Van de gemeene Gratie I

De Heraut van de Gereformeerde Kerken in Nederland

No. 923, Amsterdam (J.A. Wormser)
Zondag 1 September 1895

a



Toen de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach.

1 Petr. 3 : 20a. a


De eerste roepstem, die De Heraut, bij zijn verschijnen in 1878, door het land deed weerklinken, betuigde aan ons volk opnieuw de Calvinistische belijdenis onzer vaderen: dat de genade particulier is. Van dàt punt uit is toen de strijd voor de eereherstelling der Gereformeerde waarheid aangebonden, en met dank aan Hem, wien alleen de eere zij, mag thans, na drie lustra, beweerd, dat die strijd doel trof. Dat hoofdbolwerk onzer verdediging, toen nog zoo bedreigd, ligt thans weer veilig. Een doel vooral daardoor bereikt, dat we van meet af het middelpunt onzer Gereformeerde belijdenis, t.w. het particulier karakter der genade, zijn vereischten achtergrond deden vinden, eerst vlak er achter, in de Verbondsleer, en daarachter weer in de Gemeene gratie.

Ge hebt met den enkelen mensch te doen, met den te zaligen persoon, met den eenling die ter heerlijkheid ingaat; en bij dien eenling, als kind van God, kunt ge de gouden schalmen des heils niet om de ziel slaan, tenzij die gouden keten tot hem neerdaalt uit persoonlijke, vrijmachtige Verkiezing. Daarom blijft de souvereine vrijmacht Gods die verkiest dien Hij wil, en verwerpt dengene wiens Hij zich niet ontfermt, het hart der kerk, het cor ecclesiae, dat de Gereformeerde kerken tot aan de wederkomst des Heeren zullen vasthouden, op straffe van zelfs vóór het Maranatha van deze aarde te verdwijnen. Dit is en blijft deswege het middelpunt |2| onzer belijdenis, de betuiging, die we op gezag van Gods Woord, bezegeld door persoonlijke ervaring, voor aller oor uitroepen, dat de genade particulier is.

Maar datzelfde kind van God is nog iets anders dan een eenling en een persoon op zichzelf. Hij is ook opgenomen in een gemeenschap, lid van een lichaam, deelgenoot in een kring, besloten in een organisme, en die waarheid is het, die de leer der Verbonden op den voorgrond stelt en weer tot haar recht doet komen. Zonder de leer van het Verbond is de leer der Verkiezing verminkt, en het harde, bange gemis aan geloofsverzekerdheid is de gerechte straf, die deze verminking van de waarheid Gods achtervolgt. De Verkiezing alleen, afgescheiden van de belijdenis des Verbonds, poogt den Heiligen Geest te grijpen, zonder den Zoon te eeren, en de derde Persoon in het Drieëenig Wezen laat die eereschending van den tweeden Persoon niet toe. De Christus zelf betuigde: de Heilige Geest „zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen”, en zoo ge u vermeet deze Goddelijke ordinantie te verkeeren, kunt ge den pijnlijken ernst niet ontgaan, waarmeê die onwrikbare ordinantie zich in uw zielsbenauwdheid wreekt. Daarom komt de vrijmachtige persoonlijke Verkiezing in de Heilige Schrift nooit anders voor dan met den achtergrond der Verbondsgenade. De enkele, de eenling moet zich ingeschakeld weten in de gemeenschap der heiligen. Persoonlijk zijn we verkoren, maar ook saam ranken in den éénen Wijnstok, leden vau hetzelfde Lichaam. En daarom wordt de belijdenis van de particuliere, de persoonlijke genade onwaar en onschriftuurlijk, tenzij ze tot achtergrond hebbe de leer der Verbonden.

Doch ook hierbij blijft het niet.

