II. „De vossen hebben holen”

De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des menschen heeft niet, waar hij het hoofd nederlegge.

Luc. 9 : 58. a


Is het niet wegsleepend schoon, niet diep aandoenlijk, dat zieldoordringend woord: De vossen nog hun holen, de vogel nog een nest omhoog, maar ik, uw Jezus, geen plek ter ruste hier op aarde! Schoon vooral, indien ge opmerkt wat voorafging en let op wat er volgt, om in te leven in de gedachtenwereld, waaruit die hartaangrijpende klacht naar Jezus’ lippen drong?

Vooraf ging de verheerlijking op den Thabor en het wonen in de hemelsche glansen en Petrus’ vragen van de drie tabernakelen, die hij bouwen wilde, voor Mozes éénen en voor Elias éénen, maar ook éénen voor Jezus (vs. 33) en toen, bij het opgaan naar Jeruzalem, die weigering in ’t Samaritaansche vlek, om aan Jezus herberg te verleenen, dat hij vernachten moest op den harden killen bodem.

o, In dien bodem kon de vos zich nog een hol uitgraven, om zich te koesteren in het hart der aarde; en van dien bodem kon de vogel nog opwaarts fladderen, om te schuilen in het nest daarboven, maar voor den Zoon des menschen geen rustplek voor het moede hoofd. Geen rustplek, ook al had het paleis hem zijn poorten ontsloten of Petrus zijn tabernakel opgetrokken. Want die aarde zooals ze daar lag was wel geschikt voor den vos met zijn klauw, |5| of voor de zwaluw met haar vleugelen, maar niet voor Jezus, niet voor den Zoon des menschen. Bij hem hoorde een hoogere wereld; een wereld wier glansen op Thabor hem omschenen hadden, en in die reiner wereld, waar geen vos zijn hol kan graven, of geen leeuwrik op kan stijgen, daar beidde uw Jezus wat hij door den arbeid zijner ziele winnen zou, een rusten aan het Vaderhart, op zijn heerlijken troon.

Op deze aarde met haar vloek kon geen blijvende tabernakel staan den Zoon des menschen waardig. Toen Petrus er van sprak, zegt de Evangelist, wist hij niet wat hij zeide. Niet enkel wijl Jezus God is, maar ook als Zoon des menschen is hij van te hooge orde voor deze armelijke wereld. Ook voor den mensch toch graaft men eenmaal, als de vos voor zichzelf, een hol in den donkeren bodem; maar eerst als hij sterft en in den kuil daalt en wordt weggeborgen in de graven. Luister maar wat Jezus terstond daarop den anderen vrager antwoordt. Voor wie mij volgt is dat graf niet meer: „laat de dooden de dooden begraven, gij, verkondig het Koninkrijk Gods!” Of ook, het vogelnest nabootsend, poogt de mensch zich wel een woonstede te bouwen, maar dat zijn „eeuwig huis” niet zijn kan. Hoor maar, hoe Jezus zelfs de vraag: „Heere, sta mij toe, dat ik eerst afscheid neme van wie in mijn huis zijn!” onverbiddelijk afwijst.

Neen, neen, zoomin als voor hun Heiland is voor Jezus’ verlosten het blijvende hier op aarde. Hun saamgroeien tot één plant met den Heere is een afgescheurd worden van den wortel der wereld. Bij hem in-, dat is hier uitwonen. Als pelgrims die doortrekken, zijn ze op aarde niet thuis, maar reizend naar hun vaderland. Wie het hier vinden kan, zinkt als mensch beneden wat zijn roeping is; zich verzelschappend niet met Gods heilige engelen, maar met de vossen of ’t vogelenheir, ’t gedierte des wouds.

Heerlijk lag in der Rechabieten gelofte van dit uitwonen het profetisch symbool: „Wij zullen geen huizen bouwen tot onze woning, dus spraken ze, maar in tenten voor ’s Heeren aangezicht zijn!” (Jer. 35 : 7). Ook in de Patriarchen roemt de Hebreërbrief dat ze in tenten hebben omgedoold. En de apostel voleindt de breuke met deze aarde, als bij op een „wandelen in de hemelen,” aandringt en op een „uitwonen” van hier. |6|

Immers, wie achter Jezus aankomt, keerde den rug toe aan de wereld; voelt telkens weer één harer bekoringen verbleeken; kruist haar aan zijn hart en zijn ziel aan haa glorie; niet wijl hij den dorst naar geluk liet varen, maar wijl hij dorst naar meer, dorst naar rijker, hooger, schitterender heerlijkheid; naar een heerlijkheid, waar nu reeds door de hope zijn stil gemoed van heilige vreugd in zwellen kan; naar al den goddelijken praal en den reinen luister van het Koninkrijk zijns Gods.

o, Als die glansen eens doorbreken en die doorluchtige dag eens komt, waar uw zielszuchten, o, uitverkorene Gods, al den dag en al den nacht naar uitgaan, dan zullen het niet de vossen zijn die in de holen kruipen, maar zij, naar des profeten woord, „in de holen en spelonken vlieden” die hier den Koning der heerlijkheid niet geëerd hebben (Jes. 2 : 19); dan zullen „de smarten aankomen en het wee als een barende vrouw,” over hen, die, als ’t vogelenheir, door hoogheid gedreven, maar metterdaad zichzelven verlagend „hun woning op den Libanon hebben gebouwd en hun nest in de takken der cederen” (Jer. 22 : 23); en voor u, voor u alleen, zal dan „het huis op serafynen” zijn, die van de wereld voor niets geacht, bespot en uitgedreven, onder al uw smaad en vertreding als pelgrims maar geleefd hebt van dat kostlijk woord uws Heeren: „In het huis daarboven zijn vele woningen, en ook u bereidt mijne liefde in dat Vaderhuis een plaats.”




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 2 (14 december 1877).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001