XIII. „Nood armen!”

Zalig is hij, die brood eet in het Koninkrijk Gods.

Luk. 14 : 15. a


Het komt er bij Jezus maar op aan, of we honger hebben.

Hij is het Brood des levens. Wie heeft lust aan hem? Wiens ziel leeft op als de reuke zijns levens haar tegen komt? Wie opent ijlings den mond, waar hij zich als den Voeder onzer ziele en onzes levens Kracht aanbiedt?

Och, dat de oogen voor de eenvoudige, klare taal van ons heerlijk Evangelie toch opengingen.

Neen, er is aan Jezus’ disch, er is in Jezus’ Koninkrijk geen plaats voor rijke geburen of magen van hoogen stand, of geestelijk verzadigden.

Die komen toch niet. Die hebben altijd, of land aangekocht, of trekdieren te bezichtigen, of het een vrouw aangenaam te maken. Die hebben geen tijd. Of ook, komen ze al, dan komen ze niet om zich door Jezus te laten weldoen, om eens aan zijn tafel verkwikt en verzadigd te worden; maar om welstaanshalve niet weg te blijven, meenende, Jezus nog wel een dienst of een eere of een genoegen te doen, en dan onder heel wat aanmerkingen op wat Jezus hun voorzet, „met lange tanden”, zooals het volkswoord zegt, even de kostelijke spijze aan te raken en dan wer huns weegs te gaan.

En zouden dat de zielen zijn waarvoor Gods Zoon zijn bloed heeft gestort?

Neen, hoor maar, hier is een heel ander mensch, hier is |38| „de verloren zoon,” en wat roept die uit? o, Luister, die roept: Ik verga van honger!

Zie daar de dienstknechten uitgaan in de heggen en stegen om te nooden, te trekken, te dwingen, dat Jezus’ huis maar vol worde; en die behoeftigen, die armen, die ellendigen, o, die leven op als ze hooren van dien heerlijken disch, en zijn zoo kieskeurig niet of men ze ook al soms bij den arm aangrijpt, die willen wel tot ingaan gedwongen zijn. En komen ze dan binnen, o, dan glinsteren hun oogen op het gezicht, dan vallen ze schier op de spijze aan, dan genieten ze zooals nooit, en dan is alles hun goed en heerlijk, dan kunnen ze zich maar niet begrijpen dat die rijke Gastheer zoo vriendelijk was om hen toe te laten en hen met die weelde te verkwikken!

o, Van niets dan van Jezus spreken ze dan bij ’t weggaan, en niets dan lof en eere hebben ze dan voor zijn avondmaal, en het is dan onder die huiswaartskeerenden n gejubel voor dien erbarmenden Heiland!

Zoo kras mogelijk zegt Jezus daarom dan ook, dat geen van die andere zelfgenoegzame en rijke geburen zijn avondmaal smaken zal, en prijst hij daarentegen „zalig die hongeren” en gelast hij niet die oververzadigden te nooden, maar „den arme en blinde en kreupele en die naakt is.”

Jezus weet het, die rijke vindt toch niets goed. Hij komt met critiek in plaats van met honger tot het brood, en wordt daarom door dat toch nooden eer gestijfd in zijn hoogmoed dan vernederd voor zijn Heer.

Neen, voor den arme is zijn Koninkrijk! Voor den arme, die voelt dat hij sterft als er geen brood komt, en wien, komt er voedsel, dan ook lles lief is; naar wat de Spreukendichter zegt: Der hongerige ziel is zelfs alle bitter zoet (27 : 7).

Toets draan dan uw eigen zielstoestand toch, mijn lezer! Dien honger, hebt ge hem gekend? Kent ge dien ng? Is het dat rusteloos prikkelen van den honger, dat u telkens wer naar Jezus uitdrijft; niet uit weelde, maar om het leven er bij te houden, en niet om te komen in uw eigen dood en in de zonde van uw hart en in uw verdoemelijkheid voor den Heilige?

Maar ook, denk om dat woord van Jezus, als ge u onderwindt om met dat brood tot anderen te gaan, of als ge |39| anderen naar dat avondmaal van Jezus henen roept.

Dat z maar aanbieden van het brood, neen waarlijk, dat is niet Evangelisch.

Brood voor te houden, waar nog geen schijn of schaduw van honger is, of ook waar elk schijnsel van dien honger verdween, is door en door onbarmhartig, oneerbiedig, onbetamelijk; want dan is het eenige wat ge bereikt dit: dat het kostelijke brood tusschen de vingers verkruimeld in plaats van gegeten wordt; dat de ziel er een walg van krijgt; en het heilgoed des Heeren tot versmading wordt.

Neen, wilt ge barmhartig zijn en tevens het heilige eeren, doe dan naar Jezus zelf het u voorschreef, en noodt, niet de (geestelijk) rijke geburen maar de armen; biedt dan het brood des levens niet aan den oververzadigde, maar aan hem dien hongert; brengt dan den balsem niet tot wie pocht op zijn welstand, maar tot den man die kreunt om de pijn zijner wonde.

Alleen, wat we u bidden, laat het daar niet bij, want het Woord moet tot allen komen, mits ge dan bij die anderen, eer ge met uw brood, met uw heulsap, met uw redding komt; — den honger maar opwekt, de pleister van de wonde rukt en den droomende ontnuchter!




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 13 (3 maart 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001