Baken op de kust

De Heraut van de Gereformeerde Kerken in Nederland

No. 941, Amsterdam (J.A. Wormser)
Zondag 5 Januari 1896

a



We achten het oogenblik gekomen, om de Stellingen, die de Senaat der Vrije Universiteit onlangs bij afzonderlijke Publicatie bekend maakte, ook onder de oogen onzer lezers te brengen.

De hangende geschillen hebben zich nu ver genoeg ontwikkeld, om het voor de kenners duidelijk te maken, dat de strijd, die in den boezem der Vrije Universiteit uitbrak, wel metterdaad over haar levensbeginsel liep.

Dat dit nog niet voetstoots door allen wordt toegegeven, is waar. Edoch, is het zoo onnatuurlijk, dat meer dan één den moed mist, om ongelijk te bekennen, na zich eerst in tegenovergestelden zin te hebben uitgelaten?

En ook, zou men niet vreemdeling in ons Nederlandsch Jeruzalem moeten zijn, indien men ontkende, dat zulke quaestiën zich bij ons steeds vermengen met persoonlijke sympathieën en antipathieën, en langen tijd schier uitsluitend dáárnaar beoordeeld worden?

Toch is de kruitdamp nu reeds genoeg opgetrokken, om met zekerheid te kunnen voorspellen, dat, als na eenige jaren de Historie haar oordeel zal vellen, dit oordeel geen ander zal kunnen zijn, dan dat metterdaad Art. 2 der Statuten thans met ernst en veerkracht moest gehandhaafd worden, of dat het voorgoed krachteloos zou zijn gemaakt, en dat de Vrije Universiteit hiermee weg zou zijn geweest.

Niet dán toch bloeit die Universiteit, als ze, met prijsgeving van haar beginsel, het getal van haar hoogleeraren en van haar studenten verdubbelt, maar als ze blijkt de innerlijke veerkracht te bezitten, om onder de pijnlijkste omstandigheden, zij het ook met verlies van hoogleeraren en studenten en geldmiddelen, haar beginsel ongeschonden te bewaren.

De sierlijkste boom gaat dood, als de wortel verkankert, ook al staat zijn kroon op het oogenblik nog wijd vertakt. En daarentegen zoolang de wortel maar gezond blijft, kan de afgehouwen tronk nog uitloopen, ook al moest desnoods heel de stam worden afgekapt.

En die wortel nu is voor de Vrije Universiteit het beginsel, dat ze in Art. 2 van haar Statuten belijdt.

Dat artikel 2 is, gelijk onze vaderen zeggen zouden, het articulus stantis aut cadentis Universitatis, d.w.z. het artikel waarmee de Universiteit staat of valt.

Bij de stichting dezer Universiteit is nu van min welwillende zijde herhaaldelijk geprofeteerd, dat, als het er op aankwam, de Vrije Universiteit niet in staat zou zijn, haar beginsel te handhaven.

Ons scheen destijds toe, dat dit wel kon, ook al hadden we toentertijd nog geen flauw voorgevoel van de pijnlijke offers waarop dit kon te staat komen.

Want, ja, er moest met aangrijpenden ernst gehandeld worden, of het doel ware gemist geworden.

De verleiding, om in het hachelijk oogenblik toe te geven, was zoo onbeschrijflijk groot; niet, het minst doordien zij, die hadden moeten steunen, en er toe geroepen waren, in stede van dien steun te bieden, het doorzetten van den strijd veelszins bemoeielijkten.

Maar de zaak is thans gewonnen, en hierin ligt voor de toekomst de beslissing.

Het is nu gebleken, dat de Vrije Universiteit tot geen prijs te bewegen was, haar beginsel los te laten, en dat ze liever het liefste prijsgaf, dan zich te bezondigen aan ontrouw.

Haar vaandel is niet verbleekt, maar mag zich nog met heldere banen ontplooien.

Juist daarom echter is het wenschelijk, dat zij die in de Vrije Universiteit een gave Gods aan ons volk zagen, dan nu ook dieper doordringen in wat aanhangig was, en zich er, met toenemende helderheid, rekenschap van geven, op hoe ernstige wijze het beginsel bedreigd was.

Daartoe nu heeft men in de eerste plaats kennis te nemen van de hieronder staande Stellingen.

Bij de lezing hiervan houde men intusschen wel in het oog, dat deze Stellingen in het minst niet ontworpen zijn, om zekere tegenstelling te zoeken.

