Tot Sion komen met gejuich
De Heraut van de Gereformeerde Kerken in Nederland
No. 922, Amsterdam (J.A. Wormser)
Zondag 25 Augustus 1895
a
En de vrijgekochten des Heeren zullen wederkeeren, en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vroolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden.
Jesaia 35 : 10.
Tegen ons weenen staat ons lachen, tegen onze vreugd onze droefenis, tegen het zuchten en kermen onzer ziel het juichen en jubelen van ons hart over.
Voor beide is ons hart bekwaamd, op beide bewegingen van ons gemoed is ons menschelijk zieleleven geschapen en aangelegd.
Het zijn als twee richtingen waarin ons hart getrokken, twee werelden waarin ons hart wordt opgenomen, twee levenspolen, waarvan het de inwerking en aandoening ondergaat.
Soms zelfs overkomt u een besef, alsof het hart waarmeê ge nu jubelt niet hetzelfde hart was, als waarmeê ge gisteren nog geklaagd en gejammerd hadt.
Verblijd en verheugd zijn maakt u zoo heel anders, geeft u zoo een heel ander leven, en schept u zulk een heel andere existentie, dan de droefenis die zich als een slang om uw hart kronkelt en de zielsbenauwing die u de keel toeknijpt.
Vreugde tint ons gelaat anders, geeft ons een ander oog, buigt de trekken op ons aangezicht om, leent ons een andere stem, een anderen toon, en brengt een heel andere taal op onze lippen.
Ja, het is, of het hart zelf onder indrukken van vreugde en blijdschap anders gewaar wordt, anders werkt en andere gedachten uitgeeft.
Vreugde maakt vriendelijk, maakt welwillend, opent uw hand gul en mild, bekwaamt u tot vergeven en door de vingers zien, verhoogt uw veerkracht en uw moed. En omgekeerd dreigt droefenis maar al te vaak u somber en bijna stug te stemmen, u in u zelf op te sluiten, alles donker voor uw oog te tinten, en u voor heel uw omgeving onvriendelijk en gemelijk te maken.
o, Gewisselijk, vreugde kan over de schreef gaan, en de blijdschap kan door uitspatting tot zonde verleiden, en ook omgekeerd kan het kruis heiligend op ons werken, en ons tot ootmoed en nederigheid en het deelnemen in anderer leed stemmen. Zelfs mag er bijgevoegd, dat waar de ritselingen des Heiligen Geestes worden vernomen, altoos iets van die vrucht des lijdens zal gezien worden.
Maar over de groote menigte genomen, lijdt het als regel geen tegenspraak, dat vreugde voor het menschelijk hart natuurlijk is, en dat droefenisse tegen de natuur van ons hart in gaat, ons vaak wrevelig maakt, en verbittert.
Van een zeer enkel kind Gods moogt ge roemen, dat de adel zijner ziel u het meest in zijn lijden beminlijk was en aantrok, maar overigens weert ge zelfs onder Gods heiligen de klacht niet van de lippen, dat tegenspoed hen min vriendelijk stemde en zooveel aantrekkelijks als anders van hen uitging, deed bevriezen in hun hart.
Zoo warm als ze anders zijn, zoo koud komen ze dan u tegen.
Het is of, als de vreugd huns levens van hen wijkt, hun hart pijnlijk ineenkrimpt, en daarom niet meer dien malschen, zachten, gloed kan uitstralen, die u anders zoo verkwikken en koesteren kon.
*
Nu verklaart zich dit gereedelijk én uit s menschen schepping én uit het einddoel, waar de Ontfermer zijn Sion heenleidt.
Vóór er zonde was zou noch Adam noch Eva in het paradijs hebben kunnen weenen. De lach, niet de traan, is het Goddelijk merkteeken van onzen hemelschen oorsprong. Lachende, niet schreiende wezens had God naar zijn beeld geschapen. En toen later het schreien kwam, was dat schreien de verwrongen lach, de in haar tegendeel omgezette uiting van oog en gelaat.
En niet anders is het, als ge merkt op den eeuwigen morgen, die straks over Gods Sion zal opgaan. Ook daarvan toch heet het: De vrijgekochten des Heeren zullen tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vroolijkheid en blijdschap zullen ze verkrijgen, maar droefenis en zuchten zullen wegvlieden.
De traan is dus niets dan het symbool van een korte tusschenperiode, die voor de stokouden onder ons nog de eeuw niet haalt, en die straks ondergaat in perkelooze eeuwigheden, waarin er geen traan meer zal zijn om af te drogen, en niets dan eindelooze jubel van hooggestemde vreugde heel uw wezen spannen zal en uw ziel met gloed doortintelen zal.
De traan der smarte hoort niet in den hemel, maar in de hel thuis. Dáár, en niet in het Vaderhuis, zal zonder einde weening en zonder dat het ophoudt, knersing der tanden zijn.
Daar zal nooit de lach zijn schatering doen hooren, nooit de glans der vreugde het aangezicht doen blinken.
Dat we zoo vaak schreien moeten op aarde, en dat onze ziel, zelfs als we ouder zijn geworden, soms nog zoo bitterlijk voor God kan weenen, is niet omdat God het zoo gewild had, maar omdat wij ons door onze zonde den heiligen vreugdelach onzes Gods onwaardig hebben gemaakt.
*
Doch dan gevoelt ge ook, dat de droeve gesteldheid der ziel u nooit tot een tweede natuur mag worden, en dat ge iets uit God in uw wezen schendt, zoo ge aan de smart lust gaat krijgen en de vatbaarheid voor het juichen en jubelen in u onderdrukt of vernietigt.
