Bavincks Dogmatiek
De Heraut van de Gereformeerde Kerken in Nederland
No. 912, Amsterdam (J.A. Wormser)
Zondag 16 Juni 1895
a
De Calvinisten, niet enkel hier te lande, maar over heel de wereld mogen zich overgeven aan hooggestemden dank, nu binnen zoo kort tijdsverloop een tweede theologisch werk het licht zag, dat geacht mag worden onze Gereformeerde Theologie weer uit haar verval op te beuren.
Wat de Reformirte Kirchenzeitung van de eerst verschenen Encyclopaedie betuigde, dat onze eeuw nog geen Gereformeerd theologisch werk van zulk een beteekenis had zien verschijnen, geldt evenzoo van dit tweede werk.
Niet omdat het eveneens uit drie Deelen zal bestaan, en niet in schijn, maar in wezen Gereformeerd is, doch veeleer, omdat het, als de Encyclopaedie het schoone doel beoogde, om de Gereformeerde Theologie hare plaatse der eere op wetenschappelijk gebied te doen hernemen.
Er waren ook elders en vroeger wel allerlei theologische werken en werkjes verschenen, en ook hadden wel enkele studiën het licht gezien, waaraan zelfs de tegenpartij blijvende waarde toekende; maar wat zoowel in Amerika en Engeland, als hier te lande ontbrak, waren principieele, systematische studiën over de Theologie zelve en haar hoofdmaterie.
De draad onzer theologische ontwikkeling was metterdaad reeds in de eerste helft der 18de eeuw afgebroken, en niet alleen bij Vitringa, maar eveneens ten deele bij à Marck, was de worm van het rationalisme reeds ingedrongen, zonder dat hiertegenover iets anders opkwam, dan repristinatiezucht, doorvoed met mystiek of piëtisme.
Zeker was Hodges verdienste in Amerika geen geringe, en mag niet ontkend noch vergeten, dat hij zich beijverde, de Gereformeerde dogmatiek apologetisch tegen allerlei philosophisch, kettersch en naturalistisch bezwaar te verdedigen.
Maar hoe dankbaar we dit ook erkennen, toch is ook Hodge niet op de beginselen ingegaan. Hij schilderde den gevel bij, maar herzag de fundamenten niet.
Daarom konden we niet vooruitkomen; eenvoudig wijl men toch telkens beginselen noodig had, en, dan ze in eigen huis niet vindende, die plukken ging bij zijn buurman.
Beterschap kon hierin eerst komen, als er een Calvinistische reveil kwam, d.w.z. als met helderheid de gebiedende noodzakelijkheid werd ingezien, om terug te gaan op de fundamenten van het Calvinistisch belijden; om de ontwikkeling van dat belijden na te speuren tot op het oogenblik dat de ontaarding en versterving intrad; en voorts wat daarna was gekomen, op zij te schuiven, om nu opnieuw de gezonde ontwikkeling verder te leiden, en die in verband te zetten met het bewustzijn en de tegenstellingen van onzen tijd.
Een poging hiertoe nu is in de Encyclopaedie voor heel het veld der Theologie geschied, en een niet minder heroieke poging hiertoe is door Dr. Bavinck ondernomen in zijn Dogmatiek, waarvan het eerste deel sinds veertien dagen onze boekentafel verrijkt en gesierd heeft.
We koonden dan ook, toen we het geheel genoten hadden, een toon van dank en lof niet onderdrukken, dat we deze hoogst belangrijke winste, deze blijde aanwinste voor onze Gereformeerde Theologie weer verkregen hadden.
En wat dien dank nog hooger stemde, was de blijde ontdekking, dat dit eerste deel van deze Dogmatiek, waarin hoofdzakelijk de beginselen ter sprake komen, bij elken tweesprong, die zich op den theologischen weg voordoet, geheel dezelfde lijnen uitstippelt, die in de Encyclopaedie zijn uitgeteekend.
Dit zou niet zulk een hooge waarde hebben, als ze die lijnen precies eender deed loopen, of ook ze had overgenomen.
Dan toch zou men alleen kunnen zeggen: Deze twee mannen zijn het eens.
En ook dit zou zeker wel verblijdend zijn, maar toch het zou nog geen proef op de som geven.
Thans echter hebben we die proef op de som wel.
Dr. Bavinck toch heeft zijne denkbeelden op zijn colleges en voor zijn colleges zelfstandig ontwikkeld; giet ze daarom in gansch eigenaardigen vorm; en wijkt in de formuleering niet zelden zichtbaar af, maar kwam overal waar het de grondbeschouwingen en de aanwijzing van den in te slanen weg gold, steeds op geheel hetzelfde punt uit, waarbij de schrijver van de Encyclopaedie was uitgekomen.
