Rede van Dr. A. Kuyper,

gehouden in de Historical Presbyterian Society te Philadelphia, over het veldwinnend ritualisme


De Heraut van de Gereformeerde Kerken in Nederland

No. 1095 en 1096, Amsterdam (J.A. Wormser)
Zondag 18 en Zondag 25 December 1898

a



Hooggeachte Voorzitter. — Met zeer veel genoegen maak ik gebruik van de gelegenheid, die uwe vriendelijke uitnoodiging mij schenkt, om een enkel woord tot uwe geachte vereeniging te spreken. Het ligt evenwel niet in mijn bedoeling, een uitgewerkte lezing te houden; slechts enkele opmerkingen wensch ik te maken over een onderwerp, dat zoowel u als mij belang inboezemt. Dit onderwerp is de stroom der symbolische religie, die in den laatsten tjd in de Engelsche wereld bijna heerschende is, en nu reeds op ernstige wijze ons Calvinistisch kerkelijk leven bedreigt.

Deze feiten behoeven nauwelijks bewijs. Uit het geheele non-conformistische Engeland rijst de klacht, dat zoovele kinderen der tweede generatie de paden hunner vaderen verlaten, om openlijk en nadrukkelijk de voorkeur te schenken aan den episcopaalschen dienst. In al de kerkelijke vergaderingen treedt altijd weer de groote vraag op den voorgrond: hoe het opkomend geslacht bij de kudde te houden. Voorzooverre gij de debatten en besluiten over deze quaestie gevolgd hebt, weet gij ook op welke wijze men nu en dan verbetering heeft pogen aan te brengen. Het bekende voorstel om het non-conformisme meer aantrekkelijk te maken door aan de kerk te verbinden een dansschool of gymnastiekkamer en een terrein voor spelen in de open lucht, spreekt boekdeelen. Ik herinner mij, dat twee jaar geleden een congregationalistisch predikant een andere snaar aanraakte, toen hij zijn gehoor wees op de Calvinisten in Wales en in Holland, die, door trouwer aan hun beginsel te blijven, niet de minste moeite hadden in het hart hunner kinderen liefde voor hun eigen kerken te ontsteken. Maar zijn stem was als die eens roependen in de woestijn. en het onaangename gevoel van een naderende ebbe onder de Methodisten en Congregationalisten in Engeland neemt nog steeds toe.

Zelfs buiten de kerken, in de dagelijksche pers wordt deze kentering in de publieke opinie met zooveel belangstelling gadegeslagen en aan deze toenemende voorliefde voor het Ritualisme zoo ver strekkende gevolgen toegekend, dat liberale bladen hieraan voor een deel de schitterend overwinning van Lord Salisbury bij de laatste stembus toeschrijven. Gedurende drie kwart eeuw, zij bekennen het openlijk, is het non-conformisme het bolwerk van het liberalisme geweest. En het is deze merkwaardige verandering in de publieke opinie, die, in het godsdienstige overhellend naar het Ritualisme, in het politieke ten voordeele komt van Conservatieven en Unionisten. De belangrijke organisatie der Unionisten onder Mr. Chamberlain is zonder twijfel formeel veroorzaakt door Mr. Gladstone’s aanhoudend aandringen op Home-rule, maar werd, zoo verzekeren zij ons, in niet geringe mate gesteund door deze zelfde ritualistische beweging. Op den duur kan onze menschelijke geest slechts één leidend beginsel volgen. Het spoor, dat hij uitteekent in de religie, wordt bijna vanzelf gevolgd in het sociale en politieke leven. Dit alleen om u te overtuigen, dat deze symbolische beweging, indien zij de overhand krijgt, volstrekt niet een onbeduidende verandering in het kerkelijk leven is, maar integendeel, een krachtig beginsel in zich draagt, dat dreigt te reageeren op onze geheele menschelijke existentie, ja op de geheele wereldgeschiedenis.

Het tweede stadium in deze beweging (want ik leg er den nadruk op, dat zij in kerkelijken zin drie stadiën heeft) valt waar te nemen in de Episcopaalsche kerk zelve. In de eerste periode wordt de behoefte van den non-conformistischen renegaat aan meer artistieken eeredienst gemakkelijk voldaan door den eenvoudigsten dienst, geleid door een low-church predikant. Maar voor de leden van de Church of England, staan de zaken heel anders. Dezelfde bekoring, die de low-church uitoefent op den wankelenden en twijfelenden non-conformist, ondervindt de episcopaal van de zogenaamde high-church-beweging. Het common prayerbook schijnt hun een traag, laveerend zeilen toe, of liever nog, een ontplooien van de vlag halfstoks. De dorst naar symbolisme, eenmaal opgewekt, wordt niet gelescht door halve maatregelen. Hoe meer de hartstocht voldaan wordt, des te meer wordt hij geprikkeld. Zoo stapte men van de low-church over in de high-church, en hier vond men bisschop en geestelijkheid als om strijd bezig om nog hooger te gaan, want de hoogste in dezen ritualistischen wedstrijd heeft altijd de leiding in handen. Ik heb twintig jaar geleden, in Engeland episcopaalsche diensten bijgewoond, en wat toen „very high” gevonden werd, wordt nu in sommige kringen met minachting als achterlijk beschouwd, ja als een bespotting van het heiligdom. Bijna ieder jaar wordt er iets nieuws aan den overladen dienst toegevoegd, en niemand kan zeggen, waar eindelijk deze vertooning van ritualistische vindingrijkheid eindigen zal. Volkomen bewust van het gevaar, dat achter dezen tooi loert, heeft sir William Harcourt, in een indrukwekkende speech over dit onderwerp in het Huis der Gemeenten, er op aangedrongen, dat de beweging door de Regeering zou worden tegengegaan, alsof een diep liggende geestelijke beweging ooit kon worden onderdrukt door de uitvoerende macht, en alsof in zulk een geval, iets anders dan de reactie van het tegenovergesteld beginsel de geesten zou kunnen omzetten.

En dan is er eindelijk het derde stadium, waarin deze ritualistische beweging zich vanzelf ontwikkelen moet: het terugkeeren tot Rome. Volgens de Roomsche bladen doen iedere maand meer dan duizend leden der Church of England den beslissenden stap. En dit is zeer natuurlijk. In iederen loop is een einddoel, en de menschelijke geest kan niet rusten voor dit doel bereikt is. En het einddoel van het Ritualisme ligt in zijn schoonsten en volmaaktsten vorm gereed in den Roomschen liturgischen dienst. Daar prijkt de rijpe vrucht van eene ritualistische ontwikkeling van meer dan twaalf eeuwen. Op dit gebied is Rome niet te overtreffen. Iedere toevoeging, die de high church men zich veroorloven, is ontstolen aan hare schatten. In Rome ligt het origineel, zij bootsen na. Wat ik in het tweede stadium vindingrijkheid noemde, blijkt hier niet dan namaak van het Roomsche model te zijn. Of wilt ge een ander beeld, de „high churh man” pronkt met een ritualistischen ruiker, maar de ritualistische rozenstruik geurt en bloeit onder de schaduw van het Vaticaan.

