XV. „Die geldgierig waren”

Al deze dingen hoorden ook de FarizeŽn, die geldgierig waren.

Luk. 16 : 14. a


Er schijnt metterdaad een verborgen samenhang te bestaan tusschen vroomheid en geldgierigheid.

De zaak is namelijk deze: Zoodra de eerzucht om vroom te zijn en voor vroom door te gaan en zich bij de vromenaan te sluiten, zich van eens menschen hart meester maakt, wordt hem een groot offer gevraagd, t.w. dat hij voortaan afstand zal doen van al die wereldsche vermaken en wereldsche schittering, die de apostel zoo teekenachtig „de grootschheid des levens” noemt.

Vroom te zijn en toch zijn lust, we zeggen niet te hebben, maar te toonen in schitterende festijnen, luidruchtige banketten, lichtzinnige samenkomsten en onzedelijke tooneelvertooningen, gaat natuurlijk niet saam.

Men kan slechts van tweeŽn ťťn; niet beidg tegelijk zijn. Al wie door de eerekrans der vroomheid bekoord wordt, heeft zijn hart van deze zinlijke genietingen af te trekken en te laten varen wat bij zijn nieuwe positie niet past.

Maar is hij daarom nu een heilige geworden? Is daarmeÍ nu zijn hart ook aan de zucht naar het uiterlijke, naar bezit en grootheid gespeend? Is een bekeerde nu daarom zijn zondige natuur kwijt?

Och, wie waar tegenover zichzelf is, weet wel beter!

Er is ja, indien het althans een werk uit God in hem |45| was en geen menschelijke nabootsing, een alles beheerschende ommekeer in hem tot stand gekomen, maar een ommekeer, waarvan de omtrek van zijn leven nog niets bespeurt, en die slechts van oogenblik tot oogenblik door steeds vernieuwde genade en aldoor nieuwe bewerking des Geestes, dat „los van de aarde” en „bedenkende wat boven is” tot een waarheid kan maken voor zijn hart.

Op zich zelf blijft dus in zijn hart diezelfde zondige trek naar schittering, naar grootschheid en glans bestaan; alleen maar hij neemt een andere richting.

Het geld uit te geven wordt hem door zijn vroomheid verboden, maar het „op te sparen”, gelijk het misleidend hart het dan schijnheilig noemt, o, neen, dat niet.

Hij mag het niet besteden; dŠt zou wereldsch zijn; maar wel het opleggen; want dat leidt vergelijkenderwijs nog tot de deugd der zuinigheid.

En zoo wordt het zijn vroomheid, dat hij niet verkwist, maar opspaart, niet meer roekeloos is, maar bewaart wat bij heeft.

Dat is het eerste stadium der zonde.

Wordt men daarvan niet bekeerd, niet door genade er van af gebracht en er tot vijand aan gemaakt, dan slaat dit kwaad allengs over in wat de Schrift „philargurie,” d.i. geldgierigheid noemt, en begint met zijn hart gebonden te raken aan het geld als geld, gaat er zijn god in zien en pleegt afgoderij.

En wordt ook dat niet door hooger inwerking, door een ergerlijk bankroet, of door een slag in zijn financiŽn gestuit, dan ontaardt eindelijk die eerst schijnbaar zoo onschuldige trek van het hart in een boozen demon, die dat heilige geld aan God durft weigeren als de Heere er om vraagt, aan menschen durft weigeren als hun nood om hulpe schreit, en ten laatste elk middel geoorloofd acht, waardoor dat geld maar kan groeien.

En komt het daartoe, o dan is het onheilig zaad in de aarde ontkiemd, dan schiet het uit en gaat zijn onheilige vruchten dragen, en alle gebod en alle deugd wordt dan ten offer gebraeht aan den slavendienst en de afschuwelijke afgoderij van den god genaamd Mammon.

Zoo ziet men, hoe geleidelijk, hoe vanzelf uit de vroomheid de geldgierigheid ontwikkeld wordt; hoe juist de vromen |46| veel meer dan de kinderen der wereld aan de verleiding der gierigheid bloot staan; en wat bijzondere genade er toe hoort, om gebroken te hebben met de wereld en dan toch geen overspelige betrekking aan te knoopen met zijn geld.

Vandaar dat de profeten in IsraŽl bijna tegen geen zonde zoo kras, zoo niets sparend, zoo volhardend hadden op te komen, als tegen de gierigheid; dat God de Heere, wel wetend wat er in het hart van zijn volk omging, geen wetten zůů heeft uitgewerkt, als de wetten der barmhartigheid, der offeranden en der mededeelzaamheid, altegader vaderlijke behoedmiddelen om IsraŽl tegen den gelddemon te beschermen.

Vandaar dat niet de SaddueeŽn, maar de FarizeŽn „geldgierig” door Jezus worden genoemd.

Vandaar dat geldgierigheid de schrikkelijke zonde is waartegen de apostelen telkens waarschuwen, waar Jezus van gezegd had, dat wie voor Mammon kroop voor God niet kon knielen, en die uitdrukkelijk als beletsel wordt aangegeven voor het bekleeden van het kerkelijk ambt.

Ja, vandaar eindelijk dat geldgierigheid naar luid der Schrift een wortel is van alle kwaad en behoort tot die ergerlijke zouden, die den bedrijver er van uitsluiten van ’t Koninkrijk van God.

Och, de ervaring van Jezus’ Kerk toonde maar al te zeer hoe noodig zoo ernstig woord was.

Of is er een klacht zelfs in haar beste dagen op weemoediger en snijdender toon telkens door de boetpredikers, ook hier te lande, in Jezus’ Kerk herhaald, dan die klacht over de onmogelijkheid om afstand te doen van het aardsche goed!

Is er iets dat doodender en meer ontzenuwend op de vrome kringen gewerkt heeft, dan dat meer steunen op het geld in de kas dan op Gods zegen in den hoogen hemel!

En is er nu nog iets waardoor de kringen der belijders van Jezus, o, bittere ironie van Gods heilig oordeel, meer zichtbaar verarmen, dan juist door dat niet Šf kunnen van zijn geld en dat kleven met de ziel aan wat men als slijk in zijn lied verachten dorst?

Natuurlijk, tweeŽrlei soort van vromen mengden we, dit zeggend, dooreen; de vromen die het willen weten dat ze het zijn en de vromen die God het gemaakt heeft.

Nu, van de eerste kan niets snijdender gezegd en is niets |47| meer innerlijk waar dan wat de apostel schreef, dat ze als een hond zijn die tot zijn uitbraaksel weÍrkeert; als een gewasschene zeuge zijn die zich weer omwentelt in haar slijk.

Maar voor de echte kinderen des Koninkrijks zij er, tot hun vermaning en hun vertroosting, bijgevoegd, dat ze wel meest allen ook den prikkel van die zonde zich in de aderen voelen drijven; dat er niet ťťn hunner is die van nature niet voor haar bezwijkt; en dat niet weinigen zelfs een tijdlang haar tot in het tweede stadium naloopen; maar ook, dat er bij God een genade is om ook die bekoring te breken; dat die genade ook in onze dagen soms volheerlijk werkt; en dat als er weÍr een gierige vrome is die los van zijn geld wordt gemaakt, God de Heere in zijn erbarming miskend wordt, indien die eertijds gierige vrome dan hangen blijft bij de barmhartigheid die hij doet, in plaats van te jubelen over de barmhartigheid die aan hem geschied is.




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 15 (17 maart 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001