IV. „Nu zoo vele jaren”

Ik dien u nu zoo vele jaren.

Luc. 15 : 29. a


Sta even stil, mijn lezer, en overdenk, eer ge weêr een ander jaar intreedt, den weg dien ge voor het aangezicht van den levenden God bewandelt.

Gij dient Hem; wilt gerekend worden met die zijn naam belijden; hebt aan werkingen des Geestes kennis; en acht u zelven meê ingesloten, als er sprake is van het kuddeke dat Hij heeft uitverkoren, van het volk dat Hem zoekt.

Men zou u zeer doen door u „een onbekeerde,” grieven door u „een ongeloovige” te achten; immers zelfs een ijveren voor Jehovah was soms aan uwe lippen niet vreemd.

Ook van u zou naar recht ’s Heeren getuigenis bij Jesaia gelden: „Die Mij dagelijks zoeken en een lust hebbén aan de kennis mijner wegen; als een volk dat gerechtigheid doet en het recht zijns Gods niet wil verlaten” (58 : 2).

En toch, in dat alles ligt zoomin voor u als voor den besten der broederen een vrijbrief; want de vraag is niet of ge Hem dient, maar of er in dien dienst leven; of er in dat leven geloof; en in dat geloof klimmende volheid des Geestes is!

o, Keer toch tot uzelven in!

Nu zoo vele jaren reeds hebt ge als dorpelwachter in zijn voorhoven verkeerd. Denk u die vijf, die tien, die twintig of meer jaren, nadat u het licht in de ziel opging, eens terug! Welk een lengte en breedte in uw levensbestaan om door te dringen met al machtiger aandrang in de lengte en |11| breedte van de liefde die in Christus is! Wat had er in al die jaren niet kunnen verdiept zijn in uw geloof; verhelderd in uw kennisse van den eeuwigen, waarachtigen God; aan hooger geestesadel van boven over uwe ziel zijn gedropen!

Nu zoo vele jaren hebt ge daar nedergezeten bij de Sprinkader des heils, en hoevele waren de frissche teugen uit die Bron van zielskracht, die gij indronkt, dat ’t in u werd tot een fontein van wateren, springende tot in het eeuwige leven!

Nu zoo vele jaren, dat ge aan zijn dienst gewend zijt, en toch waar zijn de stukken van uw oude natuur, die ge in de kracht van Christi kruis gekruist, gedood hebt en begraven?

Nu zoo vele jaren in zijn heiligen dienst, en waar is de zegen, dien ge om u verspreid, de genade die ge voor uw huis, voor uw vrienden, voor uw onderhoorigen, worstelend in den gebede, uit het hart van den Immanuël naar deze geestelijk donkere wereld wist neder te trekken?

Nu zoo vele jaren den Man van smarten achterna, en hoever kwaamt ge in de verloochening; in de nederigheid; in den lust aan het kruis, dat u was toebeschikt? Botte de rank aan den wijnstok uit? Was er na de uitbotting bloesem en na de bloesem vrucht? Veel vrucht, als een bezegeling dat ge in den wijnstok waart gebleven? Vrucht van verkoeling tegenover het zinlijke en zichtbare? Losworden van het goud en goed, om een aalmoes beter dan een volle beurs te schatten? Maar vrucht ook in dien fijneren zin van vruchten des Geestes, als die heeten: zachmoedigheid, lankmoedigheid, teederheid voor God en voor menschen? De hoogste vrucht bovenal: van uit God u toegevloeide, reine, volzalige liefde, om Hem te minnen, niet als dienende, maar in de aanbidding van het hart?

Och, waartoe meer! Uw consciëntie werd reeds geraakt!

Ge sloegt het oog reeds in stille beschaamdheid neder, en in uw eenzaamheid klaagt ge bitterlijk: „Moest ik dáárvoor dan die vele, die lange jaren woning in zijn tempel maken? Om die nauw noembare vrucht! Om die kleine schrede vooruit! Zoo er al geen verachtering, geen koeler worden na de eerste liefde kwam?” En, uit uw ingebeelde gestalte weêr eens uitgeworpen, roept ge, met de |12| handen uw gelaat bedekkend: „o God, wees mij, arme zondaar, mij, doode belijder, mij, ellendige Christenmensch, genadig!”

o, Waar hadt ge niet kunnen zijn, als het die nu vele jaren eens een aldoor groeien en bloeien in het eeuwige en onzichtbare was geweest? Wat licht en troost, wat zielskracht en geloofsmoed, wat kennisse der verborgenheden en wat schat der gebeden, bovenal wat teedere omgang, wat zielsinnige gemeenschap, wat hartverkwikkende liefde kon niet uw deel wezen? Al die jaren!

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Mijn lezer, dat is nu de ontzettende macht der zonde, van wereld en Satan, die u in uw loop vertraadg; het edelste in uw verlamd; het kostelijkste in u ontzield hebben!

o, Hadt ge dat maar ingezien. Dan had u nooit de hoovaardij bekropen, die denken doet: „Ik dien Hem nu die vele jaren, met mij zal ’t wel goed wezen!” Dan hadt ge nooit van een klimmen op een engelenladder gedroomd, maar waart ge de zondaarstrap al dieper afgegaan, om meer genade te ontvangen. Dan hadt ge gewaakt, voor uw God geworsteld en het al van boven ontvangen! Niet u, maar Hem tot prijs! Maar nu, vind in uw ziel een kracht om ook voor de genade van die leering te danken. Vergeet wat gij die vele jaren verspeeldet. Loof wat Hij u die nu vele jaren gehengde! Wasch u in het bloed des Lams, en grijp naar het verborgen leven!

Nu die vele jaren!

Hoe vele liggen er nog vóór u!

Nog eenmaal ’t jarental dat ge reeds doorliept? Of weinige? Een enkele slechts? Misschien slechts maanden?

En zal het dan nu nogmaals de oude sleur, de doodigheid van het hart, het eigen ik boven den levenden God zijn?

o, Dat verhoede u zijn erbarmende liefde!

Dan toch ging, onder de gerichten uwer ziele, zelfs de rookende vlaswiek uit.




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 4 (28 december 1877).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001