En dit nu is juist het kostelijke.
Zoo toch ontwaart men, hoe twee mannen, die elk op eigen gelegenheid, voor een aanmerkelijk deel, een gelijksoortig onderzoek instelden, eenvoudig wijl zij in de beginselen waarachtig één waren, langs geheel eigen weg tot dezelfde uitkomst zijn geraakt.
En dit nu verlevendigt den moed en wekt in niet geringe mate het vertrouwen, dat metterdaad een nieuwe toekomst voor de Gereformeerde Theologie komende is, en dat de weg, die daarbij te bewandelen zal zijn, in hoofdzaak gevonden is.
Hierin ligt voor ons dan ook de hoofdbeteekenis van dit werk, en de zegen dien het voor onze kerken belooft.
Vrijheid bij eenheid, en eenheid bij vrijheid van onderzoek, omdat de ware beginselen en uitgangspunten, ontdekt zijn.
Waar die eenheid van beginselen en uitgangspunten verzekerd is, laat ons daar vrij onderling over afleidingen en formuleeringen verschillen.
Maar ook dan alleen.
Natuurlijk is de dogmatische stof die dit eerste Deel biedt, nog luttel. Die komt pas in Deel II en III. Hier hebben we uit de gemengd dogmatische stof alleen nog maar het Dogma over de Heilige Schrift.
Hoofdzaak is in dit eerste Deel de leer der Principia, die na een betrekkelijk korte inleiding, die zoo ge de geschiedenis en de literatuur der Dogmatiek uitzondert, slechts een 50 bladzijden beslaat, ruim 350 bladzijden in beslag neemt, en in schoone symmetrie eerst de beginselen in het algemeen, en daarna de principia der Theologie, onderscheidenlijk als uitwendige en inwendige principia naspeurt.
Dat de Locus de S. Scriptura hierbij het leeuwenaandeel krijgt van 276 bladzijden, spreekt vanzelf. Toch is ook én de beschouwing die over de algemeene beginselen, en die welke over het inwendig beginsel geleverd wordt, keurig ineengezet en een genot om te lezen.
Na het vorenstaande behoeft wel nauwelijks gezegd te worden, dat ook Dr. Bavinck de Theologie als een wetenschap eert, en dat deze theologische wetenschap ook bij hem tot voorwerp van onderzoek heeft, niet God zelf, maar die kennisse die God aan ons, menschen, en aan ons, zondaren, omtrent Zich zelven geopenbaard heeft.
Hoe er dan ook nog altoos broederen kunnen zijn, die aarzelen dit toe te stemmen, vatten noch verstaan we.
Ligt het ook misschien daaraan, dat zij kennisse Gods nemen in den zin van de kennisse die wij van God hebben, en niet in den zin van de kennisse van Zichzelven, die God ons geopenbaard heeft?
Het eerste is de subjectieve opvattting van het woord, het andere de objectieve, en het leidt tot niets dan verwarring, zoo we deze zelfde uitdrukking nu eens in den eersten en dan in den tweeden zin bezigen.
Wil men het echter in den subjectieven zin verstaan, dan spreekt het wel vanzelf, en ook Dr. Bavinck zal dit wel toestemmen, dat ook de theologische wetenschap ten doel heeft onze kennisse van God te bevorderen en te verhelderen.
Maar dit is dan niets dan een woordverschil, waarover ernstige mannen niet moesten struikelen.
Vraagt men ons, of we daarom op dit eerste deel niet ook onze aanmerkingen hebben, of er geen plaats blijft voor critiek, en of niet hier en daar een enkele uitlating revisie noodig zal hebben, dan vermoedt wel niemand dat we die vraag ontkennend zullen beantwoorden.
Evenals de Encyclopaedie is ook deze Dogmatiek het werk van een feilbaar mensch; menschelijk gebrek er aanklevend.
Toch zullen we hier niet op ingaan.
Deels omdat ons weekblad daarvoor geen orgaan is, en anderdeels omdat het, waar zulk een werk verschijnt, blijk van een verkeerden geest is, indien men zijn gevoel van dank en sympathie aanstonds verkoelen laat onder een stortvloed van allerlei, vaak kleingeestige aanmerkingen.
Wenschen we daarom liever én Dr. Bavinck, én de Gereformeerde kerken, met de verschijning van dit eerste Deel van harte geluk, en zij het hem toegebeden, dat de voltooiing van dit kostlijk werk hem door s Heeren genade moge gegund worden.
Kuyper.
a.
|