XI. „Buidels die niet verouden”

Maakt u buidels die niet verouden; een schat die niet afneemt in de hemelen.

Luk. 12 : 33. a


Voelt, doorziet dan de mensch niet, hoe hij zich met zijn jagen naar Christus en naar geld tegelijk, tot een dwaasheid en belaching maakt voor Gods heilige engelen?

Ze zien het aan die goede geesten, hoe de „vrome Christenen” op deze aarde bij een ruw onoogelijk kruis nederknielen en met de hand aan dat hout der schande, voor elkander en voor de wereld, telkens weer den juichtoon herhalen: „dat ze pelgrims zijn naar hooger en naar beter vaderland, in dit ongedoopte leven niet thuis hooren; en elken morgen en elken avond om troost en heul naar hun Heiland opzien; opzien van deze troostelooze aarde, waar alles dor en mat van droogte brandt, waar niemand laafnis kan krijgen.”

Ze zien, ze weten het, die dienende geesten, uitgezonden als ze worden om dergenen wil die de zaligheid beŽrven zullen, dat die geloofstaal in niets overspannen of overdreven, maar slechts de flauwe uitdrukking is van de volle heerlijke werkelijkheid, die het hun gegeven is in te zien, als ze de dorheid van die aarde waarheen ze worden uitgezonden, vergelijken met de bloeiende schatten van den hemel, waar hun woonstede is.

Ze zien, ze weten het bovendien, zoo dikwijls weer een onzer dit aardsche leven wordt uitgedragen, dat nooit iemand iets van al zijn goed en schat bij zich behield; dat alles, tot het kleinste toe, moest achtergelaten; en dat in de korte |32| jaren dat de slovende schraper zich in zijn schat vermaken kon, dat vluchtig bezit nog, o, zoo angstig, zoo telkens betwist en gestoord werd; al waren er ook geen dieven die doorgroeven en stalen, dan door een mot die verteren kwam; zij het ook in den vorm van een averechtsche berekening, die, waar ze te winnen dacht, verloor.

En is het dan te sterk om van een belaching, van een dwaasheid in der engelen oog te spreken, als ze het dan desniettemin moeten aanzien, hoe die vrome pelgrims, bij al hun jubelen over een beter Vaderland, bij hun wetenschap dat de reis opkort en bij de zekerheid dat geen enkele zilverling van hier meegaat, — toch in geld en goed blijven azen, jagen naar steeds meerder bezit en aan de bekoring van het goed der aarde zich maar niet kunnen ontworstelen!

o, Er ligt zoo ontzettende ironie in dat machtige woord van Jezus: „Maakt u toch buidelen die niet verouden, een schat die niet afneemt in de hemelen!”

Jezus spaart u nooit.

Onder menschen, ook onder Christenvrienden, ook in het geschrift dat de pers verlaat, is het gangbaar en gewoonte, dat men elkanders mildheid roemt, de weldadigheid der vrienden verheft en den lof zingt der vorstelijke gevers.

Maar Jezus heeft u voor die laffe vleitaal te lief.

Hij, uw Heer, weet met wat banden harder dan ijzer en koorden sterker dan metaal ge aan dit zichtbare gebonden ligt en hoe elk vleiend woord die banden nogmaals vaster spant.

En daarom doet uw Jezus omgekeerd; Hij vleit u niet, maar betraft u; geeselt met zijn heilige ironie uw lachverwekkende dubbelhartigheid en poogt u dan dermate met zijn nietstoegevende eischen aan uw conscientie te komen, dat ge u voor uw eigen schatten schamen gaat en de bede in uw ziel voelt opkomen: „o, Mijn Jezus, mijn Verlosser, maak ook van die zonde, ook van dien hartstocht, ook van dien smadelijken Mammondienst uw armen broeder vrij!”

Och, ook daarin is Jezus zoo in hart en nieren menschelijk. D.w.z. Hij weet zůů wat in den mensch is, hoe het in eens menschen hart toegaat en wat er noodig is om een zondig geborene af te trekken van den zondigen aardschen schat. Maar Hij weet ook, dat naar een schat te dorsten, |33| naar bezit te jagen, naar een heerlijken rijkdom met geheel ’t hart uit te gaan, ons ingeschapen, ons aangeboren is, tot het ademen van ons menschelijk leven behoort. En daarom ondervangt de Heer ons worstelend hart met zoo teedere liefde, en zegt niet: „Blijf arm, blijf met leege handen staan; houd op naar schatten te dorsten” — maar wel: „Noem wat verguld is geen goud; laat om het aardsche goed uw hemel niet varen; maak u buidels, o gewisselijk, maar laat het dan buidels zijn die niet verouden kunnen, en gaart in die buidels een schat, die niet geroofd kan worden noch die afneemt in de hemelen; dit heerlijk woord van EzechiŽl tot zinspreuk dragen: „Ik ben hun bezitting, spreekt de Heer” (Ez. 44 : 28.)




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 11 (17 februari 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001