Ik heb lief
De Heraut van de Gereformeerde Kerken in Nederland
No. 925, Amsterdam (J.A. Wormser)
Zondag 15 September 1895
a
Ik heb lief, want de Heere hoort mijne stem, mijne smeekingen.
Psalm 116 : 1.
Er staat: Ik heb lief, en niet, gelijk onze min-diepe Psalmberijming er van gemaakt heeft: God heb ik lief.
Niet alsof de Psalmist hier niet de liefde voor zijn God op het oog had; maar het is zoo heel iets anders, of de nadruk valt op het minnen en liefhebben zelf, dan wel op het voorwerp, waarnaar mijn liefde zich uitstrekt.
Zoo sprak de Spreukendichter (17 : 17) reeds: Een vriend heeft te allen tijde lief, zonder dat hij zegt wien. Zoo betuigde de Prediker te Jeruzalem: Ere is een tijd om lief te hebben, zonder nader te verklaren, op wien die liefde doelt. Christus betuigt: Wie veel liefheeft, dien is veel vergeven. En zoo ook zegt de heilige apostel Paulus, in 1 Cor. 13, dat de liefde, dat minnen, dat liefhebben het zaligst, het uitnemendst en het duurzaamst is, zonder dat er óf bijzonderlijk van de liefde voor God óf wel voor den naaste sprake is.
Altegader uitspraken, waarin het liefhebben zelf, het minnen als zoodanig naar den voorgrond dringt, en waarin gedoeld wordt op die stemming der ziel, die opwaakt, als in Gods kind bij tijden het beeld doorschittert van Hem naar Wien we geschapen zijn, en van Wien de apostel uitroept, dat Hij niet maar zijn uitverkorenen liefheeft, maar de Liefde zelve en zelf de Liefde is.
Heel der Schrift door wordt dat liefhebben als zoodanig ons geteekend in het beeld der liefde, waarmeê de bruidegom zijn bruid mint. Niet om deze hoogste liefde te bezoedelen, maar juist om de huwelijksliefde te heiligen. En dit is het mysterie dat ook het huwelijk op Christus en zijn gemeente ziet.
We blijven dus binnen de palen der Heilige Schrift, als we ook hier naar het beeld der aardsche liefde verwijzen. En dit moet hier geschieden, omdat in de sfeer dier andere liefde, terstond verstaan wordt wat het zeggen wil, dat een jongeling verliefd is. Dan toch denkt ge zelfs niet aan het voorwerp van zijn liefde, maar spreekt enkel uit, dat hij in ongewone stemming verkeert; dat een dusver ongekende aandrang zich van zijn hart heeft meester gemaakt; en dat die aandrang der liefde voor het oogenblik alle andere gewaarwordingen in zijn hart terugdringt.
Dat merkt wie menschenkennis bezit, al weet hij volstrekt niet, wie die liefde geldt.
Zelfs is dat tot op zekere hoogte onverschillig. Het is niet het voorwerp dezer liefde, maar het in de liefde als zoodanig verzonken zijn, dat zich in zijn ongewone stemming verraadt.
En het is nu in dien zin, dat ook de Psalmist hier van de heilige bruidegomsliefde zijner ziel spreekt.
Hij ervaart en ontwaart in zich een zalige aandoening van liefde die zijn ziel overmeestert.
Hij gevoelt zijn hart in één teedere, zijn ziel smeltende gewaarwording uitvloeien.
En het is aan die aandoening dat hij lucht geeft, door uit te roepen: Ik heb lief.
*
Een zondig hart kan niet, in dien hoogsten, heiligsten zin, door liefde verrukt worden, en in het minnen en liefhebben, met heel de mystiek van het zielsleven, opgaan.
De zonde staat in haar wezen tegen het minnen en liefhebben in dien hoogen zin over.
Wie zóó ook maar één oogenblik liefheeft, is in dat zalig oogenblik de zonde te boven, en leeft en ademt op dat oogenblik niet uit zijn eigen zondig hart, maar uit den Geest der eeuwige Liefde, die in hem werkt.
Het zondig hart kan daarom wel in bruidsliefde dwepen, of liefhebben met vriendentrouw, of opvlammen in liefde voor zijn kroost, voor zijn volk en vaderland, maar dit alles is het reine, het loutere, het hooge, het heilige liefhebben, het diepe minnen in zijn zuiverheid niet, waarvan het apostolische hooglied in 1 Cor. 13 roemt, en waarover de Psalmist jubelt in Ps. 116.
Het hoog en hemelsch genot dat in dit zalige lief hebben schuilt, hebben we door de zonde van ons gestooten. Dat keert eerst weder als we in de zalen van het eeuwige licht ingaan. En slechts nu en dan verkwikt God de Heere zijn uitverkorene kinderen door ze één enkel druppelke van die volle, die warme, die onbezoedelde en gansch echte liefde in de ziel te druppelen.
En dan trilt en tintelt er iets ongekends en nog nimmer genotens door hun binnenste.
Dan doorstroomt hen eeuwige vreugde, een voor dit aardsche leven te rijke zaligheid.
Dan is het hun zoo vreemd, zoo raadselachtig, zoo wonderlijk aan het hart te moede.
Maar toch zoo onuitsprekelijk heerlijk.
En dan zingen ze niet: God heb ik lief, maar korter: Ik heb lief, omdat het de liefde in haar hemelsche zuiverheid is, die heel hun innerlijk wezen aangreep.
