De revisie der Westminster Confessie

De Heraut van de Gereformeerde Kerken in Nederland

No. 715 & 716, Amsterdam (De Heraut)
Zondag 6 & 13 September 1891

a


III

I.

Op 21 Mei jl. is de Generale vergadering van de Presbyteriaansche kerken in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika geopend, en kort daarna hebben de Deputaten voor de Revisie der Confessie van Westminster hunne voorstellen tot wijziging en uitbreiding van deze Confessie ingediend.

Het zijn deze voorstellen, die, als strekkende om een der Gereformeerde hoofdconfessiën aanmerkelijk te veranderen, de Gereformeerde kerken in alle landen aangaan; en die derhalve ook in de organen der Gereformeerden hier te lande behooren getoetst te worden aan de beginselen.

Ook wij willen ons aan deze ernstige taak niet onttrekken, en zullen zoo kort en duidelijk, als ons dit mogelijk is, elk punt in quaestie bespreken, zonder in te breede bewijsvoering te vervallen; bereid om bij mogelijke tegenbedenking op elk punt nader in te gaan.

Ziehier achtereenvolgens deze voorstellen, met op elk een woord van critiek.


1º. Voorgestelde wijziging in Hoofdst. I. § 5 handelende van de Heilige Schrift en strekkende, om onder de uitwendige bewijzen voor de Goddelijkheid der Schriftuur ook op te nemen: de geloofwaardigheid der geschiedenis en het getrouwe getuigenis van voorzegging en wonder.

Hoe goed ook bedoeld, kan dit niet. De uitwendige bewijzen voor de Heilige Schrift moeten hun kracht vinden in de uitspraak van ieders onmiddellijk besef, en mogen niet berusten op een wetenschappelijk onderzoek van ons denken. Men had dus wel kunnen spreken van de „vervulling der profetieën” en van de „uitwerking der wonderen”; maar zich te beroepen op de „geloofwaardigheid der historie” is tegen de Gereformeerde usantie, en hoort thuis in de school der supranaturalisten. Het is dan ook hoogst gevaarlijk. Immers, acht dan iemand later, dat eenige dezer historiën niet geloofwaardig is, zoo valt ook voor hem geheel de autoriteit der Heilige Schrift.

*

2º. In zake de praedestinatie stellen deputaten voor § 3 en 4 te schrappen, en met § 5 in een te smelten in dezer voege: „God heeft, voor de grondlegging der wereld, naar zijn eeuwig en onveranderlijk voornemen, en den verborgen raad en het welbehagen van zijnen wil, sommigen der menschheid voorbeschikt ten leven, en heeft ze elk in het bijzonder en op onveranderlijke wijze in Christus tot eeuwige heerlijkheid verkoren, en zulks uit loutere genade en liefde, zonder eenig voorgezien geloof, of voorgeziene goede werken, of voorgeziene volharding in deze, of wat ook in het schepsel, dat gelden zou als voorwaarde of oorzaak, die Hem daartoe bewoog; en dat alles tot prijs van zijn heerlijke genade.”

§ 6 blijft, en luidt aldus:

Gelijck God de Uytverkoorene tot heerlijckheydt bereydt heeft, zoo heeft hy, door het eeuwigh ende gheheel vry voornemen van zijn Wille, alle de middelen daertoe verordineert. Waerom die, welcke Uytverkooren zijn, zijnde ghevallen in Adam, verlost zijn door Christum; krachtelijck gheroepen tot het geloove in Christum door sijn Gheest, werckende ter rechter tijdt; gherechtvaerdight, tot kinderen aenghenomen, gheheylight en bewaert in sijn kracht, door ’t gheloove, tot de saligheydt: Noch gheene andere door Christum verlost, krachtelijck gheroepen, gherechtvaerdight, tot kinderen aenghenomen, gheheylight, en saligh gemaeckt werden, als de Uytverkoorene alleen.

En dan stellen ze voor § 7 aldus te lezen: „Wat aangaat het overige deel van het menschelijk geslacht, zoo heeft het God behaagd, naar den onnaspeurlijken raad zijns willens, waarnaar hij zijn genade schenkt of onthoudt overeenkomstig zijn welbehagen, deze niet ten eeuwigen leven te verkiezen, maar ze te bestemmen tot smaad en toorn vanwege hun zonde, tot den prijs van zijn heerlijke gerechtigheid. Zoo echter dat hierdoor geen beperking wordt aangebracht in de aanbieding van genade aan allen op beding van geloof in Christus; noch ook iemand verlet worde in zijne vrijheid, om dit aanbod aan te nemen.