Zoo staan de zaken in Engeland. In Schotland, in Wales, in uwe Oostelijke staten, in Nederland, in Zuid-Afrika, en waar ook maar de geest van Calvijn een meer degelijke, absolute en duurzame overwinning behaalde, zet deze beweging nog pas hare eerste wankelende schreden. De stem, die daar roept van het bloed der martelaren, wordt niet opeens gesmoord. Men zou echter zijn oogen voor de werkelijkheid moeten sluiten, om te ontkennen, dat die beweging reeds onze huizen doorgraven en haar verwoestende werking begonnen heeft. Hoewel nog op zeer kleine schaal, toch heeft afval reeds plaats gehad. Bovenal moet de prediking kort zijn. De verschillen tusschen de eene kerk en de andere moeten op den achtergrond geschoven. In de religieuze geologie moet de dogmatische laag diep onder den grond liggen en zeer dun zijn. Het gewone publiek weigert vermoeid te worden door zulke ouderwetsche documenten als confessies en catechismussen. Op dit punt wordt de breuke tusschen ouders en kinderen al grooter en grooter met ieder opvolgend geslacht. En vooral onder de meer ontwikkelde klassen dringt men aan op mooie kerkgebouwen met hooge torens en fraaie gewelven, op prachtige orgelmuziek en uitstekende kooren en solisten. Hier en daar wordt deze voldoening der artistieke behoefte zelfs veel dringender geëischt dan de zuiverheid der apostolische waarheid.

Ik wil niet overdrijven en daarom wensch ik te constateeren, dat er niet weinig aanzienlijke schatten zijn, die deze schulden dekken. De Christelijke vrijgevigheid onzer dagen was volkomen onbekend in de eerste helft onzer eeuw. Een geest van wederzijdsche waardeering heeft de plaats ingenomen van het gekibbel en den naijver van vroeger dagen. De theologische haat, zoo al niet volkomen uitgebluscht, gloeit slechts na in sintels, en bovenal, er is een toenemen van persoonlijke en gecombineerde actie op ’t gebied der zending en der Christelijke barmhartigheid, die verre overtreft, wat in de beste dagen onzer vaderen bereikt is. Een winste, die voor mij zoo hooge waarde heeft, dat ware de symbolische beweging afgezonderd buiten de grenzen van onze eigen kerken, ik geneigd zou zijn tijdelijk de oogen te sluiten voor het gebrek aan liefde voor de waarheid en de schatten, die ik noemde, te aanvaarden als voorteekenen van betere tijden en als volkomen vergoeding voor de gebreken.

Doch dit is onmogelijk. Twee, drie kleine druppelen uit een wolk, die toevallig even over uw hoofd drijft, zullen u geen schade doen. Maar zoo gij naar boven ziende, van alle zijden boven den horizon, zwaardere en zwartere wolken zich ziet samenpakken waar nu en dan een bliksemstraal door klieft, dan gevoelt ge opeens het naderende gevaar, en de twee kleine druppelen worden u een ernstige waarschuwing. En zoo nu is het hier. Er bestaat een onloochenbare verwantschap tusschen de nu nog zwakke symbolische actie in uwe eigen kerken en de donkere ritualistische wolken, die zich boven Groot-Brittanje samenpakken. Beide hebben gemeenschappelijken oorsprong. De een zoowel als de ander is het gevolg van een belangrijke verandering in de publieke opinie. En zonder gevaar, om door de gebeurtenissen als een valsche profeet gelogenstraft te worden, kan men voorspellen, dat, wat nu elders gezien wordt, slechts het getrouwe spiegelbeeld is, van wat u zelven te wachten staat. Dezelfde oorzaak moet altijd eindigen in hetzelfde resultaat, indien zij ten volle de haar inwonende kracht kan uitwerken. Er zijn plaatselijke veranderingen die geen invloed uitoefenen op de buitenwereld. Maar zoodra, zooals hier, een algemeene beweging opkomt, die ontspringt uit het wezen zelf der menschelijke ziel, dan weet ge van te voren, dat zij algemeen worden moet, en zekerlijk haren weg zal vinden, hare eigen bedding zal uitslijpen als een stroom die van de toppen der bergen nederdaalt. In ernstige zaken zou niemand onzer kinderachtig willen zijn, en toch kinderachtig zou het zijn, niet terstond het innige verband te zien tusschen de toenemende liefde voor het symbolisme in de literatuur, in de schilderkunst, in de beeldhouwkunst, in den eeredienst buiten onze kerken en de duidelijk merkbare verandering in religieuze zienswijze in onze eigen kringen, die geen scherpziend oog ontgaan kan. In het geestelijke leven is ook een atmosfeer die alles en allen doordringt. Zooals in de dagen onzer vaderen die atmosfeer doortrokken was van een sterk anti-symbolisch element, evenzoo is zij nu vervuld van een voortdurend sterker gedistilleerde tinctuur van symbolisme. Een duidelijke verandering, die ieder nauwkeurig opmerker nu reeds ten volle realiseert, hoewel de groote massa, spoedig gewend aan den geur van het symbolisme en er reeds halverwege door bedwelmd, er niets van bemerkt hoezeer het tooneel reeds veranderd is.

Deze ritualistische beweging moet evenwel niet beschouwd worden als een poging, om het religieuze gevoel te vervangen door het aesthetische. Het is niet de kunst maar het symbolisme (nog eens, ik leg den nadruk op het woord) dat beslag legde op de geesten; en het juiste begrip van de nieuwe beweging ligt in de erkenning van het feit, dat in den laatsten tijd een nieuwe religieuze strooming valt waar te nemen. Het verschil tusschen den heerschenden geest aan het eind der vorige eeuw en nu valt ten minste in Europa, zoowel in Protestantsche als in Roomsche kringen, duidelijk in ’t oog. Na honderd jaar is Voltaire vervangen door Brunetière als tolk van wat er omgaat in de leidende kringen van Frankrijk. En in tegenstelling met de dagen van de Fransche Conventie toen staatslieden en belletristen, geleerden en kunstenaars, wedijverden in krachtige anti-religieuze uitingen, acht nu een steeds toenemend aantal mannen van invloed en positie, zoowel in universitaire als in regeeringskringen het eene eere, openlijk hun sympathie voor de religie en hun voorliefde voor mystieke vroomheid uit te spreken.

Men moet echter niet uit het oog verliezen, dat deze nieuw-opgekomen vooringenomenheid met het religieuze element van een zeer eigenaardige soort is. Zij is geheel beroofd van elk persoonlijk en beslist karakter. Zoowel in de dagen der Apostelen als in den tijd der Reformatie, sproot de wederopleving van het geestelijk leven voort uit den dorst der ziele naar den levenden God om zaligheid en eeuwigen vrede. In beide perioden was de kreet der verontruste consciëntie: Wat moet ik doen om zalig te worden? Nu daarentegen wordt zulk een worstelen der ziel niet waargenomen. Het is geen Augustinus die uitroept: Inquietum cor meum donec resquiescat in Te o Domine, d.i. mijn hart is onrustig in mij, totdat het rusten kan in U, o God. Het is geen Luther kruipende op de trappen van het Vaticaan voor de redding zijner ziel. Het is geen Calvijn, die iederen ernstigen man en iedere ernstige vrouw toeroept, niet te rusten voor zij de bron van hunne persoonlijke redding in Gods vrijmachtig welbehagen gevonden hebben. Niets van dat alles. In deze nieuwe religieuze strooming is geen vraag naar de verlossing van zonde, er is geen verlangen naar verzoening, nergens de begeerte naar een bewuste persoonlijke hereeniging met den levenden God, onzen Vader, die in de hemelen is.

