XCIV. „De twee vijgenkorven”

De Heere deed mij zien en ziet er waren twee vijgenkorven; in den eenen korf waren zeer goede vijgen, maar in den anderen korf waren zeer booze vijgen, die vanwege hunne boosheid niet konden gegeten worden.

Jeremia 24 : 42. a


Zijn er twee of zijn er drie soorten van menschen?

De Heere onze God toont aan Jeremia maar twee korven. Z dat hetgeen in den nen ligt „zeer goed”, en wat in den anderen ligt „zeer boos” is.

Goed f slecht, heet het dus in het gezicht des Heeren.

Maar moeten wij afgaan op wat wij menschen er liefst van maken, zeg zelf, had er dan nog niet een „derde korf” bij moeten staan? Een korf, om tusschen die twee andere in te zetten? Een korf met wat niet gansch boos en ook nog niet gansch goed was? Zoo tusschen beide in. Half en half. Niet geheel dood meer. En toch ook nog niet levend. Zoo hangende tusschen den hemel en de aarde.

En toch zoo is het in de Schrift niet. Van dien derden korf met die tusschenbeiden-soort weet de Schrift niets af. „Zeer goed” of „zeer boos”, er is geen andere keuze.

Maar let wel, dat goed of boos zijn hangt er niet vanaf of en voor hoever ze al bekeerd zijn; maar wordt uitsluitend beslist naar hetgeen er volgens Gods belofte over hen gehengd is.

Let maar op wat er in vs. 7 volgt.

Diegenen die in den rechtschen korf liggen en waarvan |336| vs. 2 zegt, „dat ze zeer goed zijn” hebben ng geen zaad des levens in zich, zijn nog niet bekeerd en kennen God nog niet.

Er staat immers: „En Ik zal hun een nieuw hart geven om Mij te kennen, dat Ik de Heere ben: want zij zullen zich tot Mij bekeeren met hun gansche hart.”

Staat het nu z, dat God hun een nieuw hart zal geven dan hebben ze derhalve nog het oude hart; en heet het, dat zij zich zullen bekeeren, dan zijn ze derhalve nog niet bekeerd.

En desniettemin liggen ze in den korf van de „goede vijgen”; en getuigt de Geest dat ze „zeer goed” zijn.

Evenzoo als met Jacob en Ezau. Eer ze nog goed of kwaad gedaan hadden, opdat het voornemen naar de verkiezing vast zou staan.

Is dit niet om met al den ernst onzer ziel op te letten?

Waar zoeken wij de onderscheidingen in?

In wat we zien, in wat we waarnemen, in wat voor den dag kwam van het nieuwe leven!

Waar we dat merken, of althans meenen te merken, daar heet het: „Bekeerd!”

En als er van die roerselen nog niet veel, maar toch iets te zien kwam, dan heet het: „Bekommerd!”

Maar als we niets van die teederwording van de takken merken, dan heet het: „Nog wereldsch!”

Maar voelt ge dan niet, dat ge op die manier heel wat bij de „wereld” insluit, wat naar Gods eeuwig voornemen in den goeden korf ligt; en waarvan God zegt „zeer goed”; ook al wierd het voor u nog niet zichtbaar?

En voelt ge dan ook niet, dat op die wijze er heel wat in den „goeden korf” liggen, die er misschien niet bijhooren; bij wie het maar een tijdgeloof is; en die gij wel keurdet, maar u bij dat keuren vergissend?

En nog het ergst van al, vat ge niet, hoe op die manier de teederst levende zielen, de „bekommerden” zooals gij ze noemt, in hun kommer omkomen; eindeloos her- en derwaarts worden geslingerd en in hun gedachten buiten allebei de korven op den grond liggend, aan alle echte geloofsvreugd en geloofsvrucht zijn gespeend?

Och, het is maar dat men op zien in plaats van op geloof bouwt. |337|

Dan raakt de kinderdoop er onder.

Dan gaat de zekerheid des heils uit de gemeente weg.

’s Menschen werk verdringt Gods werk.

En het einde is, dat ge geen rechtvaardiging door het geloof meer vindt.

o, Die derde korf.

Draag hem toch weg uit uw hart, uit uw huis, uit de gemeente.

Niet gij zult indeelen, maar God heeft ingedeeld en naar die indeeling gaat het nu en eeuwig.

Gelooven wat God doet; voor u doet; met u doet; aan u doet; en er verbaasd over staan, dat dat eeuwig bestel nog zoo heerlijk doorwerkt. Wat daarnevens zoekt te loopen, sticht de gemeente niet, maar breekt af.

Want weet wel, dan krimpen de arme bekommerde zielen van angst inn en komen nooit in de ruimte.

En dan staat de gemeente tegenover de wereld met geestelijken trots in plaats van met dienende liefde.

En diegenen, die des Heeren zijn verspelen den rijkdom der genade door zelfinbeelding en ingenomenheid met hun vroom bestaan.

Er is geen aarzeling. Er is geen onzekerheid. De booze vijgen zijn zoo „dat ze niet gegeten kunnen worden.” En al de overige zijn goed en zelfs zeer goed, als groene malsche vijgen, „die pas gerijpt waren.”

En zoo goed zijn ze, niet omdat ze het werkelijk zoo zijn, maar omdat God de Heere ze zoo ziet en aanziet in den Zoon zijner liefde.

En dan komt de Heilige Geest en maakt dat we ons zelven houden niet voor den ellendeling dien we in ons bevinden, maar voor den persoon, die God zegt, dat we in Jezus zijn.

Dat is gelooven.

Het gelooven dat zalig maakt.

En dan komt de vrucht. Niet eer ge daar aan toe zijt. Maar daarna.




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 143 (5 september 1880).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001