§ 8 blijft, evenals in den aanvang § 1 en 2, die achtereenvolgens aldus luiden:

§ 1. Godt heeft van alle eeuwigheydt, nae den alwijsen ende heylighen Raedt van sijn eighen wille, vryelijck, en onveranderlijck gheordineert al, watter ghebeurt. Nochtans soo, dat daer door Godt noch de autheur is van de sonde, noch geweldt ghedaen wordt aen de wille der schepselen; noch dat de vryheydt, of gebeurlijckheydt der tweeder oorsaken weghgenomen wort, maer veel eer bevestight.

§ 2. Al hoe wel God weet al ’t gheene, ’t welcke magh of kan geschieden onder dese of geene gestelde conditien; soo heeft hy nochtans geen dingh besloten, om dat hy ’t selve voorsagh te sullen geschieden, of als ’t welcke geschieden soude op sulcke conditien.

§ 8. De leere van dese hooge verborgentheydt der Predestinatie moet met besondere voorsichtigheydt en sorghe ghehandelt worden, dat de menschen acht slaende op Godts Wille in sijn Woordt gheopenbaert, en neffens de selve gehoorsaemheydt betoonende, uyt de sekerheydt van haere krachtighe Roepinghe verseeckert moghen zijn van haere eeuwighe Verkiesinghe. Soo sal dese leere stoffe voortbrenghen tot prijs, eere, ende verwonderinghe van Ghodt; ende tot vernederinge, naerstigheydt, en overvloedighe vertroostinghe voor alle, die den Euangelio oprechtelijck gehoorsamen.

Tegen deze niet zeer belangrijke wijziging bestaan slechts twee bedenkingen.

Vooreerst is het, bij het wegvallen van § 3 en 4 noodzakelijk, om „some of mankind” in § 5, oud, nader te bepalen, opdat duidelijk uitkome, dat de verkiezing over bepaalde personen gaat, b.v. door er achter te plaatsen: „en dat wel bepaalde personen.”

En de tweede bedenking geldt de bijvoeging aan het slot van § 7, oud, „dat niemand verlet wordt in zijn vrijheid, om deze genade aan te nemen.” Deze bijvoeging toch is ten eerste overbodig, daar hetzelfde reeds staat, deels in § 1, deels in de latere sectie over het aanbod van het Evangelie; en ten andere min juist. Niet één enkel zonder toch bezit thans nog de vrije macht, om het aanbod aan te nemen. Die vrijheid van wil verloor hij in den val. Niemand kan het. En die het desniettemin doen, doen het alleen dank zij de bovennatuurlijke genade, die in hen werkt. Al wordt dus zijn vrijheid niet door Gods raadsbesluit maar door zijn eigen zonde gebonden, toch houdt deze bijvoeging geen steek.

Men late dit dus óf weg óf kieze andere woorden.

*

3º. In hoofdstuk IV over de Schepping, is blijkbaar een misverstand ingeslopen.

De oude § 1 luidt daar als volgt:

Het heeft Gode, den VAder, Soon, ende Heyligen Geest behaeght, om te openbaren de heerlijckheydt van sijn eeuwige maght, wijsheydt en goedtheydt, in den beginne te scheppen, of uyt niet te maken de Werelt, ende al dat daer in is, ’tzy sienlijck of onsienlijck, in de tijdt van ses daghen, ende alles seer goedt.

Nu stelt de Commissie voor: wereld te veranderen in heelal; voor „schiep of maakte uit niets” te lezen: „schiep uit niets;” en aan het slot er bij te voegen: „Hemel en aarde, met al wat zij bevatten, zijn door Hem in zes scheppingsdagen gemaakt.”

Dit is kennelijk een toegeven aan de meening der Vermittelungstheologen, die in het scheppingsverhaal niet het verhaal der eigenlijke schepping zien, maar van het vormen van hetgeen bestond tot wat het nu is.

Reeds dit nu mag niet. Daarvoor is deze meening en deze uitlegging van Gen. 1 nog veel te onzeker.