De aanhangers van deze nieuwe religie behooren allen tot de hoog ontwikkelde klasse, zijn zeer tevreden met zichzelven en met hunne positie in deze wereld en beschouwen hun lot in de toekomstige wereld, zoo die bestaat, als een open vraag. Hun wachtwoord is het wegzinken der ziel in den oceaan van het Oneindige, het natrillen van de ziel van den Cosmos in de trillingen van hun eigen hart; het gevoelen van een aldoordringende macht, die hen inspireert en de begeerte naar een altijd onbereikbaar ideaal. En als sommigen hunner nog eenig verband erkennen tusschen de vocabulaire van den ouden godsdienst en hun nieuwe gevoelens, dan is het niet de vader en niet de Zaligmaker, dien zij aanbidden, maar bijna uitsluitend de Heilige Geest, niet beschouwd als een persoonlijk God, maar als een oneindige, alles-doordringende Geest. Zij ontleenen hun meest geliefde uitdrukkingen meer aan de Indische Veda’s dan aan de apostolische documenten, en het lijdt geen twijfel of het Pantheïsme inspireert hunne zangen en vrome uitingen meer dan de aanbidding van den Drieëenigen God. Terwijl zij zich verliezen in een oneindige Goddelijke Immanentie, zijn zij de meest besliste Daltonisten wat betreft Gods majestueuze Transcendentie. In één woord, hun voortdurend pogen is niet om den levenden God, hunnen Schepper en den Beschikker hunner lotgevallen te vreezen, te dienen en lief te hebben, maar om ten volle de mystieke prikkelingen te genieten van een heerlijk religieus gevoel. Natuurlijk begrijpt de lagere klasse het denkbeeld van zulke religieuze genietingen niet. De beweging is daarom door en door aristocratisch. Echter verhindert het geloof aan de voortreffelijkheid van hun eigen standpunt deze verfijnde Buddhisten niet, door een nederbuigend altruïsme, het verder gebruik van den ouden Christelijken godsdienst genadiglijk over te laten aan de minder ontwikkelde klassen, mits geen poging worde gedaan, henzelven terug te brengen en de leidende kringen op ieder terrein des levens in den nieuwen tempel komen aanbidden.

Dusdanig is de algemeene godsdienstige onderlaag, waarin het symbolisme geworteld staat. Of, om een ander beeld te gebruiken, het is de achtergrond, waaruit het symbolisme zijn veelkleurige stralen en mysterieuze schaduwen werpt. De nieuwe beweging is in zichzelve volkomen kleur- en vormloos. Maar zoodra hare stralen de bestaande kerken treffen en door het prisma van den Christelijken godsdienst vallen, dan breken zij, en het symbolisme, in zijn noodwendige schakeeringen, doet zijn invloed gevoelen. Laat niemand zich vergissen, alsof deze nieuwe religieuze stroom op eenige wijze verwant ware aan de wederopleving van het Christelijk geloof in den aanvang dezer eeuw. Deze wederopleving, zoowel in de Protestantsche als in de Roomsche kerken, voor altijd beroemd door de onsterfelijke namen van D’Aubigné en Vinet, van De Bonald en Chateaubriand, was het gevolg van de gruwelen der Napoleontische verdrukking, en leidde tot het wederopwaken van den Christelijken geest uit zijn zondige sluimering. Dit was geen religieuze revolutie, maar een restauratie van wat schandelijk verzuimd was. Een in waarheid teruggaan tot Christus en een verlangen naar zijne verlossing. Met deze wederopleving toont dus de nieuwe godsdienstige beweging, waaraan het symbolisme zijn prikkel ontleent, geen trek van verwantschap; zij stelde er zich vierkant tegen en stak den brand in ieder veld, waarop de oogst stond te rijpen. Alleen dit kan worden toegegeven, dat zoowel de wederopleving van het Christelijk geloof en deze nieuwe mystiek-religieuze beweging een reactie waren tegen de goddeloosheid van de periode van Voltaire en de lage gemeenheid van de zoogenaamde „Aufklärung” van dien tijd in Duitschland. Maar daargelaten nu deze algemeene antithese, hebben de kleederen van deze beide geen draad gelijk. En om tot een duidelijk begrip te komen van het ware karakter van dezen nieuwen religieuzen stroom, moeten wij de drie bronnen opsporen, waaruit hij ontsprong: de moderne philosophie, de historische school, en de aesthetische ontwikkeling onzer dagen.

Vooreerst was daar de nieuwe Duitsche philosophie, van Kant tot Schelling, die in haar heerlijk enthousiasme voor organische eenheid en systematische conceptie, zich pijnlijk getroffen gevoelde door de verwarring, waarin de Fransche revolutie ons geheele leven en onze denkwereld gebracht had. In de tweede plaats hebben wij te letten op de opkomst van de beroemde historische school van Niebuhr en De Savigny, die in haar diepen eerbied voor het verledene, slechts een hoonlach overhad voor de luchthartigheid, waarmede de Fransche revolutie-mannen alle historisch proces afsneden en zich inbeeldden, door de grillige uitingen van den volkswil in één dag in staat te zijn het aanschijn der wereld te veranderen. En in de derde plaats ontwaakte wederom het kunstleven, onder den alles doordringenden invloed van Lessing en Goethe, dat in zijn bewondering van de klassieke schoonheid der Grieksche wereld, zich ergerde aan de belachtelijke verheerlijking van de onbeschaafde natuur, die den Franschen revolutionisten het uitgangspunt voor hun systeem was.

In dezen tijd was de bijna ongelooflijke nederlaag van Sedan voorbereid. De Duitsche geest, opwassend tot de hoogte van zijn volle kracht, had Frankrijk reeds geestelijk verslagen, voor hij het Fransche leger vernietigde op het slagveld. De Fransche revolutie was een wilde daad van krankzinnigheid, grenzende aan zelfmoord. Omstreeks het midden dezer eeuw, zonk Frankrijk, Duitschland rees. Sinds de tweede Napoleon opkwam, vinden wij in Frankrijk slechts middelmatige krachten; terwijl in Duitschland een heirleger helden en genieën opstond en de Duitsche denkwereld, Duitsche wetenschap en Duitsche opvoeding geheel Europa beheerschte en op ieder terrein des levens de leidende positie innam. De Franschen hadden door hun krankzinnigen opstand slechts den Duitschen geest en de Duitsche kracht uit hunne sluimering wakker geroepen. In den tijd van vijf en twintig jaren had Duitschland zich opgewerkt tot de volle mate zijner grootheid, en toen reeds kon het geprofeteerd worden, dat voortaan de vereenigde krachten van de Duitsche philosophische, historische en artistieke school haar stempel zouden afdrukken op de volgende periode van onze menschelijke ontwikkeling.

Nu was er in deze drieledige Duitsche beweging één gemeenschappelijke trek: de terugkeer uit een unheimisch heden naar een aantrekkelijk verleden, en in dat verleden was het machtig aantrekkingspunt niet het tragische kruis van Golgotha en de Galileesche heuvelen, maar de academie van Plato en het atelier van Phidias. Het was een terugkeeren van het zwakke, bleeke Christendom naar het oude Griekenland in het hoogtepunt van zijnen bloei. Luther vertaalde den Bijbel, Schleiermacher Plato’s werken, en het fundamenteele begrip van het pantheïsme, ontleend aan de Stoa, herleefde, in anderen vorm en met meer diepte, langs de geheele schitterende linie der groote Duitsche philosofen. De artistieke school volgde haar op den voet en verving het crucifix en het Ecce Homo door den Apollo van Belvedere en de Venus di Medici. En eindelijk kwam de historische school op haar beurt dezen afkeer van zulk een treurig heden rechtvaardigen en wekte op tot een grenzenlooze bewondering voor de wijsheid van het verleden. Bovendien, ge herinnert u, hoe het p€nta ¿e² ka± oÇden m™nei 1) eenmaal het wachtwoord der Stoa was en zoo geschiedde het, dat deze school, die alles wenschte op te lossen in een onafgebroken historisch proces, zich aansloot bij het pantheïsme van de philosophische school en het oneindige, zich openbarende en ontwikkelende in de opvolgende perioden van het eindige, werd voor den menschelijken geest de leidende gedachte, die den toon aangaf bij al zijn onderzoekingen. En dit alles werd betoogd en gesteund door zulk een doorwrochte studie, met zulk een overvloed van uitgewerkte bewijzen, in zulk een prachtigen stijl en met zulk een schat van logica en overtuigende kracht, dat de wetenschap zelve, geklommen tot het hoogere standpunt der organische conceptie, bijna vereenzelvigd werd met deze pantheïstische wereldbeschouwing. Zij, die er zich tegen dorsten verklaren, werden eenvoudig onwetenschappelijk gescholden, en, zoo zij knap waren, opzettelijk onoprecht en schulidge misleiders van het volk genoemd.

