III. „Want hij is klein”

Heere, Heere, vergeef toch; wie zou er van Jacob blijven staan; want hij is klein.

Amos 7 : 2. a


Op wat klein, op wat veracht en ingezonken is, op wat nederligt in het stof, rust het welbehagen des Heeren. o, Red ons, o, onze God, roept de profeet in zijn smeeken, want we zijn geworden als die niets zijn; geheel in den staat der nederheid weggevallen; Jacob is klein!

Z is het!

De Heere toornt tegen wat hoog is; zijn mogendheid stelt zich tegen „allen hoovaardige en hooge; tegen allen verhevene; dat hij vernederd worde; tegen allen hoogen toren; tegen allen vasten muur; tot de hoogheid des menschen gebogen en de hoovaardij der mannen vertreden zij!”

Hij duldt niet, dat iets of iemand zich naast of tegen Hem verheffe. Hij alleen, de Heere onze God, wil verheven zijn.

Vandaar zijn welbehagen aan wat klein zijn wil; zich klein maakt; en in de gestalte der kleinen voor zijn aangezicht komt.

Zie het aan Maria! Of zong ze niet: „Hij heeft de nederheid zijner dienstmaagd aangezien!” Maar ook, zie het beter nog aan het kindeke Jezus zelf; aan hem, die zichzelven vernietigd, zichzelven vernederd heeft, tot den dood, ja tot den dood des kruises, en die drom, zegt de apostel, wijl hij als een worm, in het stof wilde zijn, en drom alleen, zich in dat alle maat overschrijdend welbehagen zijns Vaders mocht verkwikken, dat hij uitermate zeer verhoogd en hem |8| gegeven werd een naam boven allen naam in hemel en op aarde!

Werd dat ook uw levenswet, mijn broeder? U zelven af te breken, willens weg te slinken, minder, al minder te worden, of uw heerlijk Hoofd in u wassen mocht? Hoor den Psalmist uitroepen: „’k Ben klein en veracht, o, Heere!”; luister naar wat Jehovah bij al ’t profetenchoor zijn Isral toeroept: „’k Zal u klein maken onder de heidenen, o, mijn volk; daarna zal Ik mij uwer ontfermen!” Merk op hoe Hij uit ’t nietige den Heerlijke roept: „o, Bethlehem Efrata! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda!” Maar ook hoe Hij aan dien Heerlijke de belofte der vertroosting bindt: „Zwaard, ontwaak tegen mijn Herder, en Ik zal mijn hand tot de kleinen wenden!”

En immers, daar spreekt de ervaring van Gods uitverkorenen het Amen op! Eerst toen ze klein waren gemaakt, werd er welbehagen ingedronken. Zoolang ze klein bleven, liet dat welbehagen niet af. Het week als het hart zich wer verhief en keerde in voller stroom eerst weder, als de verbrijzeling wer volkomen werd.

Als n dezer kleinen!” was het woord van Jezus aan zijn discipelen, waarvan zoomin voor u als mij een tittel of jota vallen kan. Verliezen, niet behouden moet ge ’t leven. „Verloochening” heet de ridderslag, die u recht geeft om achter hem aan te komen, tot het „ik niets, gij alles Heere!” de levenspsalm der ziel wordt.


U tot vertroosting, niet waar, die met de hoogen niet geteld en met wat groot is niet gerekend wordt. Om uw kleinheid vergeten op aarde, maar bij God gewaardeerd. Hij weet het: „gij hebt kleine kracht!” maar ook het „vrees niet, gij, klein kuddeke!” kwam van zijn goddelijke lippen. o, Al wat lijdt en weggedreven is; wat ellendig is en arm; wat naakt is en blind; wat hulpeloos en verlaten omdoolt, — het heeft een aanspraak te eer op de verhooring zijner smeekingen. „Heere, wend U niet af, riep Jesaia, want wij zijn weinige!” en ook uw smeekinge, bedrukte van hart, benauwde van ziele, ook Uw schreien mag ’t voor den troon der genade klagen: „Heere God, ontferm U mijner, . . . want ik ben klein!|9|

o, Dat kindeke in de kribbe, klein geworden om u, met uw dor, koud, leg hart, eens groot in ’t Koninkrijk daarboven te maken, die Immanul, die vernietigde en vernederde, hebbe macht ook op uw hart om nog meer, nog dieper dat hart in te drukken, om eindelijk de veer, waarme ge nog telkens opspringt, de veer van uw eigen ongeloof, voor altijd te knakken. Hij hebbe macht over het hart, dat geknakt is, om de „rookende vlaswiek niet te blusschen,” maar aan te blazen tot een vlam, die u „een licht in de vallei” op aarde, een licht der vertroosting kan zijn. Maar ook, die Erbarmer geve u zelf erbarmen, dat ook gij op uw beurt u ontfermen moogt over wat nooddruftig, ontfermen over wat benauwd van ziel is.

Ja, of ge daaraan me uw eigen staat mocht keuren, dat ge u zelven onderzocht en drzocht, of de kleinen der aarde uw liefde, de verachten en vergetenen uw hart, de verdrukten en nergebogenen uw erbarmen hebben; en of ook gij te luisteren pleegt, als men uit de nederheid tot u opziet, roepende: „Help mij, o, mijn broeder, want ik ben klein!




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 3 (21 december 1877).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001