Maar bovendien op die wijs komt „hemel en aarde” buiten het heelal te staan, wat niet kan. Er staat nu toch, dat God eerst het heelal schiep; en daarna, dat „hemel en aarde” in zes dngen geschapen zijn. Dit is nu wel niet zoo bedoeld, maar het staat er. En dit gaat niet aan. „Heelal” is een uitdrukking die aan de Heilige Schrift geheel vreemd is; en „hemel en aarde” bedoelt juist dat alles wat wij het „heelal” noemen, met inbegrip van „zon, maan en starren.”

*

4º. In hoofdstuk VI § 4 stellen Deputaten voor, om de gevolgen der zonden niet te omschrijven, als makende den mensch onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad; maar als „onbekwaam tot geestelijk goed en geneigd tot kwaad”, terwijl ze voorstellen bij deze § te voegen: „Nochtans worden de onwedergeborenen door Gods voorzienig bestel en de gemeene werkingen van den Heiligen Geest weerhouden van veel dat kwaad is en er toe gebracht om vele burgerlijke en maatschappelijke deugden te beoefenen.”

Tegen de bedoeling is ook hier geen bedenking, maar het voorstel kan niet bestaan. De vraag is toch: In welken zin vat ge goed en kwaad, heiligheid en zonde op? In beperkten of in volstrekten zin? Zooals ze voor God gelden, of zoo als ze gelden in onze schatting? En dan moogt ge ze in de Confessie uiteraard niet anders nemen, dan zooals ze voor God gelden, en dus in volstrekten zin. Welnu, in dien zin is de gevallen zondaar niet alleen onbekwaam tot geestelijk goed, maar tot alles, wat dan ook, dat in volstrekten zin, een goed werk zou zijn; daar immers voor God niets goed is, dan wat uit het geloof voortkomt en waarbij zijn eere wordt bedoeld. Dat de zaden niet alleen van sommig kwaad, naar van alle kwaad in ons hart liggen, mag niet verzwakt, of ge verzwakt het begrip der zonde. En wat de bijvoeging betreft, zoo mag zeer zeker beleden, dat God door zijn gemeene genade ook de onwedergeborenen van vele zonden afhoudt en bekwaamt tot veel burgerlijke gerechtigheid, mits er bij sta, dat dit hun schuld niet vermindert.

*

4º. Het hoofdstuk van de Verbondsleer blijft. Alleen stellen Deputaten voor, om de uitlegging van het begrip „Testament” te laten vallen. Iets, waarvan we de noodzakelijkheid wel niet inzien, maar wat geen beginsel raakt, en dus onbesproken kan blijven.

*

5º. Bij het Middelaarswerk stellen zij voor, de belijdenis dat Christus „aan zijns Vaders gerechtigheid voldaan heeft”, te veranderen in: voldaan heeft „aan de Goddelijke gerechtigheid”, om duidelijk te doen uitkomen, dat deze gerechtigheid aan Vader, Zoon en Heiligen Geest gemeen is.

Bedenking levert dit niet op. Alleen zij opgemerkt, dat men dan doorloopende ook de Evangeliën zal moeten veranderen, daar de Heere zelf ontelbare malen van zijn Vader spreekt, waar het daden of eigenschappen geldt, die niet den eersten Persoon in de Drieëenheid, maar het Eeuwige Wezen bedoelen.

*

6º. In hoofdstuk IX van den vrijen wil doen Deputaten den voorslag, om de woorden: „afkeerig van alle goed” (in den zin van geestelijk goed en met de zaligheid gemengd), te veranderen in: „ongeneigd tot alle goed” (indisposed). Alsmede om er bij te voegen: „Evenwel blijft zijn verantwoordelijkheid als een vrij zedelijk wezen hierdoor onaangeroerd.”

De eerste verandering is tegen de Schrift en tegen de diepe opvatting der zonde, die de Schrift ons predikt. De zondaar is een „vijand Gods, van nature hatende en malkander hatende.” De Schrift spreekt dus niet alleen van een neutrale ongeneigdheid, maar zeer bepaaldelijk van een positieve afkeerigheid, iets wat men ten opzichte van het „zaligmakend goed” dagelijks kan bevestigd zien. Al zou dus „ongeneigd” op zich zelf zeer wel kunnen, nu er „afkeerig” staat, mag dit niet weggenomen, of men doet aan de waarheid der Schrift te kort.