Integendeel, bij de ontwerping van deze Stellingen zweefde geen der opstellers een ander doel voor oogen, dan dat het ten slotte gelukken mocht ook de dissentieerende hoogleeraren er voor te vinden.

Men kon zich nog niet voorstellen, dat ze er niet voor zouden te winnen zijn.

Eerst later, toen ze aan de orde kwamen, deed men de pijnlijke ervaring op, dat zelfs deze Stellingen, die toch zoo zuiver en recht liepen, in hoofdzaken en bijzaken, verworpen werden.

Doch hiermede was de zaak dan ook beslist.

De Universiteit mocht zich van dat oogenblik af niet langer vleien met een hoop, die een schuldige illusie zou zijn geworden.

Langer te aarzelen ware plichtsverzaking geweest.

Ter toelichting voorshands slechts dit.

De Stellingen, gelijk ze hier volgen, zijn ontworpen door een Commissie van drie leden. Ze zijn daarna door den Senaat in handen van de gezamenlijke Professoren gesteld, en door deze op enkele punten, wat de redactie aangaat, gewijzigd, en met algemeene stemmen op twee na aangenomen. En daarop zijn ze door den Senaat als zoodanig overgenomen, en in dezen laatsten vorm gepubliceerd.

Het begin dat er boven staat, is de inleiding, waarmee ze als rapport bij den Senaat inkwamen, en die we volledigheidshalve staan laten.

Het geheel nu luidt aldus:

De inleiding waarmede deze stellingen bij den Senaat werden ingediend, was van dezen inhoud:

„De ondergeteekenden ontvingen in opdracht, een schema in gereedheid te brengen, dat als leiddraad zou kunnen dienen voor de bespreking van de beteekenis, die in artikel 2 van de Statuten der Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag voor ons Hooger Onderwijs in het gemeen, en voor de afzonderlijke vakken in het bijzonder, zij toe te kennen aan de in dit artikel voorkomende uitdrukking: de Gereformeerde beginselen. Daar echter de uitgebreidheid van dit onderwerp h.i. splitsing noodzakelijk maakte, achten zij zich voor ditmaal te moeten bepalen tot het ontwerpen van een schema voor de methodologie van deze beginselen. En dat wel een schema voor zóódanige bespreking, dat voortaan zou afgesneden worden de noch universitair, noch wetenschappelijk te rechtvaardigen toestand, dat elk hoogleeraar zich, geïsoleerd, een denkbeeld van deze beginselen vormde; en daarentegen de eenig gewettigde toestand voorbereid, waarin de gezamenlijke hoogleeraren, op grond van gemeenschappelijk onderzoek, althans van eenzelfde grondbeschouwing over de beteekenis der Gereformeerde beginselen, bij hun onderwijs zouden uitgaan.

„Zij hebben de eer, als vrucht van hun commissoriale bespreking, hierbij aan den Senaat dit Schema in de volgende reeks stellingen aan te bieden”.


1.

Onder Gereformeerde beginselen is in Art. 2 der Statuten te verstaan: de beginselen van het Calvinisme.

Al wordt toch niet ontkend, dat de naam van „Gereformeerd” ook wel gebezigd is ter aanduiding van het Zwinglianisme, en op Duitschen bodem een ten deele Melanchtoniaansche strooming dekte, ja, zelfs hier te lande met zekere voorliefde door de Arminianen werd aangegrepen, historisch staat niettemin vast, dat het Calvinisme op Gereformeerd terrein de meest principieele uiting van het Gereformeerde leven vertoont, zoodat dit hieruit, en niet uit zijn zwakkere en minder zuivere formatiën moet gekend worden; terwijl voorts het tweede gedeelte van Art. 2, waarin voor de Theologische faculteit de Gereformeerde beginselen nader aan de Formulieren van Eenigheid der streng Calvinistische kerken in Nederland gebonden worden, niet slechts deze opvatting bevestigt, maar zelfs elke andere uitsluit.

2.

Aangezien in Art. 2 der Statuten van Gereformeerde beginselen alleen in dien zin gesproken wordt, dat zij den grondslag van zeker onderwijs moeten uitmaken, zoo zijn hier onder beginselen te verstaan, niet die uitgangspunten welke in de feiten en in het wezen der dingen liggen, maar zulke beginselen die in het bewustzijn de wereld der gedachte beheerschen.