In dezen abstracten vorm evenwel kon deze nieuwe leidende gedachte niet overgaan van den Duitschen in den Angel-Saksischen geest. De Angel-Saks, als zoodanig, is noch een geboren philosoof noch een aesthetisch dweper. De Duitscher mint het fladderen in de lucht en het zweven op de vleugelen van het idealisme; de Angel-Saks staat liever met beide voeten stevig op den vasten grond. Zoo geschiedde het, dat de Angel-Saksische wereld zoogoed als ongevoelig bleef voor deze nieuwe Duitsche ontwikkeling, totdat Darwin haar een materieele basis gaf in de vernietiging der ware soorten en in het onafgebroken proces, waardoor de plant veranderde in het lagere dier, het lagere dier in het zoogdier, en het zoogdier in den mensch. De idée dat het oneindige phenomenaal wordt in het eindige, door middel van een materieel proces, sloot zich aan bij den Angel-Saksischen geest; en van dat oogenblik aan heeft de moderne theorie van de pantheïstische verhouding tusschen het oneindige en het eindige de publieke opinie veroverd, en het opkomende geslacht over de geheele wereld ingenomen, terwijl zij alles voor zich uitdreef.

En hier nu ligt het eigenlijke punt, waarbij de behoefte aan symbolisme zich gevoelen deed. Iedereen die zich beweegt in het eindige, wordt het bestaan van iets oneindigs gewaar en heeft zich een begrip te vormen van de verhouding die er tusschen die beide bestaat. Er doen zich hierbij twee mogelijkheden voor. Of het oneindige openbaart zich aan den mensch en ontsluiert door deze openbaring zelve de werkelijk bestaande verhouding; óf het oneindige blijft stom en stil, en de mensch zelf heeft te gissen, te veronderstellen en zich deze verhouding door middel van zijne verbeelding voor te stellen, dus langs een kunstmatigen weg. Nu is de eerste lijn de Christelijke; de Oneindige heeft voortijds vele malen en op velerlei wijzen gesproken door de profeten en in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon — deze Zoon is niet een zwijgend mysterie, maar het eeuwige, scheppende en sprekende Woord.

Het heidendom daarentegen, beroofd van de openbaring, heeft behoefte aan het symbool, en schept het in zijn afgoden, „zij hebben eenen mond maar spreken iet, ooren hebben zij, maar hooren niet.” Symbool beteekent een fictieve band tusschen het onzichtbare Oneindige en het zichtbare eindige. Het is afgeleid van sumb€llein, d.w.z. het samenbrengen van twee sferen. Symbolisme is het grijpen van iets uitwendigs en materieels, waarop de verbeelding den stempel mag zetten van het onzichtbare en onuitsprekelijke. Het symbool is de tusschenschakel, aan de eene zijde verwant aan wat gij kunt zien en grijpen, en aan de andere zijde aan wat gij gevoelt, denkt en u verbeeldt. Zoodra, daarom, een bewustzijn van het oneindige in de publieke opinie herleeft, vijandig aan de van God gegeven openbaring, doet zich de vraag naar het symbool noodwendig en onmiddellijk gelden. Zoo was het in de Grieksche wereld en zoo is het nu. Natuurlijk bestaat er ook een onbewuste, voortdurend veranderende verhouding tusschen het oneindige en eindige in de actueele verschijnselen des levens; maar deze verhouding, die altijd onvolkomen, wisselend en slechts voor het oogenblik peilbaar is, kan de ziel niet bevredigen. Zij verlangt naar een begrijpelijken indruk van het oneindige in zijn geheel, in zijn alles-beheerschende, alles-doordringende actie; en deze sensatie vermag geen eindig verschijnsel in ons wakker te roepen, juist omdat het eindig is. Wat de ziel begeert is het grijpen van het oneindige als zoodanig; en zulk een oneindige sensatie kan alleen het symbolisme teweegbrengen, juist omdat het een onzichtbaren stempel zet op een zichtbaar en tastbaar verschijnsel. In de Vrijmetselarij ziet ge precies hetzelfde. De Vrijmetselarij bedoelt het oneindige, maar verwerpt alle openbaring, en daarom is zij begonnen en voortgegaan met het meest ontwikkelde en uitgewerkte symbolisme. Het spiritisme daarentegen dorst naar openbaring van de andere zijde des grafs en weet bijgevolg niets hoegenaamd van eenig symbolisch zinnebeeld.


II.

Zoo staan dan Openbaring en Symbolisme krachtens hun beginsel tegen elkander over. Beide bedoelen het tot stand brengen van waarneembare verhouding tusschen het Oneindige en het eindige. Maar tevens staan zij zoo diametrisch tegenover elkander, dat door middels van de Openbaring het oneindige Wezen zelf zich ontsluiert met den eisch, dat de verhouding door het eindige schepsel zal worden aangenomen door het geloof, terwijl daarentegen in het Symbolisme de eindige mensch een symbolische verhouding uitdenkt, die niet door het geloof, maar door waarneming moet gegrepen worden. Nu zal wel niemand het feit ontkennen, dat het Duitsche pantheïsme iedere bovennatuurlijke openbaring verwerpt. Van den beginne aan was zijn strijd gericht tegen ieder dogma, iedere belijdenis en iedere goddelijke autoriteit, aan de Heilige Schrift toegekend. Zelfs de gedachte aan een God, die in het proces der historie tusschenbeide treedt, was absoluut uitgesloten, ja zelfs uitgeworpen en voorgoed gebannen.

Het Oneindige kon zijn wezen niet anders openbaren dan in den loop der gebeurtenissen en volgens het p€nta ¿e² zich alleen doen waarnemen als het kloppend levensbloed in de aderen van den cosmos en in de menschelijke ziel; maar moest daarbuiten stom en stil zijn als de afgoden. Met deze alles-omvattende antithese tusschen Openbaring en Symbolisme, kon de heerschende opinie onzer dagen daarom niet anders doen dan zich afkeeren van de Openbaring om heil te zoeken bij het Symbolisme. En hier vonden de Philosophie en de Kunst haar natuurlijk bondgenootschap — de Philosophie hief door haar eenheid van systematische conceptie den geest op naar het Oneindige en de Kunst schiep door hare wondere gave der verbeelding de daarbij behoorende symbolen.

Dusdanis is de tweesprong op den levensweg aan het einde dezer eeuw. Er zijn twee elkander kruisende sporen. Zich richtende naar het Oosten, loopt het aloude spoor van het geloof in de van God gegeven Openbaring, die alle aanbidding van den wil uitsluit. Maar dit oude spoor wordt nu gekruist door den nieuwen weg van het Symbolisme, dat stoutelijk het woord Wil-aanbidding tot den einde toe op zijn wegwijzers nederschrijft. En het machtige drijven van zulk een antithetisch beginsel kan zich niet bevredigd gevoelen in de resultaten der afwijking op gewijd terrein, maar moet noodzakelijk leiden tot tegenovergestelde conclusies en uitkomsten, zoowel op sociaal en politiek als op zedelijk en wetenschappelijk gebied. Een feit, dat niemand zal weerspreken, die weet, dat de Openbaring niet alleen heilige mysteriën ontsluiert, maar ook onherroepelijke beginselen verkondigt en gehoorzaamheid eischt aan onveranderlijke ordinantiën; en dat integendeel onder de heerschappij van het Symbolisme, een ieder vrij is zijn eigen beginselen uit te denken en volkomen naar willekeur zelf zijn zedelijke ordinantiën vast te stellen. De jurist in het symbolische kamp aarzelt niet te verklaren dat er geen recht is, dan de beschreven wet en dat, daarom, wat vandaag nog recht is, morgen onrecht wordt, zoodra de wet herroepen is.