De bijvoeging is uitstekend, mits men andere termen kieze. De gevallen zondaar heeft, naar luid der Schrift, geen vrijen wil meer. Men zou dus iets in dezen zin moeten schrijven: „Doch al is door den val de vrijheid van zijn wil te loor gegaan, dit heft in geenen deele zijn verantwoordelijkheid als zedelijk wezen voor God op, noch ontslaat hem van schuld.”

*

7º. In hoofdstuk X § 2 van de krachtige roeping, zegt de Westminster Confessie dit:

Dese krachtige Roepinghe is alleen van Godts vrye ende besondere genade, in ’t minste niet van eenigh dingh in den mensche voorgesien; welcke hier in t’eenemael lijdelijck is tot dat hy levendigh ghemaeckt ende vernieuwt zijnde, door den Heyligen Geest, dae door bequaem ghemaeckt werde, om op dese Roepinghe te antwoorden, ende de aengheboden ghenade te omhelsen, ende sich daer toe te begeven.

Dit nu willen zij zoo veranderen, dat er gelezen wordt: „voorgezien in den mensch, die in de daad der wedergeboorte geheel lijdelijk is; maar levendig gemaakt en vernieuwd zijnde door den Heiligen Geest, is hij in staat Gods roeping te beantwoorden.”

Zakelijk hiertegen geen bedenking. Alleen zij opgemerkt, dat de krachtige roeping in § 2 met de wedergeboorte eensluidend wordt genomen; terwijl de voorgestelde wijziging beide onderscheidt. Dit nu is theologisch in zooverre niet geheel juist, als in de wedergeboorte zelve reeds de aanvang der krachtige roeping in zit.

Geheel onaannemelijk is daarentegen de wijziging in § 3 en 4 voorgesteld.

Daar staat in de Confessie:

De Uytverkoorene kinderen, stervende in kintsheydt zijn wederghebooren, ende saligh door Christum, door den Gheest, welcke werckt, wanneer, waer, ende hoe ’t hem belieft. Even alsoo zijn alle andere persoonen, die onbequaem zijn om uytterlijck geroepen te worden door den Dienst des Woordts.

Andere niet uytverkooren zijnde, al hoe wel sy door den dienst des Woorts geroepen moghen worden, ende eenige gemeyne werckinghen des Gheestes mogen hebben, soo komen sy nochtans nooyt waerlijck tot Christum, ende en konnen derhalven niet saligh worden. Veel minder konnen die menschen de Christelijcke Religie niet belijdende saligh worden door eenighen anderen wegh, welcke die oock zy, of sy schoon noch soo naerstigh zijn haer leven te schicken nae het licht der Nature, ende de wet van die Religie, welcke sy belijden: Ende te dryven, en te handthaven dat sy wel konnen, is seer schadelijck ende te verfoeyen.

Zij daarentegen willen deze aldus lezen:

Alle kinderen, die jong sterven, en alle andere personen, die van hun geboorte tot hun dood onbekwaam zijn, om uitwendig door den Dienst des Woords geroepen te worden, zijn verlost door Christus en wedergeboren door den Heiligen Geest, die werkt wanneer, waar en zooals Hij wil. Anderen, die niet uitverkoren zijn, ook al worden ze door den Dienst des Woords geroepen, en al hebben ze eenige gemeene werkingen van den Heiligen Geest, kunnen nochtans niet behouden worden, in zooverre zij nimmer waarlijk tot Christus komen; noch is er eenige behoudenis langs een anderen weg dan in Christus door den Heiligen Geest, wat ijver de mensch ook betoonen moge, om zijn 1even naar het licht der natuur te regelen, en naar de wet van dien godsdienst die hij belijdt.”

Mocht onverhoopt, wat we niet verwachten, deze wijziging doorgaan, zoo zou, al wat in het hoofdstuk over de Voorbeschikking en Uitverkiezing beleden werd, hierdoor vernietigd zijn; de bodem der Schrift geheel verlaten wezen; en in volstrekten zin met de Calvinistische lijn gebroken zijn.

Want wel stemmen we toe, dat het begin van § 4: „Andere personen, die niet uitverkoren zijn”, recht zou geven tot de conclusie, dat in § 3 alleen uitverkoren kinderen en personen bedoeld zijn; maar waartoe zou dan in § 3 het woord „uitverkoren” bij „kinderen” geschrapt zijn?