Ook het Verbond Gods in dén Middelaar heeft op zijn beurt weer een achtergrond in het werk der oorspronkelijke Schepping, in het bestaan der wereld, en in het leven van ons menschelijk geslacht. De kinderen Gods als eenlingen behooren tot de gemeenschap der heiligen, maar ook die gemeenschap der heiligen bestaat uit kinderen der menschen, die uit een vrouw, door den wil des mans, geboren, en hierdoor ingeweven en ingeschakeld zijn in heel dat leven der menschen, dat in het Paradijs zijn oorsprong nam, en ook na den afval van God, in misvormde gestalte, wordt voortgezet. Noch uw verkiezing noch uw aanhoorigheid tot de gemeenschap der heiligen, vernietigt in u den mensch, of heft het leven in huisgezin, vaderland en wereld voor u op. Er zijn dus niet twee, maar drie stukken, waarmeê ge hier rekenen zult. Ten eerste uw persoonlijk leven, ten tweede uw ingelijfd zijn in het Lichaam van Christus, en ten derde uw bestaan als mensch, d.i. uw opkomen door menschelijke geboorte, uw lid zijn van het menschelijk geslacht. Drie stukken, die onze Heidelbergsche Catechismus, als uitstraling van Gods Drieëenig Wezen, aldus onderscheidt: Ten eerste: Van God den Heiligen Geest, en onze Heiligmaking. Dat is het |3| streng persoonlijke in de toebrenging van Gods kind. Eerst in die heiligmaking wordt hem zijn persoonlijke verkiezing tot zekerheid. Ten tweede: Van God den Zoon, en onze Verlossing. Dat is de belijdenis van het Genadeverbond, van het Hoofd des Lichaams van het ééne bloed, waarin alle verzoening is. Maar ook ten derde: Van God den Vader, en onze Schepping. Dat is onze oorsprong uit het Paradijs, ons opgekomen zijn uit het natuurlijk leven, ons ingeschakeld zijn als menschen in het leven van ons menschelijk geslacht.

Natuurlijk neemt de Catechismus de orde, de opeenvolging, hier omgekeerd, omdat het met onze Schepping begon; en alzoo tevens naar de heilige orde in het Goddelijk Wezen: Eerst de Vader, uit dien Vader de Zoon eeuwiglijk gegenereerd, en van Vader en Zoon de Heilige Geest van eeuwigheid uitgaande. En zoo werd het dan, eerst van onze schepping, daarna van onze verlossing, en ten slotte eerst van onze heiligmaking. Maar voor het besef van Gods kind, dat in zich zelven inkeert, en nadenkt over het verloop van zijn zielsleven, en deswege afrekent van het punt, waarop hij nu staat, is de gang dien de bevinding en herinnering neemt, juist omgekeerd. Hij bekent God den Heiligen Geest, die hem van zijn persoonlijke verkiezing verzekert, en alzoo bekennen doet dat de genade particulier is. Die geloofsverzekerdheid echter vindt hij niet dan in den Christus, zich nu wetende een lid van het Lichaam, in de gemeenschap der heiligen, en alzoo gaat de heerlijkheid van het Verbond voor hem op. Maar ook daarbij blijft hij niet staan. Over dat verbond ziet hij achterwaarts op zijn oorsprong, op zijn geboorte, op zijn afkomst, op de wereld terug, waarin hij als mensch onder de menschen omwandelt, en zoo komt bij tot die derde belijdenis, niet alleen dat de genade particulier is, en dat die particuliere genade in de banden des Verbonds ligt ingewikkeld, maar ook dat zijn God tot voor zijn schepping en tot achter zijn schepping is, en dat hij kunstiglijk en wonderlijk door de eigen hand van zijn God in zijns moeders ingewand is geborduurd. Dat is God den Vader belijden; en met voller toon dan ooit, weerklinkt nu het roemende geloof van zijn lippen: „Ik ben verkoren, ik ben in Christus, en daarom geloof ik, nu eerst diep en vol, in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, Schepper ook van mijn wezen, naar lichaam en naar ziel.”

*

Doch hier juist schort iets.

