In memoriam
De Heraut van de Gereformeerde Kerken in Nederland
No. 837, Amsterdam (De Heraut)
Zondag 7 Januari 1894
a
Wederom leden onze Gereformeerde kerken een ernstig verlies door het afsterven van den hoogleeraar H. de Cock, docent aan onze Theologische School te Kampen.
Wie had kunnen denken, dat vader Van Velzen zelfs hem nog overleven zou!
In De Cock leefde de oude traditie van de schoone jaren van 1834 nog persoonlijk voort, en reeds door zijn familienaam was hij in veler schatting van die nobele traditie een der natuurlijke dragers.
Met onverdroten ijver en zeldzame volharding had De Cock, toen het terrein nog schier geheel braak lag, de zware taak ondernomen, om de geregelde opleiding van onze aanstaande Dienaren op gang te helpen brengen.
In studievak na studievak had hij zich thuis gezet, en jaar na jaar de Theologische School en de kerken aan zich verplicht door het geven van een breede reeks van lessen, die verre buiten de gewone maat ging.
Daarbij bleef hij de kerken dienen met hulpe in den Dienst des Woords, waar slechts even de gelegenheid des tijds hem vrij liet, en niet minder met raad en voorlichting, waar in allerlei moeilijke vraagstukken een uitweg moest worden gevonden.
Van nature was hij hulpvaardig en minzaam van aard; en man van begaafdheid, over wiens vriendelijke lippen schier nooit een bitter woord gevloeid is.
Zoo vond hij, na lange jaren gedeeld te hebben in den smaad, die al wat van gescheiden huize was, hem achtervolgde, op later jaren meer algemeene waardeering ook buiten eigen kring; en ontving hij van onzen overleden Koning, na Van Velzen, het ridderkruis van den Nederlandschen Leeuw.
Ook het Gymnasium te Zetten mocht hem althans korte jaren nog onder zijn curatoren tellen, en vooral aan zijn optreden is het te danken, dat vele zijner geestverwanten hun zonen aan de zorgen van dit Gymnasium toevertrouwden.
Niet in alles liep hij met ons eenzelfden weg. Zoowel op kerkrechtelijk als op dogmatisch terrein had hij in de periode eener vroegere ontwikkeling zich te zeer vastgezet in de toen geldende denkbeelden, om een jongere ontwikkeling van het Gereformeerde leven van heeler harte te kunnen meêmaken.
Toch heeft hem dit nooit belet steeds gevoelens van vriendschap en waardeering ook voor de mannen van de Doleantie te koesteren, en toen de vereeniging der kerken te Amsterdam tot stand kwam, heeft hij zich met ons verblijd.
Voor de School te Kampen is zijn heengaan een pijnlijke gebeurtenis.
Over zijn talrijk gezin brengt zijn heengaan diepe rouwe.
En ook wij staren hem na als een trouwen broeder, die in de jaren zijner kracht en toch hij met weinigen den last des daags alleen droeg, zich jegens de Gereformeerde kerken verdienstelijk heeft gemaakt.
Moge onze God de zijnen troosten in hun rouwe, en schenke Hij in zijn gunste aan onze Theologische School een man in zijn plaats, die het zoo onverwacht geleden verlies haar moge vergoeden.
Kuyper.
a.
|