Zin heeft deze schrapping alleen, en ze is alleen dan met de Voorbeschikking overeen te brengen, zoo § 3 bedoelt uit te spreken, dat alle kinderen die jong sterven en alle personen die sterven, zonder ooit het Woord te hebben kunnen hooren, zonder onderscheid uitverkoren zijn. Stond dit vast, dan natuurlijk was alles in den haak. Maar waar ter wereld is in de Heilige Schrift voor zulk een bewering genoegzame grond te vinden? Wilde iemand het tegenovergestelde in de Confessie schrijven, het zou evenmin te dulden zijn. Koestert iemand de stille verwachting, dat het wel zoo zijn zal, wie zal hem dien heimelijken wensch ontnemen? Maar als kerk voor de wereld te gaan belijden, en dus als zekere en vaste en ontwijfelbare waarheid te gaan verkondigen dat het zoo is, dit mag niet; daartoe mist men het recht. Men zou dan blijde moeten zijn, zoo al zijne kinderen maar vroeg sterven. Voor het leven van zijn kind te waken wordt dan bijna onmenschelijk. En aan de zending wordt op zulk een wijs een merk van wreedheid opgedrukt. Immers, wie nooit van Jezus hoorde is er dan het veiligst aan toe, en door uw zending verzwaart ge slechts zijn oordeel. Gelijk bekend is sloeg deze uitdrukking in de Confessie alleen op idioten, krankzinnigen enz.

Het „alle” voor kinderen kan dus niet blijven staan, of er moet noodzakelijk bij: being elected. Prof. Warfield heeft dit in de Presbyterian Review van Juli reeds volkomen juist opgemerkt, en het is vooral Hodge, die hier op het dwaalspoor heeft geleid.

De verandering om de verzoening aan Christus en de wedergeboorte aan den Heiligen Geest toe te schrijven, zou op zichzelf wel kunnen, maar strekt nu om den Christus buiten de daad der wederbaring te sluiten; terwijl het toch Christus is, die deze door den Heiligen Geest volbrengt, en deze wedergeboorte tevens een daad des Vaders is.

In § 4 is het „inzooverre” (in as much as) niet zonder bedenking, en ging men stellig veiliger door te lezen „naardien”, of in het Engelsch „as” voor „in as much as.”

De tweede verandering in deze § mengt twee denkbeelden dooréén. Ze houdt terecht staande, dat er buiten Christus geen heil is; maar mengt hierin de mogelijkheid, dat toch Heidenen en Turken, ook zonder de prediking des Woords en dus zonder tot belijdenis van den Christus te komen, nochtans door den Heiligen Geest, op onverklaarbare wijze, Christus worden ingeplant.

Dit nu mag in het 6ZDL(:", en hiertoe hoort elke belijdenis bij uitnemendheid, geen oogenblik geduld. „Het geloof is uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.” En ook „met den mond belijdt men ter zaligheid.” En al hebben wij nu de hand op den mond te leggen, zoo de vraag wordt opgeworpen, of God de Heere niet nog gedachten van zaligheid heeft, waar ons oordeel een einde neemt, zoo mag toch een Christelijke kerk in haar belijdenis nooit anders doen, dan den geopenbaarden weg aanwijzen; en mag uit dien hoofde, waar sprake is van volwassen personen, de „belijdenis der Christelijke religie” hier niet geschrapt.

Althans de zendingsvrienden behooren zoo ernstig mogelijk tegen deze weglating op te komen. Alle zending toch strekt juist, om tot belijdenis van den Christus te brengen.


II. (Slot.)

8º. In hoofdstuk XI van de Rechtvaardigmaking zijn slechts twee kleine wijzigingen voorgesteld. De ééne strekt om voor „de gerechtigheid zijns Vaders” ook hier te lezen de „goddelijke gerechtigheid”; een wijziging die we reeds bespraken. En dan om aan slot van § 1 de woorden: ”welk geloof zij niet uit zich zelven hebben, het is Gods gave”, te verkorten tot deze uitdrukking: „welk geloof Gods gave is”; en alzoo uit te laten de woorden: „dat zij niet uit zich zelven hebben.”

