VIII. „Te rechter tijd het bescheiden deel spijze!”

Wie is dan de getrouwe en voorzichtige huisbezorger, dien de Heer over zijn dienstboden zetten zal, om hun, te rechter tijd, het bescheiden deel spijze te geven.

Luk. 12 : 42. a


Christus, de Immanul, is de verzorger van onzen inwendigen mensch!

Onze ziel leeft; moet dus gevoed worden; gevoed met spijze die ze dragen kan; — en Hij, onze Verlosser, is het, die aan ’s menschen ziel die levensspijze reikt.

Ja, Hij is die levensspijs zlf. Ons zielebrood. Het leven van ons leven. Alle kracht die onze ziel ooit gewerd, kwam ons toe uit zijn opstanding.

Toch is het een uitzondering, indien Jezus ons die zielespijs zlf tot aan en in het hart draagt. Een hooge uitzondering, waarin slechts de allerheiligsten onder de godzaligen soms deelen. Een bijzondere genade, bijna uitsluitend voor de „vaders in Christus” bewaard.

Regel is dat de Christus het levensbrood uitdeelt door den dienst van anderen, zoo engelen als menschen. Hij geeft het dan aan den een, om het den ander toe te dienen, of wil men naar het beeld van een door Jezus gebezigde gelijdenis: Hij stelt dan bezorgers over zijn huis aan, om door hun dienst aan de zijnen „te rechter tijd het bescheiden deel spijs te doen toekomen.” |23|

Zulk een door Jezus aangestelde „verzorger” is in elk Christelijk gezin de vader, en dies op u, o vaders, de schuld, indien de zielen in uw huis, die van uw vrouw, van uw kroost, van uw dienstbaren, kwijnen door gebrekkige voeding, door bloedarmo omkomen en verhongeren, doordien gij ze niet, naar Jezus’ ordening, weidt met het Woord en met de gebeden, met vermaan en Christelijk exempel.

Maar zulk een verzorgster is ook de moeder op haar beurt zelve, en wee over u, o moeder, indien ge de Maria voor uw hart in de Martha laat ondergaan, en wel voor zuiverheid en ligging, voor voeding en kleeding van het lichaam zorgt, maar geen hart, geen oog hebt, om uw kinderen en uw dienstmaagden aan hun ziel te komen, om ze uit te reiken wat Jezus u voor hn en niet voor u zelven gaf; u weer anders dan aan vader gaf, om het hun anders en teederder te brengen.

Och, zoo geeft Jezus aan ieder wt, om het anderen uit te reiken. Iets aan oudere broeders en zesters voor de jongere, aan kameraden over en wer op school, aan speelmakkers onderling. Hoe het ook ga, ze nemen iets van u aan, van u over, van u in zich op, en gij zijt er verantwoordelijk voor, of wat uit u in hun ziel overgaat, een „bete broods van Jezus” is, of wel een kwaad stuk van uw eigen hart.

Ook, meer dan men denkt, geldt dit voor onze dienstboden, op de kinderkamer vooral. Die pas ontluikende knopjes drinken zoo gretig den dauw des hemels in. o, Hoed u dan toch voor uw eigen ziel, dat ge die teedere plantjes niet verdorren en verwelken laat. Ze willen iets inademen, ze willen iets in hun ziel opnemen, ze staan als met open monden om u! o, Bij de liefde Gods, geef ze dan toch wat ge van Jezus ontvingt, en laat de gave der genade, laat u het levensbrood niet beschimmelen in uw eigen binnenste.

Maar toch het eerst en het meest zijn de huisbezorgers van Jezus onze leeraren.

Zij zijn de „herders die ons weiden” moeten. Niet maar door een preek te doen en vragen te overhooren en de lieden in hun woningen te bezoeken, maar door bij en onder en door dat alles zielen te voeden; spijze uit te deelen, spijze waar een geestelijke pit in zit; een hun eerst door Jezus, op hun aanhoudend smeeken, megedeelde gave; eene gave die de ziele doet opleven; heur genade en levenskracht |24| toevoert; en werkelijk het zielebloed verfrischt, de aderen zwellen doet, en de kracht ten eeuwigen leven vermenigvuldigt.

o, Indien er zoo eens een prediker der gerechtigheid in elk dorp; een tiental „gezalfden des Heeren” in elke stad waren, hoe zou de kennisse uitbreken, de zonde terugsluipen en de lof des Heeren al grooter worden.

Ja, indien ook de leeraren op onze scholen z elken morgen voor onze kinderen kwamen, dat de kinderen voelden: „Meester heeft wat voor ons van Jezus; niet slechts een verhaaltje, maar iets dat in onze harten overgaat, dat kracht vernieuwt, en voedt;” maar immers als een stroom zou de regen uit Kerk en School over den akker van ons volksleven vloeien en Jezus zou in ons midden groot zijn!

Toch komt eens het oordeel, waarin al deze „verzorgers” ter verantwoording zullen komen, ouders over wat ze voor hun huis, zusters over wat ze voor haar broeders, dienstmaagden over wat ze voor het kroost harer heeren, bovenal leeraren over wat ze voor hun gemeenten en onderwijzers over wat ze voor hun scholen zijn geweest, of ze „getrouw en voorzichtig” wat Jezus hn uit te deelen gaf, elken avond en elken morgen naar de ziel die hongert hebben uitgedragen.

o, Wie meet de mate der ontzaglijke schuld, waarover dan Gods heilige toorn gaan zal?

En toch, uw Heiland wil ’t zoo ernstig, niet slechts dat ge niet zult laten bederven in de broodkas wat Hij u voor de u toevertrouwde zielen gaf, maar ook dat ge een ieder het hm bescheiden deel; zooals het bij hem hoort; bereid gelijk die ziel het verteren kan; naar haar mate; in maniere gelijk zij het alleen nemen kan; zult toebedienen. Ja, meer nog, dat ge voorzichtig, maar ook „getrouw” dat doen zult „te rechter tijd”; niet bij invallen; nu eens te veel en dan wer niets; maar lken dag; op de ure als er trek in de ziel komt en er honger in het hart is.

o, Dit toebedienen van de spijze der ziel luistert zoo nauw, maar ook het te mogen doen in getrouwheid loont zoo heerlijk.

Voor wie ge verzorgt.

Maar ook voor uzelven.

Hoor maar: „Zalig is die dienstknecht, dien zijn heer, als hij komt, zal vinden, alzoo doende.”




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 8 (27 januari 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001