Tusschen de Scheppingsheerlijkheid in het Paradijs, en zijn eigen geboorte, ligt de afval, en zoo rust op die wereld, en op dat menschelijk leven in die wereld, en op zijn eigen aanhoorigheid tot die van God vervreemde wereld, een schaduwe als des doods. De lijn der genade schijnt afgebroken. Die genade is particulier in zijn persoonlijke Verkiezing; die |4| genade is organisch werkend in het Verbond; maar die genade stuit in het derde stuk op het verbroken en geschonden Scheppingswerk. De lijn schijnt niet door te loopen. En daarom nu moet zich, niet alleen achter de particuliere genade de Verbondsgenade, maar ook achter die Verbondsgenade nog weer ter derde instantie de algemeene genade komen uitbreiden. Drie uitstralingen alzoo van de genade Gods: een genade die u persoonlijk geldt, een genade die u met al Gods heiligen in het Verbond gemeen is, maar ooko in de derde plaats een genade Gods die u, als mensche, gemeen is met alle menschen. Eerst zoo blijft er niets of het geeft Gode eere. Uw persoonlijke zaligheid louter vrucht van vrijmachtige genade. Uw bloeien als rank, met de heilige ranken, op den Wijnstok, door niets dan vrijmachtige genade u toegekomen. Maar nu ook uw opkomen in dat heil als mensch, krachtens uw afkomst, door uw geboorte en heel uw menschelijk leven, een gave, een gifte, een uitwerking van diezelfde genade uws Gods. Niet bij uw geloofsverzekering, niet bij de doorbreking van uw geloof, zelfs niet bij de inschepping van het geloofsvermogen in uw ziel staan blijven, maar ook achter bekeering en wedergeboorte tot in uw natuurlijke geboorte teruggaan, om ja, eigen zonde en de schuld, de doodschuld van uw geslacht te beweenen, maar toch, om ook in diezelfde geboorte groot te maken de genade uws Gods. Drie keursteenen van genade alzoo. De ééne geheel persoonlijk, de witte keursteen, waarop een naam gegraveerd staat, die alleen Gode en uzelven bekend is. Dat is de gansch particuliere genade. De tweede een keursteen van Verbondsgenade, een zalig goed u gemeen met al Gods kinderen. En de derde een keursteen van algemeene menschelijke genade, u omdat gij kind des menschen zijt toegekomen, en u, niet alleen met al Gods kinderen, maar met alle kinderen der menschen gemeen.

*

Van dit derde stuk zal deze nieuwe artikelenreeks handelen, om alzoo de beide vroegere reeksen over de Particuliere genade, en de leer der Verbonden, aan te vullen. Eerst als èn de Particuliere, èn de Verbonds-, èn de Algemeene genade, in wezen, strekking en samenhang doorzien zijn, vindt uw naar eenheid zoekend denken rust. Dat we desniettemin de uitdrukking: algemeene genade meden, en „gemeene gratie”, d.i. „gratia communis”, boven deze reeks als titel schreven, is ter afsnijding van misverstand. Zoo licht toch kon het vermoeden insluipen, alsof we nu toch weer bedoelden, dat de genade aller was, en alzoo het vaste fundament, dat de genade particulier is, weer poogden los te wrikken. Er wordt van dat „algemeene” genade zoo licht misbruik gemaakt, alsof er zaligmakende genade meê bedoeld ware, en dat is toch volstrekt niet het geval. „Zaligmakend” in volstrekten zin is alleen de particuliere, persoonlijke genade, |5| en zelfs aan de Verbondsgenade komt deze eerenaam niet dan met zeker voorbehoud toe. Doch waar de Verbondsgenade althans nog zaligmakend van natuur en strekking is, mag zelfs dit niet eens van de algemeene genade worden uitgesproken. Om dit kras en scherp te doen uitkomen, zij hier aanstonds opgemerkt, dat tot op zekere hoogte ook de dieren in de „algemeene genade” deelen. Zie het maar in Gen. 9 : 9 en 10. De algemeene genade is, met verschil van graad, het deel van alle menschen, ook van de verst afgedoolden, in hun consciëntie geheel toegeschroeiden, en voor eeuwig verlorenen. Ze draagt op zichzelve geen enkele zaligmakende kiem in zich, en is daarom van een geheel andere natuur dan de particuliere of de Verbondsgenade. En daar dit nu, bij het spreken van „algemeene genade” vaak uit het oog wordt verloren, scheen het, ter voorkoming van misverstand en verwarring veiliger, om in den titel de anders wel wat verouderde uitdrukkingswijze te doen herleven, en het communis gratia der eens Latijn sprekende godgeleerden, over te zetten door: Van de gemeene gratie.