Het lijdt daarom geen twijfel, of deze belangrijke en alles beheerschende antithese zou duidelijk zijn ingezien door iederen studieman, en het Symbolisme zou onmiddellijk bestreden zijn geworden door iederen Christen, indien het van meet af zich getoond had in zijn absoluten vorm. Dit is evenwel nooit het geval bij het opkomen van een nieuw verschijnsel in ons actueele leven. Zelfs de Vrijmetselarij ontleende hare symbolen aan de toen bestaande vereenigingen voor kerkbouw en droeg zorg haar ware bedoeling te verbergen achter het mysterieuze gordijn van opklimmende graden. Zoo ontplooit ook het Symbolisme liefst zijn vollen bloei slechts in den kring der ingewijden en geeft voor de buitenwereld de voorkeur aan het leven van de parasiet, die steelsgewijze haar wortelen inboort in de teedere schors van den Christelijken stam. Aansluiting aan de bestaande religie is altijd zijn leidende gedachte geweest, en deze aansluiting ging gemakkelijk genoeg door als poëzie op te vatten, wat de kerk als hoogste realiteit belijdt, door de gewijde geschiedenis in het aanlokkelijke kleed te hullen van legende en mythe, en eindelijk door iedere handeling in hare godsdienstoefening slechts als symbolisch te beschouwen.

Ik herinner mij altijd hoe ik mij ergerde aan het optreden in de kerk van een der voornaamste aanhangers van de nieuwe leer, die in een gesprek met mij er geen geheim van maakte, dat hij het oude Christelijke geloof geheel verworpen had, en dien ik drie dagen later den preekstoel zag beklimmen om plechtig voor te lezen, wat daar geschreven staat in het Boek der Koningen over de wonderen van Elia en andere hoofdstukken uit de Schrift, voorgeschreven door het boook of common prayer. Ik beken openlijk, dat ik niet in staat was, zulk een krasse tegenstelling tusschen persoonlijke overtuiging en uiterlijke vormen te verklaren. Het scheen mij toe de onoprechtheid zelve te zijn. Maar hoe grootelijks had ik mij vergist! „o, Neen,” zeide hij, „er was geen sprake van onoprechtheid. Of oordeel zelf. Zou het onoprecht zijn als gij deelnaamt aan de spelen uwer kinderen en dan met even veel ernst als de kleinen zelve, de rol van koning vervuldet, die uw kleine jongen u opgedragen had? Welke huichelarij kan er dan in steken, meê te spelen en meê te zingen met de kinderen van God, zooals zij zich noemen, en deel te nemen aan hunnen eeredienst? Natuurlijk, als wij al die verrichtingen voor waar hielden, dan zouden wij niet meê kunnen doen. Maar nu, wat, ik bid u, zou ons kunnen verhinderen uwe heerlijke Christelijke poëzie te genieten of onze gevoelens te veredelen door deel te nemen aan uwe voortreffelijke symbolen? Zelfs het heilig Avondmaal is voor mij een symbolische genieting. Het zijn juist deze kerkelijke verrichtingen, die het meer kinderlijk bestaan van het gewone volk verbinden met het meer bewuste en beschaafde leven der wetenschappelijke kringen.”

Vanhier dan ook de voorkeur, die deze moderne symbolisten schenken aan de Roomsche kerk boven de Protestantsche, en aan de Episcopaalsche boven de andere Hervormde kerkgenootschappen. Reeds in de eerste helft van deze eeuw leidde de zoogenaamde Romantische school in Duitschland tot de bekeering van vele beroemde Luthersche geleerden en kunstenaars tot de kerk van Rome. En dit moet ons niet verwonderen. Evenals bij de oplossing van ieder levensprobleem, ligt Rome’s kracht in de wijze, waarop het tegenstellingen door een compromis weet te vereenigen. Rome begreep zeer goed de twee verschillende beginselen der antithese tusschen Openbaring en Symbolisme. En zooals altijd, iedere besliste keuze mijdend, bleef zij getrouw aan de openbaring in haar belijdenis, maar liet terzelfder tijd het Symbolisme vrij spel in haren eeredienst. Zoo bezit Rome een keurig uitgewerkte dogmatiek, maar zonder er den geest des volk meê te vermoeien. De kerk denkt voor het volk, hunner is het onbewuste gleoof. Dit geloof vertrouwende in de onfeilbaarheid van de kerk wordt als voldoende voor de leeken beschouwd. Ligt de Openbaring zoodoende veilig, dan mogen geestelijkheid en leeken zich verder de weelde veroorloven van den prachtigsten en meest artistieken symbolischen eeredienst. De indruk van een hoogmis in de St. Pieter of in de kathedralen van Keulen of Milaan is inderdaad overweldigen. Maar de schaduwzijde is duidelijk zichtbaar en aan het einde der middeleeuwen, kon zoowel de lagere als de hoogere klasse getuigen, tot welke treurige gevolgen voor kerk en maatschappij, dit compromis tusschen Openbaring en Symbolisme had geleid. Ik doel hier niet op het misbruik. Van misbruik heeft ieder systeem te lijden. Ik vestig uwe aandacht slechts op feiten, die, aan het eind der middeleeuwen, de logische consequentie van het systeem zelve bewezen. Gods heilig Woord bijna niet gekend door het volk. Een overvloed van mystieke sensaties, die den geest verdonkerden. Een algemeene stompheid en dofheid, die zoowel geweten als bewustzijn in slaap hield en den afstand tusschen de lagere en de hoogere klassen wijd en scherp maakte. De leeken overheerscht door de geestelijkheid. Alle levensenergie gebroken. En de geest der vrijheid en onafhankelijkheid geheel ten onder gebracht.

Op dat kritieke oogenblik zond God een reddenden engel in wat wij nog altijd blijven eeren als de Reformatie, en deze machtige reactie tegen het Roomsche Symbolisme, ten deele beteugeld in de Luthersche en meer nog in de Episcopaalsche kerk, is alleen ten volle uitgewerkt in de Calvinistische lijn in de non-conformistische kerken. Deze kerken namen de meest besliste houding tegen Rome aan. In plaats van te vertrouwen op gevoel en sensatie, beriepen zij zich op het Geloof, en geloof beteekende hier zoowel het begrijpen der Revelatie als de persoonlijke toepassing op de ziel. Zij ontkenden beslist de noodzakelijkheid om het Oneindige te verbinden met het eindige door middel van symbolen. God had zichzelven geopenbaard, had de mysteriën der zaligheid geopenbaard, had voor ieder terrein onzer existentie zijne ordinantiën geopenbaard. En naar Jezus’ getuigenis, was het eeuwige leven niet het hebben van aangename gewaarwordingen, maar „U te kennen, den eenigen, waarachtigen God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.” Geen symbolen, maar de „wijsheid Gods” was de prediking des kruises. „Als tot verstandigen spreek ik, oordeelt gij hetgeen ik zeg,” vertolkt de apostolische methode van onderwijs, die niet alleen voor de geestelijkheid, maar voor al de heiligen de mysteriën van rechtvaardigmaking en verlossing uiteenzette.

