XIV. „Een wolke van getuigen”

Alzoo wij zoo groot een wolke van getuigen rondom ons hebben liggende.

Hebr. 12 : 1. a


Een der bangste verzoekingen voor Gods kinderen op aarde is hun schijnbare verlatenheid.

Ze zijn zoo weinigen. Hun aantal is zoo droevig klein. Men kan ze zelfs in een groote stad haast wel tellen.

Uitzondering op de massa zijn ze. Ze tellen op den grooten hoop nauwlijks me. Och, ze staan elk in hun kring en in hun omgeving schier als n tegen allen en allen tegen n!

De wereld, de menschen, het groote publiek, of met wat anderen naam men de groote menigte pleegt aan te duiden, neen, die zoeken de diepten Gods niet en bekreunen zich niet om de breuke der dochter Sions. Integendeel, die staan tegenden Heer en zijn Gezalfde over. Die roepen ook nu nog altijd: „Laat ons hun banden verscheuren en laat ons hun koorden van ons werpen!” Die klappen in de handen als er wer een aanslag op de eere van den Christus gelukt is, en mompelen half spottend als een enkele maal een manlijk woord over Christus en zijn Woord gesproken, eens een oogenblik indruk maakt.

Ja, waarlijk, zoo afgaande op wat men om zich bepeurt, komt men tot de bitter droeve, diep smartelijke erkentenis, dat de kinderen van ons geslacht, dat die duizenden en millioenen, met wie we als een volk samleven, als een regel den Christus, den heerlijken Zoon van God, dien Redder |41| der barmhartigheid, niet omhelzen, maar van zich stooten, en dat wij, met ons geloof, met ons belijden, met ons liefhebben van dien Eenige, och, zoo eenzaam ons onder de massa verliezen! En o, dan fluistert het booze hart zoo licht: Zou zulk een zonderling, zulk een verouderd, zulk een ongewoon en bijzonder mensch te zijn, zou dat nu het ware wezen?

In ernst, banger verzoeking dan die van ons klein getal is er bijna niet.

Vooral niet, nadat men, in duidelijke tegenspraak met Jezus’ woord, ons altijd aanpreekte, dat we „een groote schare” mochten zijn. Een verzoeking, bang vooral voor dusgenaamde beschaafden en ontwikkelden en voor een iegelijk die aan de valsche zelfverheerlijking in deze menschelijke eerekransen nog niet gestorven is. Bang wel in de hoogste mate voor de mannen, die God tot studie van zijn Woord en de geleerde beoefening van zijn heilige wetenschap, d.i. van de leere Christi in woord en leven, riep, en die voor dat valsch gefluister wel moesten bezwijken, zoolang zij ’t „wijs in de oogen der menschen” met Paulus, den dienstknecht des Heeren, nog niet verstaan als „dwaasheid voor onzen God!”

Welnu, ook op dien bangen strijd van zijn verlosten is de ontfermende God bedacht geweest.

Hij weet het ook wel, dat ons hart aan sympathie, ons belijden aan den steun van anderer woord, ons gelooven in den Zoon zijner liefde aan anderer meegelooven behoefte heeft, en zie, ook dien nood van uw hart wil Hij, de Fontein aller goeden, u vervullen!

Immers, daartoe schenkt hij ons „zoo groot een wolk van getuigen rondom ons liggende,” dat een enkele blik op die groote schare die niemand tellen kan, op die onafzienbare heldengroep, op die eeuw in eeuw uit elkar verdringende slagorde van de heirscharen des levenden Gods, opeeens het oog ons wer doen opflikkeren, den moed wer herleven, den polsslag des geloofs wer frisch en krachtig in het bloed onzer zielen trillen doet!

Zie, als een verlaten eenling trad de martelaar in oude dagen het worstelperk binnen, waar men nog door het brullen van den leeuw die hem verscheuren zou, den aanblik dier duizenden spottende en lachende en gillende |42| en tierende toeschouwers hem het hart ineen deed krimpen.

Maar weet ge wat de Heer dan deed? Dan stopte de Heer het oor van zijn martelaar voor dat gekrijsch dicht en trok voor die wilde, opgestuwde menschenmassa een gordijn, dat hij ze niet zag, en deed dan boven dat gordijn voor het geloofsoog een wolke van glorieuse getuigen opkomen van martelaren en profeten en mannen Gods uit alle eeuwen, een zeer groote menigte, en deed dan achter die wolke nog als een melkweg van engelen Gods opdoemen, uit een hemelsche verte hem toeschallend met hun jubelenden prachtigen zang!

En waaorm zou het ook aan u zoo niet zijn bij uw worsteling, o volgeling van den Nazarener, om vast te houden aan uw dierbaar, uw heilig, uw allerchristelijkst geloof?

o, Zoolang ge op die grooten der aarde en die wijzen der wetenschap en die joelende menigte om u heen ziet, dan zijt ge weg, dan zijt ge verloren. Maar sluit voor dat smartelijk tooneel het oog en zie dan voor het geestesoog die wolke der getuigen opkomen, van die „op aarde verdrukten en ongetroosten en door een onweder voortgedrevenen,” die u toewenken en toeroepen: „Wij hebben evenals gij gestreden en nu reeds siert ons de kroon!”; die u toewuiven en u met hun heiligen glans betooveren willen, zeggende: „Bezwijkt niet, laat niet af, geeft Sathan niet gewonnen, want uw val zou onze smaad zijn, aan uw strijd hangt ook onze eere!” en die, waar ge door het wilde dier reeds ter aarde geworpen, in uw stuiptrekking het nog opgeven woudt, u door hun onwerstaanbare ernst het nog influisteren: „Meer dan overwinnaars door Hm!”

Paulus schrijft aan Timothes dat hij toch het oog slaan zou op Gods „uitverkoren engelen” (1 Tim. 5 : 21), als die steeds meworstelen in het worstelen van de kinderen Gods op aarde. Maar toch veel machtiger steun dan engelen-bemoediging ons ooit geven kan, ligt er in die wolke van getuigen uit de martelaren van de kinderen der menschen, die als wij in den oven geworpen, in den kuil afgelaten, in den stroom ondergehouden zijn, en met hetzelfde zondig hart, door hetzelfde vleesch aangevochten, als wij zouden zijn omgekomen, indien de kruisverdienste van den oversten Leidsman ze niet had gered.

En daarom, zoo dikwijjls het woord des ongeloofs tegen |43| u, door duizend echo’s om u, uit heel de wereld herhaald wordt, en het u is alsof uw eigen zwakke stem die nog belijden wilde, u stikt in de keel en in uw verlatenheid als een doode klank wegsterft, o, ontsluit dan, mijn broeder, uw oor voor die wolke der getuigen, d.i. voor die ontelbare menigte van geloovigen des Ouden en geloovigen des Nieuwen Verbonds, die u omringen, d.w.z. die vlak bij u staan, voor u, achter u, om u, en door Gods Woord een heerlijk Amen! uitspreken op wat de Geest u belijden deed.

Die wolke der getuigen beschikte de Heer u, en die wolke hebt ge en kunt ge niet missen.

Er was er maar En die zeggen kon: Ik heb den wijnpersbak alleen getreden! en zelfs die Ene werd nog om uwentwil door engelenblik en engelentroost versterkt.




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 14 (10 maart 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001