*

Dat dit onderwerp voor de behandeling eigenaardige moeilijkheden oplevert, weet de kenner, en heeft zijn gereede oorzaak. Dit onderwerp genoot namelijk oudtijds nimmer de eere eener afzonderlijke behandeling. Onder de verschillende hoofddeelen waarin men de leerstellige Godgeleerdheid placht in te deelen, was er geen met dit opschrift. Men handelde van de Heilige Schriftuur, van God, van de Besluiten, van de Schepping, van de Zonde, van den Christus, van de Verlossing, van de Kerk, van de Sacramenten, van de Overheid en van de Laatste dingen, maar een afzonderlijk hoofddeel dat van de algemeene genade, of de gemeene gratie handelde, kwam niet voor. En toen, op Calvijns voetspoor, vooral de aandacht der Gereformeerde godgeleerden meer bijzonderlijk op dit uiterst belangrijke onderwerp gevestigd werd, hebben ze er de hoofdtrekken wel van uitgewerkt, maar zonder er een afzonderlijk hoofdstuk van te maken. Meest bespraken ze het nog bij de „deugden der Heidenen,” de „burgerlijke gerechtigheid,” de „natuurlijke Godskennis” enz.; maar zonder ooit al de verschillende stukken, die tot dit onderwerp behooren, in ééne ordelijke, saâmhangende bespreking saâm te vatten. Ook onze Catechismus handelt er niet afzonderlijk van, en dit belette weer, dat in E Voto deze „gemeene gratie” in een eigen groep artikelen kon worden afgedaan. Al is dan ook sinds 1878 telkens en gedurig door ons op deze „gemeene gratie” gewezen, en al namen we met dankzegging en belangstelling kennis van de welgestoffeerde redevoering over „de Algemeene Genade” in 1894 door Dr. Bavinck uitgegeven, in samenhang behandeld en eenigszins volledig uiteengezet, is dit gewichtig onderwerp dusver nog niet. Ons blijft |6| dus niet anders over, dan ditmaal onzen eigen weg te banen, allerminst met de pretentie, alsof hiermeê dit stuk der Dogmatiek voorgoed zou worden afgedaan; maar om, wijl dit onderwerp zoo diep in het leven en in onze tegenwoordige worstelingen ingrijpt, althans een eerste proeve van behandeling te leveren, die later tot meer uitgewerkte en afgeronde leerstellige behandeling zal kunnen leiden.

*

Onder de „deugden Gods” is het zijne „lankmoedigheid” die in deze „gemeene gratie” wel niet wordt uitgeput, maar toch op aangrijpende wijze verheerlijkt wordt. Gods heiligheid en majesteit reageert tegen alle zonde, niet slechts ten deele, maar volstrektelijk, in den meest absoluten zin. Ging nu dit inwerken van Gods heiligheid tegen de zonde op staanden voet, voetstoots, in al zijn verschrikkelijkheid door, zoo zou er geen „gemeene gratie” zijn. Maar nu is de Heere onze God, niet enkel heilig, maar in zijn heiligheid tevens lankmoedig, en het is uit die „lankmoedigheid” waarmeê het Goddelijk geduld van den Almachtige de zonde tijdelijk verdraagt, dat „de gemeene gratie” geboren werd.