Dat eischt de ernst van hte kruis dan ook allerminst, veeleer wordt het door dien heiligen ernst, die de verlosten des Heeren kenmerkt, afgekeurd en veroordeeld.
Want wel is het kruis niet te ontgaan en daalt bijna geen menschenhart zonder diepe litteekenen ten grave; wel werpt de bevinding van eigen schuld en zonde elken morgen dat we opstaan, en elken avond dat we ons ter ruste leggen, een somber floers over ons zelfbewustzijn; en ook weet, wie dieper leeft, hoe de nood van Gods Sion en het woelen der goddeloosheid, het hart kan doen ineenkrimpen; maar toch, wie uit Gods Woord leeft, gaat daar niet in onder, zinkt daarin niet weg.
Ook bij het bangste kruis ruischt voor hen altoos de psalm der opstanding.
Immanuel stierf, maar ook Immanuel verrees blijft het overwinningsteeken, dat hoog in het zenith boven hun leven als Gods kind op aarde staat.
Door de smart gaat het heen, maar altoos naar de vreugde toe.
Droefenisse, ja, maar als een Goddelijke medicijn, om weer hooger de vreugde onzer ziel te doen rijzen.
Van het kruis altoos naar de kroon!
Nu zaaien met geween, maar om eens met gejuich te maaien.
Geloof en liefde, maar ook de onvergankelijke hope vastgehouden.
En daarom, opdat zoo ook onze ziel eenmaal eeuwiglijk met heel Gods Sion in vreugde kunne juichen, mag de vatbaarheid voor de genieting der vreugd hier niet in ons wegsterven.
Het lachen moet ons altoos nader staan dan het weenen.
Ja door den traan van uw weemoed heen moet de heilige lach spelen, die, als Gods engelen een zichtbaar gelaat hadden, van hun aangezicht op het gelaat van Gods kinderen zou afstralen.
*
De vraag is maar, of ge nog steeds aan het stuk uwer ellende, of ook reeds aan het heerlijk stuk uwer verlossing toe zijt.
Want zijt ge dat werkelijk, heeft de diepe toon van het ik ben verlost, God heeft mij welgedaan, door uw ziel weerklonken, dan is die schat der zaligheid, die uit het hart van uwen Hoogepriester in u is gedaald, zoo alle beschrijving te boven gaande, dat uw vreugdegeroep over zoo Goddelijke ontferming alle weegeklaag in u overstemmen moet.
Natuurlijk, wie elken morgen en elken avond zijn gewond en zondig hart ontbloot, en dan niet even werkelijk en even gedurig de vrucht van het bloed des Kruises daarop toepast, bij dien moet de somberheid wel de overhand behouden. Wat zou zulkeen juichen?
Maar als Immanuël daarboven u de levende Middelaar is geworden, dien gij kent, en die u bij name kent; als ge het bidden van uw Hoogepriester, onderwijl gij voor hem nederknielt, met het oor uwer ziel beluistert; en als ge zoo feitelijk de besprenging met het bloed des Kruises weer telkens ondergaat, dan moet de dank het van de klacht, de juichtoon der verlossing het van de verzuchting der droefenisse winnen, en het beginsel der eeuwige vreugde reeds hier in het diepst uwer ziel gesmaakt worden.
*
Ja, er is meer.
Als ge niet maar met eigen leed en met het leed van Gods Sion, maar ook met uw levenden Heere in den hemel rekent, en uw Verlosser ook als uw Koning kent, en het niet maar belijdt, maar meent, dat hij zit aan de rechterhand der kracht Gods, en dat eens elke vijand aan zijn voeten zal onderworpen worden, dan is zelfs de wreedste teleurstelling nooit in staat, om de veer uwer ziel zóó neer te buigen, dat ze knakken zou.
Want wel gaat de strijd dan door, en dat moet, want we zijn geroepen, om als krijgsknechten des Heeren de lendenen steeds omgord te hebben; en wel kan in dien strijd de slagorde des Heeren een oogenblik deinzen, en zelfs de vleugel rechts of de vleugel links van die slagorde worden teruggeworpen, maar dan is er toch nooit van nederlaag sprake.
Nooit sprake van een verliezen van den slag, van een ondergaan in de worsteling.
Integendeel, dan dringt ook bij de bangste teleurstelling, altoos weer het vreugdegeroep van meer dan overwinnaars door de gelederen, en Hij die aan de rechterhand Gods zit, spreekt tot dit vreugdegeroep zijn heilig Amen.
Laat dan de worsteling hard en bang en lang zijn; laat u dan soms de weg te veel worden, tot aan dien laatsten mijlpaal, die u in het hemelsch Sion doet overgaan; ja, laat het dan wezen, dat ge in moedelooze, d.i. in gelooflooze oogenblikken, soms met uw kruis ter aarde nederstort, daarom verlaat u toch, zoo ge waarlijk Gods kind zijt, God de Heilige Geest in het binnenste uwer ziel niet.
En als die in u wonende, in u fluisterende, in u biddende God, u dan weer opwekt, weer den balsem zijner vertroosting over de ziel doet vloeien, en u weer in zalige liefdesgemeenschap met uw Heiland verbindt, dan lacht ge toch weer door uw tranen heen.
En die heilige lach plant zich als een vonk van hemelsch vuur door heel uw leven voort, tot het eens in den eeuwigen lach, in de vreugde van het Sion daarboven, overgaat, en al wat hier droefenis, en hier verzuchting was, voor altoos, om nimmer weder te keeren, van u wegvliedt.
Kuyper.
a.
|