Deze tweede verandering schijnt te rusten op de uitlegkundige meening, dat de woorden in Eph. 2 : 8: „en dit niet uit u,” niet op het geloof slaan, maar op het „zalig geworden”; eene meening die ook Calvijn voorstaat.

Slechts zij opgemerkt, dat bij deze uitlegging ook de woorden: „het is Gods gave” niet op het geloof, maar op de zaligheid slaan, zoodat het kwalijk aangaat, hier de eerste woorden te schrappen en de laatste te laten staan.

Bovendien houdt het gewone bezwaar, dat men tegen de opvatting van deze woorden, als op het geloof slaande, inbrengt, geen oogenblik steek. Het is toch volkomen waar, dat „geloof” in het Grieksch vrouwelijk is, en dat er toch volgt: „en dit niet uit u” in het onzijdig; maar elke goede Grieksche Syntaxis biedt de voorbeelden te kust en te keur, waaruit blijkt, dat zulk een verspringing van geslacht ook in het classieke Grieksch zeer gewoon is.

*

9º. In hoofdstuk XIV willen Deputaten de aanvangwoorden: „De geloofsgenade, waardoor de uitverkorenen bekwaam worden gemaakt om te gelooven,” veranderen in: „waardoor zondaren bekwaam worden gemaakt.

Zij achten dit een meer Schriftuurlijke uitdrukking.

Dit kan toegegeven. Toch wekt het bedenking, om ook hier weer het woord „uitverkorenen” te doen verdwijnen; en deze bedenking zou vervallen, en toch het doel bereikt zijn, zoo men geschreven had: „De geloofsgenade, waardoor zondaren, krachtens hun uitverkiezing”.

*

10º. In hoofdstuk XVI, van de goede werken, stellen de Deputaten voor, niet langer te belijden, dat de werken der onwedergeborenen zondig zijn en Gode niet behagen; maar dat ze niet vrij van zonde zijn, en God ze niet kan aannemen.

Er stond in § 7 dit:

De wercken welcke van onherbooren menschen gedaen worden, al hoe wel sy van weghen hare stoffe dinghen moghen zijn, die Godt geboden heeft, ende van een goedt ghebruyck, beyde, voor haer selfs, ende voor andere: even wel, om dat se niet voortkomen uyt een herte, dat door ’t ghelooye ghereynight is; noch ghedaen zijn op een rechte wijse met het Woort over-een komende, noch tot een recht eynde, tot de heerlijckheydt Godts; daerom zijn sy sondigh, ende en konnen Gode niet behaghen, of den mensche toebereyden, om de gunste van Godt te ontfangen. Ende nochtans is haere versuyminghe van de selve meer sondigh, en Gode mishaghelijck.

Hiervoor nu wil men lezen:

„Werken gedaan door onherboren personen, ofschoon ze dingen mogen zijn die God beveelt en van goed gebruik voor henzelven en anderen, en wel zoo, dat hun verwaarloozing van deze dingen zondig is en Gode mishaagt, zijn toch, overmits ze niet voortkomen uit een door geloof gereinigd hart, noch gedaan op een goede wijs, naar het Woord; noch tot het juiste einde, t.w. de eere Gods; niet vrij van zonde en kunnen door God niet aangenomen worden, noch een mensch geschikt maken om de genade Gods te ontvangen.”

Ook hier heerscht een misverstand. Wat hier van de onwedergeborenen gezegd wordt, is juist omgekeerd waar van de wedergeborenen. Al wat Gods kind doet, blijft met zonde bevlekt, en is van zonde niet vrij. Daarentegen van den onwedergeborene, die dus buiten geloof staat, geldt de vaste apostolische regel: „Al wat uit het geloof niet is, is zonde.” Door deze verandering zou men dus met de Schrift in tegenspraak komen.

Volgens de Schrift kunnen al zulke daden van onwedergeborenen kostelijk, kunnen prijzenswaard, kunnen voorbeeldig in de sfeer van het aardsche leven zijn; maar genomen tegenover God, ontbreekt er juist datgene aan, wat ze doet beantwoorden aan den eisch van zijn heilige weegschaal. Ze zijn zondig in haar wortel.