Calvijn heeft in zijn Institutie II. c. 3 § 3 de diepe gedachte dezer „gemeene gratie” het klaarst uitgesproken, toen hij, de vraag beantwoordde, op wat wijs we het feit te verklaren hadden, dat bij Heidenen en ongeloovigen zoo vaak in hooge mate rechtschapenheid en nobele zin uitblonk. De meesten, die zich hierover uitlieten, deden het steeds voorkomen, alsof dit feit bewijs leverde tegen de diepe en volstrekte verdorvenheid, waarin onze menschelijke natuur door de zonde verzonken was. „Ge lastert, zoo riepen ze, onze menschelijke natuur, zoo ge belijdt dat we door de zonde geneigd zijn tot alle kwaad en tot alle goed onmachtig. Die vele uitnemende Heidenen, die Christus niet kennen, en toch ons vaak beschamen, bewijzen het tegendeel. En ook de ongeloovigen, die in ons midden verkeeren, gaan vaak menig kind van God in stille, ernstige plichtsbetrachting voor.” En hiertegen nu kwam Calvijn op. Dit zou, ja, zoo zijn, indien zulke mannen uit zichzelf zoodanig waren. Maar juist dit moet tegengesproken, en de verklaring veeleer hierin gezocht, dat er „te midden van het algemeen verderf zekere gemeene gratie, of genade werkt, die de booze natuur wel niet reinigt, maar binnen in den mensch het uitbreken belet”; iets wat hij in de eerste Fransche uitgave reeds aldus uitdrukte: „Nous avons à considérer, qu’en la corruption universelle, dont nous avons parlé, la grace de Dieu a quelque lieu, non pas pour amender la perversité de la nature, mais pour la reprimer et restraindre au dedans”. De latere Latijnsche uitdrukking is korter en krachtiger: gratia, non quae illam purget, sed intus cohibeat. Iets wat hij aan het slot van § 3 nog scherper herhaalt: „De verdorvenheid onzer natuur toomt God door zijn Voorzienigheid |7| zóó in, dat ze niet tot de daad kan uitbreken; maar zonder ze inwendig te zuiveren.”

Hier nu ligt de wortel van de leer der „gemeene gratie”, en tevens de verklaring, waarom ze een zoo onmisbaar stuk der Gereformeerde belijdenis uitmaakt. Ze is niet opgekomen uit wijsgeerige verzinning, maar uit de belijdenis van het doodelijk karakter der zonde. Aan dat doodelijk karakter der zonde hebben onze Gereformeerde vaderen steeds vastgehouden. „Van nature dood door de zonde en de misdaden” bleef aller getuigenis. Maar schijnbaar klopte dit niet op de werkelijkheid. Er was in die zondige wereld, ook buiten de kerk, zooveel schoons, zooveel eerbiedwaardigs, zooveel dat tot jaloerschheid verwekte. Dit stelde voor de keus, om òf al dit goede, tegen beter weten in, te loochenen, en met de Doopers af te dolen; òf wel, om den gevallen mensch als niet zoo diep gevallen voor te stellen, en alzoo te verdolen in de Arminiaansche ketterij. En voor dien tweesprong geplaatst, heeft nu de Gereformeerde belijdenis geweigerd één dier beide wegen in te slaan. Voor het goede en schoone buiten de kerk, onder ongeloovigen, in de wereld, mochten we het oog niet sluiten. Dit goede was er, en dat moest erkend. En evenmin mocht ook maar iets afgedongen op de volstrekte verdorvenheid der zondige natuur. Doch hierin lag de oplossing van deze schijnbare tegenstrijdigheid, dat er ook buiten de kerk onder de Heidenen, midden in de wereld, genade werkte, genade niet eeuwig, noch tot zaligheid, maar tijdelijk en tot stuiting van het verderf, dat in de zonde school.


Kuyper.




a. Opnieuw gepubliceerd als ‘I. Inleiding’, De Gemeene Gratie I, Leiden (D. Donner) 1902, 1-7.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000