XII. „Zondaars boven al de GalileŽrs”

[Meent gij, dat deze GalileŽrs zondaars zijn geweest boven al de GalileŽrs, omdat zij zulks geleden hebben?

Luk. 13 : 2.] a


SuccŤs is nog geen zegen en voorspoed allerminst een blijk van de gunste Gods.

Toch meent men het vaak. Ook onder Christenen. Of wat is meer gewoon dan beurteling deze tweeŽrlei betuiging te hooren; nu eens: „Ik was blijkbaar op Gods weg, want mijn weg was zoo gezegend!” en dan weÍr: „Wel blijkbaar, dat hij van Gods weg afweek, want Gods hand is tegen hem!”

Deze beide opvattingen nu zijn om het zeerst als uiterst oppervlakkig en ongeestelijk af te keuren.

Vooreerst wat den voorspoed betreft. Want gold goed geluk in zaken, een gelukken van zijn plannen, een wandelen in roem en glorie, een indrinken van welstand en heil bij volle teugen als teeken van Gods bijzondere gunst, — wat dan te denken van zoo menig onzedelijk tooneelgebouw dat zich in weelde baadt, terwijl meer dan ťťn Christelijke school tobt om rond te komen? Hoe dan de enorme winsten te verklaren, die in drink- en gelagzalen worden overgelegd? Of ook den bijna stoorloozen voorspoed, het soms onbegrijpelijk succes te verstaan, waarin zoo menige zaak onder de kinderen der menschen, die niet uit God, maar uit den duivel is, zich voor aller oog verlustigt?

Stemt dan, met het oog op deze feiten, niet ieder toe, dat er bij al dien voorspoed niettemin van zegen geen sprake mŠg noch kŠn zijn? En volgt hieruit dan niet, dat geluk en voorspoed op zichzelf zoowel een vloek als een zegen kunnen wezen, en dat slechts de Heilige Geest in eigen hart kan uitmaken met welke van die twee men in elk gegeven geval te doen heeft? |35|

Met den dag des kwaads nu staat het evenzoo.

Treft iemand druk of kommer, wordt zijn weg afgebroken, trekt duisternisse over hem, en gaat schijnbaar al zijn arbeid teniet, dan hoort men van alle kanten de stemmen opgaan: „Van God verlaten, geplaagd en verdrukt!” o Job, zoo roepen de vrienden hem dan toe, beken uw schuld en geef Gode de eere! Erger zondaars die burgers van Jeruzalem, op wie de Siloams toren viel! En wee u voor de GalileŽrs, wier bloed Pilatus mengde met hun offer!

Maar ook dit oordeel kan niet bestaan.

Immers, de geschiedenis toont juist dat de besten steeds het felst gestriemd en geslagen zijn, dat juist de trouwe knechten Gods „de ongetroosten en als door een onweder voortgedrevenen” waren en dat het ontzettende vloekhout van Golgotha, juist voor den Eenige die Gode behagen kon, van het gruwzaamste lijden en van den bittersten dood getuigt. Nog leert de ervaring, dat de goddeloozen op aarde voorspoed hebben, terwijl wie God vreest, smaad en vervolging lijdt. En nog blijft een machtige stem des Geestes in de borst der lijdende knechten Gods tegen de ruwe hardheid protesteeren, waarmeÍ men aan hun priesterlijk lijden nog het bittere oordeel van Godverlatenheid toevoegt.

Neen, met het lijden staat het als met den voorspoed. Er kŠn vloek of zegen, er kŠn genade of oordeel in schuilen, maar aan welke van die twee men zich in elk gegeven geval te houden heeft, weet niemand dan de beweldadigde of verdrukte zelf, niet bij eigen inzicht, maar bij het licht van den Heiligen Geest.

Ook hier geldt het daarom: „Oordeel niet, opdat ge niet geoordeeld wordet!”

Jobs vrienden moesten het van achteren aanhooren, dat Job rechtvaardiger was dan zij, en zijn gebed hťn moest verzoenen.

Asaf bekende het in het einde, dat zijn blik op anderer lot gefaald had.

In Jesaia 53 bekent de gemeente, dat ze den Zone Gods, om zijn diepe verbrijzeling, als een verworpene had geacht — en vlucht nu met diepe beschaming tot haar Redder.

En de Zone Gods, zelf gekomen, weÍrspreekt ook in IsraŽl dat onware oordeel; toont aan hoe juist de vervolgden Gods kinderen, de armen zalig zijn; komt op tegen het |36| oordeel als leed de blindgeborene om zijns of zijner ouders zonde; tegen het boos vermoeden als waren de GalileŽrs die Pilatus sloeg erger zondaars; wil niet weten van de beschuldiging als waren de slachtoffers van Siloam boven anderen schuldig; en eindigt zelf met tot een loon van smaad en smarte zijn rein, zijn goddelijk, zijn onschuldig en onzondig hoofd te buigen onder den doem van het schandhout.

De les die hieruit voortvloeit is duidelijk.

Ze is van tweeŽrlei aard, naar gelang het anderen of uzelven betreft.

Is er sprake van wat anderen weÍrvaart, zie dan in, dat, gaat het hun naar wensch, er voor u geen zekerheid bestaat, dat ze van God gezegend zijn, en dat, begint het hun tegen te loopen, er evenmin voor u gewisheid is, dat ze alsnu van Gods weg zijn afgegaan en deswege worden gestraft.

Zeer zeker kŠn dit zoo zijn.

Maar ůf het zoo is, staat niet aan ķ ter beslissing.

Dat weet de Heer alleen en de lijder zelf, indien God ’t hem wil openbaren.

Maar voor u voegt opschorting van elk oordeel, of wilt ge, dat naar den aard der liefde aan liefdesbezoeking door u als waarschijnlijk en aan toornend oordeel slechts als mogelijk worde gedacht.

Is er daarentegen van voorspoed of leed voor u zelven sprake, voor u die zelf uw eigen verleden, uwen weg voor den Heer en zijn bewerking van uw innerlijk leven kent, o, zie dan toe, mijn broeder, dat ge „de zon die over boozen en goeden opgaat” niet door verharding der consciŽntie, zonder dieper zelfonderzoek, stelliglijk voor een welgevallen van den Heer aanziet, — en evenzoo, wees op uw hoede, dat ge in ķw kruis niet al te haastig een kruis meent te zien uw Jezus nagedragen, eer ook voor Hem, die van stap tot stap Šl uw weg kent, de vraag in uw ziel heeft doorgegist: „Komt de Heer mij ook tegen? Week ik ook af van zijn weg?”




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 12 (24 februari 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001