*

11º. De voorgestelde verandering in hoofdstuk XXI is metterdaad een verbetering. Niet wij kunnen uitmaken, wie al dan niet een zonde tot den dood begaan heeft. 1 Joh. 5 : 16 spreekt dan ook alleen van een niet bidden voor de zonde tot den dood; niet van een niet bidden voor den zondaar.

*

12º. In hoofdstuk XXI is het woord „paapsch” vóór „kloosterlijke gelofte” in der Deputaten voorslag weggevallen. In zooverre hiermee bedoeld is, dat ook de kloosterlijke geloften der Grieksche en andere kerken verkeerd zijn, is hier iets voor te zeggen.

*

Over de voorgestelde wijziging inhoofdstuk XXIII vellen we geen oordeel, daar dit hoofdstuk in art. 3 reeds lang niet meer den inhoud der oorspronkelijke confessie weergeeft. Of men in hoofdstuk XXIV § 3 wil lezen: „de aanhangers van valsche godsdiensten” voor „de papisten en andere afgodendienaars”; en in hoofdstuk XXV § 6 de verklaring dat in den paus de antichrist is verschenen, wil uitlaten, raakt geen beginsel, mits men het afgodisch element in de Mis slechts niet verbloeme, en niet bedektelijk de huwelijken met Roomschen aanmoedige.

Ook de nadere bepaling omtrent de Sleutelmacht levert geen ernstige bedenking op. Daarentegen gaat het niet aan in hoofdstuk XXIX van de „Roomsch-Katholieke leer” te spreken, overmits onze confessie nooit mag toegeven dat de Roomsche kerk de Katholieke is, en het kwaad der Mis evenzeer in de practijk ligt als in de leer.

Wat eindelijk de verandering in hoofdstuk XXIX § 2 en 8 aangaat, om „verdoemenis” door „oordeel” te vervangen, bij onheilig gebruik van het Avondmaal, en in plaats van „offerande voor de zonde der uitverkorenen” te zetten: „offerande voor de zonde,” zoo is het eerste met beroep op 1 Cor. 11 : 29 verdedigbaar; en kan ook het laatste geen bedenking opleveren, mits men er niet door uitspreke, dat God de Heere wel het offer van Christus voor allen beschikt heeft, maar dat het, tegen zijn bedoeling en verwachting, alleen aan de uitverkorenen te goede komt. Dit toch ware in lijnrechten strijd met de Gereformeerde leer, en in beginsel Arminiaansch.

*

En hiermede komen we vanzelf tot de twee nieuwe hoofdstukken, die de Deputaten in willen lasschen, het ééne over het werk van den Heiligen Geest, en het andere over het algemeene aanbod van het Evangelie.

Reeds op zichzelf is de practijk niet aan te bevelen, om in het lichaam zelf der Confessie nieuwe hoofdstukken in te lasschen. Dit verbreekt den logischen gang der gedachte; zet een nieuwen lap op een oud kleed; en mengt in geheel anderen stijl en toon iets in de gezalfde en gewijde taal onzer vaderen.

Een toevoeging of ampliatie aan het slot ware dan o.i. nog altijd verkieslijk geweest.

Doch bovendien behoort opgemerkt, dat het hoofdstuk over den Heiligen Geest onzuiver in zijn formuleering is. Het houdt geen rekenschap met de constante belijdenis onzer vaderen, dat alle „uitgaande werken” aan de drie Personen gemeen zijn; stelt daardoor het werk van den Heiligen Geest te veel op zichzelf; schrijft eenzijdig aan den Heiligen Geest toe, wat, naar luid der Schrift, óf een werking van het ongeschapen Woord in de schepping en onderhouding, óf van den verhoogden Middelaar in het werk der zaligheid is; verzuimt helder te onderscheiden tusschen het gemeene werk van den Heiligen Geest in de wereld en het bijzondere werk van den Heiligen Geest in de verkorenen; en heeft in het algemeen te zeer de strekking, om de transcendentale werkingen der genade en de werkingen door de middelen der genade terug te doen treden voor de immanentie.

Er zou derhalve, wilde men zulk een hoofdstuk opstellen, een veel klaardere en breedere theologische omschrijving noodig zijn. Want hoeveel schoons en goeds de voorgestelde § § ook bevatten, aangenomen, gelijk ze daar staan, leiden ze op bedenkelijke paden en breken ze de eenheid van het verlossingswerk. Vooral de uitspraak, dat de Heilige Geest de prediking des Evangelies ook bij degenen die verloren gaan, verzelt met krachtige werkingen, is in dien zin tegen de Schrift en in strijd met het hoofdstuk over de krachtige roeping.

