lager worden. Nu dan, Heere, nerdrukken, buigen dat wil, dat zal ik dat hart in mij! . . . |340|

*

Maar de heilige God blijft onvermurwbaar.

Neen, en nogmaals neen, de gebogene van hart niet; alleen de gebrokene heeft heilsbelofte. Gebogen van hart geeft nog niets. Want vooreerst dat gaat nooit heel ver. Het hart is er te stijf toe. En bovendien, evenveel als gij het vandaag nerbuigt, buigt het zich morgen wer op.

Dat is een spelen met het heilige. Een werken om den schijn. Een innerlijke onwaarheid.

En daarom er kan geen tittel of jota van Gods Woord vallen. Breken; wezenlijk breken; ja in den vollen zin des woords stuk breken, dat moet ge uw hoog, uw onvermurwbaar hart.

„Maar . . . dan is het met mij uit, . . . dan ben ik er niet meer, . . . dat is sterven!”

o, Gewisselijk, lezer, dat is het. Maar dat moet het dan ook juist wezen. Z uw hart breken, dat gij sterft, dat uw ik wegvalt, en ge dat leven uit uw oude hart niet meer als uw leven hebt.

Want hoor, als het er zoo met u aan toekomt, dan zijt ge juist niet weg, maar dan zijt ge er!

Voor alles is in de hel ruimte. Alleen maar voor een gebroken menschenhart niet.

Het leven uit Jezus komt juist dan, als het leven dat uit uzelf was, met het breken van uw hart, afvloeit.

Juist op het oogenblik, waarop gij de polsen opensnijdt, om het zondig bloed en in dat bloed het leven van uw hart te laten afvlieten, klopt op hetzelfde oogenblik de polsslag van Jezus’ leven u in de ziel.

*

En daarom staat er zoo breken. Een „gebrokene” van hart! Het hart „stukbreken.”

Een breken z lang tot het te morzel is geslagen.

En dat gaat niet opeens. Bij sommigen doet Hij, die met den hamer van zijn Woord die rotsstukken van ons hart te pletter slaat, daar jaren over.

Eerst wat besnoeien, dan wat besnijden, en dan nader op u aandringend, om u in zijn oordeel te verschrikken, en door teug na teug uit den beker zijner grimmigheid, de ziel te benauwen.

Uw vreugd weg, uw liefste speelpop weg, uw kring |341| leeggemaakt, zorg elken nacht voor den komenden morgen, elk uitzicht afgesneden!

En dan treurt en dan weent de diep verslagene en klaagt: „Och, voor mij heeft de wereld niets meer”; en waant dat hij er dan reeds bij kan zeggen: „Die laatste slag heeft mijn hart doen breken.”.

Maar God antwoordt: „Neen, en driewerf neen; wat dusver in u brak is nog maar inbeelding, de liefde, de hope van uw hart. Dat hart zelf handhaaft ge nog.”

En dan begint het geestelijk werk.

Slag op slag een ruk van Hooger hand van binnen. Slag op slag een stoot in de ziel. Slag op slag een nerkomen van den hamer des Woords tegen de deelen van het hart van binnen.

En dan gaat het Dagonsbeeld.

Een arm er af, een voet er af, eindelijk heel het afgodsbeeld in tween, tot het rolt van het voetstuk van zijn hoogmoed, en God er nog op toe hamert, tot n wil n gevoel n eer n eigen zin n eigen deugd n eigen vroomheid, tot zelfs onze gebeden en aalmoezen, als stof te gruizel liggen voor Gods heilig oog.

o, Als het zoover komt, dan is er een wonder geschied.

Want dan ligt Dagon om; dan is het onzalige ik machteloos gemaakt; dan ligt aan gruis al wat onze kracht en onze pracht was.

En zie . . . in datzelfde hart . . . waar Dagon te pletter ligt . . . drong dan een ander en een betere binnen.

Kent ge Hem niet?

Hij is uw Redder, Trooster is zijn naam!




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 144 (12 september 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001