Natuurlijk worden de uitgangspunten van het denken, die in de feiten en in het wezen der dingen ook voor het denken liggen, daarom niet buiten rekening gelaten, maar slechts uitgesproken, dat ze in den grondslag van het onderwijs eerst meerekenen nadat ze uitgedrukt zijn in den vorm der gedachte. Voorts wordt door den meervoudigen vorm niet ontkend, dat deze beginselen een gemeenschappelijken wortel hebben en alzoo organisch samenhangen, maar terwijl dit laatste erkend wordt, slechts aangeduid, dat de onderscheidene vakken van onderwijs in engeren zin afgeleide beginselen tot uitgangspunt hebben.

3.

„Gereformeerde beginselen” mag niet uitsluitend verstaan worden in antithetischen zin, als kwame hierbij slechts datgene in aanmerking wat de Calvinistische richting van andere richtingen onderscheidt, zoodat hetgene haar met andere richtingen gemeenschappelijk is buiten beschouwing zou blijven; maar is aldus te begrijpen, dat de Gereformeerde beginselen zijn die beheerschende uitgangspunten van ons denken, die geheel het menschelijk leven, zoo als zich dit in Calvinistische kringen vertoont, verklaren en richten kunnen.

4.

Overmits het menschelijk leven, in zijn Calvinistisch type, niet een nieuwe schepping is, maar opkomt in de historie; noch ook in zichzelf is opgesloten, maar in gedurige aanraking komt, ja, organisch samenhangt met het menschelijk leven, dat in verwante of geheel vreemde of zelfs tegenovergestelde vormen optreedt, moet het ook in verband met dat overige leven beschouwd worden en moeten de Gereformeerde beginselen tevens bij het onderwijs het uitgangspunt geven voor de juiste beschouwing van, en het rechte oordeel over dit voor- en buiten-Calvinistische leven.

5.

De Gereformeerde beginselen mogen niet, naar de wijze der Nominalisten, in onsamenhangenden zin worden opgevat, als ware hieronder te verstaan, hetgeen óf bij Calvijn óf bij eenigen Calvinist na hem, als bewust denkbeginsel is uitgesproken. Meer dan eenige andere richting is juist het Calvinisme tegen zulke oppervlakkige opvatting gekant. Van God en niet van den mensch ging de actie uit, die aan een deel der Christenheid den hoogeren levensvorm schonk, die in het Calvinisme belichaamd is. De gedachte, die bij deze actie Calvijn en zijn geestverwanten dreef, gaat boven hun persoonlijk denken uit. Zij zijn geleid door motieven, die lang niet altijd tot hun persoonlijk bewustzijn, in al haar klaarheid, waren doorgedrongen. En allerminst stelde helder inzicht in den organischen gedachtensamenhang van deze motieven hen tot het formuleeren van hun denkbeginselen in staat.

Uit dien hoofde is het wetenschappelijk onderzoek naar de Calvinistische beginselen allerminst afgeloopen, zoo we weten wat Calvijn dacht; maar is dit dan eerst voleind, zoo we volledig en in juist verband die uitgangspunt voor ons denken, op elk terrein des levens, voor ons hebben, waaruit logisch consequent een denkwereld voortkomt, die het Calvinisme als levensverschijnsel ten volle dekt en in zijn verschillende levensuitingen verklaart.

6.

Hieruit volgt, dat bij het onderzoek naar de kennis der Gereformeerde beginselen zeer zeker ook te rekenen valt met hetgeen de oorspronkelijke en latere Calvinistische denkers als beginselen van hun denken hebben aangegeven; maar tevens dat hetgeen aldus door hen is uitgesproken aanvulling en critiek behoeft, en dat deze alleen te verkrijgen is door nauwkeurige bestudeering van het geheele complex van verschijnselen, waarin zich het menschelijk leven van Calvinistisch type, zoo op kerkelijk als staatkundig, op huiselijk als maatschappelijk, op wetenschappelijk als aesthetisch gebied, geopenbaard heeft, en zulks in zijn oorsprong, zijn historisch verloop, en zijn huidig bestand.

7.

Bleek dat achter deze verschillende verschijnselen geen gedachte school, of ook dat de gedachten, die in deze onderscheidene verschijnselen zich belichaamden, onderling niet saamhingen, en alzoo niet tot vaste beginselen te herleiden waren, zoo zou hieruit volgen, dat er slechts van aphoristische verschijnselen, maar in geen geval van Gereformeerde of Calvinistische beginselen sprake kon zijn.