Zelfs is dat hooge, teedere, hemelsche liefhebben zóó overweldigend en voor ons leven op deze zondige aarde zoo onnatuurlijk, dat zulk liefhebben te veel wordt, het hart overspant, en soms een gevoel wekt, alsof men van liefde sterven zou.
*
Nu komt zulk liefhebben alleen door de werking des Geestes in ons, maar toch ook de Geest werk in verband met middelen.
Dat merkt ge ook aan den Psalmist wel. Hij zegt immers: Ik heb lief, want de Heere hoort mijne stem, mijne smeekingen.
De bevinding der ziel gaat hierbij aldus toe, dat ze in bangen nood kwam, en beklemd werd, en strikken als des doods om zich voelde, en toen ja bad, maar eigenlijk in ongeloof, hoogstens in halfgeloof.
Zoo vergaat het aan de vrouw, zoo vergaat het aan de moeder, zoo vergaat het aan de kinderen, die weten dat man of kind of broeder op dat zinkend schip met den dood worstelt.
Ze bad nog, maar eigenlijk vertwijfelend aan verhooring.
Meer werktuiglijk, dan dat ze de vrucht harer bede en de vervulling harer smeekingen verwachtte.
En zie, nu komt die verhooring, die vervulling toch.
Wonderbaart gebeurt wat ze wel afsmeekte, maar niet geloofde, dat gebeuren zou.
En nu overweldigt haar de zekerheid, dat toen zij bad, God in den hemel wel waarlijk geluisterd, gehoord en verhoord heeft. En in die bevinding voelt ze zich nu op eenmaal zóó rijk, zóó overgelukkig en zalig, dat ze in God een duizendwerf verbeurde liefde ontdekt, waarvan ze den gloed zoo zoet en zalig opvangt.
En die gloed, die vonk van de voor het eerst ontwakende, wezenlijke, in daad en uitkomst gebleken liefde van haar God, die is het die ook in haar zelve nu den gloed der eeuwige liefde ontsteekt.
En het hart van die zalige liefde brandende, roept ze nu, eenzaam stil, dat alleen God het beluistert:
Ik heb lief, want de Heere hoort mijne stem, mijne smeekingen.
*
Die verhooring behoeft daarom niet op een groote zaak te slaan.
Integendeel, juist als ge in het kleine verhoord wordt, in een nietige zaak, maar die voor u persoonlijk op dat oogenblik aangrijpend was, overweldigt u die aandoening soms nog te sterker.
Dat God op het kleine let, en tot in het nietige bemoeiing met u heeft, is te verrassender, omdat het u een nog machtiger liefde in uw God voor u ontdekt.
Soms is van een leeuw gezien, dat hij met den muil de hand lekte, die hem een splinter uit den klauw uittrok.
En toch meer nog dna door de verrassing van de uitredding in het schijnbaar kleine, wordt de ziel op die zalige aandoening voorbereid door den grondtoon der verootmoediging in de ziel.
Een kind dat niet geheel ontaard is, is nooit gevoeliger voor uw liefde, dan zoo het tegen u overtreden had en u verdriet deed, en dan toch een teeken uwer liefde ontving.
En zoo staan wij voor onzen God.
Gemeenlijk kennen we onze zonde voor den Heilige niet, of leven er over heen, en vinden er dan niets onnatuurlijks in, dat God de Heere ons zijn liefde toont.
Dan verrast en treft die liefde niet.
Maar als het hart in zijn zelfbeschaming wegzonk, en ge uw onwaardigheid weer eens diep gevoeldet, en bij uzelven bekennen moest: Als God mij zóó voor eeuwig van zich wierp, zou het nog niets dan recht zijn, dán rekent ge op niets en verwacht niets, en als het dan toch komt, dan overmant het u, en spreekt u van een liefde, waarvoor ge in uzelven bezwijkt.
*
Ge weet wat Jezus zelf zeide van die vrouw uit de stad, die een zondaresse was, en die toen hij bij Simon aanzat, niet wist wat ze doen zou, om te toonen hoe lief ze had.
Simon verstond dat niet. Hij was stomp voor zoo teedere aandoening. Maar Jezus doorzag die vrouw, Jezus zag het hoe de liefde haar hart vermeesterd had, en daarom sprak hij: Dien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief, en ook Jezus sprak daarbij van het liefhebben op zich zelf.
Is dit nu niet gevaarlijk?
Ligt hierin nu niet opgesloten, dat een braaf mensch tot dit liefhebben niet komt, en dat alleen mannen en vrouwen die diep vallen, tot de hoogte dier teedere liefde opklimmen?
Op die vraag antwoorden we niet.
Jezus, niet ons woord, betuigde het alzoo, en hij is het die aan door genade brave mannen en vrouwen in het beeld van die zondaresse den gloed der echte liefde en het geheimnis van dien gloed geleerd heeft.
Maar wat we wel opmerken is dit: Zelfs de braafste onder u, mits ge uw zonde bij de lamp van Gods heiligheid beziet, zal waarlijk geen zonde te kort komen, om, ook al zondigdet ge nimmer meer, als dood voor God in uw schuld te liggen, en in die zelfbeschaming de vonk der eeuwige liefde op te vangen.
Onder elkander, ja, in onze aardsche huishouding, dan spreken we van brave en van slechte menschen.
Maar voor God geldt heel andere maatstaf.
Hoor maar wat de Schrift u getuigt:
Allen zijn zij afgeweken, samen zijn zij onnut geworden; er is niemand die goed doet; ook niet tot één toe.
Kuyper.
a. Niet eerder opnieuw gepubliceerd.
|