En wat nu ten slotte aangaat het nieuwe hoofdstuk over het algemeene aanbod van het Evangelie, dit is in lijnrechten strijd met de duidelijkste en geheel eenstemmige uitspraken van al onze Gereformeerde kerken en godgeleerden uit den bloeitijd onzer kerken. Dit hoofdstuk loodst binnen wat zij steeds welbewust bestreden hebben, de dusgenaamde algemeene verzoening. Want wel gaven onze vaderen toe, dat de offerande van Christus van oneindige waardij en alzoo volkomen genoegzaam is om de zonden van alle personen der geheele wereld te verzoenen; maar Deputaten willen, dat de kerken ook belijden zullen, dat deze verzoening behalve sufficient, ook „adapted was to the whole race of mankind” d.w.z. ook door God bereid en „in gereedheid gebracht was voor het geheele verloren geslacht.” En dit nu raakt den wortel der Calvinistische belijdenis, die, steeds alle ding uit de wetenschap van het werk Gods beziende, onmogelijk, zonder zichzelve lijnrecht te weerspreken, tegelijk deze twee kan stellen: Eenerzijds dat God de Heere van eeuwig besloten heeft voor de verkorenen wel en voor de verlorenen niet het middel ter hunner zaligmaking krachtig te doen zijn; en anderzijds dat diezelfde God toch bedoeld zou hebben ook voor de verlorenen het bloed van Christus feitelijk ter zaligheid te doen strekken.

Dit is waar, dat geen dergenen die den Christus verwerpen, zeggen kan: „Voor mij was die offerande ongenoegzaam.” Waar is ook dat de Christus hun moet gepredikt worden. En even waar is het, dat deze prediking van Gods zijde ernstig gemeend is. Maar te zeggen, dat God de offerande van Christus ook voor hen bestemd heeft, doet Gods heilplan op misleiding uitloopen, en legt de beslissing over de vrucht van Jezus’ offerande bij ’s menschen vrijen wil in plaats van in den wille Gods.

Onze slotsom opmakende, kunnen we ons dus bijna geheel vereenigen met het oordeel reeds door verscheidene Calvinistische theologen in Amerika over deze voorstellen o.a. door Prof. Warfield geveld. Er zijn veranderingen voorgesteld, die men zonder bedenking kan aannemen. Er zijn er andere, die er desnoods door kunnen. Maar er zijn er meer nog, die niet in de Westminstersche Confessie kunnen worden opgenomen, zonder algeheele verloochening van het groote werk, dat de vaderen van Westminster hebben volbracht.

Geheel het stel wijzigingen maakt dan ook niet den indruk van eene ontwikkeling der belijdenis te bedoelen, door beter verweer tegen de hedendaagsche theorie van ongeloof en ketterij; en veel min van eene ontwikkeling der Calvinistische grondgedachte. Eer schijnt het, alsof een strengere en slappere richting in de Presbyteriaansche kerk door deze wijzigingen een soort vergelijk willen sluiten; wat er natuurlijk op uit loopt, dat de meer verwaterde Calvinist alles wint, en de meer principieele Calvinist al het gelag betaalt.

Dit merkt men ook daaraan, dat geheel de discussie gelijk die dusver gevoegd werd, minder liep over de vraag, of wat in de Belijdenis staat onbestaanbaar voor de Heilige Schriftuur is, als wel over hetgeen door onderscheidene groepen in de kerk gewenscht werd, en eisch scheen van de jongste, stellig niet Calvinistische ontwikkeling der theologie.

Moge het daarom aan de mannen vol kracht en des Heiligen Geestes in deze kerken gegeven worden, den slag die dreigt, af te wenden, en wat ook gewijzigd worde, de waarheid waarvoor onze martelaren hun kostelijk bloed vergoten, niet te laten verzwakken noch verminken.


Kuyper.




a. Niet eerder opnieuw gepubliceerd. Vgl. nog Calvinisme en Revisie, Amsterdam (J.A. Wormser) 1891, en ‘[Revisie der Westminster Confessie]’, De Heraut No. 714 (30 augustus 1891).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000