Teneinde in den zin van Art. 2 der Statuten hooger onderwijs op den grondslag der Gereformeerde beginselen te kunnen geven, moet dus ondersteld, dat achter deze onderscheidene verschijnselen wel een gedachte schuilt, en dat deze onderscheidene gedachten wel tot beginselen te herleiden zijn, en dat deze beginselen wel onderling samenhangen.

Doel der methodologie van de Gereformeerde beginselen moet dienvolgens zijn, de gedachten, waaruit de kenmerkende verschijnselen van het Calvinisme zich verklaren laten, op te sporen, van deze gedachten uit door te dringen tot de beginselen, waaruit ze opkomen, en niet te rusten eer de wortel is blootgelegd, waaruit deze beginselen in organisch verband opspruiten.

8.

Onder „verschijnselen” in de 6e en 7e stelling zijn te verstaan, niet enkel levensuitingen in engeren zin, maar evenzoo gewoonten en toestanden; en niet minder gedachtenuitingen, zoo over eigen leven, als over het vóór- en buiten-Calvinistische menschelijk leven en denken.

9.

Overmits er „wisselwerking” bestond tusschen de eigenaardige gesteldheid van het menschelijk leven in die volkskringen, waar het Calvinisme ingang vond, en de Calvinistische geestesrichting zelve, levert het gemeenschappelijke in de eigenaardige gesteldheid van deze volkskringen een niet te versmaden bijdrage tot het rechte inzicht in de Gereformeerde beginselen.

10.

Bij het opsporen van de kennis der Gereformeerde beginselen uit het complex van de verschijnselen, die het Calvinistische leven, in onderscheidene landen en tijden, te aanschouwen geeft, is niet aan alle deze verschijnselen gelijke waardij toe te kennen.

Bij het afwegen dezer onderscheidene waardij, is rekening te houden met deze distinctiën:

1º. is te onderscheiden tusschen de uitingen van het Calvinistische leven in zijn middelpunt, en in den meer afgelegen omtrek; met dien verstande, dat de waarde, aan de verschijnselen te hechten, klimt, naar gelang ze dichter bij het centrum liggen, en daalt naar mate ze meer den omtrek naderen;

2º. is te onderscheiden tusschen de formatie van het Calvinistische type in zijn opkomen, en tusschen de ontwikkeling van dit eens geformeerde type in zijn historisch verloop, met zijn vertakkingen, verzwakkingen en ontaardingen;

3º. is te onderscheiden tusschen hetgeen in deze levensuitingen essentieel en accidenteel is; en voor wat het laatste aangaat, is met name daarop te letten of en in hoeverre iets uit eigen beginsel ontsproten, dan wel uit het verleden meê overgenomen is; of en in hoeverre iets uit het beginsel voortvloeide, dan wel accommodatie aan bestaande toestanden was; en zoo ook of en in hoeverre de zuivere doorwerking van het beginsel belet werd door van elders geboden tegenstand of geoefenden dwang;

4º. is te onderscheiden tusschen hetgeen Calvijn c.s. zelven met bewustheid inzagen en najaagden, en datgene wat hen, zonder dat zij het genoegzaam helder inzagen, onbewust bewoog, voortdreef en leidde;

en 5º. is te onderscheiden tusschen hetgeen zij enkel thetisch en daardoor meer in algemeenen vorm uitspraken, en hetgeen zij ook antithetisch, en daardoor in scherper belijning, hebben uiteengezet.

11.

Voorzoover het Calvinisme over zichzelf heeft nagedacht, en ons de vrucht van dit denken in geschriften heeft achtergelaten, is de leidende gedachte van het Calvinisme te zoeken op Kerkelijk en Theologisch gebied; eensdeels overmits op dit gebied de heel ons menschelijk leven beheerschende vraagstukken thuisbehooren, en anderdeels omdat het Calvinisme zich juist daardoor als principiëele levensrichting openbaarde, dat het begon met den strijd aan te binden op geloofsterrein.

Uit dien hoofde staat als eerste kenbron van het Calvinisme op den voorgrond die beschouwing over de Heilige Schrift en die uitlegging van haren inhoud waarvan de Belijdenisschriften der Gereformeerde kerken ons getuigenis geven.