Hier ligt alzoo het fundamenteele verschil tusschen onze oude Calvinistische kerken met hare kloeke belijdenis en Rome met haar compromis. Natuurlijk bestaat er een mystieke werking van verborgen krachten in onzen geest, een waarnemen van God in de consciëntie, aandoeningen der ziel in het gebed en een gemeenschapsleven met den inwonenden Heiligen Geest. Maar deze zijn de mystieke giften en het doel van Gods Openbaring is niet ons te beperken tot schaduwachtige en onbestemde gewaarwordingen, maar om ons de waarheid te verklaren, ons op te heffen tot een juist begrip van die waarheid en zoodoende de kinderen van het Koninkrijk der hemelen te bekwamen, het zuivere en heldere licht des Evangelies te ontsteken, belijders van een gezonde en duidelijke confessie te worden en, zoo noodig, hun martelaarsbloed te doen vloeien, niet voor mystieke aandoeningen, maar voor de onfeilbaarheid van Gods Openbaring. Van hier de verspreiding van hunnen Bijbel onder alle klassen der maatschappij; de duidelijk uiteengezette confessies, die zij in hunne banieren ontvouwden; het degelijke Schriftuurlijke bestanddeel hunner prediking; hun gezuiverde en vereenvoudigde liturgie; en eindelijk hunne onderwerping van ieder creatuur aan Gods heilige ordinantiën. Staande voor het dilemma van gevoel of verstand, verklaarden zij zich beslist voor het verstand. En wat betreft het fundamenteele dilemma tusschen de Openbaring, ons van God gegeven, en het Symbolisme, vrucht van menschelijke vinding en overeenkomst, stelden zij zich moedig tegenover het symbolische systeem en stonden op voor de alles beslissende autoriteit van Gods heilige Openbaring. Dit was de zenuw hunner kracht, en aan deze hardnekkige verdediging van de Openbaring tegenover het Symbolisme, danken zij hun onverwelkelijke glorie in de geschiedenis. Want, door dit besliste omdraaien van het rad des levens, is de menschelijke geest opgewekt uit zijn sluimering, zijn de verborgen krachten der menschheid te voorschijn gebracht, de rechtstreeksche gemeenschap tusschen God en de ziel hersteld, en de vrijheid van geweten, de vrijheid van godsdienstoefening, en als haar onmiddellijk gevolg, de vrijheid in het sociale en politieke, heroverd voor iedere natie, die hunne voetstappen volgde.

De opmerkingen, die ik tot dusverre onder uwe aandacht bracht, zullen, naar ik vertrouw, op voldoende wijze mijn bewering duidelijk maken, dat de symbolische stroom onzer dagen op de meest gevaarlijke wijze de fundamenten zelve van alle Calvinistische kerken ondermijnt. Het beginsel van het Symbolisme en het beginsel van het Calvinsme staan lijnrecht tegenover elkander. Er gaapt een ondempbare klove tusschen die beide. Het Symbolisme op de heilige erve verstompt en verdooft de organen van het verstand, en belemmert hunne functiën zóó, dat zij ophouden te werken. Onze kerken daarentegen, hielden niet op met Paulus „te bidden en te begeeren, dat al het volk Gods vervuld moge worden met de kennis van zijnen wil in alle wijsheid en geestelijk verstand.” Het Symbolisme werpt ons daarom terug in dat lagere stadium van godsdienstige ontwikkeling, dat slechts de zinnen der groote massa kon opwekken en bedwelmen. Onze kerken daarentegen hieven het godsdienstig leven op tot het veel hooger peil, dat iederen geloovige persoonlijk brengt tot het getuigenis van Johannes: „dat de Zoon van God gekomen is en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen.” En evenzoo onderwerpt het Symbolisme de leeken aan de mysterieuze handelingen van de geestelijkheid en kweekt hierdoor aristocratische sympathieën. Onze kerken daarentegen vereenigden geestelijkheid en leeken in ééne broederschap en legden zoodoende het fundament voor de democratische ontwikkeling der moderne tijden.

Laat daarom niemand antwoorden, dat, welke rampen ook elders dreigen, noch het Ritualisme, noch het Symbolisme in eigenlijken zin, tot dusverre in onzen Calvinistischen eeredienst is ingeslopen. Dit is zeker onbetwistbaar. Maar weet ge dan niet, dat geen goed rekenaar slechts de positieve cijfers berekent en de negatieve uitlaat? Welnu, in ons geval is het positieve het insluipen van het zinlijk element in den eeredienst. Maar hier is evenzeer een negatief n.l. het verduisteren van het verstand en het insluipen van onverschilligheid voor de belijdenis. Het Symbolisme begint altijd met de stem der belijdenis het zwijgen op te leggen en een kleinen afkeer van het dogma in te druppelen om op deze wijze de bedding uit te graven, waarin de schitterende ritualistische stroom kan vloeien. En nu, daar ik hier als vreemdeling verkeer, kent gij uwe eigen kerken beter dan ik. Maar zijt gij er werkelijk zeker van, dat deze negatieve actie van het Symbolisme nergens onder u werkt? Is het gevaar dat de liefde voor de banieren, door uwe vaderen ontrold, zal ondergaan in zuiver practisch werk en mooien eeredienst, dan slechts een hersenschim? En indien niet, indien werkelijk onder u de innige gehechtheid aan de geopenbaarde waarheid vermindert en een zekere confessioneele onverschilligheid reeds merkbaar wordt en de geestelijke atmosfeer benevelt, laat dan de wachter op Sions muren den toren beklimmen, want dan staat de poort open en ligt het Symbolisme te loeren voor de gracht. Zoomin als een kapitein den rukwind kan bezweren, die zijn schip dreigt, maar op zijn roer moet letten, zoomin kunt gij den symbolischen stroom beteugelen, indien gij niet getrouw blijft aan uw eigen kerkelijk besginsel. Want zulk een stroom is een alles-doordringende, alles-beheerschende macht, die alleen beteugeld kan worden door de even groote macht van uwe gehechtheid aan de geopenbaarde Waarheid.

Laten wij onszelven niet bedriegen. Het philosophische Agnosticisme, Rome’s fides implicita, Ritschl’s anti-dogmatische school, de nieuwe school van Sabbatier in Parijs, Rome’s verbergen van den Bijbel, zoowel als het onttronen van de Schrift door de hoogere critiek, en eveneens de toenemende confessioneele onverschilligheid, bewegen zich alle op dezelfde lijn, en het einde van die lijn is niet anders dan zinnelijke godsdienst en schemerachtige, symbolische eeredienst.

Laat er geen misverstand zijn. Als ik wijs op het ernstige gevaar, waarmede het Symbolisme de toekomst van ons Calvinistisch kerkelijk leven bedreigt, en pleit voor een beslisten terugkeer naar ons beginsel en een bezielde toewijding aan onze heilige roeping, dna is het niet mijn bedoeling ale schuld te werpen op onze tegenstanders en onszelven geheel vrij te spreken. Er waren en er zijn onder ons ernstige misstanden. In de hitte van den strijd hebben onze vaderen zich meer dan eens schuldig gemaakt aan eenzijdigheid en overdrijving. Ons eigen kerkelijk leven was dikwijls verre van volmaakt, en ik zou niet durven beweren dat, zonder verdere ernstige ontwikkeling, de volkomen harmonie tusschen de verschillende elementen in onzen eeredienst kan worden bereikt. De begeerte naar het zuivere begrip der waarheid heeft dikwijls geleid tot een beleedigende bekrompenheid, tot een leelijke twistgierigheid en tot een eigenwaan van den onwetende, waardoor de Christelijke liefde gewond en de Heilige Geest Gods bedroefd werd. De verzekerdheid des geloofs, berustende op de dogma’s der uitverkiezing en der volharding der heiligen, is meer dan eens gehandhaafd op zoo koele en uitwendige wijze, dat de mystieke unie met Christus er door tot het vriespunt gebracht werd. De rechtvaardiging door het geloof alleen is maar al te dikwijls een verontschuldiging voor onbarmhartigen en luiaards om zich te onthouden van, ja te spotten met Christelijke werkzaamheid. En in onze heilige diensten worden oog en oor dikwijls beleedigd door zulk een verwaarloozing van wat schoon en liefelijk is en wel luidt, alsof het Christelijk geloof en schoone, harmonieuze uitwendige vormen antipoden waren. God geeft in zijne Openbaring altijd eere aan het Schoone. Zelfs van Christus wordt gezegd: „Gij zijt schooner dan de kinderen der menschen”.

