X. „Losgemaakt op den Sabbath”

Deze, die een dochter Abrahams is, welke de Sathan nu zie achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt van dezen band op den dag des Sabbaths?

Luk. 13 : 16. a


Een dag van „losmaking der banden” moet ons naar Jezus’ woord zijn Sabbath wezen!

Och! ze staan buiten het leven, buiten de werkelijkheid, buiten den last en de moeite des daags, waaronder de overgroote massa gebogen gaat, die overgeestelijke enthousiasten, die maar niet in kunnen zien, waarom elke dag niet even goed zou zijn en meer dan de dagen der week de dag van onzen Heer een toevoer van kracht aan onze ziel moet schenken.

Of wat is het werkelijk leven voor de duizenden bij duizenden anders dan n dooreenvlechting van banden; banden die zich op allerlei wijs, in allerlei afmeting om de vleugelen onzer ziel slingeren en haar in het vrij en heerlijk uitslaan van de wieken des geloofs belemmeren.

Men kan, o ja, ook bidden met een schietgebed; een half vers uit de Schrift kan u even krachtig sterken als een heel kapittel; en ook als het hoofd u omloopt en de veelvuldigheden des daags u afmatten, kan er zelfs in het heetst gedrang der bezigheden, als een electrische scholk u kracht uit den Hooge toekomen, terwijl omgekeerd een gansche Sabbath u soms in uw nietsdoen dor en koud en zielloos kan laten; maar let wel, dat wonder doet het schietgebed, doet dat |29| vers, doet die toevluchtneming van het geloof, dn alleen, indien er in het gewone leven een leven des gebeds, een wonen in de Schrift, een wandelen met den Heer achter ligt; en juist van dien teederen en zaligen zielstoestand houdt het „nooit gedaan hebben”, het „altijd voort moeten”, het „nimmer eens stil en alleen met zijn God zijn”, niet maar enkelen, maar de overgroote meerderheid van de kinderen der menschen af.

Daarom nu is er een Sabbath, waarop de Heer zijn volk laat toeroepen: „Schud u uit het stof, maar u op, zit neder, o, Jeruzalem! en maak u los de banden van uwen hals!” (Jes. 52 : 2). En dan wordt die band van den arbeid, die zoo knellen en benauwen kan, die band van het drukke, woelige leven, die band der gejaagdheid en der rusteloosheid eens losgemaakt, en die loven kan looft, en die den weg naar zijn God kent, gaat an bij de „aanspraakplaats van zijn heiligheid” verkeeren, en die van banden ontbondene jubelt, zoo verhoogd voelt hij zich door zijn Sabbath, zoo koninklijk, zoo vrij.

Althans, indien men ook op den Sabbath aan zijn God de eere laat, en in oprechtheid er voor uit komt: niet ik kan door mijn nietsdoen, door mijn deftigheid, door mijn plechtigen toon, zelfs niet door mijn gebeden of meditatin, den Zondag tot een Sabbath maken; de Sabbath is van mijn God. Ik maak mijn banden altijd vaster, alleen Hij ontbindt ze. Ik woel mij altijd vaster in de strikken, verlossen kan alleen Hij. Ik maak met al mijn ijver en al mijn pogen niets dan een leegen dag, niets dan gemaakten schijn en ijdele vormen; en leven kan die Sabbath eerst, als het Hem belieft op ons ootmoedig gebed, sap in die dorre twijgen, goddelijke volheid in dat leege uit te storten en glans en gloed van hooger te blazen in de uitgedoofde kolen van mijn hart.

En gebeurt u dat, o mijn broeder, dan wordt die „losmaking van den band des arbeids” u van nog een geheel andere losmaking de heerlijke profetie.

Dat uw Zondag een dag der opstanding is beteekent immers dat uw Heiland dien dag „de banden des doods ontbond”,de banden der hel losmaakte en „het werk van Sathan verbrak.”

En is het dan geen heerlijkheid, niet om buiten u zelven |30| van heilige vreugd te geraken, als op den Sabbath aan u en aan uw huis het woord van Jehovah tot de verleidsters van Isral vervuld wordt: „Ik zal die zielen losmaken, de zielen die gij jagen woudt naar w bloemhoven!” (Ez. 13 : 20) en als de losgemaakten uit die banden van ’s werelds ijdelheid dan lust ontvangen aan dien „hof des Heeren”, waarin bij den eeuwigen morgen de vrucht van den Boom des levens rijpen mag?

Of zijn er niet, erger nog, behalve banden van den arbeid en strikken der ijdelheid, ook in uw leven wel, die „knoopen der ongerechtigheid” waarvan de Heer u gelast: „Dit is het vasten dat Ik verkies, dat gij losmaakt de knoopen der goddeloosheid!” (Jes. 58 : 6); en zeg mij, bleef aan w ziel dan de ervaring vreemd, hoe vaak juist op den Sabbath dat losmaken ook van die banden des doods, op zijn aanzetten, door de snijding van zijn Woord, door de kracht zijns innerlijken drijvens tot stand kwam?

o, Ik weet wel, banden des doods blijven er tot aan onzen dood toe, maar soms is het toch op den Sabbath, of God Almachtig, de Ontfermer, in zijn vriendelijke teederheid, ons voor een wijle uit die banden uitleidt, om onze ziel eens volop van zijn heil te doen genieten.

Een teedere barmhartigheid, waardoor uw Sabbath een nog eens doorleven van het zalig oogenblik der bekeering, een wer opwaken van de heilige liefde wordt, toen ge voor het eerst juichen kondt: „Och, Heere, zekerlijk ik ben uw knecht, Gij hebt mijne banden losgemaakt”! — of wilt ge een nu bij Geesteslicht inzien dat de banden des doods nog wel uw „wegwerpelijk ik” naar toch niet meer u omknellen, wijl gij in Christus vrijgemaakt, en „in Christus geborgen zijt bij uw God.”

In trouwe, wie van zulk een losmaking op zijn Sabbathen spreken kan, die kan zoomin den broeder als den vreemdeling in de banden op den Sabbath omkneld houden. Die maakt ook op zijn beurt anderen los. Los van den arbeid. Misschien los nog van verschrikkelijker banden! Indien God er hem toe gebruiken wil! Predikers, wat doet gij?




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 10 (10 februari 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001