VI. „Nochtans om zijner onbeschaamdheids wil”

Nochtans om zijner ombeschaamdheids wil zal hij opstaan en hem geven zooveel als hij behoeft.

Luk. 11 : 8. a


Drie malen wordt, telkens bij Lukas, een woord op de lippen van Jezus gelegd, waarin een daad, onder menschen in het wereldsche af te keuren, ten voorbeeld gesteld wordt voor het geestelijk leven van de kinderen Gods. In hoofdstuk zestien „de onrechtvaardige rentmeester”; in Lukas achttien de weduwe die het haar landheer „moeilijk maakt”; en in het kapittel hierboven aangeteekend de „onbeschaamde vriend.”

Er ligt in deze uitspraken van den Heer bij den eersten oogopslag iets stuitends. Vaak wenschte men dat de Heer deze zonderlinge woorden maar niet gesproken had. Tegenover een bespotter van het Evangelie, ook tegenover dien spotter in uw eigen hart, zat ge met deze vreemde gezegden niet zelden verlegen. En, wat nog erger is, misverstaan en met ruwe hand aangevat hebben deze „gewaagde” uitspraken niet zelden de practijk des gebeds ontwijd.

Zoo geldt het in sommige kringen nog als merk van heiliger heiligheid, indien men door ruwe vormen en onvoegzame gemeenzaamheid dien „onbeschaamden vriend” in zijn onbeschaamdheid durft nabootsen bij zijn spreken tot den levenden God; en ontstond hieruit een gebedspractijk, |17| die, aan allen eerbied voor den Heilige gespeend, eer aan het dwingen van een moedwillig kind, dan aan het naderen van het schepsel voor zijn Heer en Schepper denken deed.

Sleepe nooit een in dat spoor verdoolde, u op dat onheilig pad meÍ! Breng liever gij hem van zijn dwaalweg terug. Als Abraham voegt het nog den geloovige iets van een „onderwinden” aan zijn ziel te ervaren, als hij ingaat, door de deur der smeekingen, naar Gods heiligen troon!

Ook wat Jezus van dien „onbeschaamden” vriend zegt, nope daartoe.

Immers, onze Heiland leert ons hier niets anders, dan, als aandrang voor de verhooring onzer bede, niet meest te steunen op onze vriendschap met den Vader, maar te pleiten op de eer van Gods naam.

Er was een vreemde bij dien onbeschaamden vrager ingekeerd. Om voor dien nachtelijken reiziger brood te vragen, klopte hij aan. Weigerde de in zijn slaap gestoorde buurman dat brood te geven, dan schond hij de heilige wet der gastvrijheid en stond bij dien vreemde, en door dien vreemde allicht in verre landen, als norsch en jegens vreemden hardvochtig te boek. Dat mocht niet; dat leed zijn naam niet; daar kwam zijn eer tegen op; en daarom, nu zijn vriend het aandurfde om hem wakker te kloppen, durfde hij het niet aan om diens bede af te slaan, en gaf hij hem „om de eer zijns naams,” het gevraagde brood.

Er staat dan ook volstrekt niet dat deze „onbeschaamde” vriend op ruwen ongepasten toon, half dwingend en gebiedend vroeg. Eer ontvangt men den indruk, dat hij in verontschuldigenden trant zeer vriendelijk den buurman gedrongen heeft. Het „onbeschaamde” lag niet in wat hij vroeg, maar daarin dat hij vragen dorst en afging op deberekening: Klop ik aan dan kŠn hij toch niet weigeren, al was het slechts om de eer van zijn goeden naam.

En toont dan niet heel de Schrift dat alzoo ook het bidden van Gods kinderen moet zijn? Van ’s Heeren wege de verklaring: „Ik doe het niet om uwentwil, o, IsraŽl, maar om mijnen heiligen naam, dien gij ontheiligd hebt.” En als IsraŽl dat nu gelooft, en den moed grijpt om daarop af te gaan, zeg zelf, schijnt het dan niet „onbeschaamd” te zijn, als IsraŽl op dien naam, dien het zelf ontheiligd heeft, toch nog pleiten durft? Durft pleiten als Mozes „opdat o, Heere, |18| de vijand uw naam niet lastere!” durft aanhouden als DaniŽl „omdat zijn naam goedertieren is;” ja, met al de heiligen Gods in Oud en Nieuw Verbond eerst de huivering voelt opwellen: „Heer ga van mij uit, want ik ben een zondig mensch!” maar dan toch tot den troon der genade doordringt met het roepen: „o, God wees mij zondaar genadig om uwen heiligen naam!”

De fout ligt hieraan, dat ge niet doorziet, hoe eigenlijk al uw bidden, zoolang ge u zelf ziet, ťťn doorloopende onbeschaamdheid is.

Men streelt er zijn ziel nog meÍ, dat men met zijn bidden al een bijster godvruchtige daad doet; vindt zich vroom wijl men veel bidt; ziet in dat bidden zelf een steunsel voor verhooring, en doolt nog om op Romes „netelheide” waar men het bidden verdienstelijk keurt.

Zie, dit nu slaat Jezus u volkomen uit de hand.

Verdienstelijk? godvruchtig? vroom? ai, mij, mijn broeder, eer schaamteloos is het, dat we onze ellendigheid zůů ondiep, onze onheiligheid zůů oppervlakkig opvatten, en het met onzen stand voor den Heilige zoo weinig teeder nemen, dat we meenen er wel die mannen naar te zijn, om den Heer met onze bede aan te loopen; dat we ooit anders durven bidden dan om den ImmanuŽl! Omdat de Hoorder der gebeden ze zelf in onze ziel wil fluisteren! Om de eer van zijn naam.




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 6 (13 januari 1878).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001