Onze besliste oppositie tegen het Symbolisme mag daarom nooit het zwijgen opleggen aan de eischen der liturgie. Calvijn en zijn muzikale vrienden, Goudimel en Bourgeois, stelden alle pogingen in het werk om het zingen, niet van een koor, maar van het gansche volk, volkomen zuiver en melodieus te doen zijn. En wat de liturgie betreft, laat mij uwe aandacht mogen vestigen op een meer uitgewerkte Calvinistische liturgie van gemengd Hollandsch en Engelsch karakter, die ik het voorrecht had veertig jaren geleden in de werken van Johannes à Lasco opnieuw te publiceeren. De Nederlandsche Calvinisten van het midden der zestiende eeuw werden ten doode toe vervolgd door de Spaansche wreedheid en zochten toen toevlucht onder koning Eduard VI in Londen. Hier werd Johannes à Lasco hun leeraar en deze scherpziende man voorspelde aan Cranmer nu driehonderd jaar geleden al de verderfelijke resultaten, waartoe het common prayer book nu feitelijk leidt en bewees op alle punten zulk een zuivere Presbyteriaan te zijn als gij of ik. En diezelfde man vervaardigde voor zijn Hollandsche kerk in Londen zulk een prachtige, treffende, verheven en uitgewerkte liturgie, uitgegeven in het Latijn (opdat ieder Gereformeerd predikant haar zou kunnen lezen) onder den titel van Forma ac Ratio, dat wij slechts naar onzen ouden schat behoeven terug te keeren om precies het model gereed te vinden, dat wij noodig hebben. Laat ons nooit vergeten dat, wat Johannes à Lasco, door de zeldzame scherpte van zijn geestesblik, in zijn tijd vooruitzag, zooveel meer waar is in onze dagen. Wij mogen nie taltijd in het oude spoor blijven voortloopen. Drie eeuwen van toenemende beschaving hebben den publieken smaak derwijze verfijnd, dat het een onschriftuurlijke minachting zou zijn van de innige verwantschap tusschen het natuurlijk leven en het leven der genade, als onze kerken deze teekenen der tijden niet wisten te onderscheiden. Hij, die iederen billijken liturgischen eisch gehoor ontzegt en het zelfs een eere vindt al wat verheven en harmonieus is uit onze diensten te bannen, moge zich inbeelden het Symbolisme te bestrijden, hij is het juist die zijn vijand een gebaanden weg bereidt. Dit alles doelt evenwel uitsluitend op de reformatie van misbruiken, op het wegnemen van wat eenzijdig uitgegroeid of overdreven is, en op het harmonizeeren, zoo ge wilt, der dissonanten, maar het laat het beginsel zelve onaangeroerd en ongemoeid. Het Symbolisme vervangt de Openbaring en doet ons terugkeeren van bewuste tot onbewuste religie. Het Calvinisme plaatst altijd de Openbaring op den voorgrond en duldt geen andere verrichtingen dan die in staat zijn haar weêr te geven en zorgvuldig onder haar heerschappij te blijven.

En als dan ten slotte, want ik moet tot mijn conclusie komen, gij mij vraagt, hoe wij den verderfelijken invloed van het Symbolisme, dat wij bestrijden moeten, onderscheiden kunnen van de zuivere liefde voor liturgische reformatie, die aangemoedigd moet worden, ziehier dan mijn antwoord.

Ingeval gij te doen hebt met een heer of dame, die met geestdrift pleiten voor prachtige muziek, schitterend gezang en rijk versierde kerken, maar voor wie de belijdenis, waarvoor onze martelaren hun leven gaven, een doode klank is; die niets geven om de meest fundamenteele punten onzer confessie; die bijna weigeren antwoord te geven, als hun rekenschap gevraagd wordt van de hope, die in hen is; weet dan, dat de symbolische bloedvergiftiging begonnen is en poog hen te redden met zachtmoedigheid en vreeze. Maar als daarentegen de man, die zooeven met warmte en overtuiging het goed recht van een meer waardigen liturgischen eeredienst verdedigde, driemaal zoo ernstig en welsprekend wordt, zoodra de fundamenten der goddelijke waarheid aangevallen worden, wees dan niet bevreesd: zulk een heeft geen druppel Symbolisme in zijn levensbloed, in hem spreekt de ware Calvinist, en, liever dan hem te wantrouwen, moogt gij u zelve wel eens verbeteren op het punt der gehoorzaamheid aan de wet van het Schoone, die God verordend heeft.


*

In de vergadering van de Historical Presbyterian Society te Philadelphia op 6 December 1898, waar Dr. Kuyper bovengenoemde lezing gehouden heeft, verzocht eene delegatie van de Presbyterian Alliance vooraf het woord en bracht bij monde van Rev. Roberts dit adres uit, dat als niet alleen hem, maar ook de kerken in Holland bedoelende, ter kennisse van die kerken behoort gebracht te worden:

Philadelphia, Pa., 6 Dec. 1898.

The Rev. Abraham Kuyper, D.D., LL.D.,


Reverend and esteemed brother in the Lord:


It gives me great pleasure as the Chairman of a representative Committee of the American Branch of the „Alliance of the Reformed Churches throughout the world holding the Presbyterian System”, to tender to you the fraternal greetings and the appreciative regard of the Executive Commission of the Alliance. There are with me as representing that body, the Rev. Dr. Good and Rev. Dr. Crawford of the Reformed [German] Church in the United States; Rev. J. Addison Henry, D.D. and George Junkin, Esq., LL.D., of the Presbyterian Church in the U.S.A.; Rev. Dr. Steele, of the General Synod of the Reformed Presbyterian Church, Rev. Dr. Stevenson, of the Synod of the Reformed Presbyterian Church, and Rev. Dr. Barr of the United Presbyterian Church. While thus but five of the denominational Churches in the Alliance are personally represented on this occasion, all of the ten Presbyterian and Reformed Churches in the United States, with the Presbyterian Church in Canada unite in the representation of respect and esteem. The resolution of the Executive Commision, passed at its October meeting at St. Louis, Mo., reads —

„The Commission notes with great pleasure the presence in the United States of one of the strongest thinkers and most influential ministers of the Reformed Churches on the Continent, the Rev. Prof. Abraham Kuyper of the Free Reformed Church of Holland [Doleerenden].

Resolved, that this Commission expresses its great pleasure at the visit of Rev. Prof. Kuyper to America, and in the name of the Presbyterian and Reformed Churches in this Alliance, give him a cordial welcome, praying that his visit among us may prove a great blessing to our Churches, as well as a great pleasure and benefit to himself”.

To the action of the Commission, we gladly add specific acknowledgement of some of the grounds of our fraternal congratulations.

