Honig uit den Rotssteen

door Dr. A. Kuyper


Amsterdam, J.H. Kruyt. [1880]



De Heere is onze Rotssteen!” zong Israel. Het zong er bij: „dat uit dien Rotssteen honigbeekjes vloeien.” En enkele druppelen uit die beekjes op te vangen, om er de eigen ziel aan te verkwikken, en voorts, als vrucht dier genieting, ook het hart van ’s Heeren volk er me te sterken, is het onuitsprekelijk voorrecht, nu en dan, aan ’s Heeren dienstknechten gegund!

Is het niet te hoog gegrepen, als ook de opsteller van deze korte stukjes ze herdrukte, in het stil bewustzijn, van niet buiten die begenadigde dienstknechten te staan?

Althans, slechts in die heerlijke onderstelling bond hij deze schove sam. Ook omdat er hem van veel kanten, omdat er hem rusteloos om gevraagd was.

En nu, spreekt er iets, iets ook maar in dit bundeltje van de ondoorgrondelijke Barmhartigheden onzes Gods, dat het dien God dan verheerlijke door troost aan zijn volk te brengen; en wat er zondigs of gedoolds in is, bedekke dat zijn trouwe genade en make Hij dat werkeloos door de kracht der werking van zijn Geest.


De Schrijver.


Amsterdam, 12 December 1880.




I. „Als het gespeende kind”

Stil gelijk het gespeende kind bij zijn moeder.

Ps. 131 : 2. a


Het kind, aan ’s moeders borst nog levend, leeft nog in de eerste weelde en is in die weelde onrustig. Het wil die borst nog telkens; die borst altijd overvloedig; ja, het kan de koestering van die borst nauw gevoelen, of weer wordt de dorst naar de moedermelk gewekt.

Maar sla datzelfde kind nu, ik zeg niet in den speentijd, maar als die tijd voorbij is, gade, en immers dat altijd om voedsel schreien heeft uit; het kindeke leert in dat voedsel nemen mate; en legt ge ’t weer op moeders schoot, dan dwingt het niet meer om de borst, maar ligt, o, zoo zalig, te genieten in zijn moeder!


o, Mijn ziel, kwam het ook bij u reeds tot dien overgang van de eerste woelige onrust der bekeering tot het stil zijn, als het gespeende kind?

Of is de pas bekeerde niet als het kind, aan de borst, van niets dan de weelde der liefde droomend; bij volle teug, aldoor zich lavend aan de nieuwe bron van leven; meer nemend dan het zwak geloof nog zwelgen kan, en in zijn bidden schier dwingend en woelend met de ziel, om l rijker toevloeiing van genade.

Tot de ontnuchtering dier van weelde dronken ziel komt spenen aan wat overspannen, aan wat te veel, aan wat te hoog voor deze aarde was; en k nog de liefde, maar nu bij Golgotha, nu met den ernst van dat Kruis gemengd; nu |2| met de kalmte die maat houdt; nu wachtend, niet meer dwingend; nu naar de ziel het dragen kan, — indrinkt; voor onrustig stil geworden; stil als het kind, dat eerst nog melk dronk, maar nu, aan die melk gespeend, naar moeder om moeder, d.i. naar God om God vraagt, en bidt met ootmoedige smeekinge, uit de kleinheid der ziel!

*

Beeld van diepe afhankelijkheid; dieper nog dan het kindeke, dat aan de borst ligt, is het kind dat aan die borst werd gespeend. Immers aan de borst is het kindeke nog moedwillig; die borst is zijns; over die borst beschikt het; die warme moederborst is zijn koninkrijkje; en zelf neemt het met tong en lipjes de lauwe melk er uit.

Heel anders het gespeende kind. Dat heeft niets; vindt niets bereid, teert me op wat de anderen eten; en mist het vermogen zelfs om de voorgezette spijs aan de lipjes te brengen.

De afhankelijkheid werd volkomen!

En zoo was het ook u immers te moede, die, gespeend aan de weelde der eerste liefde, nu klein in uwe ziele werd? o, Wat dacht ge in het eerst niet te kunnen? Hoe genoot ge in uw koninkrijkje? Hoe was u de tong tot alles bekwaam, de lippen gereed tot Gods verheerlijking!

En nu, mijn broeder, zeg zelf, kreegt ge aan het kleine geen lust? aan de nederigheid van Gods knechten geen behagen? dat eer en staat u tegenstond; en w plannen en w eerzucht ondergingen, om in vroolijkheid des harten te genieten in wat de Heere u beschikte; als David uit de versmading uwer ziel getuigend: „o Heere, mijn hart is niet verheven, ik wil niet wandelen in dingen, voor mij te groot en te wonderbaar. Gelijk een gespeend kind bij zijn moeder, alzoo is mijn ziel een gespeend kind in mijl Isral hope op den Heere.”

*

Nog dit. Moedermelk is, naar Augustinus zoo heerlijk opmerkt, k brood, maar door moeders aderen doorgegaan en melk geworden. Ook brood, dus, maar afgeleid; k brood, maar eerst door een ander genoten, om het den zuigeling te doen genieten. Verzoet, verzwakt, versmolten!

Maar straks, als het kindeke, gespeend, de vaste spijs |3| ontvangt, dan eet het dat brood; nog wel geweekt en klein gebroken; maar toch dat brood zlf, met al zijn voedende sappen, sterkend en deugdelijk bereid.

En nu. Verging het ook u zoo niet, toegebrachte tot uw Heiland, met hm, die u het Brood des levens is? Eerst hadt ge aan dat Brood meer lust, als het, door anderer zielen doorgegaan, u „moedermelk voor het pasgeboren kindeke” werd. Men voedde u uit den Christus, maar van hem zelf bleeft ge nog verre. Het Woord was u nog te hard, te zeer doend, te onverduwbaar, en ge hadt nog geen lust aan dat Woord, dan versmolten in een zoetelijk lied; vervormd tot zeer lichte spijze; het pit en merg er uit.

Maar nu ge, aan die weelde der eerste liefde gespeend aan het nederige uw lust kreegt, en niet meer „jonge kinderen in Christus” zijt, nu tast ge naar dat „Brood des levens” zelf; nu stuit de harde beet in dat innerlijk zoo teedere Woord u niet meer af; na duldt ge dat men u dat Woord met zijn goddelijken levensgeur aan de eigen lippen brengt. En wat u ontging, is die hooge waan van reeds alles te weten. Nu ontviel u eer al uw kennis. Ge weet niets. En, om uw eigen zielsverblinding schreiend, wacht ge licht, licht van den Eenig Geliefde; in dat wachten, als het gespeende kind bij zijn moeder, zoo gij, stil bij uw Heere!




a. Eerder gepubliceerd in De Heraut No. 1 (7 december 1877).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001