Buiten de Heilige Schrift kende het Calvinisme geen ons denken volstrektelijk beheerschend gezag; maar dat gezag der Heilige Schrift wilde het dan ook doen gelden zuiverlijk en in vollen omvang. Het bond zich daarom niet enkel aan wat letterlijk in dezen of genen tekst geschreven stond, maar ook aan de logische gevolgtrekkingen, die in die enkele teksten en in den samenhang dier teksten besloten lag, overmits het oordeelde, dat er geen Woord Gods kan zijn, zonder dat tevens alle logische gevolgtrekkingen uit dat Woord in dat Woord begrepen en alzoo mede bedoeld waren. En overmits nu én over de uitlegging van die teksten, én over hun samenhang, én over de logische consequentiën, die er in besloten lagen, verschillende meeningen waren verkondigd, de ééne meer, de andere minder zuiver, en hieruit zeer uiteenloopende voorstellingen van den wille en de openbaring Gods ontstaan waren, heeft het Calvinisme in zijn Belijdenisschriften uitgesproken, hoe en op wat manier het gezag der Heilige Schrift, dat ons leven en denken moet beheerschen, te verstaan zij.

12.

Subsidiair komen hierbij in aanmerking de Liturgische formulieren der Gereformeerde kerken, haar Kerkenordeningen, en andere door haar in Synoden genomen beslissingen, en de Dogmatische consensus van haar kundigste woordvoerders, zoo voor de leerstellige en zedekundige, als voor de kerkrechtelijke Godgeleerdheid; Calvijn, als vader van heel deze geestesrichting, vooraan.

13.

Tweede hoofdbron voor de kennis van de Gereformeerde beginselen is de verzameling strijdschriften, waarin de Calvinisten het goed recht van hun belijdenis en van geheel hun levensbeschouwing verweerd hebben tegen verwante of antithetische richtingen, met name tegenover de Roomschen, de Anabaptisten, de Libertijnen, de Socinianen, de Lutherschen, de Arminianen, de school van Saumur, de Independenten, de Cartesianen, de Coccejanen en de Spinozisten.

14.

Derde hoofdbron is de Historie van de Calvinistische kerken en volkeren, of ook van de Calvinistische groepen in landen, waar zij duurzaam vervolgd en ten laatste onderdrukt werden. En in verband hiermeê de beschrijving van de toestanden en gewoonten, die zich, onder den invloed van het Calvinisme, op allerlei gebied des levens gevormd hebben; alsmede de levensbeschrijving van Calvinistische mannen en vrouwen.

15.

Vierde hoofdbron eindelijk is hetgeen op wetenschappelijk en aesthetisch gebied (dit laatste met name in de poëzie), over allerlei onderwerpen, en in allerlei vorm, in den loop der eeuwen, van Calvinistische zijde geleverd is.

16.

Overmits Art. 2 van de Statuten der Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag bedoelt een beoefening der onderscheidene wetenschappen op den grondslag der Gereformeerde beginselen voor onzen tijd in het leven te roepen, is het vóór alle dingen noodig, dat aan die beginselen ook de beantwoording worde ontlokt van de vragen, die eerst sinds Kant’s onderzoek van het kennende subject meer op den voorgrond zijn getreden, en die in de 16de eeuw zich nog aan niemand, en dus ook niet aan Calvijn, in die volle strekking voordeden. Over den aard en het wezen onzer kennis, over de wijze waarop het kennend vermogen werkt, op het verband tusschen dit kennend vermogen en het te kennen voorwerp, over de grenzen onzer kennis, over de methode om kennis te erlangen, onderscheidenlijk bij de natuurlijke en de geestelijke wetenschappen, is bij onze vroegere Calvinisten geen genoegzaam bevredigend bescheid te vinden.

Toch mag ook de beantwoording van deze vragen, volgens Art. 2, niet van elders owrden verwacht, maar moet zij worden ontleend aan de Gereformeerde beginselen. Om nu hiertoe te geraken, zijn de gegevens die van Calvinistische zijde, in verband met ’s menschen schepping naar den Beelde Gods, zijn vastgesteld, zoo omtrent het wezen van den mensch en zijn vermogens, als omtrent de verhouding van onze kennis tot de kennisse Gods, omtrent de verhouding van den mensch tot den kosmos, omtrent de verduistering van ons verstand en de verdonkering van onze wijsheid door de zonde, omtrent het verband tusschen natuurlijke en bijzonderlijk geopenbaarde kennis, omtrent de uitwerking der palingenesie en der illuminatio, omtrent de vormen die de creatuurlijke kennis bij de engelen en de gezaligden heeft, — zóó bijeen te verzamelen, dat daaruit de theorie der kennis kunne worden opgebouwd.