We recognize in you one of the leaders of our common faith and order, and cordially acknowledge the great services which you have rendered both to Calvinism and to Presbyterianism, in that stronghold of the Reformed faith, the land of Holland. We remember that your country has been from the Reformation onward, both a refuge for the persecuted, and a defender of the faith once delivered to the saints. We also recall with pleasure the fact that the first ecumenical Council of the Reformed Churches was assembled at the call and request of the States-General of the Netherlands, at Dordrecht in Holland in 1618, that in that Council delegates from the Reformed Churches of England and Scotland sat with the representatives of other Reformed Churches, and that their labours resulted in that memorable Confession, known as the Canons of the Synod of Dort. Further, this land in which you are a most welcome guest, is united both by ties of faith and of blood, with your native country. Americans acknowledge with gratitude to God their indebtedness to the men and women who, leaving Holland during the 17th Century, laid on this Continent along with the Puritan and the Presbyterian, the foundations of the Republic. America in part, is a new Holland, and in this Republic the faith of our Calvinistic ancestors is the faith of many millions of earnest evangelical believers, and that federative principle which is inherent in Presbyterianism, si the dominant principle in the government of the nation. We rejoice, in addition, that in Holland, the new reformation of the Church, begun during the last generation, has had in yourself, both as a minister of Christ and as a member of the States-General of the Netherlands, a constant, brilliant and successful advocate and leader. Accept sir, from the American and Canadian Churches not only their sincere regard and high esteem, but also their best wishes, that the years which lie before you, may be yet more productive of good for the Presbyterian and Reformed Churches, both in Holland and elsewhere, and for the advancement throughout the world of that liberty with which the Gospel frees mankind. Take back, likewise to your own land, the greetings of the American and Canadian Churches in the „Alliance of the Reformed Churches holding the Presbyterian System,” to your own Church the Christian Reformed Church of the Netherlands, with the hope that more and more through its influence the evangelical faith may prevail in Holland, and may under the blessing of God be mighty in Europe and the world, for the overthrow of all wrong, and for the inbringing of His kingdom whose right it is to reign. We invoke upon you and yours the blessing of Him who is „the King eternal, immoral, invisible, the only wise God, to whom be glory forever and ever. Amen.”

In behalf of the Alliance,

Wm. Henry Roberts,

American Secretary.


Philadelphia, Pa., Dec. 1898.

Den Weleerwaarden Zeergeleerden Heer Dr. Abraham Kuyper.


Hooggeachte Broeder in den Heere!


Als voorzitter van een vertegenwoordigend comité van de Amerikaansche Afdeeling van den „Bond van Gereformeerde Kerken over de geheele wereld, die het Presbyteriaansche stelsel huldigen,” is het mij een groot genoegen u de broederlijke groeten en betuiging van hoogachting van het uitvoerend comité van den Bond over te brengen. De vertegenwoordigers van dat lichaam zijn met mij medegekomen: Dr. Good en Dr. Crawford van de Duitsche Gereformeerde Kerk in de Vereenigde Staten, Dr. J. Addison en Mr. George Junkin van de Presbyteriaansche Kerk in de Vereenigde Staten; Dr. Steele van de Algemeene Synode van de Gereformeerde Presbyteriaansche Kerk, Dr. Stevenson van de Synode der Gereformeerde Presbyteriaansche Kerk, en Dr. Barr van de Vereenigde Presbyteriaansche Kerk. Terwijl dus vijf van de voornaamste Kerken van den Bond bij deze gelegenheid persoonlijk vertegenwoordigd zijn, wenschen al de tien Presbyteriaansche en Gereformeerde Kerken in de Vereenigde Staten, met de Presbyteriaansche Kerk in Canada u eenpariglijk hare waardeering en hoogachting te betuigen. Het besluit van het uitvoerend comité, genomen te St. Louis, Mo, luidt als volgt:


„Het Comité spreekt zijn groote blijdschap uit over het verblijf in Amerika van Prof. Abraham Kuyper van de Gereformeerde Kerken in Nederland, dien zij huldigen als een der grootste denkers en meest invloedrijke predikanten van de Gereformeerde Kerken in Europa;

en besluit dat dit comité deze gevoelens aan Prof. Kuyper zal vertolken, en uit naam van de Presbyteriaansche en Gereformeerde Kerken van dezen Bond, hem hartelijk welkom zal heeten, met de bede dat zijn verblijf onder ons èn voor onze Kerken èn voor hemzelven een rijken zegen moge afwerpen.”


Aan deze groetenis van het Comité voegen wij gaarne een korte uiteenzetting toe van de gronden, waarop onze broederlijke gelukwenschen berusten.

Wij huldigen in u een der leiders van ons gemeenschappeijk geloof en kerksysteem en erkennen van harte de groote diensten, die gij in Holland, dat bolwerk van het Gereformeerde geloof, zoowel aan het Calvinisme als aan het Presbyterianisme bewezen hebt. Wij herdenken, hoe uw vaderland, sinds de Reformatie, den vervolgden een toevlucht geschonken en het geloof, eenmaal den heiligen overgeleverd, verdedigd heeft. Met vreugde doen wij gedachtenis van het feit, dat de eerste algemeene Synode van de Gereformeerde kerken te Dordrecht in 1618 bijeenkwam ingevolge de oproeping van de Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden, en dat in die Synode afgevaardigden van de Gereformeerde Kerken van Engeland en Schotland nederzaten met de vertegenwoordigers van andere Gereformeerde Kerken; en dat de vrucht van hun arbeid is geweest de gedenkwaardige Confessie, bekend als de Leerregelen van de Dordtsche Synode. Voorts is het land, waarin wij u allen hartelijk welkom heeten, door banden des geloofs en des bloeds met uw geboorteland verbonden. De Amerikanen erkennen met lof aan God den Heere de groote zegeningen, die zij te danken hebben aan de mannen en vrouwen die Holland verlieten in de zeventiende eeuw, en met de Puriteinen en Presbyterianen den grondslag van onze Republiek gelegd hebben. Amerika is voor een deel Nieuw-Holland, en in deze Republiek is het geloof onzer Calvinistische voorvaderen het geloof van millioenen vrome kinderen Gods en is het federatieve beginsel, dat levensbestanddeel van het Presbyterianisme, het heerschende beginsel in de regeering der natie. En eindelijk verheugen wij ons, dat de laatste reformatie der Kerk van Holland in u, als dienaar van Christus én als lid der Staten-Generaal, een standvastig en uitnemend leider en pleitbezorger bezit, die haar tot meer dan één overwinning gevoerd heeft. Aanvaard, Hooggeachte Dr Kuyper, van de Amerikaansche en Canadeesche Kerken niet alleen de betuiging harer hartelijke sympathie en bijzondere hoogachting, maar tevens hare beste wenschen, dat de jaren, die voor u liggen, nog meerdere rijke vruchten mogen afwerpen voor de Presbyteriaansche en Gereformeerde Kerken zoowel in Holland als elders en voor de verbreiding over de gansche wereld van die vrijheid, waarmede het Evangelie de menschheid vrijmaakt. Wil ook, als gij teruggekeerd zult zijn, aan uw eigen Kerk, de Gereformeerde Kerk van Nederland, de groetenis van den „Bond van Gereformeerde Kerken over de geheele wereld, die het Presbyteriaansche stelsel huldigen,” met den wensch dat meer en meer door haar invloed het waarachtig geloof in Holland moge gevestigd worden. Moge zij onder Gods zegen hoog staan in Europa, ja in de gansche wereld, om het kwade ten onder te brengen en het Koninkrijk uit te breiden van Hem, wiens recht het is te heerschen over alle natiën. Wij bidden u en den uwen den zegen toe van Hem, die is „de Koning der eeuwen, de onverderfelijke, de onzienlijke, de alleenwijze God, Wien zij eere en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen”.

Namens den Bond,

Wm. Henry Roberts,

Secretaris voor Amerika.




1. Alles vloeit, niets houdt stand.




a. De Engelse tekst van de rede is uitgegeven als: The Antithesis between Symbolism and Revelation, Amsterdam-Pretoria (Höveker & Wormser Ltd.), Edinburgh (T.&T. Clark), London (Simpkin, Marshall, Hamilton, Kent, & Co. Ltd. [1899]







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004