Subsidiair doet dan daarbij dienst de kennisneming van den strijd die over onderwerpen, hiermeê saamhangende, van Calvinistische zijde gevoerd is met de Roomschen over de openbaring, met de Anabaptisten en anderen over de illuminatie, met de Lutherschen over de rede in den gevallen mensch, met de Socinianen over de rede en de openbaring, met de Cartesianen over het uitgangspunt van alle zekerheid, en met anderen over het verband tusschen kennis en gevoel, over het nominalisme, en over de aangeboren begrippen.

17.

Wat eindelijk de onderscheidene vakken van wetenschap aangaat, die niet tot de theologische wetenschap behooren, zoo wordt de studie dezer vakken in het gemeen beheerscht door de Calvinistische belijdenis omtrent de schepping, de souvereine regeering Gods over de wereld, het wezen van den mensch en van den kosmos, den val in zonde met de daaruit voortvloeiende verstoring van de oorspronkelijke schepping, zoo in als buiten den mensch, en omtrent de genade die deels algemeen, deels bijzonder van aard, zoowel den tegenwoordigen stand der dingen beheerscht als het einddoel van aller dingen verloop en ontwikkeling bepaalt. Uit deze onderscheidene gegevens vloeit een tegenstelling voort tusschen hetgeen alleen krachtens de schepping en hetgene krachtens herschepping in gewijzigden vorm bestaat, en het is de telkens zich openbarende verhouding tusschen deze beiden, die van Calvinistische zijde beheerscht wordt door de wijze waarop het Calvinisme de dingen der natuur en de dingen der genade onderscheidt en toch weer in verband zet.

In de tweede plaats moet elk afzonderlijk vak van studie rekening houden met de bijzondere gegevens, die met opzicht tot de voorwerpen waarmede zij zich bezighoudt, in de Calvinistische belijdenis, en dus ook in de bron waaruit zij vloeide, d.i. in Gods Woord gegeven zijn.

En in de derde plaats heeft elk afzonderlijk vak van studie zich, in het gemeen en bij elk onderdeel, rekenschap te geven van de inzichten, die in den Calvinistischen levenskring over zulk een vraagstuk steeds gegolden hebben, of ook bij wettige gevolgtrekking uit de naaste en de meer verwijderde beginselen van het Calvinisme voortvloeien.

Dit laatste met dien verstande, dat krachtens deze beginselen tevens critiek op de dusver heerschende inzichten worde uitgeoefend, en bij verschil van inzicht tusschen de onderscheidene Calvinistische personen of groepen, aan de beginselen de beslissing blijve.

Bij zich voordoenden strijd tusschen de gegevens der ervaring en de gegevens der Heilige Schrift, eischt het Calvinistisch beginsel, dat òf de onjuistheid der uit die natuurlijke gegevens getrokken conclusie worde aangetoond, òf de onjuistheid van opvatting bij de uitlegging der Heilige Schrift worde beleden.

18.

Langs dezen weg moet én de theorie onzer kennis én elk organisch deel der wetenschap, én eindelijk het geheel der wetenschap, ten slotte zóó komen te staan, dat de grondslag der Gereformeerde beginselen geheel en uitsluitend het gansche gebouw der wetenschap drage, en dit wel in dien zin, dat er niet één enkel rustpunt voor onze wetenschap overblijve, dat niet door onze beginselen gewaarmerkt zij.

Voor Copie conform,

KUYPER,   
h.t. Abactis.

Amsterdam, 15 Nov. 1895.

Dat met deze Stellingen het onderzoek nog op verre na niet is afgeloopen, behoeft wel nauwlijks herinnerd.

Het is er pas meê begonnen.

Ze toonen een eerste schrede op den weg.

o, Zoo velen beelden zich in, dat het in minder dan geen tijd is uit te maken, wat de gevolgtrekkingen van het Calvinisme voor heel de wereld van ons denken zijn.

Anderen meenen dat ze er mee van af zijn, zoo ze de drie Formulieren van eenigheid maar hebben doorgelezen.

Maar wie zich aangordt tot dezen machtigen arbeid, leert het wel beter.

Ook van dit brood geldt het, dat het niet anders dan in het zweet uws aanschijns door u zal gegeten worden.


Kuyper.




a. Opgenomen in J.C. Rullmann, Kuyper-Bibliografie III,105-114. De stellingen eerder afzonderlijk gepubliceerd als Publicatie van den Senaat der Vrije Universiteit, inzake het onderzoek ter bepaling van den weg die tot de kennis der gereformeerde beginselen leidt, Amsterdam (J.A. Wormser) 1895.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001